Terug naar inhoud
NÛR

Soera 49 · Medinaans · 18 verzen

سورة الحُجُرَاتِ

Al-HujuraatDe Vertrekken

Openbaringsvolgorde: 106 · Juz 26

Voorwoord

Soera Al-Hujurât — ‘de Vertrekken’ (of ‘de Kamers’) — ontleent haar naam aan vers 4, waar Allah de bedoeïenen berispt die de Profeet ﷺ van buiten zijn woonvertrekken toeriepen. Zij is Medinaans en telt achttien verzen. Het is bij uitstek de soera van de adab: de gewijde omgangsregels — eerst tegenover Allah en Zijn Boodschapper, daarna tussen de gelovigen onderling.

Na de oproep om niet vóór Allah en Zijn Boodschapper te lopen en de stem niet boven de zijne te verheffen, ontvouwt de soera een handvest voor de gemeenschap: verifieer het bericht van een verdorvene, sticht vrede tussen strijdende gelovigen, want de gelovigen zijn broeders; vermijd spot, kwetsende bijnamen, achterdocht, bespieden en kwaadspreken — dit laatste vergeleken met het eten van het vlees van je dode broeder. Zij verkondigt dat alle mensen uit één man en één vrouw zijn geschapen en dat de enige adel bij Allah de godsvrees is, en sluit af met het onderscheid tussen ‘islam’ (overgave) en ‘îmân’ (geloof dat het hart binnentreedt): leiding naar het geloof is een gunst van Allah, geen gunst aan Hem.

Verzen 1-3

﴿ ١ ﴾

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تُقَدِّمُوا۟ بَيْنَ يَدَىِ ٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ ۖ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٌۭ

Yaa ayyuhal lazeena aamanoo la tuqaddimoo baina yada yil laahi wa Rasoolihee wattaqul laah; innal laaha samee'un 'Aleem

49:1O jullie die geloven, plaatst julliezelf niet vóór Allah en Zijn Boodschapper, maar vreest Allah. Voorwaar, Allah is Alhorend, Alwetend.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De soera opent met een grens die boven alle andere staat: loop niet vóór Allah en Zijn Boodschapper uit. Geen mening, geen gewoonte, geen eigen smaak mag vooruitlopen op wat Hij beval en wat Zijn Boodschapper bracht. Eerst zwijgen tot hij spreekt, eerst luisteren tot hij beveelt — en dan godsvrees, want Hij hoort élk woord en kent élke bedoeling.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

O jullie die geloven, plaatst julliezelf niet vóór Allah en Zijn Boodschapper. Deze soera bevat de gewijde omgangsregels (adab) tegenover Allah, de Verhevene, en tegenover Zijn Boodschapper ﷺ, met de verheerlijking, eerbied en eer die hem toekomen. Allah gebood Zijn gelovige dienaren datgene wat het geloof in Allah en Zijn Boodschapper vereist: het opvolgen van Allahs geboden en het mijden van Zijn verboden; dat zij in al hun zaken achter de geboden van Allah aan gaan en de Sunna van Zijn Boodschapper ﷺ volgen; en dat zij niet vooruitlopen op Allah en Zijn Boodschapper — dus niets zeggen vóór hij spreekt, en niets bevelen vóór hij beveelt. Dit is de ware aard van de adab die men aan Allah en Zijn Boodschapper verplicht is, en zij is het kenmerk van het geluk en de voorspoed van de dienaar; wie haar verliest, verliest de eeuwige gelukzaligheid en de blijvende vreugde. Hierin ligt een streng verbod om het woord van een ander dan de Boodschapper ﷺ boven zíjn woord te plaatsen; want zodra de Sunna van de Boodschapper ﷺ duidelijk is geworden, is het verplicht haar te volgen en boven al het andere te stellen, wie de ander ook is. Daarna gebood Allah Zijn godsvrees in het algemeen — en dat is, zoals Talq ibn Habîb zei: dat je Allah gehoorzaamt op een licht van Allah, hopend op de beloning van Allah, en dat je de ongehoorzaamheid aan Allah laat op een licht van Allah, vrezend voor de bestraffing van Allah. {Voorwaar, Allah is Alhorend}: van alle geluiden, op alle tijden, op de meest verborgen plaatsen en uit alle richtingen; {Alwetend}: van het uiterlijke en het innerlijke, het voorafgaande en het navolgende, het noodzakelijke, het onmogelijke en het mogelijke. In het noemen van deze twee geweldige namen, ná het verbod om vooruit te lopen op Allah en Zijn Boodschapper en ná het gebod tot godsvrees, ligt een aansporing om die schone geboden en prijzenswaardige omgangsregels op te volgen, en een waarschuwing tegen het tegendeel.

Ibn Kathîr

In de naam van Allah, de Meest Genadevolle, de Meest Barmhartige. {O jullie die geloven, neemt geen beslissing vóór Allah en Zijn Boodschapper, en vreest Allah; voorwaar, Allah is Alhorend, Alwetend.} In deze verzen onderwijst Allah, de Verhevene, Zijn gelovige dienaren de goede manieren die zij met de Boodschapper ﷺ in acht moeten nemen: eerbied, hoogachting en ontzag. {Neemt geen beslissing vóór Allah en Zijn Boodschapper} betekent: haast je niet om beslissingen vóór hem te nemen, maar volg hem in alle zaken. 'Alî ibn Abî Talha leverde over dat Ibn 'Abbâs (moge Allah tevreden over hen zijn) zei: "Zeg niets dat de Koran en de Sunna tegenspreekt." Qatâda zei: "Ons werd verteld dat sommige mensen plachten te zeggen: 'Er zou openbaring moeten neerdalen over die-en-die zaken,' en: 'die-en-die praktijken zouden toegestaan moeten worden.' Allah, de Verhevene, verafschuwde deze houding." {En vreest Allah}: in wat Hij jullie geboden heeft; {voorwaar, Allah is Alhorend}: van jullie woorden; {Alwetend}: van jullie bedoelingen.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim zegt: dat wil zeggen — zeg niets vóór hij spreekt, beveel niets vóór hij beveelt, geef geen fatwa vóór hij een fatwa geeft, en beslis geen zaak vóór híj het is die erin oordeelt en haar ten uitvoer brengt. 'Alî ibn Abî Talha leverde van Ibn 'Abbâs (moge Allah tevreden over hen zijn): "Zeg niets dat tegen het Boek en de Sunna ingaat." Al-'Awfî leverde van hem: "Hun werd verboden te spreken vóór zijn woord." De samenvattende uitleg van het vers is: haast je niet met een woord of een daad vóór de Boodschapper van Allah ﷺ spreekt of handelt. En tot de adab tegenover de Boodschapper ﷺ behoort dat men niet vooruitloopt op hem met een gebod, een verbod, een toestemming of een handeling, totdat hij gebiedt, verbiedt en toestaat. Dit blijft van kracht tot de Dag der Opstanding en is niet afgeschaft: vooruitlopen op zijn Sunna ná zijn dood is als vooruitlopen op hem tijdens zijn leven; er is voor een gezond verstand geen verschil tussen beide. Mujâhid zei: "Loop niet eigenmachtig vooruit op de Boodschapper van Allah ﷺ." En het verheffen van de stem boven de zijne is een oorzaak voor het tenietgaan van de daden — wat dan te denken van het verheffen van meningen en gedachte-uitkomsten boven zijn Sunna en boven wat hij heeft gebracht? Daarna vat hij de werkelijkheid van het gezonde hart (al-qalb as-salîm) samen: het is het hart dat gevrijwaard is van elke vorm van shirk jegens Allah; zijn dienstbaarheid is zuiver voor Allah alleen — in wil, liefde, vertrouwen, inkeer, deemoed, vrees en hoop — en zijn handelen is zuiver voor Allah: heeft het lief, dan heeft het lief omwille van Allah; haat het, dan haat het omwille van Allah; geeft het, dan geeft het omwille van Allah; weerhoudt het, dan weerhoudt het omwille van Allah. En dat volstaat niet, totdat het gevrijwaard is van onderwerping en wetgeving aan ieder behalve de Boodschapper van Allah ﷺ: het knoopt een vaste band met hem alleen, om hem na te volgen en te volgen, in de woorden van het hart (de geloofsovertuigingen), de woorden van de tong (het bericht over wat in het hart leeft), de daden van het hart (wil, liefde, afkeer en hun gevolgen) en de daden van de ledematen. Zo is in dit alles, klein en groot, alleen dat wat de Boodschapper ﷺ heeft gebracht over hem heersend; hij loopt niet vooruit met een geloofsovertuiging, een woord of een daad. Sommige vrome voorgangers zeiden: er is geen handeling, hoe klein ook, of er worden twee registers voor opengeslagen: 'waarom?' en 'hoe?' — waarom deed je het, en hoe deed je het? Het eerste is de vraag naar de oprechtheid (ikhlâs); het tweede de vraag naar het volgen van de Boodschapper ﷺ (mutâba'a). Allah aanvaardt geen daad dan met beide: men ontsnapt aan de eerste vraag door zuivere oprechtheid, en aan de tweede door het verwezenlijken van het volgen, en door de gevrijwaardheid van het hart van elke wil die de oprechtheid tegenwerkt en elke begeerte die het volgen tegenwerkt. Dit is de werkelijke gezondheid van het hart, waaraan redding en gelukzaligheid verbonden zijn.

﴿ ٢ ﴾

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تَرْفَعُوٓا۟ أَصْوَٰتَكُمْ فَوْقَ صَوْتِ ٱلنَّبِىِّ وَلَا تَجْهَرُوا۟ لَهُۥ بِٱلْقَوْلِ كَجَهْرِ بَعْضِكُمْ لِبَعْضٍ أَن تَحْبَطَ أَعْمَٰلُكُمْ وَأَنتُمْ لَا تَشْعُرُونَ

Yaa ayyuhal lazeena aamanoo laa tarfa'ooo aswaatakum fawqa sawtin Nabiyi wa laa tajharoo lahoo bilqawli kajahri ba'dikum liba 'din an tahbata a 'maalukum wa antum laa tash'uroon

49:2O jullie die geloven, verheft jullie stemmen niet boven de stem van de Profeet en spreekt niet luid tegen hem, zoals sommigen van jullie luid tegen elkaar spreken, anders zullen jullie daden vruchteloos worden, terwijl jullie het niet beseffen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Eerbied is niet alleen een houding van het hart, maar ook van de stem. Wie tot de Profeet ﷺ spreekt, dempt zijn stem en spreekt niet tegen hem als tegen een gelijke. De inzet is hoog: een onbedachte luide toon kan daden tenietdoen zonder dat men het merkt. Thâbit ibn Qays, met zijn luide stem, vreesde verloren te zijn — en kreeg juist het Paradijs aangezegd.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarna zei Allah, de Verhevene: {O jullie die geloven, verheft jullie stemmen niet boven de stem van de Profeet en spreekt niet luid tegen hem, zoals sommigen van jullie luid tegen elkaar spreken.} Dit is een omgangsregel jegens de Boodschapper ﷺ bij het tot hem spreken: wie hem aanspreekt, mag zijn stem niet boven de zijne verheffen, noch luid tot hem spreken, maar moet zijn stem dempen en hem aanspreken met beleefdheid, zachtheid, verheerlijking, eer, ontzag en hoogachting. De Boodschapper is niet als een van hen; men onderscheidt hem in het aanspreken, zoals hij van anderen onderscheiden is in het recht dat hij op de gemeenschap heeft, in de verplichting om in hem te geloven, en in de liefde waarzonder het geloof niet volledig is. In het niet nakomen daarvan ligt een gevaar en de vrees dat de daad van de dienaar tenietgaat zonder dat hij het beseft — zoals de adab jegens hem juist behoort tot de oorzaken voor het verkrijgen van de beloning en de aanvaarding van de daden.

Ibn Kathîr

Daarna verbood Allah de stem boven de stem van de Profeet ﷺ te verheffen. Er werd gezegd dat dit vers werd geopenbaard over Aboe Bakr en 'Umar. Al-Bukhârî leverde over dat Ibn Abî Mulayka zei: "De twee rechtschapenen, Aboe Bakr en 'Umar, hadden bijna de ondergang verdiend toen zij hun stemmen verhieven bij de Profeet ﷺ, terwijl hij de afvaardiging van Banî Tamîm ontving. De een beval Al-Aqra' ibn Hâbis aan en de ander een andere man. Aboe Bakr zei tegen 'Umar: 'Je wilde mij slechts tegenspreken,' en 'Umar zei: 'Ik wilde je niet tegenspreken.' Hun stemmen werden toen luid, en daarop zond Allah dit vers neer." 'Abdullah ibn az-Zubayr zei: "Daarna was 'Umars stem zo laag dat de Boodschapper van Allah ﷺ hem moest vragen te herhalen wat hij zei om hem te kunnen verstaan." In een andere overlevering van al-Bukhârî beval Aboe Bakr Al-Qa'qâ' ibn Ma'bad aan als leider en 'Umar Al-Aqra' ibn Hâbis. Muslim leverde deze overlevering niet. Al-Bukhârî leverde ook over dat Anas ibn Mâlik zei: "De Profeet ﷺ miste Thâbit ibn Qays, en een man zei: 'O Boodschapper van Allah, ik zal naar zijn nieuws vragen.' Die man ging naar Thâbit en vond hem thuis zitten met het hoofd gebogen en vroeg hem: 'Wat is er?' Thâbit zei: 'Een kwade zaak!' Hij placht zijn stem boven de stem van de Profeet ﷺ te verheffen en vreesde dat zijn goede daden vergeefs zouden zijn en dat hij tot de mensen van het Vuur zou behoren. De man ging terug naar de Profeet ﷺ en bracht Thâbits woorden over, en keerde toen met heerlijk goed nieuws naar Thâbit terug. De Profeet ﷺ zei: 'Ga naar hem terug en zeg hem: jij behoort niet tot de mensen van het Vuur, maar tot de bewoners van het Paradijs.'" Imâm Ahmad leverde over dat Anas zei: "Toen dit vers werd geopenbaard, zei Thâbit ibn Qays ibn Shammâs, wiens stem luid was: 'Ik was het die zijn stem boven de stem van de Boodschapper van Allah ﷺ verhief. Ik behoor tot de bewoners van het Vuur; mijn daden zijn tevergeefs geweest.' Hij bleef bedroefd thuis, en de Boodschapper van Allah ﷺ merkte zijn afwezigheid op. Mannen gingen naar hem en zeiden: 'De Profeet ﷺ heeft je afwezigheid opgemerkt; wat is er met je?' Hij vertelde hen wat hij had gezegd. Zij gingen naar de Profeet ﷺ, en deze zei: 'Nee, hij behoort tot de bewoners van het Paradijs.'" Anas zei: "Wij zagen Thâbit onder ons lopen, wetend dat hij tot de bewoners van het Paradijs behoorde. Tijdens de slag van Yamâma sloegen onze troepen op de vlucht; toen kwam Thâbit ibn Qays ibn Shammâs, gehuld in zijn balsem en zijn lijkwade, en zei: 'De slechtste gewoonte is die je van je vijand overneemt; geef je metgezellen geen slecht voorbeeld.' En hij vocht door tot hij als martelaar viel, moge Allah tevreden over hem zijn." Vervolgens verbood Allah luid tot de Profeet ﷺ te spreken op een wijze die hem kwetst, en gebood hem aan te spreken met eerbied, hoogachting en kalmte. {Opdat jullie daden niet vruchteloos worden, terwijl jullie het niet beseffen} betekent: Wij geboden jullie de stem niet tegen de Profeet ﷺ te verheffen, opdat hij niet boos op jullie wordt — want daarmee maken jullie ook Allah boos — en de daden van wie de toorn van de Profeet opwekt, gaan teniet zonder dat hij het weet. In de Sahîh staat een overlevering: "Voorwaar, een man spreekt een woord dat Allah behaagt, zonder er belang aan te hechten, en op grond daarvan schrijft Allah voor hem het Paradijs; en een man spreekt een woord dat Allah vertoornt, zonder er belang aan te hechten, en op grond daarvan stort hij in het Vuur, verder dan de afstand tussen hemel en aarde."

Ibn al-Qayyim

Aboe 'Umar leverde, via Hishâm ibn 'Ammâr van Sadaqa ibn Khâlid, van 'Abd ar-Rahmân ibn Yazîd ibn Jâbir, van 'Atâ' al-Khurâsânî, dat de dochter van Thâbit ibn Qays ibn Shammâs vertelde: "Toen het vers {O jullie die geloven, verheft jullie stemmen niet boven de stem van de Profeet} werd geopenbaard, ging mijn vader zijn huis binnen en sloot de deur achter zich. De Boodschapper van Allah ﷺ miste hem en stuurde iemand om naar zijn nieuws te vragen. Hij zei: 'Ik ben een man met een luide stem; ik vrees dat mijn daad is tenietgegaan.' De Profeet ﷺ zei: 'Jij behoort niet tot hen; integendeel, je zult in het goede leven en in het goede sterven.' Daarna openbaarde Allah {Voorwaar, Allah heeft niet lief al wie verwaand en pralend is}; toen sloot hij weer zijn deur en barstte in tranen uit. De Boodschapper van Allah ﷺ miste hem, stuurde iemand, en hij berichtte hem en zei: 'O Boodschapper van Allah, ik houd van schoonheid en ik houd ervan mijn volk te leiden.' Hij zei: 'Jij behoort niet tot hen; integendeel, je zult geprezen leven en als martelaar vallen en het Paradijs binnentreden.'"

﴿ ٣ ﴾

إِنَّ ٱلَّذِينَ يَغُضُّونَ أَصْوَٰتَهُمْ عِندَ رَسُولِ ٱللَّهِ أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ ٱمْتَحَنَ ٱللَّهُ قُلُوبَهُمْ لِلتَّقْوَىٰ ۚ لَهُم مَّغْفِرَةٌۭ وَأَجْرٌ عَظِيمٌ

Innal lazeena yaghud doona aswaatahum 'inda Rasoolil laahi ulaaa'ikal lazeenam tah anal laahu quloobahum littaqwaa; lahum maghfiratunw waajrun 'azeem

49:3Voorwaar, degenen die hun stemmen verzachten in de aanwezigheid van de Boodschapper van Allah: zij zijn degenen wier harten Allah heeft beproeft op Taqwa. Voor hen is er vergeving en een geweldige beloning.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Wie zijn stem uit ontzag voor de Boodschapper ﷺ dempt, doet meer dan beleefd zijn: hij toont een hart dat Allah heeft getoetst en geschikt bevonden voor godsvrees. En de beloning is niet gering — vergeving en een geweldig loon. 'Umar wijst de kern aan: het ware hart is niet dat zonder begeerte, maar dat de begeerte voelt en zich tóch beheerst omwille van Allah.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarna prees Allah hen die hun stem dempten bij de Boodschapper van Allah ﷺ, met de woorden dat Allah hun harten heeft beproefd op godsvrees — dat wil zeggen: Hij heeft ze op de proef gesteld en getoetst, en de uitkomst was dat hun harten geschikt bleken voor de godsvrees. Daarna beloofde Hij hun vergeving voor hun zonden — wat het wegnemen van het kwade en het ongewenste inhoudt — en het verkrijgen van de geweldige beloning, waarvan niemand de beschrijving kent dan Allah, de Verhevene, en waarin alles ligt wat geliefd is. Hierin is een bewijs dat Allah de harten beproeft met het gebod, het verbod en de beproevingen: wie vasthoudt aan het gebod van Allah, Zijn welbehagen volgt, zich daartoe haast en het boven zijn begeerte stelt, wordt zuiver gelouterd voor de godsvrees, en zijn hart wordt daarvoor geschikt; en wie niet zo is, van hem wordt bekend dat hij niet geschikt is voor de godsvrees.

Ibn Kathîr

{Voorwaar, degenen die hun stemmen verzachten in de aanwezigheid van de Boodschapper van Allah: zij zijn degenen wier harten Allah heeft beproefd op godsvrees} — wier harten Allah heeft gelouterd en tot een verblijfplaats en woning voor de godsvrees heeft gemaakt; {voor hen is er vergeving en een geweldige beloning}. Imâm Ahmad leverde in het Boek van az-Zuhd over dat Mujâhid zei: "Iemand schreef aan 'Umar: 'O Leider der gelovigen, wie is beter: een man die geen begeerte voelt om een zonde te begaan en haar niet begaat, of een man die de begeerte voelt om een zonde te begaan, maar haar niet begaat?' 'Umar antwoordde: 'Wie de begeerte voelt om een zonde te begaan, maar haar niet begaat — {zij zijn degenen wier harten Allah heeft beproefd op godsvrees; voor hen is er vergeving en een geweldige beloning}.'"

Arabische grondtekst & bron — verzen 1-3

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Hujurât · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Hujurât · onverkorte editie (Arabisch + Engelse vertaling).

تَفْسِيرُ سُورَةِ الْحُجُرَاتِ وَهِيَ مَدَنِيَّةٌ [[في أ: "وهي مدنية ثمان عشرة آية".]] . بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ * * هَذِهِ آدَابٌ [[في م: "آيات".]] ، أَدَّبَ اللَّهُ بِهَا عِبَادَهُ الْمُؤْمِنِينَ فِيمَا يُعَامِلُونَ بِهِ الرَّسُولَ ﷺ مِنَ التَّوْقِيرِ وَالِاحْتِرَامِ وَالتَّبْجِيلِ وَالْإِعْظَامِ، فَقَالَ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تُقَدِّمُوا بَيْنَ يَدَيِ اللَّهِ وَرَسُولِهِ [وَاتَّقُوا اللَّهَ] ﴾ [[زيادة من م.]] ، أَيْ: لَا تُسْرِعُوا فِي الْأَشْيَاءِ بَيْنَ يَدَيْهِ، أَيْ: قَبْلَهُ، بَلْ كُونُوا تَبَعًا لَهُ فِي جَمِيعِ الْأُمُورِ، حَتَّى يَدْخُلَ فِي عُمُومِ هَذَا الْأَدَبِ الشَّرْعِيِّ حَدِيثُ مُعَاذٍ، [إِذْ] [[زيادة من ت، وفي أ: "حيث".]] قَالَ لَهُ النَّبِيُّ ﷺ حِينَ بَعَثَهُ إِلَى الْيَمَنِ: "بِمَ تَحْكُمُ؟ " قَالَ: بِكِتَابِ اللَّهِ. قَالَ: "فَإِنْ لَمْ تَجِدْ؟ " قَالَ: بِسُنَّةِ رَسُولِ اللَّهِ. قَالَ: "فَإِنْ لَمْ تَجِدْ؟ " قَالَ: أَجْتَهِدُ رَأْيِي، فَضَرَبَ فِي صَدْرِهِ وَقَالَ: "الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي وَفَّقَ رسولَ رسولِ اللَّهِ، لِمَا يَرْضَى رَسُولُ اللَّهِ". وَقَدْ رَوَاهُ أَحْمَدُ، وَأَبُو دَاوُدَ، وَالتِّرْمِذِيُّ، وَابْنُ مَاجَهْ [[سبق الكلام عليه في مقدمة الكتاب.]] . فَالْغَرَضُ مِنْهُ أَنَّهُ أَخَّرَ رَأْيَهُ وَنَظَرَهُ وَاجْتِهَادَهُ إِلَى مَا بَعْدَ الْكِتَابِ وَالسُّنَّةِ، وَلَوْ قَدَّمَهُ قَبْلَ الْبَحْثِ عَنْهُمَا لَكَانَ مِنْ بَابِ التَّقْدِيمِ بَيْنَ يَدَيِ اللَّهِ وَرَسُولِهِ. قَالَ عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَلْحَةَ، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ: ﴿لَا تُقَدِّمُوا بَيْنَ يَدَيِ اللَّهِ وَرَسُولِهِ﴾ : لَا تَقُولُوا خِلَافَ الْكِتَابِ وَالسُّنَّةِ. وَقَالَ العَوْفي عَنْهُ: نَهَى [[في ت، م، أ: "نهوا".]] أَنْ يَتَكَلَّمُوا بَيْنَ يَدَيْ كَلَامِهِ. وَقَالَ مُجَاهِدٌ: لَا تَفْتَاتُوا عَلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ بِشَيْءٍ، حَتَّى يَقْضِيَ اللَّهُ عَلَى لِسَانِهِ. وَقَالَ الضَّحَّاكُ: لَا تَقْضُوا أَمْرًا دُونَ اللَّهِ وَرَسُولِهِ مِنْ شَرَائِعِ دِينِكُمْ. وَقَالَ سُفْيَانُ الثَّوْرِيُّ: ﴿لَا تُقَدِّمُوا بَيْنَ يَدَيِ اللَّهِ وَرَسُولِهِ﴾ بقول ولا فعل. وَقَالَ الْحَسَنُ الْبَصْرِيُّ: ﴿لَا تُقَدِّمُوا بَيْنَ يَدَيِ اللَّهِ وَرَسُولِهِ﴾ قَالَ: لَا تَدْعُوا قَبْلَ الْإِمَامِ. وَقَالَ قَتَادَةُ: ذُكِرَ لَنَا أَنَّ نَاسًا كَانُوا يَقُولُونَ: لَوْ أُنْزِلَ فِي كَذَا كَذَا، وَكَذَا لَوْ صُنِعَ كَذَا، فَكَرِهَ اللَّهُ ذَلِكَ، وَتَقَدَّمَ فِيهِ. ﴿وَاتَّقُوا اللَّهَ﴾ أَيْ: فِيمَا أَمَرَكُمْ بِهِ، ﴿إِنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ﴾ أَيْ: لِأَقْوَالِكُمْ ﴿عَلِيمٌ﴾ بِنِيَّاتِكُمْ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَرْفَعُوا أَصْوَاتَكُمْ فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ﴾ : هَذَا أَدَبٌ ثَانٍ أَدَّبَ اللَّهُ بِهِ الْمُؤْمِنِينَ أَلَّا يَرْفَعُوا أَصْوَاتَهُمْ بَيْنَ يَدَيِ النَّبِيِّ ﷺ [فَوْقَ صَوْتِهِ] [[زيادة من ت، م، أ.]] . وَقَدْ رُوِيَ أَنَّهَا نَزَلَتْ فِي الشَّيْخَيْنِ أَبِي بَكْرٍ وَعُمَرَ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمَا. وَقَالَ الْبُخَارِيُّ: حَدَّثَنَا بُسْرَةُ بْنُ صَفْوَانَ اللَّخْمِيُّ، حَدَّثَنَا نَافِعِ بْنِ عُمَرَ، عَنِ ابْنِ أَبِي مُلَيْكَة قَالَ: كَادَ الخيِّران أَنْ يَهْلَكَا، أَبُو بَكْرٍ وَعُمَرُ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمَا، رَفَعَا أَصْوَاتَهُمَا عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ حِينَ قَدِمَ عَلَيْهِ رَكْبُ بَنِي تَمِيمٍ، فَأَشَارَ أَحَدُهُمَا بِالْأَقْرَعِ بْنِ حَابِسٍ أَخِي بَنِي مُجَاشِعٍ، وَأَشَارَ الْآخَرُ بِرَجُلٍ آخَرَ -قَالَ نَافِعٌ: لَا أَحْفَظُ اسْمَهُ-فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ لِعُمَرَ: مَا أَرَدْتَ إِلَّا خِلَافِي. قَالَ: مَا أَرَدْتُ خِلَافَكَ. فَارْتَفَعَتْ أَصْوَاتُهُمَا فِي ذَلِكَ، فَأَنْزَلَ اللَّهُ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَرْفَعُوا أَصْوَاتَكُمْ فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ وَلا تَجْهَرُوا لَهُ بِالْقَوْلِ كَجَهْرِ بَعْضِكُمْ لِبَعْضٍ﴾ الْآيَةَ، قَالَ ابْنُ الزُّبَيْرِ: فَمَا كَانَ عُمَرُ يسمعُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ بَعْدَ هَذِهِ الْآيَةِ حَتَّى يَسْتَفْهِمَهُ، وَلَمْ يَذْكُرْ ذَلِكَ عَنْ أَبِيهِ: يَعْنِي أَبَا بَكْرٍ رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ. انْفَرَدَ بِهِ دُونَ مُسْلِمٍ [[صحيح البخاري برقم (٤٨٤٥) .]] . ثُمَّ قَالَ الْبُخَارِيُّ: حَدَّثَنَا حَسَنُ بْنُ مُحَمَّدٍ، حَدَّثَنَا حَجَّاج، عَنِ ابْنُ جُرَيْج، حَدَّثَنِي ابْنُ أَبِي مُلَيْكَةَ: أَنَّ عَبْدَ اللَّهِ بْنَ الزُّبَيْرِ أَخْبَرَهُ: أَنَّهُ قَدم رَكْبٌ مِنْ بَنِي تَمِيمٍ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ: أَمِّرِ القعقاعَ بْنَ مَعْبد. وَقَالَ عُمَرُ: بَلْ أَمِّرِ الْأَقْرَعَ بْنَ حَابِسٍ، فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ: مَا أَرَدْتَ إِلَى -أَوْ: إِلَّا-خِلَافِي. فَقَالَ عُمَرُ: مَا أردتُ خلافَك، فَتَمَارَيَا حَتَّى ارْتَفَعَتْ أَصْوَاتُهُمَا، فَنَزَلَتْ فِي ذَلِكَ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تُقَدِّمُوا بَيْنَ يَدَيِ اللَّهِ وَرَسُولِهِ﴾ ، حَتَّى انْقَضَتِ الْآيَةُ، ﴿وَلَوْ أَنَّهُمْ صَبَرُوا حَتَّى تَخْرُجَ إِلَيْهِمْ﴾ الْآيَةَ [الْحُجُرَاتِ: ٥] . وَهَكَذَا رَوَاهُ هَاهُنَا مُنْفَرِدًا بِهِ أَيْضًا [[صحيح البخاري برقم (٤٨٤٧) .]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] الْحَافِظُ أَبُو بَكْرٍ الْبَزَّارُ فِي مُسْنَدِهِ: حَدَّثَنَا الْفَضْلُ بْنُ سَهْلٍ، حَدَّثَنَا إِسْحَاقُ بْنُ مَنْصُورٍ، حَدَّثَنَا حُصَيْنُ بْنُ عُمَر، عَنْ مُخَارق، عَنْ طَارِقِ بْنِ شِهَابٍ، عَنْ أَبِي بَكْرٍ الصِّدِّيقِ قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ هَذِهِ الْآيَةُ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَرْفَعُوا أَصْوَاتَكُمْ فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ﴾ ، قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، وَاللَّهِ لَا أُكَلِّمُكَ إلا كأخي السّرار [[مسند البزار برقم (٢٢٥٧) "كشف الأستار" وقال: "لا نعلمه يروى متصلا إلا عن أبي بكر، وحصين حدث بأحاديث لم يتابع عليها، ومخارق مشهور، ومن عداه أجلاء".]] . حُصَيْنُ بْنُ عُمَرَ هَذَا -وَإِنْ كَانَ ضَعِيفًا-لَكِنْ قَدْ رَوَيْنَاهُ مِنْ حَدِيثِ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ عَوْفٍ، وَأَبِي هُرَيْرَةَ [رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ] [[زيادة من أ.]] بِنَحْوِ ذَلِكَ، وَاللَّهُ أَعْلَمُ [[أما حديث أبي هريرة فرواه الحاكم في المستدرك (٢/٤٦٢) من طَرِيقِ مُحَمَّدِ بْنِ عَمْرٍو عَنْ أَبِي سَلَمَةَ عنه، وقال: "صَحِيحُ الْإِسْنَادِ عَلَى شَرْطِ مُسْلِمٍ وَلَمْ يُخْرِجَاهُ" ووافقه الذهبي.]] . وَقَالَ الْبُخَارِيُّ: حَدَّثَنَا عَلِيُّ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ، حَدَّثَنَا أَزْهَرُ بْنُ سَعْدٍ، أَخْبَرَنَا ابْنُ عَوْنٍ، أَنْبَأَنِي مُوسَى بْنِ أَنَسٍ [[في ت: "وروى البخاري بسنده".]] ، عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ افْتَقَدَ ثَابِتَ بْنَ قَيْسٍ، فَقَالَ رَجُلٌ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، أَنَا أَعْلَمُ لَكَ عِلْمَهُ. فَأَتَاهُ فَوَجَدَهُ فِي بَيْتِهِ مُنَكِّسًا رَأْسَهُ، فَقَالَ لَهُ: مَا شَأْنُكَ؟ فَقَالَ: شَرٌّ، كَانَ يَرْفَعُ صَوْتَهُ فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَدْ حَبِطَ عَمَلُهُ، فَهُوَ مِنْ أَهْلِ النَّارِ. فَأَتَى الرَّجُلُ النَّبِيَّ ﷺ فَأَخْبَرَهُ أَنَّهُ قَالَ كَذَا وَكَذَا، قَالَ مُوسَى: فَرَجَعَ إِلَيْهِ الْمَرَّةَ الْآخِرَةَ بِبِشَارَةٍ عَظِيمَةٍ فَقَالَ: "اذْهَبْ إِلَيْهِ فَقُلْ لَهُ: إِنَّكَ لَسْتَ مِنْ أَهْلِ النَّارِ، وَلَكِنَّكَ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ" تَفَرَّدَ بِهِ الْبُخَارِيُّ مِنْ هَذَا الْوَجْهِ [[صحيح البخاري برقم (٤٨٤٦) .]] . وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا هَاشِمٌ، حَدَّثَنَا [[في ت: "ابن".]] سُلَيْمَانُ بْنُ الْمُغِيرَةِ، عَنْ ثَابِتٍ، عَنْ أَنَسٍ قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ هَذِهِ الْآيَةُ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَرْفَعُوا أَصْوَاتَكُمْ فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ﴾ إِلَى: ﴿وَأَنْتُمْ لَا تَشْعُرُونَ﴾ ، وَكَانَ ثَابِتُ بْنُ قَيْسِ بْنِ الشَّمَّاسِ رَفِيعَ الصَّوْتِ فَقَالَ: أَنَا الَّذِي كُنْتُ أَرْفَعُ صَوْتِي عَلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ حَبِطَ عَمَلِي، أَنَا مِنْ أَهْلِ النَّارِ، وَجَلَسَ فِي أَهْلِهِ حَزِينًا، فَفَقَدَهُ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، فَانْطَلَقَ بَعْضُ الْقَوْمِ إِلَيْهِ فَقَالُوا لَهُ: تَفَقَّدَكَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ، مَا لَكَ؟ قَالَ: أَنَا الَّذِي أَرْفَعُ صَوْتِي فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ ﷺ، وَأَجْهَرُ لَهُ بِالْقَوْلِ حَبِطَ عَمَلِي، أَنَا مِنْ أَهْلِ النَّارِ. فَأَتَوُا النَّبِيَّ ﷺ فَأَخْبَرُوهُ بِمَا قَالَ، فَقَالَ: "لَا بَلْ هُوَ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ". قَالَ أَنَسٌ: فَكُنَّا نَرَاهُ يَمْشِي بَيْنَ أَظْهُرِنَا، وَنَحْنُ نَعْلَمُ أَنَّهُ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ. فَلَمَّا كَانَ يَوْمُ الْيَمَامَةِ كَانَ فِينَا بَعْضُ الِانْكِشَافِ، فَجَاءَ ثَابِتُ بْنُ قَيْسِ بْنِ شَمَّاسٍ، وَقَدْ تَحَنَّطَ وَلَبِسَ كَفَنَهُ، فَقَالَ: بِئْسَمَا تُعوّدون أَقْرَانَكُمْ. فَقَاتَلَهُمْ حَتَّى قُتل [[في ت: "حتى قتل رحمه الله".]] [[المسند (٣/١٣٧) .]] . وَقَالَ مُسْلِمٌ: حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرِ بْنُ أَبِي شَيْبَةَ، حَدَّثَنَا الْحَسَنُ بْنُ مُوسَى، حَدَّثَنَا حَمَّادِ بْنِ سَلَمَةَ، عَنْ ثَابِتٍ البُناني، عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ هَذِهِ الْآيَةُ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَرْفَعُوا أَصْوَاتَكُمْ فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ﴾ إِلَى آخِرِ الْآيَةِ، جَلَسَ ثَابِتٌ فِي بَيْتِهِ، قَالَ: أَنَا مِنْ أَهْلِ النَّارِ. وَاحْتَبَسَ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ [[في م: "فسأل".]] النَّبِيُّ ﷺ لِسَعْدِ بْنِ مُعَاذٍ: "يَا أَبَا عَمْرٍو، مَا شَأْنُ ثَابِتٍ؟ أَشْتَكَى؟ " فَقَالَ سَعْدٌ: إِنَّهُ لَجَارِي، وَمَا عَلِمْتُ لَهُ بِشَكْوَى. قَالَ: فَأَتَاهُ سَعْدٌ فَذَكَرَ لَهُ قَوْلَ رسول الله [[في م: "النبي".]] صلى الله عليه وسلم، فقال ثَابِتٌ: أُنزلَت هَذِهِ الْآيَةُ، وَلَقَدْ عَلِمْتُمْ أَنِّي مِنْ أَرْفَعِكُمْ صَوْتًا عَلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، فَأَنَا مِنْ أَهْلِ النَّارِ. فَذَكَرَ ذَلِكَ سَعْدٌ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وسلم: "بل، هو من أهل الجنة". ثُمَّ رَوَاهُ مُسْلِمٌ عَنْ أَحْمَدَ بْنِ سَعِيدٍ [[في أ: "سعد".]] الدَّارِمِيِّ، عَنْ حَيَّان بْنِ هِلَالٍ، عَنْ سُلَيْمَانَ بْنِ الْمُغِيرَةِ، بِهِ، قَالَ: وَلَمْ يَذْكُرْ سَعْدَ بْنَ مُعَاذٍ. وَعَنْ قَطَنِ بْنِ نُسَير عَنْ جَعْفَرِ بْنِ سُلَيْمَانَ [[في م: "مسلم".]] ، عَنْ ثَابِتٍ، عَنْ أَنَسٍ بِنَحْوِهِ. وَقَالَ: لَيْسَ فِيهِ ذِكْرُ سَعْدِ بْنِ مُعَاذٍ. حَدَّثَنَا هُرَيم [[في م: "هدبة".]] بْنُ عَبْدِ الْأَعْلَى الْأَسَدِيُّ، حَدَّثَنَا الْمُعْتَمِرُ بْنُ سُلَيْمَانَ، سَمِعْتُ أَبِي يَذْكُرُ، عَنْ ثَابِتٍ، عَنْ أَنَسٍ قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ هَذِهِ الْآيَةُ، وَاقْتَصَّ الْحَدِيثَ، وَلَمْ يَذْكُرْ سَعْدَ بْنَ مُعَاذٍ، وَزَادَ: فَكُنَّا نَرَاهُ يَمْشِي بَيْنَ أَظْهُرِنَا رَجلٌ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ. [[صحيح مسلم برقم (١١٩) .]] . فَهَذِهِ الطُّرُقُ الثَّلَاثُ مُعَلّلة لِرِوَايَةِ حَمَّادِ بْنِ سَلَمَةَ، فِيمَا تَفَرَّدَ بِهِ مِنْ ذِكْرِ سَعْدِ بْنِ مُعَاذٍ. وَالصَّحِيحُ: أَنَّ حَالَ نُزُولِ هَذِهِ الْآيَةِ لَمْ يَكُنْ سَعْدُ بْنُ مُعَاذٍ مَوْجُودًا؛ لِأَنَّهُ كَانَ قَدْ مَاتَ بَعْدَ بَنِي قُرَيْظَةَ بِأَيَّامٍ قَلَائِلَ سَنَةَ خَمْسٍ، وَهَذِهِ الْآيَةُ نَزَلَتْ فِي وَفْدِ بَنِي تَمِيمٍ، وَالْوُفُودُ إِنَّمَا تَوَاتَرُوا فِي سَنَةِ تِسْعٍ مِنَ الْهِجْرَةِ، وَاللَّهُ أَعْلَمُ. وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنَا أَبُو كُرَيْب، حَدَّثَنَا زَيْدُ بْنُ الحُبَاب، حَدَّثَنَا أَبُو ثَابِتٍ بْنُ ثَابِتِ بْنِ قَيْسِ بْنِ شمَّاس، حَدَّثَنِي عَمِّي إِسْمَاعِيلُ بْنُ مُحَمَّدِ بْنِ ثَابِتِ بْنِ قَيْسِ بْنِ شَمَّاسٍ، عَنْ أَبِيهِ قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ هَذِهِ الْآيَةُ: ﴿لَا تَرْفَعُوا أَصْوَاتَكُمْ فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ وَلا تَجْهَرُوا لَهُ بِالْقَوْلِ﴾ قَالَ: قَعَدَ ثَابِتُ بْنُ قَيْسٍ [[في أ: "ثابت بن قيس بن شماس".]] فِي الطَّرِيقِ يَبْكِي، قَالَ: فَمَرَّ بِهِ عَاصِمُ بْنُ عِدِيٍّ مِنْ بَنِي العَجلان، فَقَالَ: مَا يُبْكِيكَ يَا ثَابِتُ؟ قَالَ: هَذِهِ الْآيَةُ، أَتَخَوَّفُ أَنْ تَكُونَ نَزَلَتْ فيَّ وَأَنَا صَيِّتٌ، رَفِيعُ الصَّوْتِ. قَالَ: فَمَضَى عَاصِمُ بْنُ عَدِيٍّ إلى رسول الله صلى الله عليه وسلم قَالَ: وَغَلَبَهُ الْبُكَاءُ، فَأَتَى امْرَأَتَهُ جَمِيلَةَ ابْنَةَ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ أُبَيِّ بْنِ سَلُولَ فَقَالَ لَهَا: إِذَا دخلتُ بَيْتَ فَرَسي فَشُدِّي عَلَيّ الضبَّة بِمِسْمَارٍ فَضَرَبَتْهُ بِمِسْمَارٍ حَتَّى إِذَا خَرَجَ عَطَفَهُ، وَقَالَ: لَا أَخْرُجُ حَتَّى يَتَوَفَّانِي اللَّهُ، عَزَّ وَجَلَّ، أَوْ يَرْضَى عَنِّي رَسُولَ اللَّهِ ﷺ. قال: وَأَتَى عَاصِمٌ رسولَ اللَّهِ ﷺ فَأَخْبَرَهُ خَبَرَهُ، فَقَالَ: "اذْهَبْ فَادْعُهُ لِي". فَجَاءَ عَاصِمُ إِلَى الْمَكَانِ فَلَمْ يَجِدْهُ، فَجَاءَ إِلَى أَهْلِهِ فَوَجَدَهُ فِي بَيْتِ الفَرَس، فَقَالَ لَهُ: إِنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ يَدْعُوكَ. فَقَالَ: اكْسِرِ الضَّبَّةَ. قَالَ: فَخَرَجَا فَأَتَيَا [[في أ: "حتى أتيا".]] النَّبِيِّ ﷺ فَقَالَ لَهُ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "مَا يُبْكِيكَ يَا ثَابِتُ؟ ". فَقَالَ: أَنَا صَيِّتٌ وَأَتَخَوَّفُ أَنْ تَكُونَ هَذِهِ الْآيَةُ نَزَلَتْ فِيَّ: ﴿لَا تَرْفَعُوا أَصْوَاتَكُمْ فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ وَلا تَجْهَرُوا لَهُ بِالْقَوْلِ﴾ . فَقَالَ لَهُ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "أَمَا تَرْضَى أَنْ تَعِيش حَميدًا، وَتُقْتَلَ شَهِيدًا، وَتَدْخُلَ الْجَنَّةَ؟ ". فَقَالَ: رَضِيتُ بِبُشْرَى اللَّهُ وَرَسُولُهُ ﷺ، وَلَا أَرْفَعُ صَوْتِي أَبَدًا عَلَى صَوْتِ النَّبِيِّ ﷺ. قَالَ: وَأَنْزَلَ اللَّهُ: ﴿إِنَّ الَّذِينَ يَغُضُّونَ أَصْوَاتَهُمْ عِنْدَ رَسُولِ اللَّهِ أُولَئِكَ الَّذِينَ امْتَحَنَ اللَّهُ قُلُوبَهُمْ لِلتَّقْوَى﴾ [[في أ: بعدها: " لهم مغفرة وأجر عظيم " بدل "الآية".]] . [[تفسير الطبري (٢٦/٧٥) .]] وَقَدْ ذَكَرَ هَذِهِ الْقِصَّةَ غَيْرُ وَاحِدٍ مِنَ التَّابِعِينَ كَذَلِكَ، فَقَدْ نَهَى اللَّهُ عَزَّ وَجَلَّ، عن رفع الأصوات بِحَضْرَةِ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، وَقَدْ رُوِّينَا عَنْ أَمِيرِ الْمُؤْمِنِينَ عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ [رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ] [[زيادة من ت.]] أَنَّهُ سَمِعَ صَوت رَجُلَيْنِ فِي مَسْجِدِ رَسُولِ اللَّهِ [[في ت، م: "النبي".]] ﷺ قَدِ ارْتَفَعَتْ أَصْوَاتُهُمَا، فَجَاءَ، فَقَالَ: أَتَدْرِيَانِ أَيْنَ أَنْتُمَا؟ ثُمَّ قَالَ: مِن أَيْنَ أَنْتُمَا؟ قَالَا مِنْ أَهْلِ الطَّائِفِ. فَقَالَ: لَوْ كُنْتُمَا مِنْ أَهْلِ الْمَدِينَةِ لَأَوْجَعْتُكُمَا ضَرْبًا [[رواه البخاري في صحيحه برقم (٤٧٠) من طريق السائب بن يزيد فذكره.]] . وَقَالَ الْعُلَمَاءُ: يُكْرَهُ رَفْعُ الصَّوْتِ عِنْدَ قَبْرِهِ، كَمَا كَانَ يُكْرَهُ فِي حَيَاتِهِ؛ لِأَنَّهُ مُحْتَرَمٌ حَيًّا وَفِي قَبْرِهِ، صَلَوَاتُ اللَّهِ وَسَلَامُهُ عَلَيْهِ [[في ت: "صلى الله عليه وسلم".]] ، دَائِمًا. ثُمَّ نَهَى عَنِ الْجَهْرِ لَهُ بِالْقَوْلِ كَمَا يَجْهَرُ الرَّجُلُ لِمُخَاطِبِهِ مِمَّنْ عَدَاهُ، بَلْ يُخَاطَبُ بِسَكِينَةٍ وَوَقَارٍ وَتَعْظِيمٍ؛ وَلِهَذَا قَالَ: ﴿وَلا تَجْهَرُوا لَهُ بِالْقَوْلِ كَجَهْرِ بَعْضِكُمْ لِبَعْضٍ﴾ ، كَمَا قَالَ: ﴿لَا تَجْعَلُوا دُعَاءَ الرَّسُولِ بَيْنَكُمْ كَدُعَاءِ بَعْضِكُمْ بَعْضًا﴾ [النُّورِ: ٦٣] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿أَنْ تَحْبَطَ أَعْمَالُكُمْ وَأَنْتُمْ لَا تَشْعُرُونَ﴾ أَيْ: إِنَّمَا نَهَيْنَاكُمْ عَنْ رَفْعِ الصَّوْتِ عِنْدَهُ خَشْيَةَ أَنْ يَغْضَبَ مِنْ ذَلِكَ، فَيَغْضَبُ اللَّهُ لِغَضَبِهِ، فَيُحْبِطَ اللَّهُ عَمَلَ مَنْ أَغْضَبَهُ وَهُوَ لَا يَدْرِي، كَمَا جَاءَ فِي الصَّحِيحِ: "إِنَّ الرَّجُلَ لَيَتَكَلَّمُ بِالْكَلِمَةِ مِنْ رِضْوَانِ اللَّهِ لَا يُلقي لَهَا بَالا يُكْتَبُ لَهُ بِهَا الْجَنَّةُ. وَإِنَّ الرَّجُلَ لَيَتَكَلَّمُ بِالْكَلِمَةِ مِنْ سَخَط اللَّهِ لَا يُلقي لَهَا بَالًا يَهْوِي بِهَا فِي النَّارِ أَبْعَدَ مَا بَيْنَ السموات وَالْأَرْضِ" [[صحيح البخاري برقم (٦٤٧٨) من حديث أبي هريرة رضي الله عنه.]] . ثُمَّ نَدَبَ اللَّهُ عَزَّ وَجَلَّ [[في ت: "سبحانه وتعالى".]] ، إِلَى خَفْضِ الصَّوْتِ عِنْدَهُ، وحَثّ عَلَى ذَلِكَ، وَأَرْشَدَ إِلَيْهِ، ورغَّب فِيهِ، فَقَالَ: ﴿إِنَّ الَّذِينَ يَغُضُّونَ أَصْوَاتَهُمْ عِنْدَ رَسُولِ اللَّهِ أُولَئِكَ الَّذِينَ امْتَحَنَ اللَّهُ قُلُوبَهُمْ لِلتَّقْوَى﴾ أَيْ: أَخْلَصَهَا لَهَا وَجَعَلَهَا أَهْلًا وَمَحَلًّا ﴿لَهُمْ مَغْفِرَةٌ وَأَجْرٌ عَظِيمٌ﴾ . وَقَدْ قَالَ [[في ت: "وقد روى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ فِي كِتَابِ الزُّهْدِ: حَدَّثَنَا عَبْدُ الرَّحْمَنِ، حَدَّثَنَا سُفْيَانُ، عَنْ مَنْصُورٍ، عَنْ مُجَاهِدٍ، قَالَ: كُتب إِلَى عُمَرَ [[في ت: "عمر بن الخطاب رضي الله عنه".]] يَا أَمِيرَ الْمُؤْمِنِينَ، رَجُلٌ لَا يَشْتَهِي الْمَعْصِيَةَ وَلَا يَعْمَلُ بِهَا، أَفْضَلُ، أَمْ رَجُلٌ يَشْتَهِي الْمَعْصِيَةَ وَلَا يَعْمَلُ بِهَا؟ فَكَتَبَ عُمَرُ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ: إِنَّ الَّذِينَ يَشْتَهُونَ الْمَعْصِيَةَ وَلَا يَعْمَلُونَ بِهَا ﴿أُولَئِكَ الَّذِينَ امْتَحَنَ اللَّهُ قُلُوبَهُمْ لِلتَّقْوَى لَهُمْ مَغْفِرَةٌ وَأَجْرٌ عَظِيمٌ﴾ [[ذكره السيوطي في الدر المنثور (٧/٥٥٢) وعزاه لأحمد في الزهد.]] .

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Hujurât (uit zijn tafsir-compilatie).

أيْ لا تَقُولُوا حَتّى يَقُولَ، ولا تَأْمُرُوا حَتّى يَأْمُرَ، ولا تُفْتُوا حَتّى يُفْتِيَ، ولا تَقْطَعُوا أمْرًا حَتّى يَكُونَ هو الَّذِي يَحْكُمُ فِيهِ ويَمْضِيهِ، رَوى عَلِيُّ بْنُ أبِي طَلْحَةَ عَنْ ابْنِ عَبّاسٍ - رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُما -: لا تَقُولُوا خِلافَ الكِتابِ والسُّنَّةِ، ورَوى العَوْفِيُّ عَنْهُ قالَ: نُهُوا أنْ يَتَكَلَّمُوا بَيْنَ يَدَيْ كَلامِهِ. والقَوْلُ الجامِعُ في مَعْنى الآيَةِ لا تَعْجَلُوا بِقَوْلٍ ولا فِعْلٍ قَبْلَ أنْ يَقُولَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ أوْ يَفْعَلَ. وَقالَ تَعالى: ﴿يا أيُّها الَّذِينَ آمَنُوا لا تَرْفَعُوا أصْواتَكم فَوْقَ صَوْتِ النَّبِيِّ ولا تَجْهَرُوا لَهُ بِالقَوْلِ كَجَهْرِ بَعْضِكم لِبَعْضٍ أنْ تَحْبَطَ أعْمالُكم وأنْتُمْ لا تَشْعُرُونَ﴾ [الحجرات: ٢] فَإذا كانَ رَفْعُ أصْواتِهِمْ فَوْقَ صَوْتِهِ سَبَبًا لِحُبُوطِ أعْمالِهِمْ فَكَيْف تَقْدِيمُ آرائِهِمْ وعُقُولِهِمْ وأذْواقِهِمْ وسِياساتِهِمْ ومَعارِفِهِمْ عَلى ما جاءَ بِهِ ورَفْعُها عَلَيْهِ؟ ألَيْسَ هَذا أوْلى أنْ يَكُونَ مُحْبِطًا لِأعْمالِهِمْ. (فصل) وَمِنَ الأدَبِ مَعَ الرَّسُولِ ﷺ: أنْ لا يَتَقَدَّمَ بَيْنَ يَدَيْهِ بِأمْرٍ ولا نَهْيٍ، ولا إذَنٍ ولا تَصَرُّفٍ. حَتّى يَأْمُرَ هُوَ، ويَنْهى ويَأْذَنَ، كَما قالَ تَعالى: ﴿ياأيُّها الَّذِينَ آمَنُوا لا تُقَدِّمُوا بَيْنَ يَدَيِ اللَّهِ ورَسُولِهِ﴾ وَهَذا باقٍ إلى يَوْمِ القِيامَةِ ولَمْ يُنْسَخْ. فالتَّقَدُّمُ بَيْنَ يَدَيْ سُنَّتِهِ بَعْدَ وفاتِهِ، كالتَّقَدُّمِ بَيْنَ يَدَيْهِ في حَيّاتِهِ، ولا فَرْقَ بَيْنَهُما عِنْدَ ذِي عَقْلٍ سَلِيمٍ. قالَ مُجاهِدٌ رَحِمَهُ اللَّهُ: لا تَفْتاتُوا عَلى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ. وَقالَ أبُو عُبَيْدَةَ: تَقُولُ العَرَبُ: لا تُقَدِّمْ بَيْنَ يَدَيِ الإمامِ وبَيْنَ يَدَيِ الأبِ. أيْ لا تُعَجِّلُوا بِالأمْرِ والنَّهْيِ دُونَهُ. وَقالَ غَيْرُهُ: لا تَأْمُرُوا حَتّى يَأْمُرَ. ولا تَنْهُوا حَتّى يَنْهى. وَمِنَ الأدَبِ مَعَهُ: أنْ لا تُرْفَعَ الأصْواتُ فَوْقَ صَوْتِهِ. فَإنَّهُ سَبَبٌ لِحُبُوطِ الأعْمالِ فَما الظَّنُّ بِرَفْعِ الآراءِ، ونَتائِجِ الأفْكارِ عَلى سُنَّتِهِ وما جاءَ بِهِ؟ أتُرى ذَلِكَ مُوجِبًا لِقَبُولِ الأعْمالِ، ورَفْعُ الصَّوْتِ فَوْقَ صَوْتِهِ مُوجِبٌ لِحُبُوطِها؟ (فصل) القلب السليم: هو الذي سلم من أن يكون لغير الله فيه شرك بوجه ما، بل قد خلصت عبوديته لله تعالى: إرادة ومحبة، وتوكلا، وإنابة، وإخباتا، وخشية، ورجاء. وخلص عمله لله، فإن أحب أحَبَّ في الله، وإن أبغض أبغض في الله، وإن أعطى أعطى لله، وإن منع منع لله ولا يكفيه هذا حتى يسلم من الانقياد والتحكيم لكل من عدا رسول الله صلى الله تعالى عليه وآله وسلم، فيعقد قلبه معه عقدا محكما على الائتمام والاقتداء به وحده، دون كل أحد في الأقوال والأعمال من أقوال القلب، وهي العقائد، وأقوال اللسان؛ وهي الخبر عما في القلب. وأعمال القلب، وهي الإرادة والمحبة والكراهة وتوابعها، وأعمال الجوارح. فيكون الحاكم عليه في ذلك كله دقه وجله هو ما جاء به الرسول صلى الله تعالى عليه وآله وسلم، فلا يتقدم بين يديه بعقيدة ولا قول ولا عمل، كما قال تعالى: ﴿يا أيُّها الَّذِينَ آمَنُوا لا تُقدِّمُوا بَيْنَ يَدىِ اللهِ ورَسُولهِ﴾ [الحجرات: ١]. أي لا تقولوا حتى يقول، ولا تفعلوا حتى يأمر، قال بعض السلف: ما من فعلة وإن صغرت إلا ينشر لها ديوانان: لم؟ وكيف؟ أي لم فعلت؟ وكيف فعلت؟ فالأول: سؤال عن علة الفعل وباعثه وداعيه؛ هل هو حظ عاجل من حظوظ العامل، وغرض من أغراض الدنيا في محبة المدح من الناس أو خوف ذمهم، أو استجلاب محبوب عاجل، أو دفع مكروه عاجل؟ أم الباعث على الفعل القيام بحق العبودية، وطلب التودد والتقرب إلى الرب سبحانه وتعالى، وابتغاء الوسيلة إليه؟ ومحل هذا السؤال: أنه، هل كان عليك أن تفعل هذا الفعل لمولاك، أم فعلته لحظك وهواك؟ والثاني: سؤال عن متابعة الرسول عليه الصلاة والسلام في ذلك التعبد، أي هل كان ذلك العمل مما شرعته لك على لسان رسولى، أم كان عملا لم أشرعه ولم أرضه؟ فالأول سؤال عن الإخلاص، والثاني عن المتابعة، فإن الله سبحانه لا يقبل عملا إلا بهما. فطريق التخلص من السؤال الأول: بتجريد الإخلاص. وطريق التخلص من السؤال الثاني: بتحقيق المتابعة، وسلامة القلب من إرادة تعارض الإخلاص، وهوى يعارض الاتباع. فهذه حقيقة سلامة القلب الذي ضمنت له النجاة والسعادة.

Verzen 4-5

﴿ ٤ ﴾

إِنَّ ٱلَّذِينَ يُنَادُونَكَ مِن وَرَآءِ ٱلْحُجُرَٰتِ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْقِلُونَ

Innal lazeena yunaadoo naka minw waraaa'il hujuraati aksaruhum laa ya'qiloon

49:4Voorwaar, degenen die naar jou (O Moehammad) roepen van buiten de kamers (van jou): de meesten van hen begrijpen (de onbeleefdheid) ervan niet.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Sommige bedoeïenen riepen de Profeet ﷺ ongeduldig van buiten zijn woonvertrekken: 'Muhammad, kom naar buiten!' Allah noemt dit een gebrek aan verstand — want goede manieren komen voort uit verstand, en wie ze mist, mist het inzicht in wie hij voor zich heeft. Adab is dus niet bijzaak; het is het kenmerk van een gezond verstand en een teken dat Allah het goede met je voorheeft.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Deze geweldige verzen werden geopenbaard over mensen van de bedoeïenen, die Allah met grofheid heeft gekenmerkt en van wie het meer voor de hand ligt dat zij de grenzen van wat Allah aan Zijn Boodschapper heeft neergezonden, niet kennen. Zij kwamen als afvaardiging bij de Boodschapper van Allah ﷺ en troffen hem in zijn huis en in de vertrekken van zijn vrouwen aan. Zij hadden niet het geduld en de manieren om te wachten tot hij naar buiten kwam, maar riepen hem: 'O Muhammad, o Muhammad' — dat wil zeggen: kom naar buiten naar ons. Allah laakte hen om hun gebrek aan verstand, omdat zij van Allah de adab jegens Zijn Boodschapper en de eerbied voor hem niet hadden begrepen; want het hanteren van adab behoort tot het verstand. De adab van de dienaar is het kenmerk van zijn verstand en een teken dat Allah het goede met hem voorheeft.

Ibn Kathîr

Allah, de Verhevene en Meest Gezegende, berispte hen — zoals de onbeschaafde bedoeïenen — die de Profeet ﷺ plachten te roepen van achter de vertrekken die aan zijn vrouwen toebehoorden: {de meesten van hen begrijpen het niet}. Daarna gebood Allah de betere houding in dezen, en spoorde aan tot inkeer tot Hem. Er werd, volgens meer dan één bron, overgeleverd dat dit vers werd geopenbaard over Al-Aqra' ibn Hâbis at-Tamîmî (moge Allah tevreden over hem zijn). Imâm Ahmad leverde over dat Al-Aqra' ibn Hâbis zei dat hij de Boodschapper van Allah ﷺ van achter zijn vertrekken riep, zeggend: 'O Muhammad, o Muhammad!' — in een andere overlevering: 'O Boodschapper van Allah!' — maar de Boodschapper ﷺ antwoordde hem niet. Al-Aqra' zei: 'O Boodschapper van Allah, mijn prijzen (van anderen) is waardevol en mijn laken (van anderen) is vernederend.' De Profeet ﷺ antwoordde: 'Dat is Allah, de Almachtige en Majesteitelijke (die deze beschrijving waard is).'

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim vermeldt de aanleiding van de openbaring in de geschiedenis van de afvaardiging van Banî Tamîm. In de Muharram van dat jaar zond de Profeet ﷺ 'Uyayna ibn Hisn al-Fazârî met een troep van vijftig ruiters — zonder Muhâdjir of Ansârî daaronder — naar Banî Tamîm. Hij reisde 's nachts en hield zich overdag schuil, en overviel hen in een vlakte terwijl zij hun vee hadden laten grazen. Toen zij de groep zagen, vluchtten zij; hij nam van hen elf mannen, eenentwintig vrouwen en dertig kinderen gevangen en voerde hen naar Medina, waar zij in het huis van Ramla bint al-Hârith werden ondergebracht. Daarop kwam een aantal van hun aanvoerders: 'Utârid ibn Hâjib, az-Zibriqân ibn Badr, Qays ibn 'Âsim, Al-Aqra' ibn Hâbis, Qays ibn al-Hârith, Nu'aym ibn Sa'd, 'Amr ibn al-Ahtam en Rabâh ibn al-Hârith. Toen zij hun vrouwen en kinderen zagen, weenden dezen naar hen, en zij haastten zich naar de deur van de Profeet ﷺ en riepen: 'O Muhammad, kom naar buiten naar ons.' De Boodschapper van Allah ﷺ kwam naar buiten, en Bilâl riep op tot het gebed; zij klampten zich aan de Boodschapper ﷺ vast en spraken met hem. Hij bleef even bij hen staan, ging toen verder en bad de middagsalah, en zat daarna in het binnenhof van de moskee. Zij brachten 'Utârid ibn Hâjib naar voren, die sprak en een redevoering hield. De Boodschapper van Allah ﷺ beval Thâbit ibn Qays ibn Shammâs hun te antwoorden, en Allah openbaarde over hen: {Voorwaar, degenen die naar jou roepen van achter de kamers: de meesten van hen begrijpen het niet — en als zij geduld hadden tot jij naar buiten kwam om hen te ontmoeten, dan zou dat beter voor hen zijn; en Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.} De Boodschapper van Allah ﷺ gaf hun de gevangenen en de buit terug. Toen stond az-Zibriqân, de dichter van Banî Tamîm, op en droeg een snoevend gedicht voor; daarop stond Hassân ibn Thâbit, de dichter van de islam, op en antwoordde hem voor de vuist weg met een gedicht waarin hij de Quraysh en hun broeders prees: dat zij een Sunna voor de mensen hebben vastgesteld die gevolgd wordt, dat ieder wiens innerlijk de godsvrees jegens Allah is daarmee tevreden is, dat zij wanneer zij strijden hun vijand schade berokkenen en wanneer zij nut beogen voor hun aanhang nut brengen, dat hun kuisheid in de openbaring is vermeld, dat zij niet gierig zijn jegens een buurman, dat zij niet snoeven wanneer zij hun vijand verslaan en bij rampspoed niet onrechtvaardig of wanhopig worden, en dat de Boodschapper van Allah hun aanhanger is — eer dus een volk wiens leider de Boodschapper van Allah is. Toen Hassân klaar was, zei Al-Aqra' ibn Hâbis: 'Voorwaar, deze man is begenadigd: zijn redenaar is welsprekender dan onze redenaar, zijn dichter is dichterlijker dan onze dichter, en hun stemmen zijn hoger dan onze stemmen.' Daarna namen zij de islam aan, en de Boodschapper van Allah ﷺ beloonde hen rijkelijk.

﴿ ٥ ﴾

وَلَوْ أَنَّهُمْ صَبَرُوا۟ حَتَّىٰ تَخْرُجَ إِلَيْهِمْ لَكَانَ خَيْرًۭا لَّهُمْ ۚ وَٱللَّهُ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌۭ

Wa law annahum sabaroo hatta takhruja ilaihim lakaana khairal lahum; wallaahu Ghafoorur Raheem

49:5Als zij geduld hadden tot jij naar buiten kwam om hen te ontmoeten, dan zou dat beter voor hen zijn. En Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Eén zin keert het tafereel om: had je maar gewacht. Geduld aan de deur was beter geweest dan ongeduldig roepen — beter voor henzelf, in dit leven en het volgende. En toch sluit het vers met genade: Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig; Hij strafte hun ruwheid niet meteen af, maar opende de deur naar inkeer.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarom zei Hij: {En als zij geduld hadden tot jij naar buiten kwam om hen te ontmoeten, dan zou dat beter voor hen zijn. En Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig} — dat wil zeggen: Vergevensgezind voor wat van Zijn dienaren is uitgegaan aan zonden en tekortschieten in de omgangsregels, Barmhartig met hen, daar Hij hen niet om hun zonden onverwijld met bestraffingen en straffende voorbeelden trof.

Ibn Kathîr

{En als zij geduld hadden tot jij naar buiten kwam om hen te ontmoeten, dan zou dat beter voor hen zijn} — het zou hun het betere voordeel van dit leven en het Hiernamaals hebben opgeleverd. Daarna spoort Allah, de Lof toekomt, hen aan zich in inkeer tot Hem te wenden: {En Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.}

Ibn al-Qayyim

Dit vers behoort tot dezelfde geschiedenis van de afvaardiging van Banî Tamîm: Allah openbaarde over hen {Voorwaar, degenen die naar jou roepen van achter de kamers, de meesten van hen begrijpen het niet — en als zij geduld hadden tot jij naar buiten kwam om hen te ontmoeten, dan zou dat beter voor hen zijn; en Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.} Daarna gaf de Boodschapper van Allah ﷺ hun de gevangenen en de buit terug, en nadat hun dichter az-Zibriqân snoevend had voorgedragen en Hassân ibn Thâbit, de dichter van de islam, hem voor de vuist weg had geantwoord, erkende Al-Aqra' ibn Hâbis dat de redenaar en de dichter van de moslims hen overtroffen — waarna zij de islam aannamen en de Boodschapper van Allah ﷺ hen rijkelijk beloonde.

Arabische grondtekst & bron — verzen 4-5

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Hujurât · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Hujurât · onverkorte editie (Arabisch + Engelse vertaling).

ثُمَّ إِنَّهُ تَعَالَى ذَمّ الَّذِينَ يُنَادُونَهُ مِنْ وَرَاءِ الْحُجُرَاتِ، وَهِيَ بُيُوتُ نِسَائِهِ، كَمَا يَصْنَعُ أَجْلَافُ الْأَعْرَابِ، فَقَالَ: ﴿أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْقِلُونَ﴾ ثُمَّ أَرْشَدَ إِلَى الْأَدَبِ فِي ذَلِكَ فَقَالَ: ﴿وَلَوْ أَنَّهُمْ صَبَرُوا حَتَّى تَخْرُجَ إِلَيْهِمْ لَكَانَ خَيْرًا لَهُمْ﴾ أَيْ: لَكَانَ لَهُمْ فِي ذَلِكَ الْخِيَرَةُ وَالْمَصْلَحَةُ فِي الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ. ثُمَّ قَالَ دَاعِيًا لَهُمْ إِلَى التَّوْبَةِ وَالْإِنَابَةِ: ﴿وَاللَّهُ غَفُورٌ رَحِيمٌ﴾ وَقَدْ ذُكر أَنَّهَا نَزَلَتْ فِي الْأَقْرَعِ بْنِ حَابِسٍ التَّمِيمِيِّ، فِيمَا أَوْرَدَهُ غَيْرُ وَاحِدٍ، قَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا عَفَّانُ، حَدَّثَنَا وُهَيْب، حَدَّثَنَا مُوسَى بْنُ عُقْبَةَ، عَنْ أَبِي سَلَمَةَ بْنِ عَبْدِ الرَّحْمَنِ، عَنْ الْأَقْرَعِ بْنِ حَابِسٍ؛ أَنَّهُ نَادَى رَسُولَ اللَّهِ ﷺ مِنْ وَرَاءِ الْحُجُرَاتِ، فَقَالَ: يَا مُحَمَّدُ، يَا مُحَمَّدُ -وَفِي رِوَايَةٍ: يَا رَسُولَ اللَّهِ-فَلَمْ يُجِبْهُ. فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ حَمْدِي لَزَيْنٌ، وَإِنَّ ذَمِّي لَشَيْنٌ، فَقَالَ: " ذَاكَ اللَّهُ، عَزَّ وَجَلَّ" [[المسند (٣/٤٨٨) ، وقال الهيثمي في المجمع (٧/١٠٨) : "إسناد أحمد رجاله رجال الصحيح إن كان أبو سلمة سمع من الأقرع بن حابس، وإلا فهو مرسل".]] . وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنَا أَبُو عَمَّارٍ الْحُسَيْنُ بْنُ حُرَيْث الْمَرْوَزِيُّ، حَدَّثَنَا الْفَضْلُ بْنُ مُوسَى، عَنِ الْحُسَيْنِ بْنِ وَاقِدٍ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ [[في ت: "وروى ابن جرير بسنده".]] ، عَنِ الْبَرَاءِ فِي قَوْلِهِ: ﴿إِنَّ الَّذِينَ يُنَادُونَكَ مِنْ وَرَاءِ الْحُجُرَاتِ﴾ قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ رَسُولَ اللَّهِ [[في ت، أ: "رسول الله صلى الله عليه وسلم".]] فَقَالَ: يَا مُحَمَّدُ، إِنَّ حَمْدِي زَيْنٌ، وَذَمِّي شَيْنٌ. فَقَالَ: "ذَاكَ اللَّهُ، عَزَّ وَجَلَّ" [[تفسير الطبري (٢٦/٧٧) .]] . وَهَكَذَا ذَكَرَهُ الْحَسَنُ الْبَصْرِيُّ، وَقَتَادَةُ مُرْسَلًا. وَقَالَ سُفْيَانُ الثَّوْرِيُّ، عَنْ حَبِيبِ بْنِ أَبِي عَمْرَة قَالَ: كَانَ بِشْر بْنُ غَالِبٍ ولَبِيد بْنُ عُطَارِد -أَوْ بِشْرُ بْنُ عُطَارِدٍ وَلِبَيْدُ بْنُ غَالِبٍ-وَهُمَا عِنْدَ الْحَجَّاجِ جَالِسَانِ-فَقَالَ بِشْرُ بْنُ غَالِبٍ لِلَبِيدِ بْنِ عُطَارِدٍ: نَزَلَتْ فِي قَوْمِكَ بَنِي تَمِيمٍ: ﴿إِنَّ الَّذِينَ يُنَادُونَكَ مِنْ وَرَاءِ الْحُجُرَاتِ﴾ قَالَ: فَذَكَرْتُ ذَلِكَ لِسَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ فَقَالَ: أَمَا إِنَّهُ لَوْ عَلِمَ بِآخِرِ الْآيَةِ أَجَابَهُ: ﴿يَمُنُّونَ عَلَيْكَ أَنْ أَسْلَمُوا﴾ [الْحُجُرَاتِ: ١٧] ، قَالُوا: أَسْلَمْنَا، وَلَمْ يُقَاتِلْكَ بَنُو أَسَدٍ [[تفسير الطبري (٢٦/٧٧) .]] . وَقَالَ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ: حَدَّثَنَا أَبِي، حَدَّثَنَا عَمرو بْنُ عَلِيٍّ الْبَاهِلِيُّ، حَدَّثَنَا الْمُعْتَمِرُ بْنُ سُلَيْمَانَ: سَمِعْتُ دَاوُدَ الطُّفَّاوِيَّ يُحَدِّثُ عَنْ أَبِي مُسْلِمٍ [[في م، أ: "سلمة".]] الْبَجَلِيِّ [[في ت: "وروى ابن جرير بسنده".]] ، عَنْ زَيْدِ بْنِ أَرْقَمَ قَالَ: اجْتَمَعَ أُنَاسٌ مِنَ الْعَرَبِ فَقَالُوا: انْطَلِقُوا بِنَا إِلَى هَذَا الرَّجُلِ، فَإِنْ يَكُ نَبِيًّا فَنَحْنُ أَسْعَدُ النَّاسِ بِهِ، وَإِنْ يَكُ مَلِكًا نَعِشْ بِجَنَاحِهِ. قَالَ: فَأَتَيْتُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ فَأَخْبَرْتُهُ بِمَا قَالُوا، فَجَاءُوا إِلَى حُجْرَتِهِ فَجَعَلُوا يُنَادُونَهُ وَهُوَ فِي حُجْرَتِهِ: يَا مُحَمَّدُ، يَا مُحَمَّدُ. فَأَنْزَلَ اللَّهُ [عَزَّ وَجَلَّ] [[زيادة من أ.]] : ﴿إِنَّ الَّذِينَ يُنَادُونَكَ مِنْ وَرَاءِ الْحُجُرَاتِ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْقِلُونَ﴾ قَالَ: فَأَخَذَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ بِأُذُنِي فَمَدَّهَا، فَجَعَلَ يَقُولُ: "لَقَدْ صَدَّقَ اللَّهُ قَوْلَكَ يَا زَيْدُ، لِقَدْ صَدَّقَ الله قولك يا زيد". وَرَوَاهُ ابْنُ جَرِيرٍ، عَنِ الْحَسَنِ بْنِ عَرَفَةَ، عَنِ الْمُعْتَمِرِ بْنِ سُلَيْمَانَ، بِهِ [[تفسير الطبري (٢٦/٧٧) ورواه الطبراني في المعجم الكبير (٥/٢١٠) من طريق إسحاق بن راهويه عن معتمر بن سليمان به، قال الهيثمي في المجمع (٧/١٠٨) : "فيه داود الطفاوي وثقه ابن حبان، وضعفه ابن معين، وبقية رجاله ثقات".]] .

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Hujurât (uit zijn tafsir-compilatie).

[فَصْلٌ: في سَرِيَّةُ عُيَيْنَةَ بْنِ حِصْنٍ الفَزارِيِّ إلى بَنِي تَمِيمٍ] ذِكْرُ سَرِيَّةِ عيينة بن حصن الفزاري إلى بَنِي تَمِيمٍ، وذَلِكَ في المُحَرَّمِ مِن هَذِهِ السَّنَةِ، بَعَثَهُ إلَيْهِمْ في سَرِيَّةٍ لِيَغْزُوَهم في خَمْسِينَ فارِسًا لَيْسَ فِيهِمْ مُهاجِرِيٌّ ولا أنْصارِيٌّ، فَكانَ يَسِيرُ اللَّيْلَ ويَكْمُنُ النَّهارَ، فَهَجَمَ عَلَيْهِمْ في صَحْراءَ، وقَدْ سَرَّحُوا مَواشِيَهُمْ، فَلَمّا رَأوُا الجَمْعَ ولَّوْا، فَأخَذَ مِنهم أحَدَ عَشَرَ رَجُلًا وإحْدى وعِشْرِينَ امْرَأةً وثَلاثِينَ صَبِيًّا فَساقَهم إلى المَدِينَةِ فَأُنْزِلُوا في دارِ رملة بنت الحارث فَقَدِمَ فِيهِمْ عِدَّةٌ مِن رُؤَسائِهِمْ؛ عطارد بن حاجب، والزبرقان بن بدر، وقيس بن عاصم، والأقرع بن حابس، وقيس بن الحارث، ونعيم بن سعد، وعمرو بن الأهتم، ورباح بن الحارث، فَلَمّا رَأوْا نِساءَهم وذَرارِيَّهم بَكَوْا إلَيْهِمْ فَعَجَّلُوا، فَجاءُوا إلى بابِ النَّبِيِّ ﷺ فَنادَوْا: يا مُحَمَّدُ اخْرُجْ إلَيْنا، فَخَرَجَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ وأقامَ بلال الصَّلاةَ وتَعَلَّقُوا بِرَسُولِ اللَّهِ ﷺ يُكَلِّمُونَهُ، فَوَقَفَ مَعَهم ثُمَّ مَضى فَصَلّى الظُّهْرَ، ثُمَّ جَلَسَ في صَحْنِ المَسْجِدِ فَقَدَّمُوا عطارد بن حاجب فَتَكَلَّمَ وخَطَبَ، فَأمَرَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ ثابِتَ بْنَ قَيْسِ بْنِ شَمّاسٍ فَأجابَهم وأنْزَلَ اللَّهُ فِيهِمْ ﴿إنَّ الَّذِينَ يُنادُونَكَ مِن وراءِ الحُجُراتِ أكْثَرُهم لا يَعْقِلُونَ - ولَوْ أنَّهم صَبَرُوا حَتّى تَخْرُجَ إلَيْهِمْ لَكانَ خَيْرًا لَهم واللَّهُ غَفُورٌ رَحِيمٌ﴾ [الحجرات: ٤٥] فَرَدَّ عَلَيْهِمْ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ الأسْرى والسَّبْيَ فَقامَ الزبرقان شاعِرُ بَنِي تَمِيمٍ فَأنْشَدَ مُفاخِرًا: ؎نَحْنُ الكِرامُ فَلا حَيٌّ يُعادِلُنا ∗∗∗ مِنّا المُلُوكُ وفِينا تُنْصَبُ البِيَعُ ؎وَكَمْ قَسَرْنا مِنَ الأحْياءِ كُلِّهِمُ ∗∗∗ عِنْدَ النِّهابِ وفَضْلُ العِزِّ يُتَّبَعُ ؎وَنَحْنُ يُطْعِمُ عِنْدَ القَحْطِ مُطْعِمُنا ∗∗∗ مِنَ الشِّواءِ إذا لَمْ يُؤْنَسِ القَزَعُ ؎بِما تَرى النّاسَ تَأْتِينا سُراتُهُمُ ∗∗∗ مِن كُلِّ أرْضٍ هُوَيّا ثُمَّ نَصْطَنِعُ ؎فَنَنْحَرُ الكَوْمَ عُبْطًا في أرُومَتِنا ∗∗∗ لِلنّازِلِينَ إذا ما أُنْزِلُوا شَبِعُوا ؎فَلا تَرانا إلى حَيٍّ نُفاخِرُهم ∗∗∗ إلّا اسْتَفادُوا فَكانُوا الرَّأْسَ يُقْتَطَعُ ؎فَمَن يُفاخِرُنا في ذاكَ نَعْرِفُهُ ∗∗∗ فَيَرْجِعُ القَوْمُ والأخْبارُ تُسْتَمَعُ ... ؎إنّا أبَيْنا ولا يَأْبى لَنا أحَدٌ ∗∗∗ إنّا كَذَلِكَ عِنْدَ الفَخْرِ نَرْتَفِعُ فَقامَ شاعِرُ الإسْلامِ حَسّانُ بْنُ ثابِتٍ فَأجابَهُ عَلى البَدِيهَةِ ؎إنَّ الذَّوائِبَ مَن فِهْرٍ وإخْوَتِهِمْ ∗∗∗ قَدْ بَيَّنُوا سُنَّةً لِلنّاسِ تُتَّبَعُ ؎يَرْضى بِها كُلُّ مَن كانَتْ سَرِيرَتُهُ ∗∗∗ تَقْوى الإلَهَ وكُلُّ الخَيْرِ مُصْطَنَعُ ؎قَوْمٌ إذا حارَبُوا ضَرُّوا عَدُوَّهُمُ ∗∗∗ أوْ حاوَلُوا النَّفْعَ في أشْياعِهِمْ نَفَعُوا ؎سَجِيَّةٌ تِلْكَ فِيهِمْ غَيْرُ مُحْدَثَةٍ ∗∗∗ إنَّ الخَلائِقَ فاعْلَمْ شَرُّها البِدَعُ ؎إنْ كانَ في النّاسِ سَبّاقُونَ بَعْدَهُمُ ∗∗∗ فَكُلُّ سَبْقٍ لِأدْنى سَبْقِهِمْ تَبَعُ ؎لا يَرْقَعُ النّاسُ ما أوْهَتْ أكُفُّهُمُ ∗∗∗ عِنْدَ الدِّفاعِ ولا يُوهُونَ ما رَقَعُوا ؎إنْ سابَقُوا النّاسَ يَوْمًا فازَ سَبْقُهُمُ ∗∗∗ أوْ وازَنُوا أهْلَ مَجْدٍ بِالنَّدى مَتَعُوا ؎أعِفَّةٌ ذُكِرَتْ في الوَحْيِ عِفَّتُهم ∗∗∗ لا يَطْبَعُونَ ولا يُرْدِيهِمُ الطَّمَعُ ؎لا يَبْخَلُونَ عَلى جارٍ بِفَضْلِهِمُ ∗∗∗ ولا يَمَسُّهُمُ مِن مَطْمَعٍ طَبَعُ ؎إذا نَصَبْنا لِحَيٍّ لَمْ نَدِبَّ لَهم ∗∗∗ كَما يَدِبُّ إلى الوَحْشِيَّةِ الذُّرُعُ ؎نَسْمُوا إذا الحَرْبُ نالَتْنا مَخالِبُها ∗∗∗ إذا الزَّعانِفُ مِن أظْفارِها خَشَعُوا ؎لا يَفْخَرُونَ إذا نالُوا عَدُوَّهُمُ ∗∗∗ وإنْ أُصِيبُوا فَلا جَوْرٌ ولا هَلَعُ ؎كَأنَّهم في الوَغى والمَوْتُ مُكْتَنِعٌ ∗∗∗ أُسْدٌ بِحِلْيَةَ في أرْساغِها فَدَعُ ؎خُذْ مِنهُمُ ما أتَوْا عَفْوًا إذا غَضِبُوا ∗∗∗ ولا يَكُنْ هَمُّكَ الأمْرَ الَّذِي مَنَعُوا ؎فَإنَّ في حَرْبِهِمْ فاتْرُكْ عَداوَتَهم ∗∗∗ شَرًّا يُخاضُ عَلَيْهِ السُّمُّ والسَّلَعُ ؎أكْرِمْ بِقَوْمٍ رَسُولُ اللَّهِ شِيعَتُهم ∗∗∗ إذا تَفاوَتَتِ الأهْواءُ والشِّيَعُ ؎أهْدى لَهم مِدْحَتِي قَلْبٌ يُوازِرُهُ ∗∗∗ فِيما أحَبَّ لِسانٌ حائِكٌ صَنَعُ ؎فَإنَّهم أفْضَلُ الأحْياءِ كُلِّهِمُ ∗∗∗ إنْ جَدَّ بِالنّاسِ جِدُّ القَوْلِ أوْ شَمَعُوا فِلْمًا فَرَغَ حسان قالَ الأقرع بن حابس: إنَّ هَذا الرَّجُلَ لَمُؤَتّى لَهُ، لَخَطِيبُهُ أخْطَبُ مِن خَطِيبِنا، ولَشاعِرُهُ أشْعَرُ مِن شاعِرِنا، ولَأصْواتُهم أعْلى مِن أصْواتِنا، ثُمَّ أسْلَمُوا فَأجازَهم رَسُولُ اللَّهِ ﷺ فَأحْسَنَ جَوائِزَهم.

Verzen 6-8

﴿ ٦ ﴾

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِن جَآءَكُمْ فَاسِقٌۢ بِنَبَإٍۢ فَتَبَيَّنُوٓا۟ أَن تُصِيبُوا۟ قَوْمًۢا بِجَهَٰلَةٍۢ فَتُصْبِحُوا۟ عَلَىٰ مَا فَعَلْتُمْ نَٰدِمِينَ

Yaaa ayyuhal lazeena aamanoo in jaaa'akum faasqum binaba in fatabaiyanooo an tuseeboo qawmam bijahalatin fatusbihoo 'alaa maa fa'altum naadimeen

49:6O jullie die geloven, als een verdorvene met een bericht komt, onderzoekt het dan nauwkeurig, anders treffen jullie uit onwetendheid een volk met een ramp, waarna jullie spijt zouden krijgen van wat jullie deden.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Eén onbevestigd bericht had bijna een hele stam de oorlog ingejaagd: Al-Walîd keerde terug met de beschuldiging dat Banî al-Mustaliq de zakât weigerden en hem wilden doden — tot Khâlid vaststelde dat zij rustig hun gebeden verrichtten. Daarom: komt een verdorvene met nieuws, onderzoek het. Niet blind verwerpen, niet blind geloven — vergewis je, vóór onrecht onomkeerbaar wordt.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Ook dit behoort tot de omgangsregels die verstandige mensen zich eigen moeten maken en moeten toepassen, namelijk: wanneer een verdorvene (fâsiq) hen een bericht (nabâ') brengt, dat zij zich vergewissen van zijn bericht en het niet zonder meer aannemen; want daarin schuilt een groot gevaar en het vervallen in zonde. Want als zijn bericht op één lijn wordt gesteld met dat van de waarachtige, rechtvaardige man, dan wordt op grond daarvan geoordeeld, en kan er door dat bericht verlies van levens en bezittingen ontstaan zonder recht — wat een oorzaak voor spijt wordt. Het verplichte bij het bericht van een verdorvene is veeleer vergewissing en onderzoek: tonen de aanwijzingen en omstandigheden zijn waarachtigheid aan, dan wordt ernaar gehandeld en het geloofd; tonen zij zijn leugenachtigheid aan, dan wordt het verworpen en niet ernaar gehandeld. Hierin is een bewijs dat het bericht van de waarachtige aanvaard wordt, het bericht van de leugenaar verworpen, en het bericht van de verdorvene aangehouden (tot vergewissing). Daarom aanvaardden de vrome voorgangers de overleveringen van veel Khawârij die om hun waarachtigheid bekendstonden, ook al waren zij verdorven.

Ibn Kathîr

Allah, de Verhevene, gebiedt het bericht van de verdorvene en de boosdoener te onderzoeken, om de waarheidsgetrouwheid ervan vast te stellen, opdat niet op grond van zijn woord — terwijl hij in werkelijkheid liegt of zich vergist — geoordeeld wordt en de oordelaar zo het pad van de bedervers volgt, dat Allah verboden heeft te volgen. Hiervandaan weigeren groepen hadith-geleerden de overlevering van wie van onbekende staat is, vanwege de mogelijkheid dat hij in werkelijkheid verdorven is. Velen van de exegeten vermeldden dat dit vers werd geopenbaard over Al-Walîd ibn 'Uqba ibn Abî Mu'ayt, toen de Boodschapper van Allah ﷺ hem over de zakât (liefdadigheidsgaven) van Banî al-Mustaliq had aangesteld. Dit is langs verschillende wegen overgeleverd; tot de beste daarvan behoort wat Imâm Ahmad in zijn Musnad overleverde via de koning van Banî al-Mustaliq, namelijk Al-Hârith ibn Dirâr, de vader van Juwayriya bint al-Hârith, de Moeder der gelovigen (moge Allah tevreden over haar zijn). Al-Hârith ibn Dirâr al-Khuzâ'î zei: "Ik kwam bij de Boodschapper van Allah ﷺ, die mij tot de islam uitnodigde; ik trad toe en erkende haar, en hij nodigde mij uit tot de zakât en ik erkende haar. Ik zei: 'O Boodschapper van Allah, ik keer terug naar hen en nodig hen uit tot de islam en het betalen van de zakât; wie mij gehoor geeft, van hem verzamel ik zijn zakât, en u zendt mij op zo-en-zo'n tijd een gezant opdat hij u brengt wat ik aan zakât heb verzameld.' Toen Al-Hârith de zakât had verzameld van wie hem gehoor had gegeven, en de tijd was aangebroken waarop de Boodschapper van Allah ﷺ een gezant naar hem wilde sturen, bleef de gezant uit en kwam niet. Al-Hârith meende dat er een toorn van Allah en Zijn Boodschapper over hem was ontstaan, en hij riep de vooraanstaanden van zijn volk bijeen en zei tegen hen: 'De Boodschapper van Allah ﷺ had voor mij een tijd bepaald waarop hij zijn gezant zou sturen om in ontvangst te nemen wat ik aan zakât bij mij had; en het is niet de aard van de Boodschapper van Allah ﷺ om zijn woord te breken. Ik zie het uitblijven van zijn gezant slechts als gevolg van een toorn die is ontstaan; laten wij dus naar de Boodschapper van Allah ﷺ gaan.' Intussen had de Boodschapper van Allah ﷺ Al-Walîd ibn 'Uqba naar Al-Hârith gezonden om in ontvangst te nemen wat hij aan zakât had verzameld. Toen Al-Walîd onderweg was en een deel van de weg had afgelegd, werd hij bevreesd en keerde terug; hij kwam bij de Boodschapper van Allah ﷺ en zei: 'O Boodschapper van Allah, Al-Hârith heeft mij de zakât geweigerd en wilde mij doden.' De Boodschapper van Allah ﷺ zond daarop een troep naar Al-Hârith. En Al-Hârith kwam met zijn metgezellen aan, en toen de troep Medina had verlaten en hen tegemoetkwam, ontmoette Al-Hârith hen. Zij zeiden: 'Dit is Al-Hârith.' Toen hij hen naderde, zei hij: 'Naar wie zijn jullie gezonden?' Zij zeiden: 'Naar jou.' Hij zei: 'Waarom?' Zij zeiden: 'De Boodschapper van Allah ﷺ had Al-Walîd ibn 'Uqba naar jou gezonden, en hij beweerde dat jij hem de zakât hebt geweigerd en hem wilde doden.' Hij zei: 'Nee, bij Hem die Muhammad met de waarheid heeft gezonden, ik heb hem in het geheel niet gezien en hij is niet bij mij gekomen.' Toen Al-Hârith bij de Boodschapper van Allah ﷺ binnentrad, zei deze: 'Heb je de zakât geweigerd en mijn gezant willen doden?' Hij zei: 'Nee, bij Hem die u met de waarheid heeft gezonden, ik heb hem niet gezien en hij is niet bij mij gekomen; en ik ben slechts gekomen toen de gezant van de Boodschapper van Allah ﷺ uitbleef, omdat ik vreesde dat er een toorn van Allah en Zijn Boodschapper was.' Toen werd al-Hujurât geopenbaard: {O jullie die geloven, als een verdorvene met een bericht komt, onderzoekt het dan nauwkeurig} tot Zijn woord {Alwijs}. Ibn Abî Hâtim leverde dit over via Al-Mundhir ibn Shâdhân at-Tammâr, van Muhammad ibn Sâbiq; en at-Tabarânî leverde het eveneens via Muhammad ibn Sâbiq over, behalve dat hij hem 'Al-Hârith ibn Sirâr' noemde, terwijl het juiste 'Al-Hârith ibn Dirâr' is, zoals reeds vermeld. Ibn Jarîr leverde via Thâbit, de cliënt van Umm Salama, van Umm Salama over: de Boodschapper van Allah ﷺ zond na de veldslag een man voor de zakât van Banî al-Mustaliq; het volk hoorde daarvan en ging hem tegemoet uit hoogachting voor het bevel van de Boodschapper van Allah ﷺ. De Shaytân fluisterde hem in dat zij hem wilden doden, en hij keerde terug naar de Boodschapper van Allah ﷺ en zei: 'Banî al-Mustaliq hebben mij hun zakât geweigerd.' De Boodschapper van Allah ﷺ en de moslims werden boos. Toen het volk zijn terugkeer vernam, kwamen zij bij de Boodschapper van Allah ﷺ, stelden zich na de middagsalah voor hem op en zeiden: 'Wij zoeken toevlucht bij Allah tegen de toorn van Allah en de toorn van Zijn Boodschapper; u zond ons een man als inner toe, en wij waren daar verheugd over en het verblijdde ons, daarna keerde hij van een deel van de weg terug, en wij vreesden dat dat een toorn van Allah en van Zijn Boodschapper was.'

Ibn al-Qayyim

Dit vers werd geopenbaard over Al-Walîd ibn 'Uqba ibn Abî Mu'ayt, toen de Boodschapper van Allah ﷺ hem na de veldslag als inner van de zakât naar Banî al-Mustaliq zond, terwijl er tussen hem en hen vijandschap was uit de tijd van onwetendheid. Toen het volk van zijn komst hoorde, ging het hem tegemoet uit hoogachting voor het bevel van de Boodschapper van Allah ﷺ; maar de Shaytân fluisterde hem in dat zij hem wilden doden, en hij werd bevreesd en keerde van de weg terug naar de Boodschapper van Allah ﷺ en zei: 'Banî al-Mustaliq hebben hun zakât geweigerd en wilden mij doden.' De Boodschapper van Allah ﷺ werd boos en wilde hen bestrijden. Toen de terugkeer het volk bereikte, kwamen zij bij de Boodschapper van Allah ﷺ en zeiden: 'O Boodschapper van Allah, wij hoorden van uw gezant, en wij gingen naar buiten om hem te ontvangen en te eren en hem het recht van Allah te betalen dat wij verschuldigd waren; toen leek het hem goed terug te keren, en wij vreesden dat slechts een brief van u hem onderweg had teruggeroepen, om een toorn die u jegens ons koesterde; en wij zoeken bij Allah toevlucht tegen Zijn toorn en de toorn van Zijn Boodschapper.' De Boodschapper van Allah ﷺ verdacht hen, en zond Khâlid ibn al-Walîd in het geheim met een legertje, en gebood hem zijn komst voor hen verborgen te houden, en zei tegen hem: 'Kijk: zie je van hen iets dat op hun geloof wijst, neem dan van hen de zakât van hun bezittingen; zie je dat niet, hanteer dan jegens hen wat men jegens de ongelovigen hanteert.' Khâlid deed dat, kwam bij hen aan, hoorde van hen de oproep tot de maghrib- en de 'ishâ-salah, nam hun liefdadigheidsgaven aan, en zag van hen niets dan gehoorzaamheid en het goede; hij keerde terug naar de Boodschapper van Allah ﷺ en berichtte hem het nieuws, waarop werd geopenbaard: {O jullie die geloven, als een verdorvene met een bericht komt, onderzoekt het dan nauwkeurig.} De nabâ' is het bericht dat afwezig is voor degene aan wie het wordt meegedeeld, wanneer het van gewicht is; en de vergewissing (tabayyun) is het zoeken naar de duidelijkheid van de waarheid ervan en het er met kennis omvattend grip op krijgen. Hier is een fijnzinnige opmerking: Allah, de Verhevene, gebood niet het bericht van de verdorvene af te wijzen, hem voor leugenachtig te houden en zijn getuigenis in zijn geheel te verwerpen, maar gebood slechts de vergewissing. Komen er van buiten aanwijzingen en bewijzen die op zijn waarachtigheid wijzen, dan wordt naar het bewijs van waarachtigheid gehandeld, wie het ook bericht. Zo behoort het te zijn bij het steunen op de overlevering en de getuigenis van een verdorvene: velen van de verdorvenen spreken de waarheid in hun berichten, overleveringen en getuigenissen; ja, velen van hen streven met uiterste zorg naar waarachtigheid, terwijl hun verdorvenheid uit andere richtingen komt — diens bericht en getuigenis worden niet afgewezen. Werden de getuigenis en overlevering van zo iemand afgewezen, dan zouden de meeste rechten verloren gaan en zou veel van de authentieke berichten teniet worden gedaan, vooral van wie verdorven is uit hoofde van overtuiging of mening, terwijl hij naar waarachtigheid streeft. Wat betreft wie verdorven is uit hoofde van het liegen: vermenigvuldigt dat zich en herhaalt het zich, zodat zijn leugen zijn waarheid overheerst, dan worden zijn bericht en getuigenis niet aanvaard; gebeurt het zelden, één of twee keer, dan zijn er over het verwerpen ervan twee uitspraken van de geleerden, en dat zijn twee overleveringen van Imâm Ahmad (moge Allah hem barmhartig zijn). Asbagh ibn al-Faraj zei: wanneer een verdorvene bij de rechter getuigt, is het verplicht zich in de zaak van oordeel te onthouden, en men kan daarvoor aanvoeren Zijn woord {als een verdorvene met een bericht komt, onderzoekt het dan nauwkeurig}. Maar de kern van de kwestie is: dat de maatstaf voor het aanvaarden en verwerpen van getuigenis de overheersende waarschijnlijkheid van waarachtigheid of het ontbreken daarvan is. En het juiste, waarover geen twijfel bestaat, is dat de rechtvaardigheid ('adâla) deelbaar is: een man kan rechtvaardig zijn in het ene en verdorven in het andere; wordt het voor de rechter duidelijk dat hij rechtvaardig is in datgene waarover hij getuigt, dan aanvaardt hij zijn getuigenis, en zijn verdorvenheid in iets anders schaadt hem daarbij niet.

﴿ ٧ ﴾

وَٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّ فِيكُمْ رَسُولَ ٱللَّهِ ۚ لَوْ يُطِيعُكُمْ فِى كَثِيرٍۢ مِّنَ ٱلْأَمْرِ لَعَنِتُّمْ وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ حَبَّبَ إِلَيْكُمُ ٱلْإِيمَٰنَ وَزَيَّنَهُۥ فِى قُلُوبِكُمْ وَكَرَّهَ إِلَيْكُمُ ٱلْكُفْرَ وَٱلْفُسُوقَ وَٱلْعِصْيَانَ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلرَّٰشِدُونَ

Wa'lamooo anna feekum Rasoolal laah; law yutee'ukum fee kaseerim minal amrila'anittum wa laakinnal laaha habbaba ilaikumul eemaana wa zaiyanahoo fee quloobikum wa karraha ilaikumul kufra walfusooqa wal'isyaan; ulaaaika humur raashidoon

49:7En weet dat onder jullie zich de Boodschapper van Allah bevindt. Als hij jullie (adviezen) zou volgen in vele aangelegenheden, dan zouden jullie zeker in moeilijkheden verkeren. Maar Allah heeft jullie doen houden van het geloof en Hij heeft het mooi gemaakt in jullie harten en Hij heeft jullie een afkeer doen hebben van ongeloof, zware zonden en opstandigheid. Zij zijn degenen die het rechte Pad volgen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De gelovige wil soms iets dat hem juist zou schaden; daarom is het een genade dat de Profeet ﷺ niet ieders mening volgt, maar leidt. En het geloof zelf is geen eigen prestatie: het is Allah die het in het hart dierbaar maakt en verfraait, en die ongeloof, verdorvenheid en opstandigheid doet verafschuwen. Wie zo geleid wordt, volgt het rechte pad — louter uit Zijn gunst.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Dat wil zeggen: weet wel dat {de Boodschapper van Allah} ﷺ zich in jullie midden bevindt; hij is de edele, vrome, juist geleide Boodschapper die het goede met jullie voorheeft en jullie oprecht raadt, terwijl jullie voor julliezelf kwaad en schade wensen waarin de Boodschapper jullie niet bijvalt. {Als hij jullie zou volgen in vele aangelegenheden}, dan zou dat zwaar voor jullie zijn en jullie in moeilijkheden brengen; maar de Boodschapper leidt jullie. En Allah, de Verhevene, doet jullie het {geloof} liefhebben en maakt het mooi {in jullie harten} — door wat Hij in jullie harten heeft gelegd aan liefde voor de waarheid en haar verkiezing, door de getuigen en bewijzen die Hij voor de waarheid heeft opgesteld en die op haar juistheid en op de ontvankelijkheid van de harten en de oorspronkelijke aanleg (fitra) ervoor wijzen, en door wat Hij, de Verhevene, jullie schenkt aan succes om je tot Hem te keren. En Hij doet jullie {het ongeloof en de verdorvenheid} — dat zijn de grote zonden — {en de opstandigheid} — dat zijn de kleine zonden — verafschuwen, door wat Hij in jullie harten heeft gelegd aan afkeer van het kwade en de onwil het te doen, door de bewijzen en getuigen die Hij heeft opgesteld voor de slechtheid en schadelijkheid ervan en de onontvankelijkheid van de aanleg ervoor, en door wat Allah in de harten legt aan afkeer ervan. {Zij} — degenen in wier harten Allah het geloof heeft verfraaid en het hun heeft doen liefhebben, en die Hij het ongeloof, de verdorvenheid en de opstandigheid heeft doen verafschuwen — {zij volgen het rechte Pad}: het zijn zij wier kennis en daden deugdelijk zijn geworden en die standvastig zijn op de juiste godsdienst en het rechte pad. Hun tegendeel zijn de dwalenden, die het ongeloof, de verdorvenheid en de opstandigheid zijn gaan liefhebben en die het geloof zijn gaan verafschuwen; en de zonde is hun zonde — want toen zij verdorven handelden, verzegelde Allah hun harten; toen zij afweken, deed Allah hun harten afwijken; en toen zij niet in de waarheid geloofden toen die hun voor het eerst kwam, keerde Allah hun harten om.

Ibn Kathîr

{En weet dat onder jullie zich de Boodschapper van Allah bevindt}: weet dat de Boodschapper van Allah ﷺ in jullie midden is; eer en respecteer hem dus, wees beleefd jegens hem en gehoorzaam zijn bevelen, want hij weet beter wat jullie baat en is meer om jullie bekommerd dan jullie zelf, en zijn meningen in zulke zaken zijn vollediger dan de jullie. Allah, de Verhevene, zei in een ander vers: {De Profeet staat dichter bij de gelovigen dan zijzelf.} Daarna verduidelijkt Hij dat zij tekortschieten in het behartigen van hun eigen belang: {Als hij jullie zou volgen in vele aangelegenheden, dan zouden jullie zeker in moeilijkheden verkeren} — als hij al jullie meningen en begeerten zou volgen, zouden jullie moeite en ontbering oogsten. Allah, de Verhevene, zei: {En als de waarheid hun begeerten zou volgen, dan zouden de hemelen en de aarde en al wie daarin is bedorven zijn. Wij hebben hun juist hun vermaning gebracht, maar zij wenden zich van hun vermaning af.} {Maar Allah heeft jullie doen houden van het geloof en het mooi gemaakt in jullie harten}: Hij heeft het geloof aan jullie zielen dierbaar gemaakt en het in jullie harten verfraaid; {en Hij heeft jullie een afkeer doen hebben van ongeloof, verdorvenheid en opstandigheid}: Hij heeft ongeloof, zonden — groot en klein — en opstandigheid, alle soorten zonden, jullie doen verafschuwen. Deze uitspraak voert ons van het ene niveau naar een beter niveau, ter vervolmaking van Allahs gunst. {Zij zijn degenen die het rechte Pad volgen}: wie deze eigenschappen bezitten, zijn de juist geleiden aan wie Allah leiding en juistheid heeft geschonken. Imâm Ahmad leverde over dat Aboe Rifâ'a az-Zuraqî van zijn vader overleverde: "Tijdens de slag van Uhud, toen de afgodendienaren zich terugtrokken, zei de Boodschapper van Allah ﷺ: 'Sta in rechte rijen, opdat ik mijn Heer, de Almachtige en Majesteitelijke, prijs.' Zij stelden zich achter hem in rijen op, en hij ﷺ zei: 'O Allah, U komt alle lof toe. O Allah, niemand kan weerhouden wat U geeft, noch geven wat U weerhoudt, noch leiden wie U doet dwalen, noch doen dwalen wie U leidt, noch geven wat U onthoudt, noch onthouden wat U geeft, noch nabij brengen wat U verwijdert, noch verwijderen wat U nabij brengt. O Allah, breid over ons uit van Uw zegeningen, Uw barmhartigheid, Uw gunst en Uw voorziening. O Allah, ik vraag U om de blijvende gelukzaligheid die niet verandert en niet vergaat. O Allah, ik vraag U om voorziening op de Dag van ontbering en veiligheid op de Dag van vrees. O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen het kwade van wat U ons gegeven hebt en tegen het kwade van wat U ons onthouden hebt. O Allah, doe ons het geloof liefhebben en verfraai het in onze harten, en doe ons ongeloof, verdorvenheid en opstandigheid verafschuwen, en maak ons tot de juist geleiden. O Allah, doe ons als moslims sterven en als moslims leven en voeg ons bij de rangen van de rechtschapenen, zonder vernedering of beproeving te proeven. O Allah, bestrijd de ongelovigen die Uw Boodschappers loochenen en van Uw pad afhouden; zend over hen Uw kwelling en Uw bestraffing. O Allah, bestrijd de ongelovigen die de Schrift gegeven zijn, ware God.'" An-Nasâ'î verzamelde deze overlevering in 'Amal al-Yawm wa-l-Layla.

Ibn al-Qayyim

Allah, de Verhevene, zegt: jullie liefde voor het geloof, jullie wil ertoe en de verfraaiing ervan in jullie harten kwam niet van jullie zelf, maar het is Allah die het zó in jullie harten heeft gelegd; daarom hebben jullie het verkozen en zijn jullie ermee tevreden. Daarom: loop niet vooruit op Mijn Boodschapper, zeg niets vóór hij spreekt, en doe niets vóór hij beveelt; want Hij die jullie het geloof dierbaar heeft gemaakt, weet beter wat in het belang van Zijn dienaren is dan jullie. En jullie — ware het niet om Zijn succes-schenking aan jullie, dan zouden jullie zielen zich niet aan het geloof hebben onderworpen; het geloof kwam dus niet door jullie overleg of de geschiktheid van jullie eigen zielen tot stand, en jullie hebben het er niet zelf toe gebracht — jullie zielen schieten daarin tekort en zijn er niet toe bij machte. Zou Mijn Boodschapper jullie volgen in veel van wat jullie willen, dan zou dat zwaar voor jullie zijn en zouden jullie te gronde gaan en zou jullie welzijn bederven zonder dat jullie het beseffen. Meent niet dat jullie zielen voor jullie de juistheid en het welzijn willen, zoals jullie het geloof wilden; want had Ik het jullie niet dierbaar gemaakt en in jullie harten verfraaid, en had Ik jullie zijn tegendeel niet doen verafschuwen, dan zou het niet van jullie zijn uitgegaan en zouden jullie zielen het niet hebben toegelaten. Deze liefde en deze afkeer waren dus niet ín de ziel, noch dóór haar, maar het is Allah die met beide begunstigde, en zo door beide de dienaar tot de juist geleiden maakte. {Een gunst van Allah en een genieting; en Allah is Alwetend, Alwijs}: {Alwetend} omtrent wie geschikt is voor deze gunst, en wie erbij gedijt en daardoor vrucht draagt; {Alwijs}: zodat Hij haar niet bij wie haar niet waardig is plaatst en haar zo verspilt door haar op de verkeerde plaats te leggen. Ook zegt Ibn al-Qayyim in Shifâ' al-'Alîl over Zijn woord {Maar Allah heeft jullie doen houden van het geloof}: Allahs dierbaar maken van het geloof aan Zijn gelovige dienaren is het werpen van Zijn liefde in hun harten, en daartoe is niemand buiten Hem bij machte; terwijl het dierbaar maken van iets door een dienaar aan een ander slechts geschiedt door het te verfraaien, zijn eigenschappen te noemen en wat tot liefde ervoor uitnodigt. Hij berichtte dus dat Hij in de harten van Zijn gelovige dienaren beide zaken legde: de liefde voor het geloof en de schoonheid ervan die tot de liefde ervoor uitnodigt; en Hij wierp in hun harten de afkeer van zijn tegendeel — ongeloof, verdorvenheid en opstandigheid — en dat is zuiver Zijn gunst en weldaad jegens hen, daar Hij hen niet aan zichzelf overliet, maar Zelf dit dierbaar maken en verfraaien en het verafschuwen van het tegendeel op zich nam, en hun dat schonk als een gunst van Hem en een genieting; en Allah weet waar Zijn gunst valt en wie ervoor geschikt is en wie niet, en is Alwijs door haar op haar plaats te leggen.

﴿ ٨ ﴾

فَضْلًۭا مِّنَ ٱللَّهِ وَنِعْمَةًۭ ۚ وَٱللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌۭ

Fadlam minal laahi wa ni'mah; wallaahu 'Aleemun Hakeem

49:8Als een gunst van Allah en een genieting. En Allah is Alwetend, Alwijs.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Het geloof in het hart, de afkeer van het kwade, de juiste leiding — niets daarvan is een eigen verdienste. Het vers vat het samen: een gunst van Allah en een genieting. En Hij weet precies bij wie die gunst gedijt en wie haar dankt; Zijn wijsheid plaatst haar nooit verkeerd.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

En Zijn woord {Als een gunst van Allah en een genieting}: dat goede dat hun ten deel viel is door de gunst van Allah jegens hen en Zijn weldadigheid, niet door hun eigen vermogen en kracht. {En Allah is Alwetend, Alwijs}: Alwetend omtrent wie de gunst dankt — die stelt Hij ertoe in staat — en wie haar niet dankt en haar niet waardig is; zo plaatst Hij Zijn gunst waar Zijn wijsheid het vereist.

Ibn Kathîr

{Als een gunst van Allah en een genieting}: deze gunst die Hij jullie heeft geschonken is een gunst en weldaad van Hem aan jullie; {en Allah is Alwetend, Alwijs}: Alwetend omtrent wie leiding verdient en wie dwaling verdient, Alwijs in Zijn woorden, daden, wetgeving en de beschikking die Hij vastlegt.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim verklaart Zijn woord {Een gunst van Allah en een genieting; en Allah is Alwetend, Alwijs}: het is een zuivere gunst en weldaad van Allah jegens de gelovigen dat Hij het geloof in hun harten dierbaar heeft gemaakt en verfraaid, en hun het tegendeel heeft doen verafschuwen — Hij liet hen niet aan zichzelf over. {Alwetend} is Hij omtrent de plaatsen van Zijn gunst en wie ervoor geschikt is en wie niet; {Alwijs} door haar op haar plaats te leggen, zodat Hij haar niet bij wie haar niet waardig is plaatst en haar zo verspilt.

Arabische grondtekst & bron — verzen 6-8

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Hujurât · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Hujurât · onverkorte editie (Arabisch + Engelse vertaling).

يَأْمُرُ تَعَالَى بِالتَّثَبُّتِ فِي خَبَرِ الْفَاسِقِ ليُحتَاطَ لَهُ، لِئَلَّا يُحْكَمَ بِقَوْلِهِ فَيَكُونَ -فِي نَفْسِ الْأَمْرِ-كَاذِبًا أَوْ مُخْطِئًا، فَيَكُونَ الْحَاكِمُ بِقَوْلِهِ قَدِ اقْتَفَى وَرَاءَهُ، وَقَدْ نَهَى اللَّهُ عَنِ اتِّبَاعِ سَبِيلِ الْمُفْسِدِينَ، وَمِنْ هَاهُنَا امْتَنَعَ طَوَائِفُ مِنَ الْعُلَمَاءِ مِنْ قَبُولِ رِوَايَةِ مَجْهُولِ الْحَالِ لِاحْتِمَالِ فِسْقِهِ فِي نَفْسِ الْأَمْرِ، وَقَبِلَهَا آخَرُونَ لِأَنَّا إِنَّمَا أُمِرْنَا بِالتَّثَبُّتِ عِنْدَ خَبَرِ الْفَاسِقِ، وَهَذَا لَيْسَ بِمُحَقَّقِ الْفِسْقِ لِأَنَّهُ مَجْهُولُ الْحَالِ. وَقَدْ قَرَّرْنَا [[في ت: "قررت".]] هَذِهِ الْمَسْأَلَةَ فِي كِتَابِ الْعِلْمِ مِنْ شَرْحِ الْبُخَارِيِّ، وَلِلَّهِ الْحَمْدُ وَالْمِنَّةُ. وَقَدْ ذَكَرَ كَثِيرٌ مِنَ الْمُفَسِّرِينَ أَنَّ هَذِهِ الْآيَةَ نَزَلَتْ فِي الْوَلِيدِ بْنِ عُقْبَةَ بْنِ أَبِي مُعَيْطٍ، حِينَ بَعَثَهُ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ عَلَى صَدَقَاتِ بَنِي الْمُصْطَلِقِ. وَقَدْ رُوِيَ ذَلِكَ مِنْ طُرُقٍ، وَمِنْ أَحْسَنِهَا مَا رَوَاهُ الْإِمَامُ أَحْمَدُ فِي مُسْنَدِهِ مِنْ رِوَايَةِ مَلِكِ بَنِي الْمُصْطَلِقِ، وَهُوَ الْحَارِثُ بْنُ ضِرَار، وَالِدُ جُويرية [[في أ: "ميمونة".]] بِنْتِ الْحَارِثِ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهَا، قَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ سَابِقٍ، حَدَّثَنَا عِيسَى بْنُ دِينَارٍ، حَدَّثَنِي أَبِي أَنَّهُ سَمِعَ الْحَارِثَ بْنَ ضِرَارٍ الْخُزَاعِيَّ يَقُولُ: قَدِمْتُ عَلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، فَدَعَانِي إِلَى الْإِسْلَامِ، فَدَخَلْتُ فِيهِ وَأَقْرَرْتُ بِهِ، وَدَعَانِي إِلَى الزَّكَاةِ فَأَقْرَرْتُ بِهَا، وَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، أَرْجِعُ إِلَيْهِمْ فَأَدْعُوهُمْ إِلَى الْإِسْلَامِ وَأَدَاءِ الزَّكَاةِ، فَمَنِ اسْتَجَابَ لِي جَمَعْتُ زَكَاتَهُ، ويُرسل إليَّ رَسُولُ اللَّهِ رَسُولًا لإبَّان كَذَا وَكَذَا لِيَأْتِيَكَ بِمَا جمَعتُ مِنَ الزَّكَاةِ. فَلَمَّا جَمَعَ الْحَارِثُ الزَّكَاةَ مِمَّنِ اسْتَجَابَ لَهُ، وَبَلَغَ الْإِبَّانَ الَّذِي أَرَادَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ إن يَبْعَثَ إِلَيْهِ، احْتُبِسَ عَلَيْهِ الرَّسُولُ فَلَمْ يَأْتِهِ، فَظَنَّ الْحَارِثُ أَنَّهُ قَدْ حَدَثَ فِيهِ سُخْطة مِنَ اللَّهِ وَرَسُولِهِ، فَدَعَا بسَرَوات قَوْمِهِ، فَقَالَ لَهُمْ: إِنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ كَانَ وَقَّت لِي وَقْتًا يُرْسِلُ إِلَيَّ رَسُولَهُ لِيَقْبِضَ مَا كَانَ عِنْدِي مِنَ الزَّكَاةِ، وَلَيْسَ مِنْ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ الخُلْف، وَلَا أَرَى حَبْسَ رَسُولِهِ إِلَّا مِنْ سُخْطَةٍ كَانَتْ، فَانْطَلِقُوا فَنَأْتِي رَسُولَ اللَّهِ ﷺ، وَبَعَثَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ الْوَلِيدَ بْنَ عُقْبَةَ إِلَى الْحَارِثِ لِيَقْبِضَ مَا كَانَ عِنْدَهُ مِمَّا جَمَعَ مِنَ الزَّكَاةِ، فَلَمَّا أَنْ سَارَ الْوَلِيدُ حَتَّى بَلَغَ بَعْضَ الطَّرِيقِ فَرَق -أَيْ: خَافَ-فَرَجَعَ فَأَتَى رَسُولَ اللَّهِ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ الْحَارِثَ مَنَعَنِي الزَّكَاةَ وَأَرَادَ قَتْلِي. فَضَرَبَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ الْبَعْثَ إِلَى الْحَارِثِ. وَأَقْبَلَ الْحَارِثُ بِأَصْحَابِهِ حَتَّى إِذَا اسْتَقْبَلَ الْبَعْثُ وفَصَل عَنِ الْمَدِينَةِ لَقِيَهُمُ الْحَارِثُ، فَقَالُوا: هَذَا الحارث، فلما غَشِيَهُمْ قَالَ لَهُمْ: إِلَى مَنْ بُعثتم؟ قَالُوا: إِلَيْكَ. قَالَ: وَلِمَ؟ قَالُوا: إِنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ كَانَ بَعَثَ إِلَيْكَ الْوَلِيدَ بْنَ عُقْبَةَ، فَزَعَمَ أَنَّكَ مَنَعْتَهُ الزَّكَاةَ وَأَرَدْتَ قَتْلَهُ. قَالَ: لَا وَالَّذِي بَعَثَ مُحَمَّدًا بِالْحَقِّ مَا رَأَيْتُهُ بَتَّةً وَلَا أَتَانِي. فَلَمَّا دَخَلَ الْحَارِثُ عَلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ قَالَ: "مَنَعْتَ الزَّكَاةَ وَأَرَدْتَ قَتْلَ رَسُولِي؟ ". قَالَ: لَا وَالَّذِي بَعَثَكَ بِالْحَقِّ مَا رَأَيْتُهُ وَلَا أَتَانِي، وَمَا أَقْبَلْتُ إِلَّا حِينَ احْتُبِسَ عَلَيَّ رَسُولُ رَسُولِ اللَّهِ [[في ت: "احتبس علي يا رسول الله".]] ﷺ، خَشِيتُ أَنْ يَكُونَ كَانَتْ سُخْطَةٌ مِنَ اللَّهِ وَرَسُولِهِ. قَالَ: فَنَزَلَتِ الْحُجُرَاتُ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِنْ جَاءَكُمْ فَاسِقٌ بِنَبَإٍ﴾ إِلَى قَوْلِهِ: ﴿حَكِيمٌ﴾ وَرَوَاهُ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ عَنِ الْمُنْذِرِ بْنِ شَاذَانَ التَّمَّارِ، عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ سَابِقٍ بِهِ. وَرَوَاهُ الطَّبَرَانِيُّ مِنْ حَدِيثِ مُحَمَّدِ بْنِ سَابِقٍ، بِهِ [[المسند (٤/٢٧٩) والمعجم الكبير (٣/٢٧٤) قال الهيثمي في المجمع (٧/١٠٩) : "رجال أحمد ثقات"، وهذا متعقب فإن دينار والدعيسي لم يوثقه إلا ابن حبان، ولا يعرف له راويا غير ابنه عيسى.]] ، غَيْرَ أَنَّهُ سَمَّاهُ الْحَارِثَ بْنَ سِرَارٍ، وَالصَّوَابُ: الْحَارِثُ بْنُ ضِرَارٍ، كَمَا تَقَدَّمَ. وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنَا أَبُو كُرَيْب، حَدَّثَنَا جَعْفَرُ بْنُ عَوْن، عَنْ مُوسَى بْنِ عُبَيْدَةَ، عَنْ ثَابِتٍ مَوْلَى أُمِّ سَلَمَةَ، عَنْ أُمِّ سَلَمَةَ قَالَتْ: بَعَثَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ رَجُلًا فِي صَدَقَاتِ بَنِي الْمُصْطَلِقِ بَعْدَ الْوَقِيعَةِ [[في ت: "الوقعة".]] ، فَسَمِعَ بِذَلِكَ الْقَوْمُ، فَتَلَقَّوْهُ يُعَظِّمُونَ أَمْرَ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، قَالَتْ: فَحَدَّثَهُ الشَّيْطَانُ أَنَّهُمْ يُرِيدُونَ قَتْلَهُ، قَالَتْ: فَرَجَعَ إِلَى رَسُولِ اللَّهِ [[في ت، م، أ: "رسول الله صلى الله عليه وسلم".]] فَقَالَ: إِنَّ بَنِي الْمُصْطَلِقِ قَدْ مَنَعُونِي [[في ت، م: "منعوا".]] صَدَقَاتِهِمْ. فَغَضِبَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ وَالْمُسْلِمُونَ. قَالَتْ: فَبَلَغَ الْقَوْمَ رُجُوعُهُ فَأَتَوْا رَسُولَ اللَّهِ ﷺ، فَصَفُّوا لَهُ حِينَ صَلَّى الظُّهْرَ، فَقَالُوا: نَعُوذُ بِاللَّهِ مِنْ سَخَطِ اللَّهِ وَسَخَطِ رَسُولِهِ، بَعَثْتَ إِلَيْنَا رَجُلًا مُصَدِّقًا، فَسُرِرْنَا بِذَلِكَ، وَقَرَّتْ بِهِ أَعْيُنُنَا، ثُمَّ إِنَّهُ رَجَعَ مِنْ بَعْضِ الطَّرِيقِ، فَخَشِينَا أَنْ يَكُونَ ذَلِكَ غَضَبًا مِنَ اللَّهِ وَمِنْ رَسُولِهِ، فَلَمْ يَزَالُوا يُكَلِّمُونَهُ حَتَّى جَاءَ بِلَالٌ فَأَذَّنَ بِصَلَاةِ الْعَصْرِ، قَالَتْ: وَنَزَلَتْ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِنْ جَاءَكُمْ فَاسِقٌ بِنَبَإٍ فَتَبَيَّنُوا أَنْ تُصِيبُوا قَوْمًا بِجَهَالَةٍ فَتُصْبِحُوا عَلَى مَا فَعَلْتُمْ نَادِمِينَ﴾ [[تفسير الطبري (٢٦/٧٨) وفي إسناده موسى بن عبيدة الربذي وهو ضعيف، وثابت مولى أم سلمة مجهول.]] . وَرَوَى ابْنُ جَرِيرٍ أَيْضًا مِنْ طَرِيقِ العَوْفي، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ فِي هَذِهِ الْآيَةِ قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وسلم بَعَثَ الْوَلِيدَ بْنَ عُقْبَةَ بْنِ أَبِي مُعَيْط إِلَى بَنِي الْمُصْطَلِقِ لِيَأْخُذَ مِنْهُمُ الصَّدَقَاتِ، وَإِنَّهُمْ لَمَّا أَتَاهُمُ الْخَبَرُ فَرِحُوا وَخَرَجُوا يَتَلَقَّوْنَ رَسُولَ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، وَأَنَّهُ لَمَّا حُدِّثَ الْوَلِيدُ أَنَّهُمْ خَرَجُوا يَتَلَقَّوْنَهُ، رَجَعَ الْوَلِيدُ إِلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ بَنِي الْمُصْطَلِقِ قَدْ مَنَعُوا الصَّدَقَةَ. فَغَضِبَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ مِنْ ذَلِكَ غَضَبًا شَدِيدًا، فَبَيْنَا هُوَ يُحَدِّثُ نَفْسَهُ أَنْ يَغْزُوَهُمْ إِذْ أَتَاهُ الْوَفْدُ فَقَالُوا: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّا حُدِّثْنَا أَنَّ رَسُولَكَ رَجَعَ مِنْ نِصْفِ الطَّرِيقِ، وَإِنَّا خَشِينَا أَنَّ مَا رَدَّهُ كِتَابٌ جَاءَ مِنْكَ لِغَضَبٍ غَضِبْتَهُ عَلَيْنَا، وَإِنَّا نَعُوذُ بِاللَّهِ مِنْ غَضَبِهِ وَغَضَبِ رَسُولِهِ. وَإِنَّ النَّبِيَّ ﷺ اسْتَغَشَّهُمْ وَهَمَّ بِهِمْ، فَأَنْزَلَ اللَّهُ [[في م: "الله عز وجل".]] عُذْرَهُمْ فِي الْكِتَابِ، فَقَالَ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِنْ جَاءَكُمْ فَاسِقٌ بِنَبَإٍ فَتَبَيَّنُوا﴾ إلى آخر الآية [[تفسير الطبري (٢٦/٧٨) .]] . وَقَالَ مُجَاهِدٌ وَقَتَادَةُ: أَرْسَلَ رَسُولُ اللَّهِ الْوَلِيدَ بْنَ عُقْبَةَ إِلَى بَنِي الْمُصْطَلِقِ ليُصدّقهم، فَتَلَقَّوْهُ بِالصَّدَقَةِ، فَرَجَعَ فَقَالَ: إِنَّ بَنِي الْمُصْطَلِقِ قَدْ جَمَعَتْ لَكَ لِتُقَاتِلَكَ -زَادَ قَتَادَةُ: وَإِنَّهُمْ قَدِ ارْتَدُّوا عَنِ الْإِسْلَامِ-فَبَعَثَ رَسُولُ اللَّهِ خَالِدَ بْنَ الْوَلِيدِ إِلَيْهِمْ، وَأَمَرَهُ أَنْ يَتَثَبَّتَ وَلَا يَعْجَلَ. فَانْطَلَقَ حَتَّى أَتَاهُمْ لَيْلًا فَبَعَثَ عُيُونَهُ، فَلَمَّا جَاءُوا أَخْبَرُوا خَالِدًا أَنَّهُمْ مُسْتَمْسِكُونَ بِالْإِسْلَامِ، وَسَمِعُوا أَذَانَهُمْ وَصَلَاتَهُمْ، فَلَمَّا أَصْبَحُوا أَتَاهُمْ خَالِدٌ فَرَأَى الَّذِي يُعْجِبُهُ، فَرَجَعَ إِلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ فَأَخْبَرَهُ الْخَبَرَ، فَأَنْزَلَ اللَّهُ هَذِهِ الْآيَةَ. قَالَ قَتَادَةُ: فَكَانَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ يَقُولُ: "التَّبيُّن مِنَ اللَّهِ، والعَجَلَة مِنَ الشَّيْطَانِ". وَكَذَا ذَكَرَ غَيْرُ وَاحِدٍ مِنَ السَّلَفِ، مِنْهُمْ: ابْنُ أَبِي لَيْلَى، وَيَزِيدُ بْنُ رُومَانَ، وَالضَّحَّاكُ، وَمُقَاتِلُ بْنُ حَيَّان، وَغَيْرُهُمْ فِي هَذِهِ الْآيَةِ: أَنَّهَا نَزَلَتْ فِي الْوَلِيدِ بْنِ عُقْبَةَ، وَاللَّهُ أَعْلَمُ [[وقد ذهب إلى ذلك كثير من المفسرين، وهذا القول فيه نظر؛ فإن الروايات التي ساقت القصة معلولة، وأحسنها وهي رواية أحمد عن الحارث بن ضرار الخزاعي، وفي إسنادها مجهول، وقد أنكر القاضي أبو بكر بن العربي في كتابه "العواصم من القواصم" (ص١٠٢) هذه القصة قال: "وقد اختلف فيه، فقيل: نزلت في ذلك -أي في شأن الوليد. وقيل: في علي والوليد في قصة أخرى- وقيل: إن الوليد سيق يوم الفتح في جملة الصبيان إلى رسول الله صلى الله عليه وسلم فمسح روءسهم وبرك عليهم إلا هو فقال: إنه كان على رأسي خلوق، فامتنع صلى الله عليه وسلم من مسه، فمن يكون في مثل هذه السنن يرسل مصدقا، وبهذا الاختلاف يسقط العلماء الأحاديث القوية، وكيف يفسق رجل هذا الكلام؟ فكيف برجل مِنْ أَصْحَابِ مُحَمَّدٍ ﷺ وللشيخ عبد الرحمن المعلمي رحمه الله كلام على الوليد بن عقبة في الأنوار الكاشفة (ص٢٦٣) أثبت فيه أنه لم يؤثر له رواية عَنْ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ ومن جملة ما نفاه هذا الحديث الذي ذكره ابن العربي.]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَاعْلَمُوا أَنَّ فِيكُمْ رَسُولَ اللَّهِ﴾ أَيْ: اعْلَمُوا أَنَّ بَيْنَ أَظْهُرِكُمْ رَسُولَ اللَّهِ فعظِّموه وَوَقِّرُوهُ، وَتَأَدَّبُوا مَعَهُ، وَانْقَادُوا لِأَمْرِهِ، فَإِنَّهُ أَعْلَمُ بِمَصَالِحِكُمْ، وَأَشْفَقُ عَلَيْكُمْ مِنْكُمْ، وَرَأْيُهُ فِيكُمْ أَتَمُّ مِنْ رَأْيِكُمْ لِأَنْفُسِكُمْ، كَمَا قَالَ تَعَالَى: ﴿النَّبِيُّ أَوْلَى بِالْمُؤْمِنِينَ مِنْ أَنْفُسِهِمْ﴾ [الْأَحْزَابِ: ٦] . ثُمَّ بَيَّن [تَعَالَى] [[زيادة من ت.]] أَنَّ رَأْيَهُمْ سَخِيفٌ بِالنِّسْبَةِ إِلَى مُرَاعَاةِ مَصَالِحِهِمْ فَقَالَ: ﴿لَوْ يُطِيعُكُمْ فِي كَثِيرٍ مِنَ الأمْرِ لَعَنِتُّمْ﴾ أَيْ: لَوْ أَطَاعَكُمْ فِي جَمِيعِ مَا تَخْتَارُونَهُ لَأَدَّى ذَلِكَ إِلَى عَنَتِكُمْ وحَرَجكم، كَمَا قَالَ تَعَالَى: ﴿وَلَوِ اتَّبَعَ الْحَقُّ أَهْوَاءَهُمْ لَفَسَدَتِ السَّمَوَاتُ وَالأرْضُ وَمَنْ فِيهِنَّ بَلْ أَتَيْنَاهُمْ بِذِكْرِهِمْ فَهُمْ عَنْ ذِكْرِهِمْ مُعْرِضُونَ﴾ [الْمُؤْمِنُونَ: ٧١] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَلَكِنَّ اللَّهَ حَبَّبَ إِلَيْكُمُ الإيمَانَ وَزَيَّنَهُ فِي قُلُوبِكُمْ﴾ أَيْ: حَبَّبَهُ إِلَى نُفُوسِكُمْ وَحَسَّنَهُ فِي قُلُوبِكُمْ. قَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا بَهْز، حَدَّثَنَا عَلِيُّ بْنُ مَسْعَدة، حَدَّثَنَا قَتَادَةُ، عَنْ أَنَسٍ قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وسلم يقول: "الْإِسْلَامُ عَلَانِيَةً، وَالْإِيمَانُ فِي الْقَلْبِ" قَالَ: ثُمَّ يُشِيرُ بِيَدِهِ إِلَى صَدْرِهِ ثَلَاثَ مَرَّاتٍ، ثُمَّ يَقُولُ: "التَّقْوَى هَاهُنَا، التَّقْوَى هَاهُنَا" [[المسند (٣/١٣٤) قال الهيثمي في المجمع (١/٥٢) : "رجاله رجال الصحيح ما خلا علي بن مسعدة، وقد وثقه ابن حبان وأبو داود الطيالسي وأبو حاتم وابن معين وضعفه آخرون".]] . ﴿وَكَرَّهَ إِلَيْكُمُ الْكُفْرَ وَالْفُسُوقَ وَالْعِصْيَانَ﴾ أَيْ: وَبَغَّضَ إِلَيْكُمُ الْكُفْرَ والفسوق، وهي: الذنوب الْكِبَارُ. وَالْعِصْيَانَ وَهِيَ جَمِيعُ الْمَعَاصِي. وَهَذَا تَدْرِيجٌ لِكَمَالِ النِّعْمَةِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿أُولَئِكَ هُمُ الرَّاشِدُونَ﴾ أَيِ: الْمُتَّصِفُونَ بِهَذِهِ الصِّفَةِ هُمُ الرَّاشِدُونَ، الَّذِينَ قَدْ آتَاهُمُ اللَّهُ رُشْدَهُمْ. قَالَ [[في ت: "روى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا مَرْوَانُ بْنُ مُعَاوِيَةَ الْفَزَارِيُّ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الْوَاحِدِ بْنُ أَيْمَنَ الْمَكِّيُّ، عَنِ ابْنِ رَفَاعَةَ الزُّرَقِيِّ، عَنْ أَبِيهِ قَالَ: لَمَّا كَانَ يَوْمُ أُحُدٍ [[في أ: "الحديبية".]] وَانْكَفَأَ الْمُشْرِكُونَ، قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "اسْتَوُوا حَتَّى أُثْنِيَ عَلَى رَبِّي، عَزَّ وَجَلَّ" فَصَارُوا خَلْفَهُ صُفُوفًا، فَقَالَ: "اللَّهُمَّ لَكَ الْحَمْدُ كُلُّهُ. اللَّهُمَّ لَا قَابِضَ لِمَا بَسَطْتَ، وَلَا بَاسِطَ لِمَا قَبَضْتَ، وَلَا هَادِيَ لِمَنْ أَضْلَلْتَ، وَلَا مُضل لِمَنْ هَدَيْتَ. وَلَا مُعْطِيَ لِمَا مَنَعْتَ، وَلَا مَانِعَ لِمَا أَعْطَيْتَ. وَلَا مُقَرِّبَ لِمَا بَاعَدْتَ، وَلَا مُبَاعِدَ لِمَا قَرَّبْتَ. اللَّهُمَّ ابْسُطْ عَلَيْنَا مِنْ بَرَكَاتِكَ وَرَحْمَتِكَ وَفَضْلِكَ وَرِزْقِكَ. اللَّهُمَّ، إِنِّي أَسْأَلُكَ النَّعِيمُ الْمُقِيمُ الَّذِي لَا يَحُولُ وَلَا يَزُولُ. اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ النَّعِيمَ يَوْمَ العَيْلَة، وَالْأَمْنَ يَوْمَ الْخَوْفِ. اللَّهُمَّ إِنَّى عَائِذٌ بِكَ مِنْ شَرِّ مَا أَعْطَيْتَنَا، وَمِنْ شَرٍّ مَا مَنَعْتَنَا. اللَّهُمَّ حَبِّبْ إِلَيْنَا الْإِيمَانَ وَزَيِّنْهُ فِي قُلُوبِنَا، وَكَرِّهْ إِلَيْنَا الْكُفْرَ وَالْفُسُوقَ وَالْعِصْيَانَ، وَاجْعَلْنَا مِنَ الرَّاشِدِينَ. اللَّهُمَّ، تَوَفَّنَا مُسْلِمِينَ، وَأَحْيِنَا مُسْلِمِينَ، وَأَلْحِقْنَا بِالصَّالِحِينَ، غَيْرَ خَزَايَا وَلَا مَفْتُونِينَ. اللَّهُمَّ، قَاتِلِ الْكَفَرَةَ الَّذِينَ يُكَذِّبُونَ رُسُلَكَ وَيَصُدُّونَ عَنْ سَبِيلِكَ، وَاجْعَلْ عَلَيْهِمْ رِجْزَكَ وَعَذَابَكَ. اللَّهُمَّ قَاتِلِ الْكَفَرَةَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ، إِلَهَ الْحَقِّ". وَرَوَاهُ النَّسَائِيُّ فِي الْيَوْمِ وَاللَّيْلَةِ عَنْ زِيَادِ بْنِ أَيُّوبَ، عَنْ مَرْوَان بْنِ مُعَاوِيَةَ، عَنْ عَبْدِ الْوَاحِدِ بْنِ أَيْمَنَ، عَنْ عُبَيْد بْنِ رِفاعة، عَنْ أَبِيهِ، بِهِ [[المسند (٣/٤٢٤) والنسائي في السنن الكبرى برقم (١٠٤٤٥) .]] . وَفِي الْحَدِيثِ الْمَرْفُوعِ: "مَنْ سَرَّتْهُ حَسَنَتُهُ، وَسَاءَتْهُ سَيِّئَتُهُ، فَهُوَ مُؤْمِنٌ" [[رواه أحمد في مسنده (١/١٨) والترمذي في السنن برقم (٢١٦٥) من حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ، قَالَ التِّرْمِذِيُّ: "هَذَا حَدِيثٌ حَسَنٌ صَحِيحٌ غَرِيبٌ من هذا الوجه".]] . ثُمَّ قَالَ: ﴿فَضْلا مِنَ اللَّهِ وَنِعْمَةً﴾ أَيْ: هَذَا الْعَطَاءُ [[في ت: "القضاء".]] الَّذِي مَنَحَكُمُوهُ هُوَ فَضْلٌ مِنْهُ عَلَيْكُمْ وَنِعْمَةٌ مِنْ لَدُنْهُ، ﴿وَاللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ﴾ أَيْ: عَلِيمٌ بِمَنْ يَسْتَحِقُّ الْهِدَايَةَ مِمَّنْ يَسْتَحِقُّ الْغَوَايَةَ، حَكِيمٌ فِي أَقْوَالِهِ وَأَفْعَالِهِ، وَشَرْعِهِ وَقَدَرِهِ.

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Hujurât (uit zijn tafsir-compilatie).

«نَزَلَتْ في الوَلِيدِ بْنِ عُقْبَةَ بْنِ أبِي مُعَيْطٍ لَمّا بَعَثَهُ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ إلى بَنِي المُصْطَلَقِ بَعْدَ الوَقْعَةِ مُصَدِّقًا، وكانَ بَيْنَهُ وبَيْنَهم عَداوَةٌ في الجاهِلِيَّةِ، فَلَمّا سَمِعَ القَوْمُ بِمَقْدِمِهِ تَلَقَّوْهُ، تَعْظِيمًا لِأمْرِ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، فَحَدَّثَهُ الشَّيْطانُ أنَّهم يُرِيدُونَ قَتْلَهُ، فَهابَهم فَرَجَعَ مِنَ الطَّرِيقِ إلى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، فَقالَ: إنَّ بَنِي المُصْطَلَقِ مَنَعُوا صَدَقاتِهِمْ، وأرادُوا قَتْلِي، فَغَضِبَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ، وهَمَّ أنْ يَغْزُوَهُمْ، فَبَلَغَ القَوْمَ رُجُوعُهُ فَأتَوْا رَسُولَ اللَّهِ ﷺ، فَقالُوا: يا رَسُولَ اللَّهِ، سَمِعْنا بِرَسُولِكَ، فَخَرَجْنا نَتَلَقّاهُ ونُكْرِمُهُ، ونُؤَدِّي إلَيْهِ ما قَبِلَنا مِن حَقِّ اللَّهِ، فَبَدا لَهُ في الرُّجُوعِ، فَخَشِينا أنَّهُ إنَّما رَدَّهُ مِنَ الطَّرِيقِ كِتابٌ جاءَ مِنكَ لِغَضَبٍ غَضَبْتَهُ عَلَيْنا، وإنّا نَعُوذُ بِاللَّهِ مِن غَضَبِهِ وغَضِبِ رَسُولِهِ، فاتَّهَمَهم رَسُولُ اللَّهِ ﷺ، وبَعَثَ خالِدَ بْنَ الوَلِيدِ خُفْيَةً في عَسْكَرٍ، وأمَرَهُ أنْ يُخْفِيَ عَلَيْهِمْ قُدُومَهُ، وقالَ لَهُ: انْظُرْ، فَإنْ رَأيْتَ مِنهم ما يَدُلُّ عَلى إيمانِهِمْ فَخُذْ مِنهم زَكاةَ أمْوالِهِمْ، وإنْ لَمْ تَرَ ذَلِكَ فاسْتَعْمِلْ فِيهِمْ ما تَسْتَعْمِلُ في الكُفّارِ، فَفَعَلَ ذَلِكَ خالِدٌ، ووافاهُمْ، فَسَمِعَ مِنهم أذانَ صَلاتَيِ المَغْرِبِ والعِشاءِ، فَأخَذَ مِنهم صَدَقاتِهِمْ، ولَمْ يُرَ مِنهم إلّا الطّاعَةَ والخَيْرَ، فَرَجَعَ إلى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ وأخْبَرَهُ الخَبَرَ، فَنَزَلَ ﴿ياأيُّها الَّذِينَ آمَنُوا إنْ جاءَكم فاسِقٌ بِنَبَإٍ فَتَبَيَّنُوا﴾ الآيَةَ». والنَّبَأُ هو الخَبَرُ الغائِبُ عَنِ المُخْبَرِ إذا كانَ لَهُ شَأْنٌ، والتَّبَيُّنُ طَلَبُ بَيانِ حَقِيقَتِهِ والإحاطَةِ بِها عِلْمًا. وَهاهُنا فائِدَةٌ لَطِيفَةٌ، وهي أنَّهُ سُبْحانَهُ لَمْ يَأْمُرْ بِرَدِّ خَبَرِ الفاسِقِ وتَكْذِيبِهِ ورَدِّ شَهادَتِهِ جُمْلَةً، وإنَّما أمَرَ بِالتَّبَيُّنِ، فَإنْ قامَتْ قَرائِنُ وأدِلَّةٌ مِن خارِجٍ تَدُلُّ عَلى صِدْقِهِ عُمِلَ بِدَلِيلِ الصِّدْقِ، ولَوْ أخْبَرَ بِهِ مَن أخْبَرَ، فَهَكَذا يَنْبَغِي الِاعْتِمادُ في رِوايَةِ الفاسِقِ وشَهادَتِهِ، وكَثِيرٌ مِنَ الفاسِقِينَ يَصْدُقُونَ في أخْبارِهِمْ ورِواياتِهِمْ وشَهاداتِهِمْ، بَلْ كَثِيرٌ مِنهم يَتَحَرّى الصِّدْقَ غايَةَ التَّحَرِّي، وفِسْقُهُ مِن جِهاتٍ أُخَرَ، فَمِثْلُ هَذا لا يُرَدُّ خَبَرُهُ ولا شَهادَتُهُ، ولَوْ رُدَّتْ شَهادَةُ مِثْلِ هَذا ورِوايَتُهُ لَتَعَطَّلَتْ أكْثَرُ الحُقُوقِ، وبَطَلَ كَثِيرٌ مِنَ الأخْبارِ الصَّحِيحَةِ، ولاسِيَّما مَن فِسْقُهُ مِن جِهَةِ الِاعْتِقادِ والرَّأْيِ، وهو مُتَحَرٍّ لِلصِّدْقِ، فَهَذا لا يُرَدُّ خَبَرُهُ ولا شَهادَتُهُ. وَأمّا مَن فِسْقُهُ مِن جِهَةِ الكَذِبِ فَإنْ كَثُرَ مِنهُ وتَكَرَّرَ، بِحَيْثُ يَغْلِبُ كَذِبُهُ عَلى صِدْقِهِ، فَهَذا لا يُقْبَلُ خَبَرُهُ ولا شَهادَتُهُ، وإنْ نَدُرَ مِنهُ مَرَّةً ومَرَّتَيْنِ، فَفي رَدِّ شَهادَتِهِ وخَبَرِهِ بِذَلِكَ قَوْلانِ لِلْعُلَماءِ، وهُما رِوايَتانِ عَنِ الإمامِ أحْمَدَ رَحِمَهُ اللَّهُ. (فائدة) قالَ أصْبَغُ بْنُ الفَرَجِ: إذا شَهِدَ الفاسِقُ عِنْدَ الحاكِمِ وجَبَ عَلَيْهِ التَّوَقُّفُ في القَضِيَّةِ، وقَدْ يَحْتَجُّ لَهُ بِقَوْلِهِ تَعالى: ﴿إنْ جاءَكم فاسِقٌ بِنَبَإٍ فَتَبَيَّنُوا﴾ [الحجرات: ٦] وَحَرْفُ المَسْألَةِ: أنَّ مَدارَ قَبُولِ الشَّهادَةِ، ورَدِّها، عَلى غَلَبَةِ ظَنِّ الصِّدْقِ وعَدَمِهِ. والصَّوابُ المَقْطُوعُ بِهِ أنَّ العَدالَةَ تَتَبَعَّضُ، فَيَكُونُ الرَّجُلُ عَدْلًا في شَيْءٍ، فاسِقًا في شَيْءٍ، فَإذا تَبَيَّنَ لِلْحاكِمِ أنَّهُ عَدْلٌ فِيما شَهِدَ بِهِ: قَبِلَ شَهادَتَهُ ولَمْ يَضُرَّهُ فِسْقُهُ في غَيْرِهِ. وَمَن عَرَفَ شُرُوطَ العَدالَةِ، وعَرَفَ ما عَلَيْهِ النّاسُ تَبَيَّنَ لَهُ الصَّوابُ في هَذِهِ المَسْألَةِ، واللَّهُ أعْلَمُ.

Verzen 9-10

﴿ ٩ ﴾

وَإِن طَآئِفَتَانِ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ ٱقْتَتَلُوا۟ فَأَصْلِحُوا۟ بَيْنَهُمَا ۖ فَإِنۢ بَغَتْ إِحْدَىٰهُمَا عَلَى ٱلْأُخْرَىٰ فَقَٰتِلُوا۟ ٱلَّتِى تَبْغِى حَتَّىٰ تَفِىٓءَ إِلَىٰٓ أَمْرِ ٱللَّهِ ۚ فَإِن فَآءَتْ فَأَصْلِحُوا۟ بَيْنَهُمَا بِٱلْعَدْلِ وَأَقْسِطُوٓا۟ ۖ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلْمُقْسِطِينَ

Wa in taaa'ifataani minal mu'mineenaq tataloo faaslihoo bainahumaa fa-im baghat ih daahumaa 'alal ukhraa faqaatilul latee tabhee hattaa tafeee'a ilaaa amril laah; fa-in faaa't fa aslihoo bainahumaa bil'adli wa aqsitoo innal laaha yuhibbul muqsiteen

49:9En als twee partijen van gelovigen met elkaar slaags raken, sticht dan vrede tussen hen. Als dan de ene partij de andere onrecht aandoet, bevecht dan degenen die onrecht plegen, tot zij terugkeren naar het bevel van Allah. Als zij dan terugkeren, sticht dan vrede tussen hen met rechtvaardigheid en weest onpartijdig. Voorwaar, Allah houdt van de onpartijdigen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Zelfs wanneer gelovigen elkaar bevechten, noemt Allah hen 'broeders' — het geloof valt niet weg door de zonde. De opdracht aan de gemeenschap is helder: stop het bloedvergieten, sticht vrede, en als één partij doorgaat met onrecht, sta de benadeelde bij tot de onrechtpleger terugkeert. Maar de verzoening moet rechtvaardig zijn: geen vrede over de rug van de zwakste.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Dit bevat een verbod aan de gelovigen om elkaar onrecht aan te doen en elkaar te doden, en het gebod dat, wanneer twee partijen van de gelovigen met elkaar strijden, de overige gelovigen dit grote kwaad moeten verhelpen door vrede tussen hen te stichten en op de volmaaktste wijze te bemiddelen waarmee de verzoening tot stand komt, en de wegen te bewandelen die daartoe leiden. Komen zij tot verzoening, dan is het goed. {Als dan de ene partij de andere onrecht aandoet, bevecht dan degenen die onrecht plegen, tot zij terugkeren naar het bevel van Allah} — dat wil zeggen: tot zij terugkeren naar wat Allah en Zijn Boodschapper hebben afgebakend aan het doen van goed en het laten van kwaad, waarvan het strijden het grootste is. En Zijn woord {Als zij dan terugkeren, sticht dan vrede tussen hen met rechtvaardigheid}: dit is een gebod tot verzoening en tot rechtvaardigheid in de verzoening; want soms komt er wel een verzoening, maar niet met rechtvaardigheid, doch met onrecht en benadeling van een van beide partijen — dat is niet de geboden verzoening. Men mag dus geen van beide bevoordelen om verwantschap, vaderland of andere doeleinden die tot afwijking van de gerechtigheid leiden. {Voorwaar, Allah houdt van de onpartijdigen}: de rechtvaardigen in hun oordeel tussen de mensen en in alle gezagsposities die zij bekleden — hieronder valt zelfs de rechtvaardigheid van de man jegens zijn gezin en huisgenoten in het nakomen van hun rechten. In een authentieke overlevering: 'De onpartijdigen zijn bij Allah op kansels van licht: zij die rechtvaardig zijn in hun oordeel, jegens hun gezinnen en in wat hun is toevertrouwd.'

Ibn Kathîr

Allah gebiedt vrede te stichten tussen moslims die elkaar bestrijden: {En als twee partijen van gelovigen met elkaar slaags raken, sticht dan vrede tussen hen.} Allah noemt beide tegenover elkaar staande groepen van moslims 'gelovigen', ook al bestrijden zij elkaar. Al-Bukhârî en andere geleerden steunden op deze overlevering als bewijs dat het begaan van een zonde het geloof niet tenietdoet, hoe groot de zonde ook is; dit weerlegt de leer van de Khawârij en wie hun idee overnam, zoals de Mu'tazila. Al-Bukhârî leverde over dat Aboe Bakra zei dat de Boodschapper van Allah ﷺ een redevoering hield op de minbar terwijl Al-Hasan ibn 'Alî bij hem was; hij keek herhaaldelijk naar Al-Hasan en dan naar de mensen, en zei toen: 'Voorwaar, deze zoon van mij is een Sayyid (meester), en moge Allah door hem vrede stichten tussen twee geweldige groepen van de moslims.' Wat de Profeet ﷺ zei, geschiedde: Al-Hasan bracht vrede tussen de mensen van Sham en die van Irak, na geweldige oorlogen en angstaanjagende veldslagen. {Als dan de ene partij de andere onrecht aandoet, bevecht dan degenen die onrecht plegen, tot zij terugkeren naar het bevel van Allah} betekent: tot de opstandige groep zich voor oordeel wendt tot de bevelen van Allah en Zijn Boodschapper ﷺ en naar de waarheid luistert en haar gehoorzaamt. In de Sahîh staat dat Anas vermeldt dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'Help je broeder, of hij nu een onrechtpleger is of onrecht ondergaat.' Ik vroeg: 'O Boodschapper van Allah, het is juist dat ik hem help als hij onrecht ondergaat, maar hoe help ik hem als hij een onrechtpleger is?' Hij ﷺ zei: 'Door hem te weerhouden van het plegen van onrecht; zo help je hem in dat geval.' Sa'îd ibn Jubayr zei dat de stammen Aws en Khazraj eens met elkaar in conflict raakten met dadeltakken en sandalen; toen openbaarde Allah dit edele vers en gebood vrede tussen hen te stichten. As-Suddî zei: 'Een man van de Ansâr, genaamd 'Imrân, had een vrouw genaamd Umm Zayd. Zij wilde haar familie bezoeken, maar haar man verhinderde haar door haar in een bovenvertrek op te sluiten, zodat niemand van haar familie haar kon bezoeken of zien. Zij stuurde iemand naar haar familie; zij kwamen, haalden haar uit het vertrek en wilden haar meenemen. Haar man was afwezig, dus zijn familie riep hun volk te hulp. Hun neven kwamen om te verhinderen dat de vrouw met haar familie meeging. Er ontstond geduw en getrek dat tot een gevecht met sandalen leidde. Toen werd dit vers in hun geval geopenbaard, en de Boodschapper van Allah ﷺ zond iemand om vrede tussen hen te stichten, en beide partijen stemden erin toe zich naar de beslissing van Allah, de Verhevene, te schikken.' {Als zij dan terugkeren, sticht dan vrede tussen hen met rechtvaardigheid en weest onpartijdig} betekent: wees rechtvaardig in jullie oordeel over het geschil dat tussen hen ontstond; {Voorwaar, Allah houdt van de onpartijdigen}. Ibn Abî Hâtim leverde over dat 'Abdullah ibn 'Amr zei dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'Voorwaar, de onpartijdigen in deze wereld zullen op kansels van parels zijn vóór ar-Rahmân, de Almachtige en Majesteitelijke, vanwege hun rechtvaardigheid in deze wereld.' An-Nasâ'î verzamelde deze overlevering.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim handelt over de verzoening (sulh) tussen de moslims. De Profeet ﷺ zei — overgeleverd door at-Tirmidhî en anderen via 'Amr ibn 'Awf al-Muzanî —: 'De verzoening is toegestaan tussen de moslims, behalve een verzoening die iets verbodens toestaat of iets toegestaans verbiedt; en de moslims zijn gebonden aan hun voorwaarden, behalve een voorwaarde die iets toegestaans verbiedt of iets verbodens toestaat.' At-Tirmidhî zei: dit is een authentieke overlevering. Allah, de Verhevene, spoorde aan tot verzoening tussen de twee partijen in zaken van bloed: {En als twee partijen van gelovigen met elkaar slaags raken, sticht dan vrede tussen hen.} Hij spoorde de echtgenoten aan tot verzoening bij geschil over hun rechten: {En als een vrouw vreest voor verstoting of afkeer van de zijde van haar man, dan rust er geen zonde op hen beiden als zij zich met elkaar verzoenen, en verzoening is beter.} En Hij zei: {Er is geen goed in veel van hun heimelijk overleg, behalve in dat van wie aanmaant tot liefdadigheid of het goede of verzoening tussen de mensen.} De Profeet ﷺ stichtte vrede tussen Banî 'Amr ibn 'Awf toen er onenigheid onder hen ontstond; en toen Ka'b ibn Mâlik en Ibn Abî Hadrad twistten over een schuld die Ibn Abî Hadrad had, stichtte de Profeet ﷺ vrede door van Ka'bs schuld de helft te laten kwijtschelden en zijn schuldenaar te bevelen de andere helft te voldoen. Hij zei tegen twee mannen die bij hem in geschil waren: 'Ga, verdeel, streef daarna naar de waarheid, loot dan, en laat ieder van jullie de ander vrijwaren.' En hij zei: 'Wie iets van zijn broeder onrechtmatig heeft, een eer of iets anders, laat hem het zich vandaag laten vrijwaren, vóór er geen dinar en geen dirham meer is; heeft hij een goede daad, dan wordt daarvan naar de mate van zijn onrecht genomen, en heeft hij geen goede daden, dan wordt van de slechte daden van de ander genomen en hem opgelegd.' Hij stond toe dat bij bloed van opzet de nabestaanden van de gedode nemen waarover men hen verzoent. Toen 'Abdullah ibn Harâm al-Ansârî, de vader van Jâbir, als martelaar viel en een schuld had, vroeg de Profeet ﷺ zijn schuldeisers de dadels van zijn tuin te aanvaarden en zijn vader te vrijwaren. 'Atâ' leverde van Ibn 'Abbâs dat hij geen bezwaar zag in de mukhâraja — dat is de verzoening in de erfenis, zo genoemd omdat de erfgenaam krijgt waarover men hem verzoent en zichzelf uit de erfenis terugtrekt. De vrouw van 'Abd ar-Rahmân ibn 'Awf werd verzoend over haar aandeel — een kwart van een achtste — voor tachtigduizend. 'Umar zei: 'Stuurt de twistenden terug totdat zij zich verzoenen, want het beslissen van het oordeel doet wrok tussen de mensen ontstaan.' En: 'Stuurt de twistenden terug, opdat zij zich misschien verzoenen, want dat is bevorderlijker voor de waarachtigheid en minder voor het bedrog.' En: 'Stuurt de twistenden terug wanneer er verwantschap tussen hen is, want het beslissen van het oordeel doet vijandschap tussen hen erven.' De rechten zijn twee soorten: het recht van Allah en het recht van de mens. In het recht van Allah heeft de verzoening geen plaats — zoals de strafmaten (hudûd), de zakât-gaven en de boetedoeningen; de verzoening tussen de dienaar en zijn Heer is daarin het náleven ervan, niet het verwaarlozen ervan; daarom worden de strafmaten niet door verzoening teniet gedaan, en wanneer een hadd-zaak de gezagdrager bereikt, dan vervloekt Allah de bemiddelaar en degene voor wie bemiddeld wordt. De rechten van de mensen daarentegen aanvaarden verzoening, kwijtschelding en compensatie. De rechtvaardige verzoening is die welke Allah en Zijn Boodschapper ﷺ hebben geboden: {sticht dan vrede tussen hen met rechtvaardigheid}; en de onrechtvaardige verzoening is het onrecht zelf. Velen baseren de verzoening niet op rechtvaardigheid, maar verzoenen onrechtvaardig en benadelen een van de partijen in iets van zijn recht — terwijl de Profeet ﷺ tussen Ka'b en zijn schuldenaar de meest rechtvaardige verzoening trof door de helft te laten nemen en de helft te laten staan. Evenzo, toen hij Sawda wilde verstoten, was zij ertevreden hem haar nacht te schenken en haar recht op onderhoud en kleding te behouden — dat is de meest rechtvaardige verzoening. Velen van de onrechtvaardige bemiddelaars verzoenen tussen de machtige onrechtpleger en de zwakke benadeelde op een wijze die de machtige aanzienlijke behaagt, waarin zíj hun aandeel hebben, terwijl de benadeling de zwakke treft, en menen dat zij hebben verzoend, en geven de benadeelde niet de mogelijkheid zijn recht te nemen — en dat is onrecht. Veeleer dient men de benadeelde in staat te stellen zijn recht volledig op te eisen, en dan met diens instemming te vragen een deel van zijn recht te laten, zonder bevoordeling van de aanzienlijke en zonder dat het de gelijkenis van dwang voor de ander krijgt. En de verzoening die het verbodene toestaat of het toegestane verbiedt — zoals een verzoening die het verbieden van een toegestaan huwelijk inhoudt, of het toestaan van een verboden huwelijk, of het tot slaaf maken van een vrije, of het overdragen van afstamming of cliëntschap van de ene plaats naar de andere, of het eten van rente, of het laten vervallen van een verplichting, of het buitenwerking stellen van een hadd, of onrecht jegens een derde, en dergelijke — dit alles is een verzoening die verworpen is. De toegestane verzoening tussen de moslims is dus die waarbij men het welbehagen van Allah en het welbehagen van de twee partijen nastreeft; dat is de meest rechtvaardige en de meest gerechtvaardigde verzoening, en zij berust op kennis en rechtvaardigheid: de bemiddelaar is kennend van de feiten, bekend met het verplichte en gericht op de gerechtigheid. De rang van zo iemand is voortreffelijker dan de rang van wie vast en de nacht doorwaakt, zoals de Profeet ﷺ zei: 'Zal ik jullie niet inlichten over iets voortreffelijkers dan de rang van wie vast en bidt? Zij zeiden: Jawel, o Boodschapper van Allah. Hij zei: Het stichten van vrede tussen mensen; want het bederf van de onderlinge verhouding is de scheerder — ik zeg niet dat zij het haar scheert, maar zij scheert de godsdienst.' En er is overgeleverd: 'Sticht vrede tussen de mensen, want Allah sticht vrede tussen de gelovigen op de Dag der Opstanding.' En Allah, de Verhevene, zei: {Voorwaar, de gelovigen zijn broeders, sticht daarom vrede tussen jullie broeders en vreest Allah; hopelijk zullen jullie begenadigd worden.}

﴿ ١٠ ﴾

إِنَّمَا ٱلْمُؤْمِنُونَ إِخْوَةٌۭ فَأَصْلِحُوا۟ بَيْنَ أَخَوَيْكُمْ ۚ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ

Innamal mu'minoona ikhwatun fa aslihoo baina akhawaykum wattaqul laaha la'allakum tuhamoon

49:10Voorwaar, de gelovigen zijn elkaars broeders, sticht daarom vrede tussen jouw broeders. En vreest Allah. Hopelijk zullen jullie begenadigd worden.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Eén korte zin vat de hele gemeenschap samen: de gelovigen zijn broeders. Geen verwantschap van bloed, maar van geloof — oost of west, het maakt niet uit. En broederschap is geen gevoel maar een plicht: vrede stichten waar het breekt, voor de ander willen wat je voor jezelf wilt, hem bijstaan met bezit, aanzien, raad en gebed. Wie deze rechten verwaarloost, sluit de deur naar Allahs barmhartigheid.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

{Voorwaar, de gelovigen zijn elkaars broeders}: dit is een band die Allah tussen de gelovigen heeft gelegd, namelijk dat wanneer bij wie dan ook, in het oosten of het westen van de aarde, het geloof in Allah, Zijn engelen, Zijn boeken, Zijn boodschappers en de Laatste Dag wordt aangetroffen, hij een broeder voor de gelovigen is — een broederschap die vereist dat de gelovigen voor hem liefhebben wat zij voor zichzelf liefhebben en voor hem verafschuwen wat zij voor zichzelf verafschuwen. Daarom zei de Profeet ﷺ, gebiedend tot de geloofsbroederschap: 'Benijdt elkaar niet, drijft elkaars prijs niet op, haat elkaar niet, keert elkaar niet de rug toe, en weest dienaren van Allah als broeders. De moslim is de broeder van de moslim: hij doet hem geen onrecht, laat hem niet in de steek en liegt niet tegen hem.' (Muttafaq 'alayh.) En van de Profeet ﷺ in beide (Sahîhs): 'De gelovige is voor de gelovige als een bouwwerk, waarvan het ene deel het andere versterkt' — en de Profeet ﷺ vlocht zijn vingers ineen. Allah en Zijn Boodschapper geboden de rechten van de gelovigen jegens elkaar na te komen en datgene te doen waardoor onderlinge genegenheid, liefde en verbondenheid ontstaan — dit alles ter bevestiging van hun wederzijdse rechten. Daartoe behoort dat, wanneer er onder hen strijd uitbreekt die verdeeldheid, haat en vervreemding van de harten veroorzaakt, de gelovigen vrede stichten tussen hun broeders en zich inspannen voor dat wat hun onderlinge vijandschap doet verdwijnen. Daarna gebood Hij de godsvrees in het algemeen, en verbond aan het nakomen van de godsvrees en van de rechten van de gelovigen de barmhartigheid, met de woorden: {hopelijk zullen jullie begenadigd worden}; en wanneer de barmhartigheid wordt verkregen, wordt het goede van deze wereld en het Hiernamaals verkregen. Dit wijst erop dat het niet nakomen van de rechten van de gelovigen tot de grootste beletselen voor de barmhartigheid behoort. In deze twee verzen liggen, naast het voorgaande, deze inzichten: dat het strijden tussen de gelovigen strijdig is met de geloofsbroederschap en daarom tot de grootste grote zonden behoort; dat het geloof en de geloofsbroederschap niet teniet gaan bij het bestaan van strijd, zoals bij andere grote zonden die beneden shirk staan — en dat is de leer van Ahl as-Sunna wa-l-Jamâ'a; dat het verplicht is vrede te stichten tussen de gelovigen met rechtvaardigheid; dat het verplicht is de onrechtplegers te bestrijden tot zij terugkeren naar het bevel van Allah; dat het, als zij naar iets anders dan het bevel van Allah terugkeren — op een wijze die niet mag worden goedgekeurd of aanvaard — niet is toegestaan; en dat hun bezittingen onschendbaar zijn, want Allah heeft slechts hun bloed toegestaan ten tijde van hun volharding in hun onrecht, niet hun bezittingen.

Ibn Kathîr

{Voorwaar, de gelovigen zijn elkaars broeders} betekent: zij allen zijn broeders in de islam. De Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'De moslim is de broeder van de moslim: hij doet hem geen onrecht en laat hem niet in de steek.' En in de Sahîh: 'Allah helpt de dienaar zolang de dienaar zijn broeder helpt.' En eveneens in de Sahîh: 'Wanneer de moslim voor zijn afwezige broeder een smeekbede verricht, zegt de engel daarna: amîn, en voor jou hetzelfde.' Er zijn veel overleveringen met deze betekenis, zoals in de Sahîh: 'De gelijkenis van de gelovigen in hun onderlinge genegenheid, barmhartigheid en verbondenheid is als die van het lichaam: wanneer één orgaan ervan ziek wordt, antwoordt de rest van het lichaam met koorts en slapeloosheid.' En eveneens in de Sahîh: 'De gelovige is voor de gelovige als een bouwwerk, waarvan het ene deel het andere versterkt' — daarna vlocht de Profeet ﷺ zijn vingers ineen. Zijn woord {Sticht daarom vrede tussen jouw broeders} verwijst naar de twee groepen die elkaar bestrijden; {en vreest Allah} in al jullie aangelegenheden; {hopelijk zullen jullie begenadigd worden} — en dit is een belofte van Allah dat Hij barmhartigheid schenkt aan wie Hem vrezen en gehoorzamen.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim noemt, aansluitend bij de broederschap, de soorten van bijstand (muwâsât) aan de gelovige: bijstand met bezit, bijstand met aanzien, bijstand met het lichaam en met dienstbetoon, bijstand met raad en leiding, bijstand met smeekbede en het vragen van vergeving voor hen, en bijstand met medeleven in hun leed. Naar de mate van het geloof is deze bijstand: hoe zwakker het geloof, hoe zwakker de bijstand; en hoe sterker het geloof, hoe sterker de bijstand. De Boodschapper van Allah ﷺ was de meest bijstandverlenende van de mensen jegens zijn metgezellen in dit alles; en zijn volgelingen hebben van de bijstand naar de mate van hun navolging van hem. Men trad eens bij Bishr al-Hâfî binnen op een dag van strenge koude; hij had zich ontdaan van zijn kleed en huiverde. Zij zeiden: 'Wat is dit, o Aboe Nasr?' Hij zei: 'Ik dacht aan de armen en hun koude, en ik heb niets om hen mee bij te staan; daarom wilde ik hen bijstaan in hun koude.'

Arabische grondtekst & bron — verzen 9-10

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Hujurât · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Hujurât · onverkorte editie (Arabisch + Engelse vertaling).

يَقُولُ تَعَالَى آمِرًا بِالْإِصْلَاحِ بَيْنَ الْمُسْلِمِينَ [[في أ: "المقتتلين".]] الْبَاغِينَ بَعْضُهُمْ عَلَى بَعْضٍ: ﴿وَإِنْ طَائِفَتَانِ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ اقْتَتَلُوا فَأَصْلِحُوا بَيْنَهُمَا﴾ ، فَسَمَّاهُمْ مُؤْمِنِينَ مَعَ الِاقْتِتَالِ. وَبِهَذَا اسْتَدَلَّ الْبُخَارِيُّ وَغَيْرُهُ عَلَى أَنَّهُ لَا يَخْرُجُ مِنَ الْإِيمَانِ بِالْمَعْصِيَةِ وَإِنْ عَظُمَتْ، لَا كَمَا يَقُولُهُ الْخَوَارِجُ وَمَنْ تَابَعَهُمْ مِنَ الْمُعْتَزِلَةِ وَنَحْوِهِمْ. وَهَكَذَا ثَبَتَ فِي صَحِيحِ الْبُخَارِيِّ مِنْ حَدِيثِ الْحَسَنِ، عَنْ أَبِي بَكْرَةَ أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ خَطَبَ يَوْمًا وَمَعَهُ عَلَى الْمِنْبَرِ الْحَسَنُ بْنُ عَلِيٍّ، فَجَعَلَ يَنْظُرُ إِلَيْهِ مَرَّةً وَإِلَى النَّاسِ أُخْرَى وَيَقُولُ: "إِنَّ ابْنِي هَذَا سَيِّدٌ وَلَعَلَّ اللَّهَ أَنْ يُصْلِحَ بِهِ بَيْنَ فِئَتَيْنِ عَظِيمَتَيْنِ مِنَ الْمُسْلِمِينَ" [[صحيح البخاري برقم (٢٧٠٤) .]] . فَكَانَ كَمَا قَالَ، صَلَوَاتُ اللَّهِ وَسَلَامُهُ عَلَيْهِ، أَصْلَحَ اللَّهُ بِهِ بَيْنَ أَهْلِ الشَّامِ وَأَهْلِ الْعِرَاقِ، بَعْدَ الْحُرُوبِ الطَّوِيلَةِ وَالْوَاقِعَاتِ الْمَهُولَةِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿فَإِنْ بَغَتْ إِحْدَاهُمَا عَلَى الأخْرَى فَقَاتِلُوا الَّتِي تَبْغِي حَتَّى تَفِيءَ إِلَى أَمْرِ اللَّهِ﴾ أَيْ: حَتَّى تَرْجِعَ إِلَى أَمْرِ اللَّهِ [[في ت، م: "إلى أمر الله ورسوله".]] وَتَسْمَعَ لِلْحَقِّ وَتُطِيعَهُ، كَمَا ثَبَتَ فِي الصَّحِيحِ عَنْ أَنَسٍ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عليه وسلم قَالَ: "انْصُرْ أَخَاكَ ظَالِمًا أَوْ مَظْلُومًا". قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، هَذَا نَصَرْتُهُ مَظْلُومًا فَكَيْفَ أَنْصُرُهُ ظَالِمًا؟ قَالَ: "تَمْنَعُهُ مِنَ الظُّلْمَ، فَذَاكَ نَصْرُكَ إِيَّاهُ" [[صحيح البخاري برقم (٢٤٤٣) .]] . وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا عَارِمٌ، حَدَّثَنَا مُعْتَمِرُ قَالَ: سَمِعْتُ أَبِي يُحِدِّثُ: أَنَّ أَنَسًا قَالَ: قِيلَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، لَوْ أَتَيْتَ عَبْدَ اللَّهِ بْنَ أُبَيٍّ؟ فَانْطَلَقَ إِلَيْهِ نَبِيُّ اللَّهِ ﷺ وَرَكِبَ حِمَارًا، وَانْطَلَقَ الْمُسْلِمُونَ يَمْشُونَ، وَهِيَ أَرْضٌ سَبْخَةٌ، فَلَمَّا انْطَلَقَ إِلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ قَالَ: "إِلَيْكَ عَنِّي، فَوَاللَّهِ لَقَدْ آذَانِي رِيحُ حِمَارِكَ" فَقَالَ رَجُلٌ مِنَ الْأَنْصَارِ: وَاللَّهِ لَحِمَارُ رَسُولِ اللَّهِ أَطْيَبُ رِيحًا مِنْكَ. قَالَ: فَغَضِبَ لِعَبْدِ اللَّهِ رِجَالٌ مِنْ قَوْمِهِ، فَغَضِبَ لِكُلِّ وَاحِدٍ مِنْهُمَا أَصْحَابُهُ، قَالَ: فَكَانَ بَيْنَهُمْ ضَرْبٌ بِالْجَرِيدِ وَالْأَيْدِي وَالنِّعَالِ، فَبَلَغَنَا أَنَّهُ أُنْزَلَتْ فِيهِمْ: ﴿وَإِنْ طَائِفَتَانِ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ اقْتَتَلُوا فَأَصْلِحُوا بَيْنَهُمَا﴾ وَرَوَاهُ الْبُخَارِيُّ فِي "الصُّلْحِ" عَنْ مُسَدَّد، وَمُسْلِمٌ فِي "الْمَغَازِي" عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ عَبْدِ الْأَعْلَى، كِلَاهُمَا عَنِ الْمُعْتَمِرِ بْنِ سُلَيْمَانَ، عَنْ أَبِيهِ، بِهِ نَحْوَهُ [[المسند (٣/١٥٧) وصحيح البخاري برقم (٢٦٩١) وصحيح مسلم برقم (١٧٩٩) .]] . وَذَكَرَ سَعِيدُ بْنُ جُبَيْرٍ: أَنَّ الْأَوْسَ وَالْخَزْرَجَ كَانَ بَيْنَهُمَا قِتَالٌ بِالسَّعَفِ وَالنِّعَالِ، فَأَنْزَلَ اللَّهُ هَذِهِ الْآيَةَ، فأمر بالصلح بينهما. وقال السدي: كان رجلا مِنَ الْأَنْصَارِ يُقَالُ لَهُ: "عِمْرَانُ"، كَانَتْ لَهُ امْرَأَةٌ تُدْعَى أُمَّ زَيْدٍ [[في أ: "يزيد".]] ، وَإِنَّ الْمَرْأَةَ أَرَادَتْ أَنْ تَزُورَ أَهْلَهَا فَحَبَسَهَا زَوْجُهَا وَجَعَلَهَا فِي عُلَيَّة لَهُ لَا يَدْخُلُ عَلَيْهَا أَحَدٌ مِنْ أَهْلِهَا. وَإِنَّ الْمَرْأَةَ بَعَثَتْ إِلَى أَهْلِهَا، فَجَاءَ قَوْمُهَا وَأَنْزَلُوهَا لِيَنْطَلِقُوا بِهَا، وَإِنَّ الرَّجُلَ قَدْ كَانَ خَرَجَ، فَاسْتَعَانَ أَهْلُ الرَّجُلِ، فَجَاءَ بَنُو عَمِّهِ لِيَحُولُوا بَيْنَ الْمَرْأَةِ وَبَيْنَ أَهْلِهَا، فَتَدَافَعُوا واجتلدوا بالنعال، فنزلت فيهم هذه الْآيَةُ. فَبَعَثَ إِلَيْهِمْ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ وَأَصْلَحَ بَيْنَهُمْ، وَفَاءُوا إِلَى أَمْرِ اللَّهِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿فَإِنْ فَاءَتْ فَأَصْلِحُوا بَيْنَهُمَا بِالْعَدْلِ وَأَقْسِطُوا إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُقْسِطِينَ﴾ أَيْ: اعْدِلُوا بَيْنَهُمْ فِيمَا كَانَ أَصَابَ بَعْضُهُمْ لِبَعْضٍ، بِالْقِسْطِ، وَهُوَ الْعَدْلُ، ﴿إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُقْسِطِينَ﴾ قَالَ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ: حَدَّثَنَا أَبُو زُرْعَة، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ أَبِي بَكْرٍ الْمُقَدِّمِيُّ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الْأَعْلَى، عَنْ مَعْمَر، عَنِ الزُّهْرِيِّ، عَنْ سَعِيدَ بْنَ الْمُسَيَّبِ [[في ت: "وروى ابن أبي حاتم بسنده".]] ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عَمْرٍو؛ أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ: "إِنَّ الْمُقْسِطِينَ فِي الدُّنْيَا عَلَى مَنَابِرَ مِنْ لُؤْلُؤٍ بَيْنَ يَدَيِ الرَّحْمَنِ، بِمَا أَقْسَطُوا فِي الدُّنْيَا". وَرَوَاهُ النَّسَائِيُّ [[في ت: "مسلم".]] عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ الْمُثَنَّى، عَنْ عَبْدِ الْأَعْلَى، بِهِ [[النسائي في السنن الكبرى برقم (٥٩١٧) .]] . وَهَذَا إِسْنَادُهُ جَيِّدٌ قَوِيٌّ، رِجَالُهُ عَلَى شَرْطِ الصَّحِيحِ. وَحَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ يَزِيدَ، حَدَّثَنَا سُفْيَانُ بْنُ عُيَيْنَةَ، عَنْ عَمْرِو بْنِ دِينَارٍ، عَنْ عَمْرِو بْنِ أَوْسٍ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عَمْرٍو، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: "الْمُقْسِطُونَ عِنْدَ اللَّهِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ عَلَى مَنَابِرَ مِنْ نُورٍ عَلَى يَمِينِ الْعَرْشِ، الَّذِينَ يَعْدِلُونَ فِي حُكْمِهِمْ وَأَهَالِيهِمْ وَمَا وَلُوا". وَرَوَاهُ مُسْلِمٌ وَالنَّسَائِيُّ، مِنْ حَدِيثِ سُفْيَانَ بْنِ عُيَيْنَةَ، بِهِ [[صحيح مسلم برقم (١٨٢٧) وسنن النسائي (٨/٣٢١) .]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِنَّمَا الْمُؤْمِنُونَ إِخْوَةٌ﴾ أَيِ: الْجَمِيعُ إِخْوَةٌ فِي الدِّينِ، كَمَا قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "الْمُسْلِمُ أَخُو الْمُسْلِمِ لَا يَظْلِمُهُ وَلَا يُسْلِمُهُ" [[رواه البخاري في صحيحه برقم (٢٤٤٢) ومسلم في صحيحه برقم (٢٥٨٠) من حديث عبد الله بن عمر بن الخطاب رضي الله عنهما.]] . وَفِي الصَّحِيحِ: "وَاللَّهُ فِي عَوْنِ الْعَبْدِ مَا كَانَ الْعَبْدُ فِي عَوْنِ أَخِيهِ" [[صحيح مسلم برقم (٢٦٩٩) من حديث أبي هريرة رضي الله عنه.]] . وَفِي الصَّحِيحِ أَيْضًا: "إِذَا دَعَا الْمُسْلِمُ لِأَخِيهِ بِظَهْرِ الْغَيْبِ قَالَ الْمَلَكُ: آمِينَ، وَلَكَ بِمِثْلِهِ" [[صحيح مسلم برقم (٢٧٣٢) من حديث أبي الدرداء رضي الله عنه.]] . وَالْأَحَادِيثُ فِي هَذَا كَثِيرَةٌ، وَفِي الصَّحِيحِ: "مَثَلُ الْمُؤْمِنِينَ فِي تَوادِّهم وَتَرَاحُمِهِمْ وَتَوَاصُلِهِمْ كَمَثَلِ الْجَسَدِ الْوَاحِدِ، إِذَا اشْتَكَى مِنْهُ عُضْوٌ تَدَاعَى لَهُ سَائِرُ الْجَسَدِ بالحُمَّى والسَّهَر". وَفِي الصَّحِيحِ أَيْضًا: "الْمُؤْمِنُ لِلْمُؤْمِنِ كَالْبُنْيَانِ، يَشُدُّ بَعْضُهُ بَعْضًا" وَشَبَّكَ بَيْنَ أَصَابِعِهِ [[صحيح البخاري برقم (٦٠١١) وصحيح مسلم برقم (٢٥٨٦) من حديث النعمان بن بشير رضي الله عنه.]] . وَقَالَ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ الْحَجَّاجِ، حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ، أَخْبَرَنَا مُصْعَبُ بْنُ ثَابِتٍ، حَدَّثَنِي أَبُو حَازِمٍ قَالَ: سَمِعْتُ سَهْلَ بْنَ سَعْدٍ السَّاعِدِيَّ يُحَدِّثُ عَنْ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ قَالَ: "إِنَّ الْمُؤْمِنَ مِنْ أَهْلِ الْإِيمَانِ بِمَنْزِلَةِ الرَّأْسِ مِنَ الْجَسَدِ، يَأْلَمُ الْمُؤْمِنُ لِأَهْلِ الْإِيمَانِ، كَمَا يَأْلَمُ الْجَسَدُ لِمَا فِي الرَّأْسِ" [[المسند (٥/٣٤٠) وقال الهيثمي في المجمع (٨/١٨٧) : "رجال أحمد رجال الصحيح".]] . تَفَرَّدَ بِهِ وَلَا بأس بإسناده. * * وَقَوْلُهُ: ﴿فَأَصْلِحُوا بَيْنَ أَخَوَيْكُمْ﴾ يَعْنِي: الْفِئَتَيْنِ الْمُقْتَتِلَتَيْنِ، ﴿وَاتَّقُوا اللَّهَ﴾ أَيْ: فِي جَمِيعِ أُمُورِكُمْ ﴿لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ﴾ ، وَهَذَا تَحْقِيقٌ مِنْهُ تَعَالَى لِلرَّحْمَةِ لِمَنِ اتَّقَاهُ.

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Hujurât (uit zijn tafsir-compilatie).

[الصُّلْحُ بَيْنَ المُسْلِمِينَ] وَقَوْلُهُ: " والصُّلْحُ جائِزٌ بَيْنَ المُسْلِمِينَ إلّا صُلْحًا أحَلَّ حَرامًا أوْ حَرَّمَ حَلالًا " هَذا مَرْوِيٌّ عَنْ النَّبِيِّ ﷺ رَواهُ التِّرْمِذِيُّ وغَيْرُهُ مِن حَدِيثِ عَمْرِو بْنِ عَوْفٍ المُزَنِيّ أنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قالَ: «الصُّلْحُ جائِزٌ بَيْنَ المُسْلِمِينَ، إلّا صُلْحًا حَرَّمَ حَلالًا أوْ أحَلَّ حَرامًا، والمُسْلِمُونَ عَلى شُرُوطِهِمْ، إلّا شَرْطًا حَرَّمَ حَلالًا أوْ أحَلَّ حَرامًا» قالَ التِّرْمِذِيُّ: هَذا حَدِيثٌ صَحِيحٌ؛ وقَدْ نَدَبَ اللَّهُ سُبْحانَهُ وتَعالى إلى الصُّلْحِ بَيْنَ الطّائِفَتَيْنِ في الدِّماءِ فَقالَ: ﴿وَإنْ طائِفَتانِ مِنَ المُؤْمِنِينَ اقْتَتَلُوا فَأصْلِحُوا بَيْنَهُما﴾ [الحجرات: ٩] وَنَدَبَ الزَّوْجَيْنِ إلى الصُّلْحِ عِنْدَ التَّنازُعِ في حُقُوقِهِما، فَقالَ: ﴿وَإنِ امْرَأةٌ خافَتْ مِن بَعْلِها نُشُوزًا أوْ إعْراضًا فَلا جُناحَ عَلَيْهِما أنْ يُصْلِحا بَيْنَهُما صُلْحًا والصُّلْحُ خَيْرٌ﴾ [النساء: ١٢٨] وَقالَ تَعالى: ﴿لا خَيْرَ في كَثِيرٍ مِن نَجْواهم إلا مَن أمَرَ بِصَدَقَةٍ أوْ مَعْرُوفٍ أوْ إصْلاحٍ بَيْنَ النّاسِ﴾ [النساء: ١١٤] وَأصْلَحَ النَّبِيُّ ﷺ بَيْنَ بَنِي عَمْرِو بْنِ عَوْفٍ لَمّا وقَعَ بَيْنَهُمْ، ولَمّا تَنازَعَ كَعْبُ بْنُ مالِكٍ وابْنُ أبِي حَدْرَدٍ في دَيْنٍ عَلى ابْنِ أبِي حَدْرَدٍ، أصْلَحَ النَّبِيُّ ﷺ بِأنْ اسْتَوْضَعَ مِن دَيْنِ كَعْبٍ الشَّطْرَ وأمَرَ غَرِيمَهُ بِقَضاءِ الشَّطْرِ، وقالَ لِرَجُلَيْنِ اخْتَصَما عِنْدَهُ: «اذْهَبا فاقْتَسِما ثُمَّ تَوَخَّيا الحَقَّ ثُمَّ اسْتَهِما ثُمَّ لْيُحْلِلْ كُلٌّ مِنكُما صاحِبَهُ» وَقالَ: «مَن كانَتْ عِنْدَهُ مَظْلَمَةٌ لِأخِيهِ مِن عِرْضٍ أوْ شَيْءٍ فَلْيَتَحَلَّلْهُ مِنهُ اليَوْمَ قَبْلَ أنْ لا يَكُونَ دِينارٌ ولا دِرْهَمٌ، وإنْ كانَ لَهُ عَمَلٌ صالِحٌ أُخِذَ مِنهُ بِقَدْرِ مَظْلِمَتِهِ، وإنْ لَمْ يَكُنْ لَهُ حَسَناتٌ أُخِذَ مِن سَيِّئاتِ صاحِبِهِ فَحُمِلَ عَلَيْهِ» وَجَوَّزَ في دَمِ العَمْدِ أنْ يَأْخُذَ أوْلِياءُ القَتِيلِ ما صُولِحُوا عَلَيْهِ، ولَمّا «اسْتُشْهِدَ عَبْدُ اللَّهِ بْنُ حَرامٍ الأنْصارِيُّ، والِدُ جابِرٍ، وكانَ عَلَيْهِ دَيْنٌ، سَألَ النَّبِيُّ ﷺ غُرَماءَهُ أنْ يَقْبَلُوا ثَمَرَ حائِطَهِ ويُحْلِلُوا أباهُ». وَقالَ عَطاءٌ عَنْ ابْنِ عَبّاسٍ: إنّهُ كانَ لا يَرى بَأْسًا بِالمُخارَجَةِ، يَعْنِي الصُّلْحَ في المِيراثِ؛ وسُمِّيَتْ المُخارَجَةُ لِأنَّ الوارِثَ يُعْطى ما يُصالِحُ عَلَيْهِ ويُخْرِجُ نَفْسَهُ مِن المِيراثِ، وصُولِحَتْ امْرَأةُ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ عَوْفٍ مِن نَصِيبِها مِن رُبُعِ الثُّمُنِ عَلى ثَمانِينَ ألْفًا، وقَدْ رَوى مِسْعَرٌ عَنْ أزْهَرَ عَنْ مُحارِبٍ قالَ: قالَ عُمَرُ: " رُدُّوا الخُصُومَ حَتّى يَصْطَلِحُوا فَإنَّ فَصْلَ القَضاءِ يُحْدِثُ بَيْنَ القَوْمِ الضَّغائِنَ ". وَقالَ عُمَرُ أيْضًا " رُدُّوا الخُصُومَ لَعَلَّهم أنْ يَصْطَلِحُوا، فَإنَّهُ آثَرُ لِلصِّدْقِ، وأقَلُّ لِلْخِيانَةِ ". وَقالَ عُمَرُ أيْضًا: " رُدُّوا الخُصُومَ إذا كانَتْ بَيْنَهم قَرابَةٌ، فَإنَّ فَصْلَ القَضاءِ يُورِثُ بَيْنَهم الشَّنَآنَ " [فَصْلٌ: الحُقُوقُ ضَرْبانِ حَقُّ اللَّهِ تَعالى وحَقُّ عِبادِهِ]. والحُقُوقُ نَوْعانِ: حَقُّ اللَّهِ، وحَقُّ الآدَمِيِّ؛ فَحَقُّ اللَّهِ لا مَدْخَلَ لِلصُّلْحِ فِيهِ كالحُدُودِ والزَّكَواتِ والكَفّاراتِ ونَحْوِها، وإنَّما الصُّلْحُ بَيْنَ العَبْدِ وبَيْنَ رَبِّهِ في إقامَتِها، لا في إهْمالِها، ولِهَذا لا يُقْبَلُ بِالحُدُودِ، وإذا بَلَغَتْ السُّلْطانَ فَلَعَنَ اللَّهُ الشّافِعَ والمُشَفِّعَ. وَأمّا حُقُوقُ الآدَمِيِّينَ فَهي الَّتِي تَقْبَلُ الصُّلْحَ والإسْقاطَ والمُعاوَضَةَ عَلَيْها، والصُّلْحُ العادِلُ هو الَّذِي أمَرَ اللَّهُ بِهِ ورَسُولُهُ ﷺ كَما قالَ: ﴿فَأصْلِحُوا بَيْنَهُما بِالعَدْلِ﴾ [الحجرات: ٩] والصُّلْحُ الجائِرُ هو الظُّلْمُ بِعَيْنِهِ، وكَثِيرٌ مِن النّاسِ لا يَعْتَمِدُ العَدْلَ في الصُّلْحِ، بَلْ يُصْلِحُ صُلْحًا ظالِمًا جائِرًا، فَيُصالِحُ بَيْنَ الغَرِيمَيْنِ عَلى دُونِ الطَّفِيفِ مِن حَقِّ أحَدِهِما، والنَّبِيُّ ﷺ صالَحَ بَيْنَ كَعْبٍ وغَرِيمِهِ وصالَحَ أعْدَلَ الصُّلْحِ فَأمَرَهُ أنْ يَأْخُذَ الشَّطْرَ ويَدَعَ الشَّطْرَ؛ وكَذَلِكَ لَمّا عَزَمَ عَلى طَلاقِ سَوْدَةَ رَضِيَتْ بِأنْ تَهَبَ لَهُ لَيْلَتَها وتَبْقى عَلى حَقِّها مِن النَّفَقَةِ والكِسْوَةِ، فَهَذا أعْدَلُ الصُّلْحِ، فَإنَّ اللَّهَ سُبْحانَهُ أباحَ لِلرَّجُلِ أنْ يُطَلِّقَ زَوْجَتَهُ ويَسْتَبْدِلَ بِها غَيْرَها، فَإذا رَضِيَتْ بِتَرْكِ بَعْضِ حَقِّها وأخْذِ بَعْضِهِ وأنْ يُمْسِكَها كانَ هَذا مِن الصُّلْحِ العادِلِ، وكَذَلِكَ أرْشَدَ الخَصْمَيْنِ اللَّذَيْنِ كانَتْ بَيْنَهُما المَوارِيثُ بِأنْ يَتَوَخَّيا الحَقَّ بِحَسَبِ الإمْكانِ ثُمَّ يُحْلِلْ كُلٌّ مِنهُما صاحِبَهُ؛ وقَدْ أمَرَ اللَّهُ سُبْحانَهُ بِالإصْلاحِ بَيْنَ الطّائِفَتَيْنِ المُقْتَتِلَتَيْنِ أوَّلًا فَإنْ بَغَتْ إحْداهُما عَلى الأُخْرى فَحِينَئِذٍ أمَرَ بِقِتالِ الباغِيَةِ لا بِالصُّلْحِ فَإنَّها ظالِمَةٌ، فَفي الإصْلاحِ مَعَ ظُلْمِها هَضْمٌ لِحَقِّ الطّائِفَةِ المَظْلُومَةِ، وكَثِيرٌ مِن الظَّلَمَةِ المُصْلِحِينَ يُصْلِحُ بَيْنَ القادِرِ الظّالِمِ والخَصْمِ الضَّعِيفِ المَظْلُومِ بِما يُرْضِي بِهِ القادِرَ صاحِبَ الجاهِ، ويَكُونُ لَهُ فِيهِ الحَظُّ، ويَكُونُ الإغْماضُ والحَيْفُ فِيهِ عَلى الضَّعِيفِ، ويَظُنُّ أنَّهُ قَدْ أصْلَحَ، ولا يُمَكِّنُ المَظْلُومَ مِن أخْذِ حَقِّهِ، وهَذا ظُلْمٌ، بَلْ يُمَكِّنُ المَظْلُومَ مِن اسْتِيفاءِ حَقِّهِ، ثُمَّ يَطْلُبُ إلَيْهِ بِرِضاهُ أنْ يَتْرُكَ بَعْضَ حَقِّهِ بِغَيْرِ مُحاباةٍ لِصاحِبِ الجاهِ، ولا يَشْتَبِهُ بِالإكْراهِ لِلْآخَرِ بِالمُحاباةِ ونَحْوِها. [فَصْلٌ: الصُّلْحُ إمّا مَرْدُودٌ وإمّا جائِزٌ نافِذٌ] والصُّلْحُ الَّذِي يُحِلُّ الحَرامَ ويُحَرِّمُ الحَلالَ كالصُّلْحِ الَّذِي يَتَضَمَّنُ تَحْرِيمَ بُضْعٍ حَلالٍ، أوْ إحْلالَ بِضْع حَرامٍ، أوْ إرْقاقَ حُرٍّ، أوْ نَقْلَ نَسَبٍ أوْ ولاءً عَنْ مَحَلٍّ إلى مَحَلٍّ، أوْ أكْلَ رَبًّا، أوْ إسْقاطَ واجِبٍ، أوْ تَعْطِيلَ حَدٍّ، أوْ ظُلْمَ ثالِثٍ، وما أشْبَهَ ذَلِكَ؛ فَكُلُّ هَذا صُلْحٌ جائِزٌ مَرْدُودٌ. فالصُّلْحُ الجائِزُ بَيْنَ المُسْلِمِينَ هو الَّذِي يُعْتَمَدُ فِيهِ رِضا اللَّهِ سُبْحانَهُ ورِضا الخَصْمَيْنِ؛ فَهَذا أعْدَلُ الصُّلْحِ وأحَقُّهُ، وهو يَعْتَمِدُ العِلْمَ والعَدْلَ؛ فَيَكُونُ المُصْلِحُ عالِمًا بِالوَقائِعِ، عارِفًا بِالواجِبِ، قاصِدًا لِلْعَدْلِ، فَدَرَجَةُ هَذا أفْضَلُ مِن دَرَجَةِ الصّائِمِ القائِمِ، كَما قالَ النَّبِيُّ ﷺ: «ألا أُنَبِّئُكم بِأفْضَلَ مِن دَرَجَةِ الصّائِمِ القائِمِ، قالُوا: بَلى يا رَسُولَ اللَّهِ، قالَ: إصْلاحُ ذاتِ البَيْنِ؛ فَإنَّ فَسادَ ذاتِ البَيْنِ الحالِقَةُ، أما إنِّي لا أقُولُ تَحْلِقُ الشَّعْرَ، ولَكِنْ تَحْلِقُ الدِّينَ» وَقَدْ جاءَ في أثَرٍ: أصْلِحُوا بَيْنَ النّاسِ، فَإنَّ اللَّهُ يُصْلِحُ بَيْنَ المُؤْمِنِينَ يَوْمَ القِيامَةِ؛ وقَدْ قالَ تَعالى: ﴿إنَّما المُؤْمِنُونَ إخْوَةٌ فَأصْلِحُوا بَيْنَ أخَوَيْكم واتَّقُوا اللَّهَ لَعَلَّكم تُرْحَمُونَ﴾ [الحجرات: ١٠].

Verzen 11

﴿ ١١ ﴾

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا يَسْخَرْ قَوْمٌۭ مِّن قَوْمٍ عَسَىٰٓ أَن يَكُونُوا۟ خَيْرًۭا مِّنْهُمْ وَلَا نِسَآءٌۭ مِّن نِّسَآءٍ عَسَىٰٓ أَن يَكُنَّ خَيْرًۭا مِّنْهُنَّ ۖ وَلَا تَلْمِزُوٓا۟ أَنفُسَكُمْ وَلَا تَنَابَزُوا۟ بِٱلْأَلْقَٰبِ ۖ بِئْسَ ٱلِٱسْمُ ٱلْفُسُوقُ بَعْدَ ٱلْإِيمَٰنِ ۚ وَمَن لَّمْ يَتُبْ فَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ

Yaaa ayyuhal lazeena aamanoo laa yaskhar qawmum min qawmin 'asaaa anyyakoonoo khairam minhum wa laa nisaaa'um min nisaaa'in 'Asaaa ay yakunna khairam minhunna wa laa talmizooo bil alqaab; bi'sal ismul fusooqu ba'dal eemaan; wa mal-lam yatub fa-ulaaa'ika humuz zaalimoon

49:11O jullie die geloven, laat een volk niet een ander volk beledigen, het kan zijn dat zij (die beledigd worden) beter zijn dan hen; en laat sommige vrouwen geen andere vrouwen beledigen, het kan zijn dat zij beter zijn dan hen. En hoont elkaar niet, en belastert elkaar niet met bijnamen. De slechtste naam is de verdorven (naam), na het geloof (ontvangen te hebben). En wie geen berouw toont: zij zijn de onrechtplegers.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De gemeenschap valt niet uiteen door grote oorlogen alleen, maar ook door kleine pijlen: spot, bekladding, kwetsende bijnamen. Allah verbiedt ze alle — want wie je bespot, kan bij Hem beter zijn dan jij. Het is veelzeggend dat Hij de moslimbroeder 'jezelf' noemt: wie de ander kleineert, kleineert in feite zichzelf. En na het geloof zo'n verdorven naam dragen is het lelijkste wat er is; alleen berouw redt.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Ook dit behoort tot de rechten van de gelovigen jegens elkaar, namelijk dat {een volk niet een ander volk bespot} met enig woord, uitspraak of daad die op kleinering van de moslimbroeder wijst; want dat is verboden en niet toegestaan, en het wijst op zelfingenomenheid van de spotter, terwijl de bespotte beter kan zijn dan de spotter — en dat is doorgaans het geval. Want de spot komt slechts voort uit een hart vol slechte hoedanigheden, getooid met elke laakbare eigenschap en ontdaan van elke edele eigenschap; daarom zei de Profeet ﷺ: 'Het is voor een mens kwaad genoeg dat hij zijn moslimbroeder kleineert.' Daarna zei Hij: {En hoont elkaar niet} — dat wil zeggen: laat de een de ander niet bekladden. De lamz is met het woord, de hamz met de daad, en beide zijn verboden, ongeoorloofd en bedreigd met het Vuur, zoals Hij, de Verhevene, zei: {Wee elke lasteraar, kwaadspreker.} Hij noemde de moslimbroeder de 'eigen ziel' van zijn broeder, omdat de gelovigen zo behoren te zijn: als één lichaam; en omdat, wanneer iemand een ander bekladt, hij de ander ertoe brengt hem terug te bekladden, zodat híj de oorzaak daarvan is. {En belastert elkaar niet met bijnamen} — dat wil zeggen: laat niemand van jullie zijn broeder beschimpen en hem een bijnaam geven die hij niet over zich wil horen; dat is het tanâbuz. Bijnamen die niet laakbaar zijn, vallen hier niet onder. {De slechtste naam is de verdorvenheid na het geloof} — dat wil zeggen: wat slecht is dat jullie het geloof en het handelen naar zijn voorschriften hebben ingeruild — door je af te wenden van zijn geboden en verboden — voor de naam van verdorvenheid en opstandigheid, namelijk het beschimpen met bijnamen. {En wie geen berouw toont: zij zijn de onrechtplegers} — dit is wat de dienaar verplicht is: dat hij berouw toont jegens Allah, de Verhevene, en zich van het recht van zijn moslimbroeder bevrijdt door diens vrijwaring te vragen, om vergeving voor hem te vragen en hem te prijzen ter vergoeding voor zijn laster. De mensen zijn dus twee soorten: een onrechtpleger jegens zichzelf die geen berouw toont, en een berouwvolle die slaagt; en er is geen derde.

Ibn Kathîr

Allah, de Verhevene, verbiedt mensen te bespotten, wat hun vernedering en kleinering inhoudt. In de Sahîh staat dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'Hoogmoed is het afwijzen van de waarheid en het kleineren van de mensen' — en in een andere versie: 'het verachten van de mensen.' Het is verboden mensen te bespotten en te kleineren, want de gekwetste partij kan eervoller en dierbaarder bij Allah, de Verhevene, zijn dan wie hen bespotten en kleineren. Daarom zei Allah: {O jullie die geloven, laat een volk niet een ander volk beledigen, het kan zijn dat zij beter zijn dan hen; en laat sommige vrouwen geen andere vrouwen beledigen, het kan zijn dat zij beter zijn dan hen} — Hij noemde dit verbod dus voor mannen en daarna voor vrouwen. {En hoont elkaar niet} verbiedt elkaar te bekladden. Wie van de mannen een lasteraar en kwaadspreker is, is vervloekt en veroordeeld, zoals Allah zegt: {Wee elke hamaza, lumaza.} Hamz is bekladding door daad, lamz door woorden. Allah, de Verhevene, zei: {hammâz (lasterend), rondgaand met kwaadsprekerij} — dat wil zeggen: hij kleineert en bekladt mensen, overschrijdend en kwaadsprekerij onder hen verspreidend, wat de lamz is die woorden als werktuig gebruikt. Zijn woord hier {En hoont elkaar niet} is als Zijn woord in een ander vers: {En doodt jullie niet} — wat betekent: doodt elkaar niet. 'Abdullah ibn 'Abbâs, Mujâhid, Sa'îd ibn Jubayr, Qatâda en Muqâtil ibn Hayyân zeiden dat het vers {En hoont elkaar niet} betekent: laat niemand van jullie de ander bekladden; terwijl {en belastert elkaar niet met bijnamen} betekent: spreekt mensen niet aan met bijnamen die zij niet over zich willen horen. Imâm Ahmad leverde over dat Aboe Jabîra ibn ad-Dahhâk zei: 'Dit vers werd over ons, Banî Salama, geopenbaard: {en belastert elkaar niet met bijnamen}. Toen de Boodschapper van Allah ﷺ naar Medina emigreerde, had ieder van ons twee of drie bijnamen. Wanneer de Profeet ﷺ een man met een van die bijnamen riep, zeiden de mensen: O Boodschapper van Allah, hij heeft een hekel aan die bijnaam. Toen werd dit vers geopenbaard.' Aboe Dâwûd verzamelde deze overlevering eveneens. Zijn woord {De slechtste naam is de verdorvenheid na het geloof} betekent: de namen en beschrijvingen van verdorvenheid zijn slecht — dat wil zeggen: het gebruiken van de bijnamen die de mensen van de Jâhiliyya gebruikten, nadat jullie de islam hebben omhelsd en begrepen. {En wie geen berouw toont} — van deze zonde — {zij zijn de onrechtplegers}.

Ibn al-Qayyim

Bij Zijn woord {En wie geen berouw toont: zij zijn de onrechtplegers} merkt Ibn al-Qayyim op dat Allah de dienaren in twee soorten verdeelde — een berouwvolle en een onrechtpleger — en er is in het geheel geen derde; en Hij legde de naam 'onrechtpleger' op wie geen berouw toont, en er is niemand onrechtvaardiger dan hij, vanwege zijn onwetendheid omtrent zijn Heer en Diens recht, en omtrent het gebrek van zijn ziel en de gebreken van zijn daden. In de Sahîh van hem ﷺ: 'O mensen, toont berouw jegens Allah; want bij Allah, ik toon waarlijk berouw jegens Hem meer dan zeventig keer per dag.' Bij Zijn woord {En belastert elkaar niet met bijnamen} zegt hij: er is geen meningsverschil over het verbod een mens een bijnaam te geven die hij verafschuwt, of die nu in hem aanwezig is of niet; maar wanneer iemand daardoor bekend en beroemd is geworden — zoals al-A'mash (de bijziende), al-Ashtar, al-Asamm (de dove), al-A'raj (de manke) — dan is het gebruik daarvan gangbaar geworden op de tong van de geleerden, vroeger en nu, en Imâm Ahmad zag het door de vingers: Aboe Dâwûd zei in zijn Masâ'il dat hij Ahmad ibn Hanbal hoorde toen hem werd gevraagd naar de man die een bijnaam heeft waaronder hij slechts bekend is en die hij niet verafschuwt; hij zei: 'Zegt men niet Sulaymân al-A'mash en Humayd at-Tawîl (de lange)?' — als zag hij daar geen bezwaar in; Aboe Dâwûd zei: ik vroeg Ahmad er nog eens naar, en hij stond het toe. Daarna voegt Ibn al-Qayyim er een hoofdstuk over geduld aan toe: weet dat het geduld tegenover de zonden van de tong en het geslachtsdeel tot de zwaarste soorten van geduld behoort, vanwege de kracht van de drijfveer ertoe en het gemak ervan; want de zonden van de tong zijn het 'ooft' van de mens — zoals roddel, kwaadsprekerij, leugen, twistziek redetwisten, zelfprijzing bedekt en openlijk, het navertellen van mensen, het hekelen van wie men haat, het prijzen van wie men liefheeft, en dergelijke. Daarbij komen samen: de kracht van de drijfveer en het gemak van de beweging van de tong, zodat het geduld verzwakt; daarom zei hij ﷺ tot Mu'âdh: 'Houd je tong in bedwang,' waarop deze zei: 'Worden wij ter verantwoording geroepen voor wat wij spreken?' en hij ﷺ zei: 'Worden de mensen niet op hun gezichten in het Vuur geworpen om niets anders dan de oogst van hun tongen?' En tot de bestraffingen van de zonde behoort dat zij haar drager de namen van lof en eer ontneemt en hem de namen van laster en geringheid aandoet: zij ontneemt hem de naam 'gelovige', 'vrome', 'weldoener', 'godvrezende', 'gehoorzame', 'berouwvolle', 'vriend', 'ingetogene', 'rechtschapene', 'aanbidder', 'vrezende', 'tot Allah terugkerende', 'goede' en 'welbehaaglijke', en bekleedt hem met de naam 'zondaar', 'ongehoorzame', 'tegenstrever', 'kwaaddoener', 'verderfzaaier', 'kwade', 'gehate', en dergelijke. Dit zijn de namen van de verdorvenheid, en {de slechtste naam is de verdorvenheid na het geloof}, die de toorn van de Vergelder, het binnengaan in het Vuur en een leven van schande en vernedering met zich brengt; terwijl die eerste namen het welbehagen van ar-Rahmân en het binnengaan in de tuinen met zich brengen. Want er is geen weerhouder van wat Allah geeft, geen gever van wat Hij weerhoudt, en {wie Allah vernedert, voor hem is er niemand die hem eer kan verlenen; voorwaar, Allah doet wat Hij wil}.

Arabische grondtekst & bron — verzen 11

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Hujurât · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Hujurât · onverkorte editie (Arabisch + Engelse vertaling).

يَنْهَى تَعَالَى عَنِ السُّخْرِيَةِ بِالنَّاسِ، وَهُوَ احْتِقَارُهُمْ وَالِاسْتِهْزَاءُ بِهِمْ، كَمَا ثَبَتَ فِي الصَّحِيحِ عَنْ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ أَنَّهُ قَالَ: "الكِبْر بَطَرُ الْحَقِّ وغَمْص النَّاسِ" وَيُرْوَى: "وَغَمْطُ النَّاسِ" [[صحيح مسلم برقم (٩١) مِنْ حَدِيثِ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ مَسْعُودٍ رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ.]] وَالْمُرَادُ مِنْ ذَلِكَ: احْتِقَارُهُمْ وَاسْتِصْغَارُهُمْ، وَهَذَا حَرَامٌ، فَإِنَّهُ قَدْ يَكُونُ الْمُحْتَقَرُ أَعْظَمَ قَدْرًا عِنْدَ اللَّهِ وَأَحَبَّ إِلَيْهِ مِنَ السَّاخِرِ مِنْهُ الْمُحْتَقِرِ لَهُ؛ وَلِهَذَا قَالَ: ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لا يَسْخَرْ قَومٌ مِنْ قَوْمٍ عَسَى أَنْ يَكُونُوا خَيْرًا مِنْهُمْ وَلا نِسَاءٌ مِنْ نِسَاءٍ عَسَى أَنْ يَكُنَّ خَيْرًا مِنْهُنَّ﴾ ، فَنَصَّ عَلَى نَهْيِ الرِّجَالِ وَعَطَفَ بِنَهْيِ النِّسَاءِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَلا تَلْمِزُوا أَنْفُسَكُمْ﴾ أَيْ: لَا تَلْمِزُوا النَّاسَ. والهمَّاز اللَّماز مِنَ الرِّجَالِ مَذْمُومٌ مَلْعُونٌ، كَمَا قَالَ [تَعَالَى] : [[زيادة من ت.]] ﴿وَيْلٌ لِكُلِّ هُمَزَةٍ لُمَزَةٍ﴾ [الْهُمَزَةِ: ١] ، فَالْهَمْزُ بِالْفِعْلِ وَاللَّمْزُ بِالْقَوْلِ، كَمَا قَالَ: ﴿هَمَّازٍ مَشَّاءٍ بِنَمِيمٍ﴾ [الْقَلَمِ: ١١] أَيْ: يَحْتَقِرُ النَّاسَ وَيَهْمِزُهُمْ طَاعِنًا عَلَيْهِمْ، وَيَمْشِي بَيْنَهُمْ بِالنَّمِيمَةِ وَهِيَ: اللَّمْزُ بِالْمَقَالِ؛ وَلِهَذَا قَالَ هَاهُنَا: ﴿وَلا تَلْمِزُوا أَنْفُسَكُمْ﴾ ، كَمَا قَالَ: ﴿وَلا تَقْتُلُوا أَنْفُسَكُمْ﴾ [النِّسَاءِ: ٢٩] أَيْ: لَا يَقْتُلْ بَعْضُكُمْ بَعْضًا [[في م: "أي: لا يطعن بعذكم على بعض".]] . قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ، وَمُجَاهِدٌ، وَسَعِيدُ بْنُ جُبَيْرٍ، وَقَتَادَةُ، وَمُقَاتِلُ بْنُ حَيَّان: ﴿وَلا تَلْمِزُوا أَنْفُسَكُمْ﴾ أَيْ: لَا يَطْعَنْ بَعْضُكُمْ عَلَى بَعْضٍ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَلا تَنَابَزُوا بِالألْقَابِ﴾ أَيْ: لَا تَتَدَاعَوْا بِالْأَلْقَابِ، وَهِيَ الَّتِي يَسُوءُ الشَّخْصَ سَمَاعُهَا. قَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا إِسْمَاعِيلُ، حَدَّثَنَا دَاوُدَ بْنِ أَبِي هِنْدٍ، عَنِ الشَّعْبِيِّ قَالَ: حَدَّثَنِي أَبُو جَبِيرة [[في ت: "عن أبي جبيرة".]] بْنُ الضَّحَّاكِ قَالَ: فِينَا نَزَلَتْ فِي بَنِي سَلِمَةَ: ﴿وَلا تَنَابَزُوا بِالألْقَابِ﴾ قَالَ: قَدِمَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ الْمَدِينَةَ وَلَيْسَ فِينَا رَجُلٌ إِلَّا وَلَهُ اسْمَانِ أَوْ ثَلَاثَةٌ، فَكَانَ إِذَا دُعِىَ أَحَدٌ مِنْهُمْ بِاسْمٍ مِنْ تِلْكَ الْأَسْمَاءِ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّهُ يَغْضَبُ مِنْ هَذَا. فَنَزَلَتْ: ﴿وَلا تَنَابَزُوا بِالألْقَابِ﴾ وَرَوَاهُ أَبُو دَاوُدَ عَنْ مُوسَى بْنِ إِسْمَاعِيلَ، عَنْ وُهَيْب، عَنْ دَاوُدَ، بِهِ [[المسند (٤/٢٦٠) وسنن أبي داود برقم (٤٩٦٢) ورواه الترمذي في السنن برقم (٣٢٦٨) مِنْ طَرِيقِ دَاوُدَ بْنِ أَبِي هِنْدٍ بِهِ، وَقَالَ التِّرْمِذِيُّ: "حديث حسن صحيح".]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿بِئْسَ الاسْمُ الْفُسُوقُ بَعْدَ الإيمَانِ﴾ أَيْ: بِئْسَ الصِّفَةُ وَالِاسْمُ الْفُسُوقُ وَهُوَ: التَّنَابُزُ بِالْأَلْقَابِ، كَمَا كَانَ أَهْلُ الْجَاهِلِيَّةِ يَتَنَاعَتُونَ، بَعْدَمَا دَخَلْتُمْ [[في ت: "دخلوا".]] فِي الْإِسْلَامِ وَعَقَلْتُمُوهُ، ﴿وَمَنْ لَمْ يَتُبْ﴾ أَيْ: مِنْ هَذَا ﴿فَأُولَئِكَ هُمُ الظَّالِمُونَ﴾

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Hujurât (uit zijn tafsir-compilatie).

قَولُهُ تَعالى ﴿وَمَن لَمْ يَتُبْ فَأُولَئِكَ هُمُ الظّالِمُونَ﴾ قَسَّمَ العِبادَ إلى تائِبٍ وظالِمٍ، وما ثَمَّ قَسْمٌ ثالِثٌ ألْبَتَّةَ، وأوْقَعَ اسْمَ الظّالِمِ عَلى مَن لَمْ يَتُبْ، ولا أظْلَمَ مِنهُ، لِجَهْلِهِ بِرَبِّهِ وبِحَقِّهِ، وبِعَيْبِ نَفْسِهِ وآفاتِ أعْمالِهِ. وَفِي الصَّحِيحِ عَنْهُ ﷺ أنَّهُ قالَ: «يا أيُّها النّاسُ، تُوبُوا إلى اللَّهِ، فَواللَّهِ إنِّي لَأتُوبُ إلَيْهِ في اليَوْمِ أكْثَرَ مِن سَبْعِينَ مَرَّةً». (فائدة) قالَ الله تَعالى ﴿وَلا تنابزوا بِالألْقابِ﴾ ولا خلاف في تَحْرِيم تلقيب الإنْسان بِما يكرههُ سَواء كانَ فِيهِ أو لم يكن وأما إذا عرف بذلك واشتهر بِهِ كالأعمش والأشْتَر والأصم والأعرج فقد اضطرد اسْتِعْماله على ألْسِنَة أهل العلم قَدِيما وحديثا، وسَهل فِيهِ الإمام أحْمد. قالَ أبُو داوُد في مسائِله سَمِعت أحْمد بن حَنْبَل سُئِلَ عَن الرجل يكون لَهُ اللقب لا يعرف إلّا بِهِ ولا يكرههُ. قالَ ألَيْسَ يُقال سُلَيْمان الأعْمَش وحميد الطَّوِيل؟ كَأنَّهُ لا يرى بِهِ بَأْسا. قالَ أبُو داوُد سَألت أحْمد عَنهُ مرّة أُخْرى فَرخص فِيهِ. قلت كانَ أحْمد يكره أن يَقُول الأعْمَش قالَ الفضيل يَزْعمُونَ كانَ يَقُول سُلَيْمان وإمّا أن لا يفهم مدحا ولا ذما فَإن صدر بأب وأم فَهو الكنية كَأبي فلان وأم فلان وإن لم يصدر بذلك فَهو الِاسْم كزيد وعَمْرو. وَهَذا هو الَّذِي كانَت تعرفه العَرَب وعَلِيهِ مدار مخاطباتهم. وَأما فلان الدّين وعز الدّين وعز الدولة وبهاء الدولة، فَإنَّهُم لم يَكُونُوا يعْرفُونَ ذَلِك، وإنَّما أتى هَذا من قبل العَجم. (فصل) اعلم أن الصبر عن معاصي اللسان والفرج من أصعب أنواع الصبر لشدة الداعي إليهما وسهولتهما، فإن معاصي اللسان فاكهة الإنسان كالنميمة والغيبة والكذب والمراء، والثناء على النفس تعريضا وتصريحا، وحكاية كلام الناس والطعن على من يبغضه، ومدح من يحبه ونحو ذلك. فتتفق قوة الداعي، وتيسر حركة اللسان، فيضعف الصبر، ولهذا قال ﷺ لمعاذ: "امسك عليك لسانك" فقال "وإنا لمؤاخذون بما نتكلم به" فقال ﷺ "وهل يكب الناس في النار على مناخرهم إلا حصائد ألسنتهم" ولا سيما إذا صارت المعاصي اللسانية معتادة للعبد فإنه يعز عليه الصبر عنها ولهذا تجد الرجل يقوم الليل ويصوم النهار ويتورع من استناده إلى وسادة حرير لحظة واحدة، ويطلق لسانه في الغيبة والنميمة والمفكه في أعراض الخلق وربما رخص أهل الصلاح والعلم بالله والدين والقول على الله ما لا يعلم، وكثير ممن تجده يتورع عن الدقائق من الحرام والقطرة من الخمر ومثل رأس الإبرة من النجاسة، ولا يبالي بارتكاب الفرج الحرام، كما يحكى: أن رجلا خلا بامرأة أجنبية، فلما أراد مواقعتها قال يا هذه غطِّ وجهك فإن النظر إلى وجه الأجنبية حرام. وقد سأل رجل عبد الله بن عمر عن دم البعوض فقال انظروا إلى هؤلاء يسألوني عن دم البعوض وقد قتلوا ابن بنت رسول الله؟! واتفق لي قريب من هذه الحكاية كنت في حال الإحرام فأتاني قوم من الأعراب المعروفين بقتل النفوس والإغارة على الأموال يسألوني عن قتل المحرم القمل؟ فقلت يا عجبا لقوم لا يتورعون عن قتل النفس التي حرم الله قتلها ويسألون عن قتل القملة في الإحرام. والمقصود أن اختلاف شدة الصبر في أنواع المعاصي وآحادها يكون باختلاف داعيه إلى تلك المعصية في قوتها وضعفها. ويذكر عن على رضي الله عنه أنه قال: "الصبر ثلاثة فصبر على المصيبة، وصبر على الطاعة، وصبر عن المعصية. فمن صبر على المصيبة حتى يردها بحسن عزائها كتب الله له ثلاثمائة درجة. ومن صبر على الطاعة حتى يؤديها كما أمر الله كتب الله له ستمائة درجة. ومن صبر عن المعصية خوفا من الله ورجاء ما عنده كتب الله له تسعمائة درجة". وقال ميمون بن مهران: "الصبر صبران فالصبر على المصيبة حسن، وأفضل منه الصبر عن المعصية". [فَصْلٌ: المَعْصِيَةُ مَجْلَبَةٌ لِلذَّمِّ] وَمِن عُقُوباتِها: أنَّها تَسْلُبُ صاحِبَها أسْماءَ المَدْحِ والشَّرَفِ، وتَكْسُوهُ أسْماءَ الذَّمِّ والصَّغارِ، فَتَسْلُبُهُ اسْمَ المُؤْمِنِ، والبَرِّ، والمُحْسِنِ، والمُتَّقِي، والمُطِيعِ، والمُنِيبِ، والوَلِيِّ، والوَرِعِ، والصّالِحِ، والعابِدِ، والخائِفِ، والأوّابِ، والطَّيِّبِ، والمَرَضِيِّ ونَحْوِها. وَتَكْسُوهُ اسْمَ الفاجِرِ، والعاصِي، والمُخالِفِ، والمُسِيءِ، والمُفْسِدِ، والخَبِيثِ، والمَسْخُوطِ، والزّانِي، والسّارِقِ، والقاتِلِ، والكاذِبِ، والخائِنِ، واللُّوطِيِّ، وقاطِعِ الرَّحِمِ، والغادِرِ وأمْثالِها. فَهَذِهِ أسْماءُ الفُسُوقِ و﴿بِئْسَ الِاسْمُ الفُسُوقُ بَعْدَ الإيمانِ﴾ الَّذِي يُوجِبُ غَضَبَ الدَّيّانِ، ودُخُولَ النِّيرانِ، وعَيْشَ الخِزْيِ والهَوانِ. وَتِلْكَ أسْماءٌ تُوجِبُ رِضاءَ الرَّحْمَنِ، ودُخُولَ الجِنانِ، وتُوجِبُ شَرَفَ المُسَمّى بِها عَلى سائِرِ أنْواعِ الإنْسانِ، فَلَوْ لَمْ يَكُنْ في عُقُوبَةِ المَعْصِيَةِ إلّا اسْتِحْقاقُ تِلْكَ الأسْماءِ ومُوجِباتِها لَكانَ في العَقْلِ ناهٍ عَنْها، ولَوْ لَمْ يَكُنْ في ثَوابِ الطّاعَةِ إلّا الفَوْزُ بِتِلْكَ الأسْماءِ ومُوجِباتِها لَكانَ في العَقْلِ آمِرٌ بِها، ولَكِنْ لا مانِعَ لِما أعْطى اللَّهُ، ولا مُعْطِيَ لِما مَنَعَ، ولا مُقَرِّبَ لِما باعَدَ، ولا مُبْعِدَ لِمَن قَرَّبَ، ﴿وَمَن يُهِنِ اللَّهُ فَما لَهُ مِن مُكْرِمٍ إنَّ اللَّهَ يَفْعَلُ ما يَشاءُ﴾ [الحج: ١٨].

Verzen 12

﴿ ١٢ ﴾

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱجْتَنِبُوا۟ كَثِيرًۭا مِّنَ ٱلظَّنِّ إِنَّ بَعْضَ ٱلظَّنِّ إِثْمٌۭ ۖ وَلَا تَجَسَّسُوا۟ وَلَا يَغْتَب بَّعْضُكُم بَعْضًا ۚ أَيُحِبُّ أَحَدُكُمْ أَن يَأْكُلَ لَحْمَ أَخِيهِ مَيْتًۭا فَكَرِهْتُمُوهُ ۚ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ تَوَّابٌۭ رَّحِيمٌۭ

Yaaa ayyuhal lazeena aamanuj taniboo kaseeram minaz zanni inna ba'daz zanniismunw wa laa tajassasoo wa la yaghtab ba'dukum ba'daa; a yuhibbu ahadukum any yaakula lahma akheehi maitan fakarih tumooh; wattaqul laa; innal laaha tawwaabur Raheem

49:12O jullie die geloven, vermijdt veel van de kwade vermoedens. Voorwaar, een deel van de kwade vermoedens zijn zonden. En bespioneert elkaar niet en spreekt geen kwaad over elkaar in elkaars afwezigheid. Zou iemand van jullie het vlees van zijn dode broeder willen eten? Jullie zouden het zeker haten. En vreest Allah. Voorwaar, Allah is Berouwaanvaardend, Meest Barmhartig.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Drie kwaden van de tong en het hart worden samen verboden: achterdocht zonder grond, bespieden, en kwaadspreken. Het sterkst is het beeld van de roddel: het is alsof je het vlees van je dode broeder eet — hij is afwezig, kan zich niet verweren, en jij smult van zijn eer. Wie het van nature walgelijk vindt een lijk te eten, moet om dezelfde reden walgen van roddel. En de deur blijft open: Allah is Berouwaanvaardend, Meest Barmhartig.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Allah, de Verhevene, verbiedt veel van het kwade vermoeden jegens de gelovigen: {Voorwaar, een deel van de kwade vermoedens zijn zonden} — zoals het vermoeden dat verstoken is van werkelijkheid en aanwijzing, en zoals het kwade vermoeden waaraan veel verboden woorden en daden gepaard gaan; want het voortbestaan van het kwade vermoeden in het hart beperkt zich niet daartoe, maar drijft de bezitter ervan voort tot hij zegt wat niet hoort en doet wat niet hoort. Daarin ligt ook het slecht denken over de moslim, hem haten en met hem in vijandschap leven, terwijl hem het tegendeel daarvan geboden is. {En bespioneert elkaar niet} — dat wil zeggen: snuffelt niet naar de schaamtevolle zaken van de moslims, gaat ze niet na, en laat de moslim in zijn toestand; betracht het wegkijken van zijn misstappen die, als ze worden uitgeplozen, iets onbehoorlijks aan het licht brengen. {En spreekt geen kwaad over elkaar in elkaars afwezigheid} — en de roddel (ghîba), zoals de Profeet ﷺ zei, is: 'Dat jij je broeder vermeldt met dat wat hij verafschuwt, ook al is het in hem.' Daarna noemde Hij een afschrikwekkende gelijkenis om van de roddel af te schrikken: {Zou iemand van jullie het vlees van zijn dode broeder willen eten? Jullie zouden het zeker haten} — Hij vergeleek het roddelen met het eten van zijn vlees terwijl hij dood is, wat voor de zielen het meest verafschuwd is; zoals jullie het eten van zijn vlees verafschuwen, vooral wanneer hij dood is en van de geest verstoken, zo behoren jullie zijn roddel en het eten van zijn vlees terwijl hij leeft te verafschuwen. {En vreest Allah; voorwaar, Allah is Berouwaanvaardend, Meest Barmhartig} — en de Berouwaanvaardende (at-Tawwâb) is Hij die het berouw van Zijn dienaar toestaat en hem ertoe in staat stelt, en daarna zich tot hem keert door zijn berouw te aanvaarden; Barmhartig met Zijn dienaren, daar Hij hen heeft uitgenodigd tot wat hun baat en hun berouw heeft aanvaard. In dit vers ligt een bewijs voor de strenge waarschuwing tegen de roddel en dat zij tot de grote zonden behoort, omdat Allah haar vergeleek met het eten van het vlees van de dode, en dat behoort tot de grote zonden.

Ibn Kathîr

Allah, de Verhevene, verbiedt Zijn gelovige dienaren veel achterdocht — wat het hebben van twijfels en verdenkingen omtrent het gedrag van familie, verwanten en mensen in het algemeen omvat. Daarom moeten de moslims achterdocht zonder grond vermijden. De Leider der gelovigen 'Umar ibn al-Khattâb zei: 'Denk nooit kwaad over het woord dat uit de mond van je gelovige broeder komt, zolang je er een goede uitleg voor kunt vinden.' Mâlik leverde over dat Aboe Hurayra (moge Allah tevreden over hem zijn) zei dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'Hoedt jullie voor achterdocht, want achterdocht is de leugenachtigste van de verhalen; bespioneert elkaar niet, speurt elkaars fouten niet na, wedijvert niet, benijdt elkaar niet, haat elkaar niet en keert elkaar niet de rug toe; en weest, o dienaren van Allah, broeders!' De twee Sahîhs en Aboe Dâwûd leverden deze overlevering. Anas zei dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'Verbreekt niet de band, keert elkaar niet de rug toe, haat elkaar niet en benijdt elkaar niet, en weest dienaren van Allah als broeders; het is een moslim niet toegestaan zijn broeder langer dan drie dagen te mijden.' Muslim en at-Tirmidhî verzamelden deze overlevering, die hij authentiek achtte. {En bespioneert elkaar niet}: de tajassus draagt doorgaans kwade bedoelingen, en de spion wordt jâsûs genoemd; wat de tahassus (navragen) betreft, dat gebeurt doorgaans om een goede reden — Allah, de Verhevene, vermeldde dat de profeet Ya'qûb zei: {O mijn zonen, gaat en vraagt na (tahassasû) over Yûsuf en zijn broer, en wanhoopt niet aan de barmhartigheid van Allah.} Beide termen kunnen kwade bijbetekenissen hebben; in de Sahîh staat dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'Bedrijft geen tajassus en geen tahassus, haat elkaar niet en keert elkaar niet de rug toe, en weest, o dienaren van Allah, broeders.' Al-Awzâ'î zei: 'Tajassus betekent naar iets zoeken, terwijl tahassus betekent: naar de mensen luisteren wanneer zij praten zonder hun toestemming, of aan hun deuren afluisteren. Tadâbur verwijst naar elkaar mijden.' Ibn Abî Hâtim leverde deze uitspraak. Daarna zei Allah, de Verhevene, over de roddel: {En spreekt geen kwaad over elkaar in elkaars afwezigheid} — en verbood die. Dit werd verklaard in een overlevering bij Aboe Dâwûd, dat Aboe Hurayra zei: 'Er werd gevraagd: O Boodschapper van Allah, wat is roddel? Hij ﷺ zei: Het vermelden van je broeder op een wijze die hij verafschuwt. Er werd gevraagd: En als mijn broeder is zoals ik vermeldde? Hij ﷺ zei: Als hij is zoals je zei, dan heb je hem geroddeld; en als hij niet is zoals je over hem zegt, dan heb je hem vals beschuldigd.' At-Tirmidhî verzamelde deze overlevering en zei: 'Hasan Sahîh.' De roddel werd streng afgeraden, en daarom vergeleek Allah, de Verhevene en Meest Gezegende, haar met het eten van het vlees van een dode mens: {Zou iemand van jullie het vlees van zijn dode broeder willen eten? Jullie zouden het zeker haten.} Zoals jullie het eten van het vlees van een dode haten van nature, haat dan de roddel om jullie godsdienst; de laatste draagt een bestraffing die erger is dan de eerste. Dit vers wil de mensen van de roddel weerhouden en ervoor waarschuwen. De Profeet ﷺ gebruikte deze woorden ook om af te raden een gegeven geschenk terug te nemen: 'Hij is als de hond die zijn braaksel eet,' nadat hij had gezegd: 'Voor ons geldt het slechte voorbeeld niet.' Langs verschillende wegen vermelden de Sahîhs en de Musnads dat de Profeet ﷺ tijdens de Afscheidsbedevaart zei: 'Voorwaar, jullie bloed, jullie bezittingen en jullie eer zijn onschendbaar onder jullie als de heiligheid van deze dag van jullie, in deze maand van jullie, in deze stad van jullie.' Aboe Dâwûd leverde over dat Aboe Hurayra zei dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'Heel de moslim is onschendbaar voor de moslim: zijn bezit, zijn eer en zijn bloed; het is voor een mens kwaad genoeg dat hij zijn moslimbroeder kleineert.' At-Tirmidhî verzamelde deze overlevering en zei: 'Hasan Gharîb.' Al-Hâfiz Aboe Ya'lâ leverde over dat een neef van Aboe Hurayra zei: 'Mâ'iz kwam bij de Boodschapper van Allah ﷺ en zei: O Boodschapper van Allah, ik heb overspel gepleegd, en de Boodschapper ﷺ wendde zich van hem af tot Mâ'iz zijn uitspraak vier keer herhaalde. De vijfde keer vroeg de Profeet ﷺ: Heb je overspel gepleegd? Mâ'iz zei: Ja. De Profeet ﷺ vroeg: Weet je wat overspel betekent? Mâ'iz zei: Ja, ik heb met haar onwettig gedaan wat een echtgenoot wettig met zijn vrouw doet. De Profeet ﷺ zei: Wat wil je met deze uitspraak bereiken? Mâ'iz zei: Ik wil dat u mij reinigt. De Profeet ﷺ vroeg: Heb je dat van jou in dat van haar binnengebracht zoals de stift in de kohlhouder verdwijnt en het touw in de put? Mâ'iz zei: Ja, o Boodschapper van Allah! De Profeet ﷺ gebood dat Mâ'iz gestenigd zou worden, en zijn bevel werd uitgevoerd. De Profeet ﷺ hoorde twee mannen tegen elkaar zeggen: Heb je die man niet gezien die Allah bedekt had, maar wiens hart hem geen rust gaf tot hij werd gestenigd zoals de hond gestenigd wordt? De Profeet ﷺ ging verder, en toen hij langs het kadaver van een ezel kwam, vroeg hij: Waar zijn die-en-die? Stijgt af en eet van het kadaver van deze ezel. Zij zeiden: Moge Allah u vergeven, o Boodschapper van Allah! Zou iemand dit vlees eten? De Profeet ﷺ zei: De roddel die jullie zojuist over jullie broeder bedreven hebben is erger als maaltijd dan dit; bij Hem in wiens Hand mijn ziel is! Hij zwemt nu in de rivieren van het Paradijs.' Deze overlevering heeft een authentieke keten van overlevering. Imâm Ahmad leverde over dat Jâbir ibn 'Abdullah zei: 'Wij waren bij de Boodschapper van Allah ﷺ toen de wind een rotte stank meevoerde. De Boodschapper van Allah ﷺ zei: Weten jullie wat deze stank is? Dit is de stank van hen die de mensen roddelen.'

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim zegt: dit behoort tot de fraaiste vergelijkende analogie (qiyâs tamthîlî), want Hij vergeleek het verscheuren van de eer van de broeder met het verscheuren van zijn vlees. Daar de roddelaar de eer van zijn broeder in diens afwezigheid verscheurt, is hij als wie zijn vlees afsnijdt terwijl zijn geest door de dood van hem afwezig is; en daar de geroddelde niet bij machte is zich te verweren omdat hij afwezig is bij de laster, is hij als de dode wiens vlees wordt afgesneden en die zich niet kan verdedigen. En daar de broederschap genegenheid, verbondenheid en bijstand vereist, en de roddelaar daaraan het tegendeel verbond — laster, gebrek-aanwijzing en hekeling — is dat als het afsnijden van het vlees van zijn broeder, terwijl de broederschap juist het behoeden, het beschermen en het verdedigen van hem vereist. En daar de roddelaar geniet van de eer van zijn broeder, smult van zijn roddel en laster, en zich daarmee tooit, is hij vergeleken met wie het vlees van zijn broeder eet ná het te hebben afgesneden; en daar de roddelaar dat liefheeft en er ingenomen mee is, is hij vergeleken met wie ervan houdt het vlees van zijn broeder dood te eten — en zijn liefde daarvoor is een toevoeging boven het loutere eten, zoals het eten een toevoeging is boven het verscheuren. Beschouw dus deze vergelijking en analogie, de schoonheid van haar plaatsing en de overeenstemming van het verstandelijke met het waarneembare daarin; en beschouw Zijn bericht over hen dat zij het eten van het vlees van de dode broeder verafschuwen, Zijn beschrijving van hen daarmee aan het einde van het vers, en Zijn afkeuring jegens hen aan het begin ervan dat een van hen dat zou liefhebben. Want zoals dit hun van nature verafschuwd is, hoe kunnen zij dan liefhebben wat het evenbeeld en de gelijke ervan is? Hij voerde dus tegen hen als argument aan wat zij verafschuwen tegenover wat zij liefhadden, en vergeleek wat zij liefhebben met het meest verafschuwde voor hen, waarvan zij het meest afkerig zijn; daarom vereisen het verstand, de oorspronkelijke aanleg en de wijsheid dat zij het meest afkerig zijn van wat het evenbeeld en de gelijkenis daarvan is. En bij Allah ligt het succes.

Arabische grondtekst & bron — verzen 12

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Hujurât · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Hujurât · onverkorte editie (Arabisch + Engelse vertaling).

يَقُولُ تَعَالَى نَاهِيًا عِبَادَهُ الْمُؤْمِنِينَ عَنْ كَثِيرٍ مِنَ الظَّنِّ، وَهُوَ التُّهْمَةُ وَالتَّخَوُّنُ لِلْأَهْلِ وَالْأَقَارِبِ وَالنَّاسِ فِي غَيْرِ مَحَلِّهِ؛ لِأَنَّ بَعْضَ ذَلِكَ يَكُونُ إِثْمًا مَحْضًا، فَلْيُجْتَنَبْ كَثِيرٌ مِنْهُ احْتِيَاطًا، وَرُوِّينَا عَنْ أَمِيرِ الْمُؤْمِنِينَ عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ، أَنَّهُ قَالَ: وَلَا تَظُنَنَّ بِكَلِمَةٍ خَرَجَتْ مِنْ أَخِيكَ الْمُسْلِمِ إِلَّا خَيْرًا، وَأَنْتَ تَجِدُ لَهَا فِي الْخَيْرِ مَحْمَلًا [[رواه أحمد في الزهد كما في الدر المنثور (٧/٥٦٥) .]] . وَقَالَ أَبُو عَبْدِ اللَّهِ بْنُ مَاجَهْ: حَدَّثَنَا أَبُو الْقَاسِمِ بْنُ أَبِي ضَمْرَةَ نَصْرِ بْنِ مُحَمَّدِ بْنِ سُلَيْمَانَ الحِمْصي، حَدَّثَنَا أَبِي، حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ أَبِي قَيْسٍ النَّضري، حَدَّثَنَا [[في ت: "وروى ابن ماجه بسنده عن".]] عَبْدُ اللَّهِ بْنُ عُمَرَ [[في ت: "بن عمر رضي الله عنه".]] قَالَ: رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَطُوفُ بِالْكَعْبَةِ وَيَقُولُ: "مَا أَطْيَبَكِ وَأَطْيَبَ رِيحَكِ، مَا أَعْظَمَكِ وَأَعْظَمَ حُرْمَتَكِ. وَالَّذِي نَفْسُ مُحَمَّدٍ بِيَدِهِ، لَحُرْمَةُ الْمُؤْمِنِ أَعْظَمُ عِنْدَ اللَّهِ حُرْمَةً مِنْكِ، مَالُهُ وَدَمُهُ، وَأَنْ يُظَنَّ بِهِ إِلَّا خَيْرٌ [[في ت، م: "خيرا".]] . تَفَرَّدَ بِهِ ابْنُ مَاجَهْ مِنْ هَذَا الْوَجْهِ [[سنن ابن ماجه برقم (٣٩٣٢) وقال البوصيري في الزوائد (٣/٢٢٣) "هذا إسناد فيه مقال، نصر بن محمد ضعفه أبو حاتم وذكره ابن حبان في الثقات، وباقي رجال الإسناد ثقات".]] . وَقَالَ مَالِكٌ، عَنْ أَبِي الزِّناد، عَنِ الْأَعْرَجِ، عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "إِيَّاكُمْ وَالظَّنَّ فَإِنَّ الظَّنَّ [[في ت، م: "فإنه".]] أَكْذَبُ الْحَدِيثِ، وَلَا تَجَسَّسُوا وَلَا تَحَسَّسُوا، وَلَا تَنَافَسُوا، وَلَا تَحَاسَدُوا، وَلَا تَبَاغَضُوا، وَلَا تَدَابَرُوا، وَكُونُوا عِبَادَ اللَّهِ إِخْوَانًا". رَوَاهُ الْبُخَارِيُّ عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ يُوسُفَ، وَمُسْلِمٌ عَنْ يَحْيَى بْنِ يَحْيَى، وَأَبُو دَاوُدَ عَنِ الْعُتْبِيِّ [ثَلَاثَتُهُمْ] [[زيادة من أ.]] ، عَنْ مَالِكٍ، بِهِ [[الموطأ (٢/٩٠٨) وصحيح البخاري برقم (٦٠٦٦) وصحيح مسلم برقم (٢٥٦٣) .]] . وَقَالَ سُفْيَانُ بْنُ عُيَيْنَةَ، عَنِ الزُّهْرِيِّ، عَنْ أَنَسٍ [رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ] [[زيادة من ت.]] قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "لَا تَقَاطَعُوا، وَلَا تَدَابَرُوا، وَلَا تَبَاغَضُوا، وَلَا تَحَاسَدُوا، وَكُونُوا عِبَادَ اللَّهِ إِخْوَانًا، وَلَا يَحِلُّ لِلْمُسْلِمِ أَنْ يَهْجُرَ أَخَاهُ فَوْقَ ثَلَاثَةِ أَيَّامٍ". رَوَاهُ مُسْلِمٌ وَالتِّرْمِذِيُّ -وَصَحَّحَهُ-مِنْ حديث سفيان بن عيينة، به [[صحيح مسلم برقم (٢٥٥٩) ، وسنن الترمذي برقم (١٩٣٥) .]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] الطَّبَرَانِيُّ: حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ القِرْمِطي الْعَدَوِيُّ، حَدَّثَنَا بَكْرُ بْنُ عَبْدِ الْوَهَّابِ الْمَدَنِيُّ، حَدَّثَنَا إِسْمَاعِيلُ بْنُ قَيْسٍ الْأَنْصَارِيُّ، حَدَّثَنِي عَبْدُ الرَّحْمَنِ بْنُ مُحَمَّدٍ بْنِ أَبِي الرِّجَالِ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ جَدِّهِ حَارِثَةَ بْنِ النُّعْمَانِ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وسلم: "ثلاث لازمات لِأُمَّتِي: الطِّيَرَةُ، وَالْحَسَدُ وَسُوءُ الظَّنِّ". فَقَالَ رَجُلٌ: مَا يُذْهِبُهُنَّ يَا رَسُولَ اللَّهِ مِمَّنْ هُنَّ فِيهِ؟ قَالَ: "إِذَا حَسَدْتَ فَاسْتَغْفِرِ اللَّهَ، وَإِذَا ظَنَنْتَ فَلَا تُحَقِّقْ، وَإِذَا تَطَيَّرْتَ فَأمض [[في ت: "وإذا نظرت فاغضض" وفي م، أ: "وإذا تطيرت فاغمض".]] " [[المعجم الكبير (٣/٢٢٨) ، قال الهيثمي في المجمع (٨/٧٨) : "فيه إسماعيل بن قيس الأنصاري وهو ضعيف".]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] أَبُو دَاوُدَ: حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرِ بْنُ أَبِي شَيْبَةَ، حَدَّثَنَا أَبُو مُعَاوِيَةَ، عَنِ الْأَعْمَشِ، عَنْ زَيْدٍ قَالَ: أُتِيَ ابْنُ مَسْعُودٍ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ، بِرَجُلٍ [[لفظة "برجل" غير موجودة بسنن أبي داود.]] ، فَقِيلَ لَهُ: هَذَا فُلَانٌ تَقْطُرُ لِحْيَتُهُ خَمْرًا. فَقَالَ عَبْدُ اللَّهِ: إِنَّا قَدْ نُهِينَا عَنِ التَّجَسُّسِ، وَلَكِنْ إِنْ يَظْهَرْ لَنَا شَيْءٌ نَأْخُذْ بِهِ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٩٠) .]] . سَمَّاهُ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ فِي رِوَايَتِهِ الْوَلِيدَ بْنَ عُقْبَةَ بْنِ أَبِي مُعَيْطٍ [[وذلك لما أكثر الناس في الوليد بن عقبة، وقد كان ابن مسعود على بيت المال في ولاية الوليد بن عقبة في عهد عثمان رضي الله عنه وقصة جلد الوليد على الخمر مشهورة في الصحيحين.]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا هَاشِمٌ، حَدَّثَنَا لَيْث، عَنْ إِبْرَاهِيمَ بْنِ نَشِيط الخَوْلاني، عَنْ كَعْبِ بْنِ عَلْقَمَةَ، عَنْ أَبِي الْهَيْثَمِ، عَنْ دُخَيْن كَاتِبِ عُقْبَةَ قَالَ: قُلْتُ لِعُقْبَةَ: إِنَّ لَنَا جِيرَانًا يَشْرَبُونَ الْخَمْرَ، وَأَنَا دَاعٍ لَهُمُ الشُّرَطَ فَيَأْخُذُونَهُمْ. قَالَ: لَا تَفْعَلْ، وَلَكِنْ عِظْهُمْ وَتَهَدَّدْهُمْ. قَالَ: فَفَعَلَ فَلَمْ يَنْتَهُوا. قَالَ: فَجَاءَهُ دُخَيْن فَقَالَ: إِنِّي قَدْ نَهَيْتُهُمْ فَلَمْ يَنْتَهُوا، وَإِنِّي دَاعٍ لَهُمُ الشُّرَطَ فَيَأْخُذُونَهُمْ. قَالَ: لَا تَفْعَلْ، وَلَكِنْ عِظْهُمْ وَتَهَدَّدْهُمْ. قَالَ: فَفَعَلَ فَلَمْ يَنْتَهُوا. قَالَ: فَجَاءَهُ دُخَيْنٌ فَقَالَ: إِنِّي قَدْ نَهَيْتُهُمْ فَلَمْ يَنْتَهُوا، وَإِنِّي دَاعٍ لَهُمُ الشُّرَطَ فَتَأْخُذُهُمْ. فَقَالَ لَهُ عُقْبَةُ: وَيْحَكَ لَا تَفْعَلْ، فَإِنِّي سَمِعْتُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ يَقُولُ: "مَنْ سَتَرَ عَوْرَةَ مُؤْمِنٍ فَكَأَنَّمَا اسْتَحْيَا مَوْءُودَةً مِنْ قَبْرِهَا". وَرَوَاهُ أَبُو دَاوُدَ وَالنَّسَائِيُّ مِنْ حَدِيثِ اللَّيْثِ بْنِ سَعْدٍ، بِهِ نَحْوَهُ [[المسند (٤/١٥٣) وسنن أبي داود برقم (٤٨٩٢) والنسائي في السنن الكبري برقم (٧٢٨٣) .]] . وَقَالَ سُفْيَانُ الثَّوْرِيُّ، عَنْ ثَوْرٍ، عَنْ رَاشِدِ بْنِ سَعْدٍ، عَنْ مُعَاوِيَةَ قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: "إِنَّكَ إِنِ اتَّبَعْتَ عَوْرَاتِ النَّاسِ أَفْسَدْتَهُمْ" أَوْ: "كِدْتَ أَنْ تُفْسِدَهُمْ". فَقَالَ أَبُو الدَّرْدَاءِ: كَلِمَةٌ سَمِعَهَا مُعَاوِيَةُ مِنْ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، نَفَعَهُ اللَّهُ بِهَا. رَوَاهُ أَبُو دَاوُدَ مُنْفَرِدًا بِهِ مِنْ حَدِيثِ الثَّوْرِيِّ، بِهِ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٨٨) .]] . وَقَالَ أَبُو دَاوُدَ أَيْضًا: حَدَّثَنَا سَعِيدُ بْنُ عَمْرٍو الْحَضْرَمِيُّ، حَدَّثَنَا إِسْمَاعِيلُ بْنُ عَيَّاشٍ، حَدَّثَنَا ضَمْضَم بْنُ زُرَعَة، عَنْ شُرَيْح بْنِ عبيد، عن جُبَيْر بْنِ نُفَيْر، وَكَثِيرِ بْنِ مُرَّة، وَعَمْرِو بن الأسود، والمقدام بن معد يكرب [[في م: "معدي كرب".]] ، وَأَبِي أُمَامَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: "إِنَّ الْأَمِيرَ إِذَا ابْتَغَى الرِّيبَةَ في الناس، أَفْسَدَهُمْ" [[سنن أبي داود برقم (٤٨٨٩) .]] . [وَقَوْلُهُ] : [[زيادة من ت.]] ﴿وَلا تَجَسَّسُوا﴾ أَيْ: عَلَى بَعْضِكُمْ بَعْضًا. وَالتَّجَسُّسُ غَالِبًا يُطْلَقُ فِي الشَّرِّ، وَمِنْهُ الْجَاسُوسُ. وَأَمَّا التَّحَسُّسُ فَيَكُونُ غَالِبًا فِي الْخَيْرِ، كَمَا قَالَ تَعَالَى إِخْبَارًا عَنْ يَعْقُوبَ [عَلَيْهِ السَّلَامُ] [[زيادة من ت.]] إِنَّهُ قَالَ: ﴿يَا بَنِيَّ اذْهَبُوا فَتَحَسَّسُوا مِنْ يُوسُفَ وَأَخِيهِ وَلا تَيْأَسُوا مِنْ رَوْحِ اللَّهِ﴾ [يُوسُفَ: ٨٧] ، وَقَدْ يُسْتَعْمَلُ كُلٌّ مِنْهُمَا فِي الشَّرِّ، كَمَا ثَبَتَ فِي الصَّحِيحِ أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ: "لَا تَجَسَّسُوا، وَلَا تَحَسَّسُوا، وَلَا تَبَاغَضُوا، وَلَا تَدَابَرُوا، وَكُونُوا عِبَادَ اللَّهِ إِخْوَانًا" [[صحيح البخاري برقم (٢٤٤٢) .]] . وَقَالَ الْأَوْزَاعِيُّ: التَّجَسُّسُ: الْبَحْثُ عَنِ الشَّيْءِ. وَالتَّحَسُّسُ: الِاسْتِمَاعُ إِلَى حَدِيثِ الْقَوْمِ وَهُمْ لَهُ كَارِهُونَ، أَوْ يَتَسَمَّعُ عَلَى أَبْوَابِهِمْ. وَالتَّدَابُرُ: الصَّرْم. رَوَاهُ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَلا يَغْتَبْ بَعْضُكُمْ بَعْضًا﴾ فِيهِ نَهْيٌ عَنِ الْغَيْبَةِ، وَقَدْ فَسَّرَهَا الشَّارِعُ كَمَا جَاءَ فِي الْحَدِيثِ الَّذِي رَوَاهُ أَبُو دَاوُدَ: حَدَّثَنَا القَعْنَبِي، حَدَّثَنَا عَبْدُ الْعَزِيزِ بْنُ مُحَمَّدٍ، عَنِ الْعَلَاءِ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ [[في ت: "أبي هريرة رضي الله عنه".]] قَالَ: قِيلَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، مَا الْغِيبَةُ؟ قَالَ: "ذِكْرُكَ أَخَاكَ بِمَا يَكْرَهُ". قِيلَ: أَفَرَأَيْتَ إِنْ كَانَ فِي أَخِي مَا أَقُولُ؟ قَالَ: "إِنْ كَانَ فِيهِ مَا تَقُولُ فَقَدِ اغْتَبْتَهُ، وَإِنْ لَمْ يَكُنْ فِيهِ مَا تَقُولُ فَقَدْ بَهَتَّهُ". وَرَوَاهُ التِّرْمِذِيُّ عَنْ قُتَيْبَةَ، عَنِ الدَّرَاوَرْدي، بِهِ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٧٤) وسنن الترمذي برقم (١٩٣٥) .]] . وَقَالَ: حَسَنٌ صَحِيحٌ. وَرَوَاهُ ابْنُ جَرِيرٍ عَنْ بُنْدَار، عَنْ غُنْدَر، عَنْ شُعْبَةَ، عَنْ الْعَلَاءِ [[تفسير الطبري (٢٦/٨٦) .]] . وَهَكَذَا قَالَ ابْنُ عُمَرَ، وَمَسْرُوقٌ، وَقَتَادَةُ، وَأَبُو إِسْحَاقَ، وَمُعَاوِيَةُ بْنُ قُرَّة. وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] أَبُو دَاوُدَ: حَدَّثَنَا مُسَدَّد، حَدَّثَنَا يَحْيَى، عَنْ سُفْيَانَ، حَدَّثَنِي عَلِيُّ بْنُ الْأَقْمَرِ، عَنْ أَبِي حُذَيْفَةَ، عَنْ عَائِشَةَ قَالَتْ: قُلْتُ لِلنَّبِيِّ ﷺ: حَسْبُكَ مِنْ صَفِيَّةَ كَذَا وَكَذَا! -قَالَ غَيْرُ مُسَدَّدٍ: تَعْنِي قَصِيرَةً-فَقَالَ: "لَقَدْ قُلْتِ كَلِمَةً لَوْ مُزِجَتْ بِمَاءِ الْبَحْرِ لَمَزَجَتْهُ". قَالَتْ: وَحَكَيْتُ لَهُ إِنْسَانًا، فَقَالَ ﷺ: "مَا أُحِبُّ أَنِّي حَكَيْتُ إِنْسَانًا، وَإِنَّ لِي كَذَا وَكَذَا". وَرَوَاهُ التِّرْمِذِيُّ مِنْ حَدِيثِ يَحْيَى القَطَّان، وَعَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ مَهْدِيّ، ووَكِيع، ثَلَاثَتُهُمْ عَنْ سُفْيَانَ الثَّوْرِيُّ، عَنْ عَلِيِّ بْنِ الْأَقْمَرِ، عَنْ أَبِي حُذَيْفَةَ سَلَمَةَ بْنِ صُهَيْبَةَ الْأَرْحَبِيِّ، عَنْ عَائِشَةَ، بِهِ. وَقَالَ: حَسَنٌ صَحِيحٌ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٧٥) وسنن الترمذي برقم (٢٥٠٢، ٢٥٠٣) .]] . وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنِي ابْنُ أَبِي الشَّوَارِبِ: حَدَّثَنَا عَبْدُ الْوَاحِدِ بْنُ زِيَادٍ، حَدَّثَنَا سُلَيْمَانُ الشَّيْبَانِيُّ، حَدَّثَنَا حَسَّانُ بْنُ الْمُخَارِقِ [[في ت: "وروى ابن جرير بسنده".]] ؛ أَنَّ امْرَأَةً دَخَلَتْ عَلَى عَائِشَةَ، فَلَمَّا قَامَتْ لِتَخْرُجَ أَشَارَتْ عائشة بيدها إِلَى النَّبِيِّ ﷺ -أَيْ: إِنَّهَا قَصِيرَةٌ-فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: "اغْتَبْتِيهَا" [[تفسير الطبري (٢٦/٨٧) .]] . وَالْغِيبَةُ مُحَرَّمَةٌ بِالْإِجْمَاعِ، وَلَا يُسْتَثْنَى مِنْ ذَلِكَ إِلَّا مَا رَجَحَتْ مَصْلَحَتُهُ، كَمَا فِي الْجَرْحِ وَالتَّعْدِيلِ وَالنَّصِيحَةِ، كَقَوْلِهِ ﷺ [[في ت: "عليه السلام".]] ، لَمَّا اسْتَأْذَنَ عَلَيْهِ ذَلِكَ الرَّجُلُ الْفَاجِرُ: "ائْذَنُوا لَهُ، بِئْسَ أَخُو الْعَشِيرَةِ" [[رواه البخاري في صحيحه برقم (٣١٣٢) من حديث عائشة رضي الله عنها.]] ، وَكَقَوْلِهِ لِفَاطِمَةَ بِنْتِ قَيْسٍ -وَقَدْ خَطَبَهَا مُعَاوِيَةُ وَأَبُو الْجَهْمِ-: "أَمَّا مُعَاوِيَةُ فَصُعْلُوكٌ [[في أ: "فصعلوك لا مال له".]] ، وَأَمَّا أَبُو الْجَهْمِ فَلَا يَضَعُ عَصَاهُ عَنْ عَاتِقِهِ" [[رواه مسلم في صحيحه برقم (١٤٨٠) .]] . وَكَذَا مَا جَرَى مَجْرَى ذَلِكَ. ثُمَّ بَقِيَّتُهَا عَلَى التَّحْرِيمِ الشَّدِيدِ، وَقَدْ وَرَدَ فِيهَا الزَّجْرُ الْأَكِيدُ [[في ت، م: "الشديد".]] ؛ وَلِهَذَا شَبَّهَهَا تَعَالَى بِأَكْلِ اللَّحْمِ مِنَ الْإِنْسَانِ الْمَيِّتِ، كَمَا قَالَ تَعَالَى: ﴿أَيُحِبُّ أَحَدُكُمْ أَنْ يَأْكُلَ لَحْمَ أَخِيهِ مَيْتًا فَكَرِهْتُمُوهُ﴾ ؟ أَيْ: كَمَا تَكْرَهُونَ هَذَا طَبْعًا، فَاكْرَهُوا ذَاكَ شَرْعًا؛ فَإِنَّ عُقُوبَتَهُ أَشَدُّ مِنْ هَذَا وَهَذَا مِنَ التَّنْفِيرِ عَنْهَا وَالتَّحْذِيرِ مِنْهَا، كَمَا قَالَ، عَلَيْهِ السَّلَامُ، فِي الْعَائِدِ فِي هِبَتِهِ: "كَالْكَلْبِ يَقِيءُ ثُمَّ يَرْجِعُ فِي قَيْئِهِ"، وَقَدْ قَالَ: "لَيْسَ لَنَا مَثَلُ السَّوْءِ". وَثَبَتَ فِي الصِّحَاحِ [[في ت، م: "الصحيح".]] وَالْحِسَانِ وَالْمَسَانِيدِ مِنْ غَيْرِ وَجْهٍ أَنَّهُ، عَلَيْهِ السَّلَامُ، قَالَ فِي خُطْبَةِ [حَجَّةِ] [[زيادة من ت، م، أ.]] الْوَدَاعِ: "إِنَّ دِمَاءَكُمْ وَأَمْوَالَكُمْ وَأَعْرَاضَكُمْ عَلَيْكُمْ حَرَامٌ، كَحُرْمَةِ يَوْمِكُمْ هَذَا، فِي شَهْرِكُمْ هَذَا، فِي بَلَدِكُمْ هَذَا" [[رواه مسلم في صحيحه برقم (١٢١٨) من حديث جابر رضي الله عنه.]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] أَبُو دَاوُدَ: حَدَّثَنَا وَاصِلُ بْنُ عَبْدِ الْأَعْلَى، حَدَّثَنَا أَسْبَاطُ بْنُ مُحَمَّدٍ، عَنْ هِشَامِ بْنِ سَعْدٍ، عَنْ زَيْدِ بْنِ أَسْلَمَ، عَنْ أَبِي صَالِحٍ، عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "كُلُّ الْمُسْلِمِ عَلَى الْمُسْلِمِ حرام: ماله وعرضه ودمه، حسب امرىء مِنَ الشَّرِّ أَنْ يَحْقِرَ أَخَاهُ الْمُسْلِمَ". وَرَوَاهُ التِّرْمِذِيُّ [[في ت: "رواه الترمذي وحسنه".]] عَنْ عُبَيْدِ بْنِ أَسْبَاطِ بْنِ مُحَمَّدٍ، عَنْ أَبِيهِ، بِهِ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٨٢) وسنن الترمذي برقم (١٩٢٧) .]] . وَقَالَ: حَسَنٌ غَرِيبٌ. وَحَدَّثَنَا عُثْمَانُ بْنُ أَبِي شَيْبَةَ [[في ت: "وروى أبو داود".]] ، حَدَّثَنَا الْأَسْوَدُ بْنُ عَامِرٍ، حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرِ بْنُ عَيَّاشٍ، عَنِ الْأَعْمَشِ، عَنْ سَعِيدِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ [[في أ: "عبيد الله".]] بْنِ جُرَيْجٍ، عَنْ أَبِي بَرْزَةَ الْأَسْلَمِيِّ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وسلم: "يا مَعْشَرَ مَنْ آمَنَ بِلِسَانِهِ وَلَمْ يَدْخُلِ الْإِيمَانُ قلبه، لا تغتابوا المسلمين، ولا تتبعوا عوراتهم، فَإِنَّهُ مَنْ يَتْبَعْ عَوْرَاتِهِمْ يَتْبَعِ اللَّهُ عَوْرَتَهُ وَمَنْ يَتْبَعِ اللَّهُ عَوْرَتَهُ يَفْضَحْهُ فِي بَيْتِهِ". تَفَرَّدَ بِهِ أَبُو دَاوُدَ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٨٠) .]] . وَقَدْ رُوِيَ مِنْ حَدِيثِ الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ، فَقَالَ الْحَافِظُ أَبُو يَعْلَى فِي مُسْنَدِهِ: حَدَّثَنَا إِبْرَاهِيمُ بْنُ دِينَارٍ، حَدَّثَنَا مُصْعَبُ بْنُ سَلَّامٍ، عَنْ حَمْزَةَ بْنِ حبيب الزيات، عن أبي إسحاق السَّبِيعي [[في ت: "وروى الحافظ أبو يعلى في مسنده بسنده".]] ، عَنِ الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ [[في ت: "البراء بن عازب رضي الله عنه".]] قَالَ: خَطَبَنَا رَسُولُ اللَّهِ ﷺ حتى أَسْمَعَ الْعَوَاتِقَ فِي بُيُوتِهَا -أَوْ قَالَ: فِي خُدُورِهَا-فَقَالَ: "يَا مَعْشَرَ مَنْ آمَنَ بِلِسَانِهِ، لَا تَغْتَابُوا الْمُسْلِمِينَ، وَلَا تَتَبَّعُوا عَوْرَاتِهِمْ، فَإِنَّهُ مَنْ يَتْبَعْ عَوْرَةَ أَخِيهِ يَتْبَعِ اللَّهُ عَوْرَتَهُ، وَمَنْ يَتْبَعِ اللَّهُ عَوْرَتَهُ يَفْضَحْهُ [[في ت: "يفضحه ولو في".]] فِي جَوْفِ بَيْتِهِ" [[مسند أبي يعلى (٣/٢٣٧) قال الهيثمي في المجمع (٨/٩٣) : "رجاله ثقات".]] . طَرِيقٌ أُخْرَى عَنِ ابْنِ عُمَرَ: قَالَ أَبُو بَكْرٍ أَحْمَدُ بْنُ إِبْرَاهِيمَ الْإِسْمَاعِيلِيُّ: أَخْبَرَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ نَاجِيَةَ، حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ أَكْثَمَ، حَدَّثَنَا الْفَضْلُ بْنُ مُوسَى الشَّيْبَانِيُّ، عَنِ الْحُسَيْنِ بْنِ وَاقِدٍ، عَنْ أَوْفَى بْنِ دَلْهَم، عَنْ نَافِعٍ، عَنِ ابْنِ عُمَرَ؛ أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ: "يَا مَعْشَرَ مَنْ آمَنَ بِلِسَانِهِ وَلَمْ يُفْضِ الإيمانُ إِلَى قَلْبِهِ، لَا تَغْتَابُوا الْمُسْلِمِينَ، وَلَا تَتَبَّعُوا عَوْرَاتِهِمْ؛ فَإِنَّهُ مَنْ يَتَّبِعْ عَوْرَاتِ الْمُسْلِمِينَ يَتْبَعِ اللَّهُ عَوْرَتَهُ، وَمَنْ يَتْبَعِ اللَّهُ عَوْرَتَهُ يَفْضَحْهُ وَلَوْ فِي جَوْفِ رَحْلِهِ". قَالَ: وَنَظَرَ ابْنُ عُمَرَ يَوْمًا إِلَى الْكَعْبَةِ فَقَالَ: مَا أَعْظَمَكِ وَأَعْظَمَ حُرْمَتَكِ، وَلَلْمُؤْمِنُ أعظمُ حُرْمَةً عِنْدَ اللَّهِ مِنْكِ [[ورواه الترمذي في السنن برقم (٢٠٣٢) من طريق الفضل بن موسى بِهِ، وَقَالَ: "هَذَا حَدِيثٌ حَسَنٌ غَرِيبٌ لَا نَعْرِفُهُ إِلَّا مِنْ حَدِيثِ الحسين بن واقد".]] . قَالَ أَبُو دَاوُدَ: وَحَدَّثَنَا حَيْوَة بْنُ شُرَيْح، حَدَّثَنَا بَقِيَّة، عَنِ ابْنُ ثَوْبَانَ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ مَكْحُولٍ، عَنْ وَقَّاصِ بْنِ رَبِيعَةَ، عَنِ الْمُسْتَوْرِدِ؛ أَنَّهُ حَدَّثَهُ: أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: "مَنْ أَكَلَ بِرَجُلٍ مُسْلِمٍ أُكْلَةً فَإِنَّ اللَّهَ يُطْعِمُهُ مِثْلَهَا فِي [[في ت، م، أ: "من".]] جَهَنَّمَ [[في ت: "في نار جهنم".]] ، وَمِنْ كُسى ثَوْبًا بِرَجُلٍ مُسْلِمٍ فَإِنَّ اللَّهَ يَكْسُوهُ مِثْلَهُ فِي [[في أ: "من".]] جَهَنَّمَ. وَمَنْ قَامَ بِرَجُلٍ مَقَامَ سمعةٍ وَرِيَاءٍ فَإِنَّ اللَّهَ يَقُومُ بِهِ مَقَامَ سُمْعَةٍ وَرِيَاءٍ يَوْمَ الْقِيَامَةِ". تَفَرَّدَ بِهِ أَبُو دَاوُدَ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٨١) .]] . وَحَدَّثَنَا ابْنُ مُصَفَّى، حَدَّثَنَا بَقِيَّةُ وَأَبُو الْمُغِيرَةِ قَالَا حَدَّثَنَا صَفْوَانُ، حَدَّثَنِي رَاشِدُ بْنُ سَعْدٍ وَعَبْدُ الرَّحْمَنِ بْنُ جُبَيْرٍ، عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "لَمَّا عُرِج بِي مَرَرْتُ بِقَوْمٍ لَهُمْ أَظْفَارٌ مِنْ نُحَاسٍ، يَخْمُشُونَ وُجُوهَهُمْ وَصُدُورَهُمْ، قُلْتُ: مَنْ هَؤُلَاءِ يَا جِبْرَائِيلُ [[في ت، م: "جبريل".]] ؟ قَالَ: هَؤُلَاءِ الَّذِينَ يَأْكُلُونَ لُحُومَ النَّاسِ، وَيَقَعُونَ فِي أَعْرَاضِهِمْ". تَفَرَّدَ بِهِ أَبُو دَاوُدَ، وَهَكَذَا رَوَاهُ الْإِمَامُ أَحْمَدُ، عَنْ أَبِي الْمُغِيرَةِ عَبْدِ الْقُدُّوسِ بْنِ الْحَجَّاجِ الشَّامِيِّ، بِهِ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٧٨) ، والمسند (٣/٢٢٤) .]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ: حَدَّثَنَا أَبِي، حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بن عبدة، حدثنا أبو عبد الصمد بن عبد العزيز ابن عَبْدِ الصَّمَدِ الْعَمِّيُّ، حَدَّثَنَا أَبُو هَارُونَ العَبْديّ، عَنْ أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ [رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ] [[زيادة من ت.]] قَالَ: قُلْنَا يَا رَسُولَ اللَّهِ، حَدِّثْنَا مَا رَأَيْتَ لَيْلَةَ أسريَ بِكَ؟ ... قَالَ: "ثُمَّ انْطُلِقَ بِي إِلَى خَلْقٍ مِنْ خَلْقِ اللَّهِ كَثِيرٍ، رِجَالٍ وَنِسَاءٍ مُوَكَّل بِهِمْ رِجَالٌ يَعْمِدُونَ إِلَى عُرْض جنَب أَحَدِهِمْ فَيَحْذُون مِنْهُ الحُذْوَة مِنْ مِثْلِ النَّعْلِ ثُمَّ يَضَعُونَهُ فِي فِيِّ أَحَدِهِمْ، فَيُقَالُ لَهُ: "كُلْ كَمَا [[في ت: "ما".]] أَكَلْتَ"، وَهُوَ يَجِدُ من أكله الموت -يا مُحَمَّدُ-لَوْ يَجِدُ الْمَوْتَ وَهُوَ يُكْرَهُ عَلَيْهِ فَقُلْتُ: يَا جِبْرَائِيلُ [[في ت، م: "جبريل".]] ، مَنْ هَؤُلَاءِ: قَالَ: هَؤُلَاءِ الهمَّازون اللمَّازون أَصْحَابُ النَّمِيمَةِ. فَيُقَالُ [[في أ: "فقال".]] : ﴿أَيُحِبُّ أَحَدُكُمْ أَنْ يَأْكُلَ لَحْمَ أَخِيهِ مَيْتًا فَكَرِهْتُمُوهُ﴾ وَهُوَ يُكْرَهُ عَلَى أَكْلِ لَحْمِهِ. هَكَذَا أَوْرَدَ هَذَا الْحَدِيثَ، وَقَدْ سُقْنَاهُ بِطُولِهِ فِي أَوَّلِ تَفْسِيرِ "سُورَةِ سُبْحَانَ" وَلِلَّهِ الْحَمْدُ [[عند الآية الأولى.]] . وَقَالَ أَبُو دَاوُدَ الطَّيَالِسِيُّ فِي مُسْنَدِهِ: حَدَّثَنَا الرَّبِيعُ، عَنْ يَزِيدَ، عَنْ أَنَسٍ؛ أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ أَمَرَ النَّاسَ أَنْ يَصُومُوا يَوْمًا وَلَا يَفْطُرَنَّ أحدٌ حَتَّى آذَنَ لَهُ. فَصَامَ النَّاسُ، فَلَمَّا أَمْسَوْا جَعَلَ الرَّجُلُ يَجِيءُ إِلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ فَيَقُولُ: ظَلِلْتُ مُنْذُ الْيَوْمِ صَائِمًا، فَائْذَنْ لِي. فَأُفْطِرُ فَيَأْذَنُ لَهُ، وَيَجِيءُ الرَّجُلُ فَيَقُولُ ذَلِكَ، فَيَأْذَنُ لَهُ، حَتَّى جَاءَ رَجُلٌ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنْ فَتَاتَيْنِ مِنْ أَهْلِكَ ظَلَّتَا مُنْذُ الْيَوْمِ صَائِمَتَيْنِ، فَائْذَنْ لَهُمَا فَلْيفطرا فَأَعْرَضَ عَنْهُ، ثُمَّ أَعَادَ، فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "مَا صَامَتَا، وَكَيْفَ صَامَ مَنْ ظَلَّ يَأْكُلُ لُحُومَ النَّاسِ؟ اذْهَبْ، فَمُرْهُمَا إِنْ كَانَتَا صَائِمَتَيْنِ أَنْ يَسْتَقْيِئَا". فَفَعَلَتَا، فَقَاءَتْ كُلُّ وَاحِدَةٍ مِنْهُمَا عَلَقةً علقَةً فَأَتَى النَّبِيَّ ﷺ فَأَخْبَرَهُ، فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "لَوْ مَاتَتَا وَهُمَا فِيهِمَا لَأَكَلَتْهُمَا النَّارُ" [[مسند الطيالسي برقم (٢١٠٧) .]] . إِسْنَادٌ ضَعِيفٌ، وَمَتْنٌ غَرِيبٌ. وَقَدْ رَوَاهُ الْحَافِظُ الْبَيْهَقِيُّ مِنْ حَدِيثِ يَزِيدَ بْنِ هَارُونَ: حَدَّثَنَا سُلَيْمَانُ التَّيْمِيُّ قَالَ: سَمِعْتُ رَجُلًا يُحَدِّثُ فِي مَجْلِسِ أَبِي عُثْمَانَ النَّهْدِي عَنْ عُبَيْدٍ -مَوْلَى رَسُولِ اللَّهِ [[في ت، م: "رسول الله صلى الله عليه وسلم".]] -أَنَّ امْرَأَتَيْنِ صَامَتَا عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، وَأَنَّ رَجُلًا أَتَى رَسُولَ اللَّهِ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ هَاهُنَا امْرَأَتَيْنِ صَامَتَا، وَإِنَّهُمَا كَادَتَا تَمُوتَانِ مِنَ الْعَطَشِ -أرَاهُ قَالَ: بِالْهَاجِرَةِ-فَأَعْرَضَ عَنْهُ -أَوْ: سَكَتَ عَنْهُ-فَقَالَ: يَا نَبِيَّ اللَّهِ، إِنَّهُمَا -وَاللَّهِ قَدْ مَاتَتَا أَوْ كَادَتَا تَمُوتَانِ [[في ت: "أن تموتا".]] . فَقَالَ: ادْعُهُمَا. فَجَاءَتَا، قال: فجيء بِقَدَحٍ -أَوْ عُسّ-فَقَالَ لِإِحْدَاهُمَا: " قِيئِي" فَقَاءَتْ مِنْ قَيْحٍ وَدَمٍ وَصَدِيدٍ حَتَّى قَاءَتْ نِصْفَ الْقَدَحِ. ثُمَّ قَالَ لِلْأُخْرَى: قِيئِي فَقَاءَتْ قَيْحًا وَدَمًا وَصَدِيدًا وَلَحْمًا وَدَمًا عَبِيطًا وَغَيْرَهُ حَتَّى مَلَأَتِ الْقَدَحَ. فَقَالَ: إِنَّ هَاتَيْنِ صَامَتَا عَمَّا أَحَلَّ اللَّهُ لَهُمَا، وَأَفْطَرَتَا عَلَى مَا حَرَّمَ اللَّهُ عَلَيْهِمَا، جَلَسَتْ إِحْدَاهُمَا إِلَى الْأُخْرَى فَجَعَلَتَا تَأْكُلَانِ لُحُومَ النَّاسِ. وَهَكَذَا قَدْ رَوَاهُ الْإِمَامُ أَحْمَدُ عَنْ يَزِيدَ بْنِ هَارُونَ وَابْنِ أَبِي عِدَيٍّ، كِلَاهُمَا عَنْ سُلَيْمَانَ بْنِ طِرْخان التَّيْمِيِّ، بِهِ مِثْلَهُ أَوْ نَحْوَهُ [[المسند (٥/٤٣١) ورواه ابن أبي الدنيا في الصمت برقم (١٧١) من طريق يزيد بن هارون عن سليمان التيمي به.]] . ثُمَّ رَوَاهُ أَيْضًا مِنْ حَدِيثِ مُسَدَّد، عَنْ يَحْيَى القَطَّان، عَنْ عُثْمَانَ بْنِ غِيَاثٍ، حَدَّثَنِي رَجُلٌ أَظُنُّهُ فِي حَلْقَةِ أَبِي عُثْمَانَ، عَنْ سَعْدٍ -مَوْلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ-أَنَّهُمْ أُمِرُوا بِصِيَامٍ، فَجَاءَ رَجُلٌ فِي نِصْفِ النَّهَارِ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، فُلَانَةُ وَفُلَانَةُ قَدْ بَلَغَتَا الْجَهْدَ. فَأَعْرَضَ عَنْهُ مَرَّتَيْنِ أَوْ ثَلَاثًا، ثُمَّ قَالَ: "ادْعُهُمَا". فَجَاءَ بعُس -أَوْ: قَدَح-فَقَالَ لِإِحْدَاهُمَا: "قِيئِي"، فَقَاءَتْ لَحْمًا وَدَمًا عَبِيطًا وَقَيْحًا، وَقَالَ لِلْأُخْرَى مِثْلَ ذَلِكَ، فَقَالَ: "إِنَّ هَاتَيْنِ صَامَتَا عَمَّا أَحَلَّ اللَّهُ لَهُمَا، وَأَفْطَرَتَا عَلَى مَا حَرَّمَ اللَّهُ عَلَيْهِمَا، أَتَتْ إِحْدَاهُمَا لِلْأُخْرَى فَلَمْ تَزَالَا تَأْكُلَانِ لُحُومَ النَّاسِ حَتَّى امْتَلَأَتْ أجوافهما قَيْحًا" [[المسند (٥/٤٣١) .]] . وَقَالَ الْبَيْهَقِيُّ: كَذَا قَالَ "عَنْ سَعْدٍ"، وَالْأَوَّلُ -وَهُوَ عُبَيْدٌ-أَصَحُّ. وَقَالَ الْحَافِظُ أَبُو يَعْلَى: حَدَّثَنَا عَمْرُو بْنُ الضَّحَّاكِ بْنِ مَخْلَد، حَدَّثَنَا أَبِي أَبُو عَاصِمٍ، حَدَّثَنَا ابْنُ جُرَيْج، أَخْبَرَنِي أَبُو الزُّبَيْرِ [[في ت: "وروى الحافظ أبو يعلى بمسنده".]] عَنْ ابْنِ عَمّ لِأَبِي هُرَيْرَةَ أَنَّ مَاعِزًا جَاءَ إِلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنِّي قَدْ زَنَيْتُ فَأَعْرَضَ عَنْهُ -قَالَهَا أَرْبَعًا-فَلَمَّا كَانَ فِي الْخَامِسَةِ قَالَ: "زَنَيْتَ"؟ قَالَ: نَعَمْ. قَالَ: "وَتَدْرِي مَا الزِّنَا؟ " قَالَ: نَعَمْ، أَتَيْتُ مِنْهَا حَرَامًا مَا يَأْتِي الرَّجُلُ مِنَ امْرَأَتِهِ حَلَالًا. قَالَ: "مَا تُرِيدُ إِلَى هَذَا الْقَوْلِ؟ " قَالَ: أُرِيدُ أَنْ تُطَهِّرَنِي. قَالَ: فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "أَدْخَلْتَ ذَلِكَ مِنْكَ فِي ذَلِكَ مِنْهَا كَمَا يَغِيبُ المِيل فِي الْمُكْحُلَةِ والرِّشاء [[في ت، م، أ: "والعصا".]] فِي الْبِئْرِ؟ ". قَالَ: نَعَمْ، يَا رَسُولَ اللَّهِ. قَالَ: فَأَمَرَ بِرَجْمِهِ فَرُجِمَ، فَسَمِعَ النَّبِيُّ ﷺ رَجُلَيْنِ يَقُولُ أَحَدَهُمَا لِصَاحِبِهِ: أَلَمْ تَرَ إِلَى هَذَا الَّذِي سَتَرَ اللَّهُ عَلَيْهِ فَلَمْ تَدَعْهُ نَفْسُهُ حَتَّى رُجمَ رَجْمَ الْكَلْبِ. ثُمَّ سَارَ النَّبِيُّ ﷺ حَتَّى مَرّ بِجِيفَةِ حِمَارٍ فَقَالَ: أَيْنَ فُلَانٌ وَفُلَانٌ؟ انْزِلَا فَكُلَا مِنْ جِيفَةِ هَذَا الْحِمَارِ" قَالَا غَفَرَ اللَّهُ لَكَ يَا رَسُولَ، اللَّهِ وَهَلْ يُؤكل هَذَا؟ قَالَ: "فَمَا نِلْتُمَا مِنْ أَخِيكُمَا [[في ت: "من عرض أخيكما".]] آنفا أشد أكلا من، وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ، إِنَّهُ الْآنَ لَفِي أَنْهَارِ الْجَنَّةِ يَنْغَمِسُ فِيهَا" [[مسند أبي يعلى (٦/٥٢٤) ورواه البيهقي في السنن الكبرى (٨/٢٢٧) من طريق عمرو بن الضحاك به؛ ورواه أبو داود في السنن برقم (٤٤٢٩) من طريق الضحاك به.]] ] إِسْنَادُهُ صَحِيحٌ] [[زيادة من ت.]] . وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا عَبْدُ الصَّمَدِ، حَدَّثَنِي أَبِي، حَدَّثَنَا وَاصِلٌ -مَوْلَى ابْنِ عُيَيْنَةَ-حَدَّثَنِي خَالِدُ بْنُ عُرْفُطَة، عَنْ طَلْحَةَ بْنِ نَافِعٍ، عَنْ جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فَارْتَفَعَتْ رِيحُ جِيفَةٍ مُنْتِنَةٍ، فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "أَتَدْرُونَ مَا هَذِهِ الرِّيحُ؟ هَذِهِ رِيحُ الَّذِينَ يَغْتَابُونَ الْمُؤْمِنِينَ [[في ت، أ: "الناس".]] " [[المسند (٣/٣٥١) قال الهيثمي في المجمع (٨/٩١) : "رجاله ثقات".]] . طَرِيقٌ أُخْرَى: قَالَ عَبْدُ بْنُ حُميد فِي مُسْنَدِهِ: حَدَّثَنَا إِبْرَاهِيمُ بْنُ الْأَشْعَثِ، حَدَّثَنَا الفُضيل بْنُ عِيَاضٍ، عَنْ سُلَيْمَانَ، عَنْ أَبِي سُفْيَانَ -وَهُوَ طَلْحَةُ بْنُ نَافِعٍ-عَنْ جَابِرٍ قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي سَفَرٍ فَهَاجَتْ رِيحُ مُنْتِنَةٌ [[في م: "ريح شديدة منتنة".]] ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: "إِنَّ نَفَرًا مِنَ الْمُنَافِقِينَ اغْتَابُوا نَاسًا مِنَ الْمُسْلِمِينَ، فَلِذَلِكَ بُعِثَتْ هَذِهِ الرِّيحُ" وَرُبَّمَا قَالَ: "فَلِذَلِكَ هَاجَتْ هَذِهِ الرِّيحُ" [[المنتخب برقم (١٠٢٦) .]] . وَقَالَ السُّدِّيُّ فِي قَوْلِهِ: ﴿أَيُحِبُّ أَحَدُكُمْ أَنْ يَأْكُلَ لَحْمَ أَخِيهِ مَيْتًا﴾ : زَعَمَ أَنَّ سَلْمَانَ الْفَارِسِيَّ كَانَ مَعَ رَجُلَيْنِ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ ﷺ فِي سَفَرٍ يَخْدُمُهُمَا وَيَخِفُّ لَهُمَا، وَيَنَالُ مِنْ طَعَامِهِمَا، وَأَنَّ سَلْمَانَ لَمَّا سَارَ النَّاسُ ذَاتَ يَوْمٍ وَبَقِيَ سَلْمَانُ نَائِمًا، لَمْ يَسِرْ مَعَهُمْ، فَجَعَلَ صَاحِبَاهُ يُكَلِّمَانِهِ [[في م: "يكلماه".]] فَلَمْ يَجِدَاهُ، فَضَرَبَا الخِباء فقالا ما يريد سليمان -أَوْ: هَذَا الْعَبْدُ-شَيْئًا غَيْرَ هَذَا: أَنْ يَجِيءَ إِلَى طَعَامٍ مَقْدُورٍ، وَخِبَاءٍ مَضْرُوبٍ! فَلَمَّا جَاءَ سَلْمَانُ أَرْسَلَاهُ إِلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ يَطْلُبُ لَهُمَا إِدَامًا، فَانْطَلَقَ فأتى رسول اللَّهِ [ﷺ] [[زيادة من ت.]] وَمَعَهُ قَدَح لَهُ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، بَعَثَنِي أَصْحَابِي لِتؤدِمَهم إِنْ كَانَ عِنْدَكَ؟ قَالَ: "مَا يَصْنَعُ أَصْحَابُكَ بالأدْم؟ قَدِ ائْتَدَمُوا". فَرَجَعَ سَلْمَانُ يُخْبِرُهُمَا بِقَوْلِ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، فَانْطَلَقَا حَتَّى أَتَيَا رَسُولَ اللَّهِ ﷺ فَقَالَا لَا وَالَّذِي بَعَثَكَ بِالْحَقِّ، مَا أَصَبْنَا طَعَامًا مُنْذُ نَزَلْنَا. قَالَ: "إِنَّكُمَا قَدِ ائْتَدَمْتُمَا بِسَلْمَانَ بِقَوْلِكُمَا". قَالَ: وَنَزَلَتْ: ﴿أَيُحِبُّ أَحَدُكُمْ أَنْ يَأْكُلَ لَحْمَ أَخِيهِ مَيْتًا﴾ ، إِنَّهُ كَانَ نَائِمًا [[رواه ابن أبي حاتم في تفسيره كما في الدر المنثور (٧/٥٧٠) .]] . وَرَوَى الْحَافِظُ الضِّيَاءُ الْمَقْدِسِيُّ فِي كِتَابِهِ "الْمُخْتَارَةِ" مِنْ طَرِيقِ حَبَّان بْنِ هِلَالٍ، عَنْ حَمَّادِ بْنِ سَلَمَةَ، عَنْ ثَابِتٍ، عَنِ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: كَانَتِ الْعَرَبُ تَخْدِمُ بَعْضُهَا بَعْضًا فِي الْأَسْفَارِ، وَكَانَ مَعَ أَبِي بكر وعمر ما رَجُلٌ يَخْدِمُهُمَا، فَنَامَا فَاسْتَيْقَظَا وَلَمْ يُهَيِّئْ لَهُمَا طعاما، فقالا إن هذا لنؤوم، فَأَيْقَظَاهُ، فَقَالَا لَهُ: ائْتِ رَسُولَ اللَّهِ فَقُلْ لَهُ: إِنَّ أَبَا بَكْرٍ وَعُمَرَ يُقْرِئَانِكَ السَّلَامَ، وَيَسْتَأْدِمَانِكَ. فَقَالَ: "إِنَّهُمَا قَدِ ائْتَدَمَا" فَجَاءَا فَقَالَا يَا رَسُولَ اللَّهِ، بِأَيِّ شَيْءٍ ائْتَدَمْنَا؟ فَقَالَ: "بِلَحْمِ أَخِيكُمَا، وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ، إِنِّي لَأَرَى لَحْمَهُ بَيْنَ ثَنَايَاكُمَا". فَقَالَا اسْتَغْفِرْ لَنَا يَا رَسُولَ اللَّهِ فَقَالَ: "مُرَاه فَلْيَسْتَغْفِرْ لَكُمَا" [[المختارة برقم (١٦٩٧) .]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] الْحَافِظُ أَبُو يَعْلَى: حَدَّثَنَا الْحَكَمُ بْنُ مُوسَى، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ مُسْلِمٍ، عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ إِسْحَاقَ، عَنْ عَمِّهِ مُوسَى بْنِ يَسار، عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "مَنْ أَكَلَ مِنْ لَحْمِ أَخِيهِ فِي الدُّنْيَا، قُرِّب لَهُ لَحْمُهُ فِي الْآخِرَةِ، فَيُقَالُ لَهُ: كُلْهُ مَيْتًا كَمَا أَكَلْتَهُ حَيًّا. قَالَ: فَيَأْكُلُهُ ويَكْلَح وَيَصِيحُ". غَرِيبٌ جِدًّا [[ورواه الطبراني في المعجم الأوسط برقم (٤٩٦١) "مجمع البحرين" من طريق محمد بن سلمة عن محمد بن إسحاق به، وقال: لم يروه عن ابن إسحاق إلا محمد بن سلمة وقد وقع هنا "محمد بن مسلم" وأظنه تصحيفا، لكني لا أستطيع الجزم بذلك قال الهيثمي في المجمع (٨/٩٢) : "فيه ابن إسحاق وهو مدلس ومن لم أعرفه".]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَاتَّقُوا اللَّهَ﴾ أَيْ: فِيمَا أَمَرَكُمْ بِهِ وَنَهَاكُمْ عَنْهُ، فَرَاقِبُوهُ فِي ذَلِكَ وَاخْشَوْا مِنْهُ، ﴿إِنَّ اللَّهَ تَوَّابٌ رَحِيمٌ﴾ أَيْ: تَوَّابٌ عَلَى مَنْ تَابَ إِلَيْهِ، رَحِيمٌ بِمَنْ رَجَعَ إِلَيْهِ، وَاعْتَمَدَ عَلَيْهِ. قَالَ الْجُمْهُورُ مِنَ الْعُلَمَاءِ: طَرِيقُ الْمُغْتَابِ لِلنَّاسِ فِي تَوْبَتِهِ أَنْ يُقلع [[في م: "يرجع".]] عَنْ ذَلِكَ، وَيَعْزِمَ عَلَى أَلَّا يَعُودَ. وَهَلْ يُشْتَرَطُ النَّدَمُ عَلَى مَا فَاتَ؟ فِيهِ نِزَاعٌ، وَأَنْ يَتَحَلَّلَ مِنَ الَّذِي اغْتَابَهُ. وَقَالَ آخَرُونَ: لَا يُشْتَرَطُ أَنْ يَتَحَّلَلَهُ فَإِنَّهُ إِذَا [[في ت: "لو".]] أَعْلَمَهُ بِذَلِكَ رُبَّمَا تَأَذَّى أَشَدَّ مِمَّا إِذَا لَمْ يَعْلَمْ بِمَا كَانَ مِنْهُ، فَطَرِيقُهُ إِذًا أَنْ يُثْنِيَ عَلَيْهِ بِمَا فِيهِ فِي الْمَجَالِسِ الَّتِي كَانَ يَذُمُّهُ فِيهَا، وَأَنْ يَرُدَّ عَنْهُ الْغَيْبَةَ بِحَسْبِهِ وَطَاقَتِهِ، فَتَكُونَ [[في ت: "لتكون".]] تِلْكَ بِتِلْكَ، كَمَا قَالَ [[في ت: "روى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ الْحَجَّاجِ، أَخْبَرَنَا عَبْدُ اللَّهِ، أَخْبَرَنَا يَحْيَى بْنُ أَيُّوبَ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ سُلَيْمَانَ؛ أَنَّ إِسْمَاعِيلَ بْنَ يَحْيَى المعَافِريّ أَخْبَرَهُ أَنَّ سَهْلَ بْنَ مُعَاذِ بْنِ أَنَسٍ الجُهَنِيّ أَخْبَرَهُ، عَنْ أَبِيهِ، عَنِ [[في ت: "أن".]] النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: "مَنْ حَمَى مُؤْمِنًا مِنْ مُنَافِقٍ يَعِيبُهُ [[في أ "بغيبة".]] ، بَعَثَ اللَّهُ إِلَيْهِ مَلَكًا يَحْمِي لَحْمَهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ مِنْ نَارِ جَهَنَّمَ. وَمَنْ رَمَى مُؤْمِنًا بِشَيْءٍ يُرِيدُ شَيْنَهُ، حَبَسَهُ اللَّهُ عَلَى جِسْرِ جَهَنَّمَ حَتَّى يَخْرُجَ مِمَّا قَالَ". وَكَذَا رَوَاهُ أَبُو دَاوُدَ مِنْ حَدِيثِ عَبْدِ اللَّهِ -وَهُوَ ابْنُ الْمُبَارَكِ-بِهِ بِنَحْوِهِ [[المسند (٣/٤٤١) وسنن أبي داود برقم (٤٨٨٣) .]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] أَبُو دَاوُدَ أَيْضًا: حَدَّثَنَا إِسْحَاقُ بْنُ الصَّبَّاحِ، حَدَّثَنَا ابْنُ أَبِي مَرْيَمَ، أَخْبَرَنَا اللَّيْثُ: حَدَّثَنِي يَحْيَى بْنُ سُلَيْمٍ؛ أَنَّهُ سَمِعَ إِسْمَاعِيلَ بْنَ بَشِيرٍ يَقُولُ: سَمِعْتُ جَابِرَ بْنَ عَبْدِ اللَّهِ، وَأَبَا طَلْحَةَ بْنَ سَهْلٍ الْأَنْصَارِيُّ يَقُولَانِ: قَالَ [[في ت: "أن".]] رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "ما من امرىء يَخْذُلُ امْرَأً مُسْلِمًا فِي مَوْضِعٍ تُنْتَهَكُ فِيهِ حُرْمَتُهُ وَيُنْتَقَصُ فِيهِ مِنْ عِرْضِهِ، إِلَّا خَذَلَهُ اللَّهُ فِي مَوَاطِنَ يُحِبُّ فِيهَا نُصْرَتَهُ. وَمَا مِنَ امْرِئٍ يَنْصُرُ امْرَأً مُسْلِمًا فِي مَوْضِعٍ يُنْتَقَصُ فِيهِ مِنْ عِرْضِهِ، وَيُنْتَهَكُ فِيهِ مِنْ حُرْمَتِهِ [[في أ: "عرضه".]] ، إِلَّا نَصَرَهُ اللَّهُ فِي مَوَاطِنَ يُحِبُّ فِيهَا نُصْرَتَهُ". تَفَرَّدَ بِهِ أَبُو دَاوُدَ [[سنن أبي داود برقم (٤٨٨٤) .]] .

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Hujurât (uit zijn tafsir-compilatie).

وَهَذا مِن أحْسَنِ القِياسِ التَّمْثِيلِيِّ فَإنَّهُ شَبَّهَ تَمْزِيقَ عِرْضِ الأخِ بِتَمْزِيقِ لَحْمِهِ، ولَمّا كانَ المُغْتابُ يُمَزِّقُ عِرْضَ أخِيهِ في غِيبَتِهِ كانَ بِمَنزِلَةِ مَن يَقْطَعُ لَحْمَهُ في حالِ غِيبَةِ رُوحِهِ عَنْهُ بِالمَوْتِ، ولَمّا كانَ المُغْتابُ عاجِزًا عَنْ دَفْعِهِ عَنْ نَفْسِهِ بِكَوْنِهِ غائِبًا عَنْ ذَمِّهِ كانَ بِمَنزِلَةِ المَيِّتِ الَّذِي يُقَطَّعُ لَحْمُهُ ولا يَسْتَطِيعُ أنْ يَدْفَعَ عَنْ نَفْسِهِ، ولَمّا كانَ مُقْتَضى الأُخُوَّةِ التَّراحُمَ والتَّواصُلَ والتَّناصُرَ فَعَلَّقَ عَلَيْها المُغْتابُ ضِدَّ مُقْتَضاها مِن الذَّمِّ والعَيْبِ والطَّعْنِ كانَ ذَلِكَ نَظِيرَ تَقْطِيعِ لَحْمِ أخِيهِ، والأُخُوَّةُ تَقْتَضِي حِفْظَهُ وصِيانَتَهُ والذَّبَّ عَنْهُ، ولَمّا كانَ المُغْتابُ مُتَمَتِّعًا بِعَرْضِ أخِيهِ مُتَفَكِّهًا بِغِيبَتِهِ وذَمِّهِ مُتَحَلِّيًا بِذَلِكَ شُبِّهَ بِآكِلِ لَحْمِ أخِيهِ بَعْدَ تَقْطِيعِهِ، ولَمّا كانَ المُغْتابُ مُحِبًّا لِذَلِكَ مُعْجَبًا بِهِ شُبِّهَ بِمَن يُحِبُّ أكْلَ لَحْمِ أخِيهِ مَيْتًا، ومَحَبَّتُهُ لِذَلِكَ قَدْرٌ زائِدٌ عَلى مُجَرَّدِ أكْلِهِ، كَما أنَّ أكْلَهُ قَدْرٌ زائِدٌ عَلى تَمْزِيقِهِ. فَتَأمَّلْ هَذا التَّشْبِيهَ والتَّمْثِيلَ وحُسْنَ مَوْقِعِهِ ومُطابِقَةَ المَعْقُولِ فِيهِ المَحْسُوسَ، وتَأمَّلْ إخْبارَهُ عَنْهم بِكَراهَةِ أكْلِ لَحْمِ الأخِ مَيْتًا، ووَصْفَهم بِذَلِكَ في آخَرِ الآيَةِ، والإنْكارَ عَلَيْهِمْ في أوَّلِها أنْ يُحِبَّ أحَدُهم ذَلِكَ، فَكَما أنَّ هَذا مَكْرُوهٌ في طِباعِهِمْ فَكَيْفَ يُحِبُّونَ ما هو مِثْلُهُ ونَظِيرُهُ: فاحْتَجَّ عَلَيْهِمْ بِما كَرِهُوهُ عَلى ما أحَبُّوهُ، وشَبَّهَ لَهم ما يُحِبُّونَهُ بِما هو أكْرَهُ شَيْءٍ إلَيْهِمْ، وهم أشَدُّ شَيْءٍ نُفْرَةً عَنْهُ؛ فَلِهَذا يُوجِبُ العَقْلُ والفِطْرَةُ والحِكْمَةُ أنْ يَكُونُوا أشَدَّ شَيْءٍ نُفْرَةً عَمّا هو نَظِيرُهُ ومُشْبِهُهُ، وبِاللَّهِ التَّوْفِيقُ.

Verzen 13

﴿ ١٣ ﴾

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِنَّا خَلَقْنَٰكُم مِّن ذَكَرٍۢ وَأُنثَىٰ وَجَعَلْنَٰكُمْ شُعُوبًۭا وَقَبَآئِلَ لِتَعَارَفُوٓا۟ ۚ إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عِندَ ٱللَّهِ أَتْقَىٰكُمْ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌۭ

Yaaa ayyuhan naasu innaa khalaqnaakum min zakarinw wa unsaa wa ja'alnaakum shu'oobanw wa qabaaa'ila lita'aarafoo inna akramakum 'indal laahi atqaakum innal laaha 'Aleemun khabeer

49:13O mensheid, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen. Voorwaar, de meest edele van jullie is bij Allah degene die het meest (Allah) vreest. Voorwaar, Allah is van alles op de hoogte, Alwetend.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Hier richt Allah Zich niet tot 'de gelovigen' maar tot heel de mensheid: jullie komen allemaal uit één man en één vrouw. Volken en stammen zijn er niet om op neer te kijken, maar om elkaar te leren kennen. De enige maatstaf van adel keert alles om wat mensen gewoonlijk tellen — geen afkomst, geen rijkdom, geen ras: de edelste bij Allah is wie Hem het meest vreest. En Hij ziet precies wie dat werkelijk is.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Allah, de Verhevene, bericht dat Hij de kinderen van Adam uit één oorsprong en één geslacht heeft geschapen, en zij allen uit een man en een vrouw; zij gaan allen terug op Adam en Hawwâ'. Maar Allah, de Verhevene, heeft uit hen beiden vele mannen en vrouwen verspreid, en hen verdeeld, en hen tot {volken en stammen} gemaakt — dat wil zeggen: kleine en grote stammen — en dat opdat zij elkaar zouden kennen. Want zou ieder van hen op zichzelf staan, dan zou daarmee niet de onderlinge kennismaking tot stand komen waaruit onderlinge bijstand, samenwerking, erfopvolging en het nakomen van de rechten van de verwanten voortvloeit; maar Allah heeft hen tot volken en stammen gemaakt, opdat deze zaken en andere die op de kennismaking en de afstamming berusten tot stand zouden komen. Doch de adel is door de godsvrees: de edelste van hen bij Allah is de meest godvrezende, en dat is de gehoorzaamste van hen en de meest weerhoudende van de zonden, niet de meest verwante en de meest in volk, noch de aanzienlijkste van afstamming. Maar Allah, de Verhevene, is {Alwetend, Alwijs (Welingelicht)}: Hij weet wie van hen de godsvrees jegens Allah in het uiterlijke en het innerlijke nakomt, en wie dat niet doet in het uiterlijke noch het innerlijke, en zo vergeldt Hij ieder naar wat hij verdient. In dit vers ligt een bewijs dat de kennis van de afstamming gewenst en voorgeschreven is, want Allah heeft hen tot volken en stammen gemaakt omwille daarvan.

Ibn Kathîr

Allah, de Verhevene, verkondigt aan de mensheid dat Hij hen allen heeft geschapen uit één persoon, Adam, en uit die persoon zijn echtgenote, Hawwâ', heeft geschapen. Uit hun nageslacht maakte Hij volken, bestaande uit stammen, die onderverdelingen van alle groottes omvatten. Er werd ook gezegd dat 'volken' (shu'ûb) verwijst naar niet-Arabieren, terwijl 'stammen' (qabâ'il) naar Arabieren verwijst. Verschillende uitspraken hierover zijn verzameld in een afzonderlijke inleiding bij het boek al-Inbâh van Aboe 'Amr ibn 'Abd al-Barr, en in het boek al-Qasd wa-l-Amam fî Ma'rifat Ansâb al-'Arab wa-l-'Ajam. Alle mensen zijn dus de afstammelingen van Adam en Hawwâ' en delen deze eer gelijk; het enige verschil tussen hen is in de godsdienst, die draait om hun gehoorzaamheid aan Allah, de Verhevene, en het volgen van Zijn Boodschapper ﷺ. Nadat Hij de roddel en het kleineren van anderen had verboden, herinnert Hij de mensheid eraan dat zij allen gelijk zijn in hun menselijkheid: {O mensheid, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen} — zodat zij elkaar kennen door hun volk of stam. Mujâhid zei dat Zijn woord {opdat jullie elkaar leren kennen} verwijst naar iemands uitspraak: 'Die-en-die, de zoon van die-en-die, van de stam van die-en-die.' Sufyân ath-Thawrî zei: 'De Himyar (die in Jemen woonden) gingen met elkaar om naar hun provincies, terwijl de Arabieren in de Hijâz met elkaar omgingen naar hun stammen.' {Voorwaar, de meest edele van jullie is bij Allah degene die het meest (Allah) vreest} betekent: jullie verdienen eer bij Allah, de Verhevene, op grond van de godsvrees, niet op grond van familieafkomst. Er zijn vele overleveringen van de Profeet ﷺ die deze betekenis ondersteunen. Al-Bukhârî leverde over dat Aboe Hurayra zei: 'Sommige mensen vroegen de Profeet ﷺ: Wie is de meest edele onder de mensen? Hij antwoordde: De meest edele onder hen bij Allah is wie het meeste godsvrees heeft. Zij zeiden: Wij vroegen u hier niet naar. Hij zei: Dan is de meest edele persoon Yûsuf, de Profeet van Allah, de zoon van de Profeet van Allah, de zoon van de Profeet van Allah, de zoon van de Khalîl (de innige vriend) van Allah. Zij zeiden: Wij vroegen u hier niet naar. Hij zei: Dan willen jullie mij naar de Arabische afstammingen vragen? Zij zeiden: Ja. Hij zei: Wie van jullie het beste was in de Jâhiliyya, zijn de beste van jullie in de islam, als zij religieus inzicht verwerven.' Al-Bukhârî verzamelde deze overlevering op verschillende plaatsen van zijn Sahîh, en an-Nasâ'î eveneens in de Tafsîr-sectie van zijn Sunan. Muslim leverde over dat Aboe Hurayra zei dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: 'Voorwaar, Allah kijkt niet naar jullie gedaanten en jullie bezittingen, maar Hij kijkt naar jullie harten en jullie daden.' Ibn Mâdja verzamelde deze overlevering eveneens. Ibn Abî Hâtim leverde over dat 'Abdullah ibn 'Umar zei: 'Op de dag dat Mekka werd veroverd, verrichtte de Boodschapper van Allah ﷺ de Tawâf rond de Ka'ba terwijl hij op zijn kameel al-Qaswâ' reed, en raakte de hoeken aan met een stok in zijn hand. Hij vond geen plaats in de moskee waar zijn kameel kon zitten en moest afstijgen op de handen van mannen. Hij leidde zijn kameel naar de bodem van de vallei en liet haar daar zitten. Daarna hield de Boodschapper van Allah ﷺ een redevoering terwijl hij op al-Qaswâ' reed, en zei, na Allah, de Verhevene, te hebben gedankt en geprezen zoals Hij geprezen behoort te worden: O mensen, Allah, de Verhevene, heeft van jullie de leuzen van de Jâhiliyya weggenomen en haar verhovaardiging op de voorvaderen. De mensen zijn van twee soorten: een man die vroom, godvrezend en eervol is bij Allah, de Verhevene, en een man die zondig, ellendig en gering is bij Allah, de Verhevene. Voorwaar, Allah, de Almachtige en Majesteitelijke, zegt: O mensheid, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen; voorwaar, de meest edele van jullie is bij Allah degene die het meest vreest; voorwaar, Allah is Alwetend, Alwijs. De Profeet ﷺ zei: Ik zeg dit en vraag Allah om vergeving voor mij en voor jullie.' Dit werd overgeleverd door 'Abd ibn Humayd. {Voorwaar, Allah is van alles op de hoogte, Alwetend} betekent: Hij is Alwetend omtrent jullie en op de hoogte van al jullie aangelegenheden; Hij leidt wie Hij wil, doet wie Hij wil dwalen, schenkt barmhartigheid aan wie Hij wil, kwelt wie Hij wil, verheft wie Hij wil boven wie Hij wil — Hij is de Alwijze, de Alwetende, de Welingelichte in dit alles. Verschillende geleerden steunden op dit edele vers en de genoemde edele overleveringen als bewijs dat de gelijkwaardigheid (kafâ'a) in het huwelijk geen voorwaarde van het huwelijkscontract is; zij zeiden dat de enige vereiste in dezen het vasthouden aan de godsdienst is, zoals in Zijn woord {Voorwaar, de meest edele van jullie is bij Allah degene die het meest vreest}.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim verbindt aan dit vers de regel van de gelijkwaardigheid (kafâ'a) in het huwelijk. Allah, de Verhevene, zei: {O mensen, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen; voorwaar, de meest edele van jullie is bij Allah degene die het meest vreest.} En Hij zei: {Voorwaar, de gelovigen zijn broeders.} En: {De gelovige mannen en de gelovige vrouwen zijn elkaars vrienden (helpers).} En: {Hun Heer verhoorde hen: Ik laat het werk van geen van jullie verloren gaan, of het nu man of vrouw is — jullie zijn deel van elkaar.} En de Profeet ﷺ zei: 'Een Arabier heeft geen voorrang boven een niet-Arabier, noch een niet-Arabier boven een Arabier, noch een blanke boven een zwarte, noch een zwarte boven een blanke, behalve door de godsvrees; de mensen stammen van Adam, en Adam is uit aarde.' En de Profeet ﷺ zei: 'Voorwaar, de familie van die-en-die zijn mij geen beschermers; voorwaar, mijn beschermers zijn de godvrezenden, waar en wanneer zij ook zijn.' En bij at-Tirmidhî van hem ﷺ: 'Wanneer iemand tot jullie komt wiens godsdienst en karakter jullie behagen, huwt hem dan uit; doen jullie dat niet, dan zal er beproeving op aarde zijn en groot verderf.' Zij zeiden: O Boodschapper van Allah, ook al is er iets in hem? Hij zei: 'Wanneer iemand tot jullie komt wiens godsdienst en karakter jullie behagen, huwt hem dan uit' — driemaal. De Profeet ﷺ zei tegen Banî Bayâda: 'Huwt Aboe Hind uit en huwt aan hem uit' — en hij was een aderlater. En de Profeet ﷺ huwde Zaynab bint Jahsh de Qurayshitische uit aan Zayd ibn Hâritha, zijn vrijgelatene; en hij huwde Fâtima bint Qays de Fihrische Qurayshitische uit aan Usâma, zijn (geadopteerde) zoon; en Bilâl ibn Rabâh huwde de zuster van 'Abd ar-Rahmân ibn 'Awf. En Allah, de Verhevene, zei: {De goede vrouwen zijn voor de goede mannen, en de goede mannen voor de goede vrouwen.} En: {Huwt dan wat jullie aan vrouwen behaagt.} Wat het oordeel van de Profeet ﷺ vereist, is dus dat in de gelijkwaardigheid de godsdienst in aanmerking wordt genomen, als grondslag en als vervolmaking: een moslima wordt niet aan een ongelovige uitgehuwd, en een kuise niet aan een verdorvene; de Koran en de Sunna hebben in de gelijkwaardigheid geen zaak daarbuiten in aanmerking genomen. Hij verbood de moslima het huwelijk met de overspelige, slechte man, maar nam afkomst, ambacht, rijkdom noch vrijheid in aanmerking, en stond de slaaf het huwelijk met de vrije, voorname, rijke vrouw toe, mits hij kuis en moslim is, en stond niet-Quraysjieten het huwelijk met Qurayshitische vrouwen toe, en niet-Hashimieten met Hashimitische vrouwen, en de armen met vermogende vrouwen. De rechtsgeleerden twistten over de eigenschappen van de gelijkwaardigheid: Mâlik zei in zijn manifeste leer dat het de godsdienst is, en in een overlevering van hem dat het er drie zijn: de godsdienst, de vrijheid en de gevrijwaardheid van gebreken; Aboe Hanîfa zei: het is de afstamming en de godsdienst; Ahmad zei in een overlevering van hem: het is uitsluitend de godsdienst en de afstamming, en in een andere: het zijn er vijf — de godsdienst, de afstamming, de vrijheid, het ambacht en het vermogen. De volgelingen van ash-Shâfi'î zeiden: in aanmerking worden genomen de godsdienst, de afstamming, de vrijheid, het ambacht en de gevrijwaardheid van afstotende gebreken; over de welstand hebben zij drie opvattingen: haar in aanmerking nemen, haar verwerpen, en haar in aanmerking nemen bij stadsbewoners maar niet bij woestijnbewoners. Maar de gelijkwaardigheid is volgens de meerderheid een recht van de vrouw en de voogden. Daarna verschilden zij: de volgelingen van ash-Shâfi'î zeiden: zij is voor wie op dat moment de voogdij heeft; Ahmad zei in een overlevering: zij is een recht van alle voogden, nabij en ver, en wie van hen niet tevreden is, heeft het recht op ontbinding; en in een derde overlevering: zij is een recht van Allah. Maar niemand zei dat het huwelijk van een arme man met een vermogende vrouw nietig is, ook al stemt zij ermee in, noch dat het huwelijk van een Hashimitische met een niet-Hashimiet of een Qurayshitische met een niet-Qurayshiet nietig is.

Arabische grondtekst & bron — verzen 13

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Hujurât · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Hujurât · onverkorte editie (Arabisch + Engelse vertaling).

يَقُولُ تَعَالَى مُخْبِرًا لِلنَّاسِ أَنَّهُ خَلَقَهُمْ مِنْ نَفْسٍ وَاحِدَةٍ، وَجَعَلَ مِنْهَا زَوْجَهَا، وَهُمَا آدَمُ وَحَوَّاءُ، وَجَعَلَهُمْ شُعُوبًا، وَهِيَ أَعَمُّ مِنَ الْقَبَائِلِ، وَبَعْدَ الْقَبَائِلِ مَرَاتِبُ أُخَرُ كَالْفَصَائِلِ وَالْعَشَائِرِ وَالْعَمَائِرِ وَالْأَفْخَاذِ وَغَيْرِ ذَلِكَ. وَقِيلَ: الْمُرَادُ بِالشُّعُوبِ بُطُونُ العَجَم، وَبِالْقَبَائِلِ بُطُونُ الْعَرَبِ، كَمَا أَنَّ الْأَسْبَاطَ بُطُونُ بَنِي إِسْرَائِيلَ. وَقَدْ لَخَّصْتُ هَذَا فِي مُقَدِّمَةٍ مُفْرَدَةٍ جَمَعْتُهَا مِنْ كِتَابِ: "الْإِنْبَاهِ" لِأَبِي عُمَرَ [[في م: "عمرو".]] بْنِ عَبْدِ الْبَرِّ، وَمِنْ كِتَابِ "الْقَصْدِ وَالْأُمَمِ، فِي مَعْرِفَةِ أَنْسَابِ الْعَرَبِ وَالْعَجَمِ". فَجَمِيعُ النَّاسِ فِي الشَّرَفِ بِالنِّسْبَةِ الطِّينِيَّةِ إِلَى آدَمَ وَحَوَّاءَ سَوَاءٌ، وَإِنَّمَا يَتَفَاضَلُونَ بِالْأُمُورِ الدِّينِيَّةِ، وَهِيَ طَاعَةُ اللَّهِ وَمُتَابَعَةُ رَسُولِهِ ﷺ؛ وَلِهَذَا قَالَ تَعَالَى بَعْدَ النَّهْيِ عَنِ الْغَيْبَةِ وَاحْتِقَارِ بَعْضِ النَّاسِ بَعْضًا، مُنَبِّهًا عَلَى تَسَاوِيهِمْ فِي الْبَشَرِيَّةِ: ﴿يَا أَيُّهَا النَّاسُ إِنَّا خَلَقْنَاكُمْ مِنْ ذَكَرٍ وَأُنْثَى وَجَعَلْنَاكُمْ شُعُوبًا وَقَبَائِلَ لِتَعَارَفُوا﴾ أَيْ: لِيَحْصُلَ التَّعَارُفُ بَيْنَهُمْ، كلٌ يَرْجِعُ إِلَى قَبِيلَتِهِ. وَقَالَ مُجَاهِدٌ فِي قَوْلِهِ: ﴿لِتَعَارَفُوا﴾ ، كَمَا يُقَالُ: فُلَانُ بْنُ فُلَانٍ مِنْ كَذَا وَكَذَا، أَيْ: مِنْ قَبِيلَةِ كَذَا وَكَذَا. وَقَالَ سُفْيَانُ الثَّوْرِيُّ: كَانَتْ حِمْير يَنْتَسِبُونَ إِلَى مُخَاليفها، وَكَانَتْ عَرَبُ الْحِجَازِ يَنْتَسِبُونَ إِلَى قَبَائِلِهَا. وَقَدْ قَالَ [[في ت: "وروى".]] أَبُو عِيسَى التِّرْمِذِيُّ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ مُحَمَّدٍ، حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ الْمُبَارَكِ، عَنْ عَبْدِ الْمَلِكِ بْنِ عِيسَى الثَّقَفِيِّ، عَنْ يَزِيدَ -مَوْلَى الْمُنْبَعِثِ-عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: "تَعَلَّمُوا مِنْ أَنْسَابِكُمْ مَا تَصِلُونَ بِهِ أَرْحَامَكُمْ؛ فَإِنَّ صِلَةَ الرَّحِمِ مَحَبَّةٌ فِي الْأَهْلِ، مَثْرَاةٌ فِي الْمَالِ، مَنْسَأَةٌ فِي الْأَثَرِ". ثُمَّ قَالَ: غَرِيبٌ، لَا نَعْرِفُهُ إِلَّا مِنْ هَذَا الْوَجْهِ [[سنن الترمذي برقم (١٩٧٩) .]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عِنْدَ اللَّهِ أَتْقَاكُمْ﴾ أَيْ: إِنَّمَا تَتَفَاضَلُونَ عِنْدَ اللَّهِ بِالتَّقْوَى لَا بِالْأَحْسَابِ. وَقَدْ وَرَدَتِ الْأَحَادِيثُ بِذَلِكَ عَنْ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ: قَالَ [[في ت: "فروى".]] الْبُخَارِيُّ رَحِمَهُ اللَّهُ: حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ سَلَامٍ، حَدَّثَنَا عَبْدَةُ، عَنْ عُبَيْدِ اللَّهِ، عَنْ سَعِيدُ بْنُ أَبِي سَعِيدٍ، عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: سُئِلَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: أَيُّ النَّاسِ أَكْرَمُ؟ قَالَ: "أَكْرَمُهُمْ عِنْدَ اللَّهِ أَتْقَاهُمْ" قَالُوا: لَيْسَ عَنْ هَذَا نَسْأَلُكَ. قَالَ: "فَأَكْرَمُ النَّاسِ يُوسُفُ نَبِيُّ اللَّهِ، ابْنُ نَبِيِّ اللَّهِ، ابْنِ خَلِيلِ اللَّهِ". قَالُوا: لَيْسَ عَنْ هَذَا نَسْأَلُكَ. قَالَ: "فَعَنْ مَعَادِنِ الْعَرَبِ تَسْأَلُونِي؟ " قَالُوا: نَعَمْ. قَالَ: "فَخِيَارُكُمْ فِي الْجَاهِلِيَّةِ خِيَارُكُمْ فِي الْإِسْلَامِ إِذَا فَقِهُوا" [[صحيح البخاري برقم (٤٦٨٩) .]] . وَقَدْ رَوَاهُ الْبُخَارِيُّ فِي غَيْرِ مَوْضِعٍ مِنْ طُرُقٍ عَنْ عَبْدَةَ بْنِ سُلَيْمَانَ [[صحيح البخاري برقم (٣٣٧٤، ٣٣٨٣) .]] . وَرَوَاهُ النَّسَائِيُّ فِي التَّفْسِيرِ مِنْ حَدِيثِ عُبَيْدِ اللَّهِ -وَهُوَ ابْنُ عُمَرَ الْعُمَرِيُّ-بِهِ [[النسائي في السنن الكبرى برقم (١١٢٥٠) .]] . حَدِيثٌ آخَرُ: قَالَ مُسْلِمٌ [[في ت: "وروى".]] ، رَحِمَهُ اللَّهُ: حَدَّثَنَا عَمْرٌو النَّاقِدُ، حَدَّثَنَا كَثِير بْنُ هِشَامٍ، حَدَّثَنَا جَعْفَرِ بْنِ بُرْقَانَ، عَنْ يَزِيدَ بْنِ الْأَصَمِّ، عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ [[في ت: "أبي هريرة رضي الله عنه".]] قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "إِنَّ اللَّهَ لَا يَنْظُرُ إِلَى صُوَرِكُمْ وَأَمْوَالِكُمْ، وَلَكِنْ يَنْظُرُ إِلَى قُلُوبِكُمْ وَأَعْمَالِكُمْ". وَرَوَاهُ ابْنُ مَاجَهْ عَنْ أَحْمَدَ بْنِ سِنَانٍ، عَنْ كَثِير بْنِ هِشَامٍ، بِهِ [[صحيح مسلم برقم (٢٥٦٤) وسنن ابن ماجه برقم (٤١٤٣) .]] . حَدِيثٌ آخَرُ: وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا وَكِيعٌ، عَنْ أَبِي هِلَالٍ، عَنْ بَكْرٍ، عَنْ أَبِي ذَرٍّ قَالَ: أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ لَهُ: "انْظُرْ، فَإِنَّكَ لَسْتَ بِخَيْرٍ مِنْ أَحْمَرَ وَلَا أَسْوَدَ إِلَّا أَنْ تَفْضُلَهُ بِتَقْوَى [[في ت: "بتقوى الله".]] . تَفَرَّدَ بِهِ أَحْمَدُ [[المسند (٥/١٥٨) .]] . حَدِيثٌ آخَرُ: وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] الْحَافِظُ أَبُو الْقَاسِمِ الطَّبَرَانِيُّ: حَدَّثَنَا أَبُو عُبَيْدَةَ عَبْدُ الْوَارِثِ بْنُ إِبْرَاهِيمَ الْعَسْكَرِيُّ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الرَّحْمَنِ بْنُ عَمْرِو بْنِ جَبَلة، حَدَّثَنَا عُبَيْدُ بْنُ حُنَيْنٍ الطَّائِيُّ، سَمِعْتُ مُحَمَّدَ بْنَ حَبِيبِ بْنِ خِرَاش العَصَرِيّ، يُحَدِّثُ عَنْ أَبِيهِ: أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ يَقُولُ [[في ت: "أن رسول الله صلى الله عليه وسلم قال".]] : الْمُسْلِمُونَ إِخْوَةٌ، لَا فَضْلَ لِأَحَدٍ عَلَى أَحَدٍ إِلَّا بِالتَّقْوَى" [[المعجم الكبير (٤/٢٥) وقال الهيثمي في المجمع (٨/٨٤) : "فيه عبد الرحمن بن عمرو بن جبلة، وهو متروك".]] حَدِيثٌ آخَرُ: قَالَ [[في ت: "وروى".]] أَبُو بَكْرٍ الْبَزَّارُ فِي مُسْنَدِهِ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ يَحْيَى الْكُوفِيُّ، حَدَّثَنَا الْحَسَنُ بْنُ الْحُسَيْنِ، حَدَّثَنَا قَيْسٌ -يَعْنِي ابْنَ الرَّبِيعِ-عَنْ شَبِيبِ بْنِ غَرْقَدَة [[في أ: "عروة".]] ، عَنِ الْمُسْتَظِلِّ بْنِ حُصَيْنٍ، عَنْ حُذَيْفَةَ [[في ت: "عن حذيفة رضي الله عنه".]] قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "كُلُّكُمْ بَنُو آدَمَ. وَآدَمُ خُلِقَ مِنْ تُرَابٍ، وَلَيَنْتَهِيَنَّ قَوْمٌ يَفْخَرُونَ بِآبَائِهِمْ، أَوْ لَيَكُونُنَّ أَهْوَنَ عَلَى اللَّهِ مِنَ الجِعْلان". ثُمَّ قَالَ: لَا نَعْرِفُهُ عَنْ حُذَيْفَةَ إِلَّا مِنْ هَذَا الْوَجْهِ [[مسند البزار برقم (٣٥٨٤) وقال الهيثمي في المجمع (٨/٨٦) : "فيه الحسن بن الحسين العرني وهو ضعيف".]] . حَدِيثٌ آخَرُ: قَالَ [[في ت: "وروى".]] ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ: حَدَّثَنَا الرَّبِيعِ بْنِ سُلَيْمَانَ، حَدَّثَنَا أَسَدُ بْنُ مُوسَى، حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ زَكَرِيَّا الْقَطَّانُ، حَدَّثَنَا مُوسَى بْنُ عُبَيْدَةَ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ دِينَارٍ، عَنِ ابْنِ عمر قَالَ: طَافَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ يَوْمَ فَتْحِ مَكَّةَ عَلَى نَاقَتِهِ القَصْواء يَسْتَلِمُ الْأَرْكَانَ [[في ت: "الركن".]] بِمِحْجَنٍ فِي يَدِهِ، فَمَا وَجَدَ لَهَا مُنَاخًا فِي الْمَسْجِدِ حَتَّى نَزَلَ ﷺ عَلَى أَيْدِي الرِّجَالِ، فَخَرَجَ بِهَا إِلَى بَطْنِ الْمَسِيلِ فَأُنِيخَتْ. ثُمَّ إِنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ خَطَبَهُمْ عَلَى رَاحِلَتِهِ، فَحَمِدَ اللَّهَ وَأَثْنَى عَلَيْهِ بِمَا هُوَ لَهُ أَهْلٌ [[في ت، أ: "بما هو عليه".]] ثُمَّ قَالَ: "يَا أَيُّهَا النَّاسُ، إِنَّ اللَّهَ قَدْ أَذْهَبَ عَنْكُمْ عُبِّية الْجَاهِلِيَّةِ وَتُعَظُّمَهَا بِآبَائِهَا، فَالنَّاسُ رَجُلَانِ: رَجُلٌ بَرٌّ تَقِيٌّ كَرِيمٌ عَلَى اللَّهِ، وَفَاجِرٌ شَقِيٌّ هَيِّنٌ عَلَى اللَّهِ. إِنَّ اللَّهَ يَقُولُ: ﴿يَا أَيُّهَا النَّاسُ إِنَّا خَلَقْنَاكُمْ مِنْ ذَكَرٍ وَأُنْثَى وَجَعَلْنَاكُمْ شُعُوبًا وَقَبَائِلَ لِتَعَارَفُوا إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عِنْدَ اللَّهِ أَتْقَاكُمْ إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌ﴾ ثُمَّ قَالَ: "أَقُولُ قَوْلِي هَذَا وَأَسْتَغْفِرُ اللَّهَ لِي وَلَكُمْ". هَكَذَا [[في ت: "وهكذا".]] رَوَاهُ عَبْدُ بْنُ حُمَيْدٍ، عَنْ أَبِي عَاصِمٍ الضَّحَّاكِ بْنِ مَخْلَد، عَنْ مُوسَى بْنِ عُبَيْدَةَ، بِهِ [[المنتخب لعبد بن حميد برقم (٧٩٣) وفيه موسى بن عبيدة الزبدي وهو ضعيف.]] . حَدِيثٌ آخَرُ: قَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ إِسْحَاقَ، حَدَّثَنَا ابْنُ لَهِيعة، عَنِ الْحَارِثِ بْنِ يَزِيدَ، عَنْ عَلِيِّ بْنِ رَبَاحٍ، عَنْ عُقْبَةَ بْنِ عَامِرٍ؛ أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ: "إِنَّ أَنْسَابَكُمْ هَذِهِ لَيْسَتْ بِمِسَبَّةٍ عَلَى أَحَدٍ، كُلُّكُمْ بنو آدم طَفَّ الصاع لم يملؤه، لَيْسَ لِأَحَدٍ عَلَى أَحَدٍ فَضْلٌ إِلَّا بِدِينٍ وَتَقْوًى، وَكَفَى بِالرَّجُلِ أَنْ يَكُونَ بَذِيّا بَخِيلًا فَاحِشًا". وَقَدْ رَوَاهُ ابْنُ جَرِيرٍ، عَنْ يُونُسَ، عَنِ ابْنِ وَهْبٍ، عَنِ ابْنِ لَهِيعة، بِهِ [[المسند (٤/١٥٨) وتفسير الطبري (٢٦/٨٩) قال الهيثمي في المجمع (٨/٨٤) : "فيه ابن لهيعة وفيه لين، وبقية رجاله وثقوا". قلت: الراوي عنه في رواية الطبري عبد اله بن وهب، فهذه متابعة قوية ليحيى بن إسحاق.]] وَلَفْظُهُ: "النَّاسُ لِآدَمَ وَحَوَّاءَ، طَفَّ الصَّاعُ لَمْ يَمْلَئُوه، إِنَّ اللَّهَ لَا يَسْأَلُكُمْ عَنْ أَحِسَابِكُمْ وَلَا عَنْ أَنْسَابِكُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عند الله أتقاكم". وَلَيْسَ هُوَ فِي شَيْءٍ مِنَ الْكُتُبِ السِّتَّةِ مِنْ هَذَا الْوَجْهِ. حَدِيثٌ آخَرُ: قَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ عَبْدِ الْمَلِكِ، حَدَّثَنَا شَرِيكٌ، عَنْ سِمَاك، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عَمِيرة زَوْجِ دُرَّةَ ابْنَةِ أَبِي لَهَبٍ، عَنْ دُرَّةَ بِنْتِ أَبِي لَهَبٍ قَالَتْ: قَامَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ وَهُوَ عَلَى الْمِنْبَرِ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، أَيُّ النَّاسِ خَيْرٌ؟ فَقَالَ ﷺ: "خَيْرُ النَّاسِ أَقْرَؤُهُمْ، وَأَتْقَاهُمْ لِلَّهِ عَزَّ وَجَلَّ، وَآمَرُهُمْ بِالْمَعْرُوفِ، وَأَنْهَاهُمْ عَنِ الْمُنْكَرِ، وَأَوْصَلُهُمْ لِلرَّحِمِ" [[المسند (٦/٤٣٢) ورواه الطبراني في المعجم الكبير (٢٤/٢٥٧) من طريق شريك به، وقال الهيثمي في المجمع (٧/٢٦٣) : "رجالهما ثقات، وفي كلام بعضهم كلام لا يضر".]] . حَدِيثٌ آخَرُ: قَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا حَسَنٌ، حَدَّثَنَا ابْنُ لَهِيعَةَ، حَدَّثَنَا أَبُو الْأَسْوَدِ، عَنِ الْقَاسِمِ بْنِ مُحَمَّدٍ، عَنْ عَائِشَةَ قَالَتْ: مَا أَعْجَبَ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ شَيْءٌ مِنَ الدُّنْيَا، وَلَا أَعْجَبَهُ أَحَدٌ قَطُّ، إِلَّا ذُو تُقًى. تَفَرَّدَ بِهِ أَحْمَدُ رَحِمَهُ اللَّهُ [[المسند (٦/٦٩) .]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌ﴾ أَيْ: عَلِيمٌ بِكُمْ، خَبِيرٌ بِأُمُورِكُمْ، فَيَهْدِي مَنْ يَشَاءُ، ويضل من يشاء، ويرحم من يشاء، ويعذب مَنْ يَشَاءُ، وَيُفَضِّلُ مَنْ يَشَاءُ عَلَى مَنْ يَشَاءُ، وَهُوَ الْحَكِيمُ الْعَلِيمُ الْخَبِيرُ فِي ذَلِكَ كُلِّهِ. وَقَدِ اسْتَدَلَّ بِهَذِهِ الْآيَةِ الْكَرِيمَةِ وَهَذِهِ الْأَحَادِيثِ الشَّرِيفَةِ، مَنْ ذَهَبَ مِنَ الْعُلَمَاءِ إِلَى أَنَّ الْكَفَاءَةَ فِي النِّكَاحِ لَا تُشْتَرَطُ، وَلَا يُشْتَرَطُ سِوَى الدِّينِ، لِقَوْلِهِ: ﴿إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عِنْدَ اللَّهِ أَتْقَاكُمْ﴾ وَذَهَبَ الْآخَرُونَ إِلَى أَدِلَّةٍ أُخْرَى مَذْكُورَةٍ فِي كُتُبِ الْفِقْهِ، وَقَدْ ذَكَرْنَا طَرَفًا مِنْ ذَلِكَ فِي "كِتَابِ الْأَحْكَامُ" وَلِلَّهِ الْحَمْدُ وَالْمِنَّةُ. وَقَدْ رَوَى الطَّبَرَانِيُّ عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ أَنَّهُ سَمِعَ رَجُلًا مِنْ بَنِي هَاشِمٍ يَقُولُ: أَنَا أَوْلَى النَّاسِ بِرَسُولِ اللَّهِ. فَقَالَ: غَيْرُكَ أَوْلَى بِهِ مِنْكَ، وَلَكَ مِنْهُ نَسَبُهُ.

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Hujurât (uit zijn tafsir-compilatie).

(فائدة) وَأمّا كَلامُهم في مَسْألَةِ الفَقِيرِ الصّابِرِ، والغَنِيِّ الشّاكِرِ وتَرْجِيحِ أحَدِهِما عَلى صاحِبِهِ. فَعِنْدَ أهْلِ التَّحْقِيقِ والمَعْرِفَةِ: أنَّ التَّفْضِيلَ لا يَرْجِعُ إلى ذاتِ الفَقْرِ والغِنى. وإنَّما يَرْجِعُ إلى الأعْمالِ والأحْوالِ والحَقائِقِ. فالمَسْألَةُ أيْضًا فاسِدَةٌ في نَفْسِها. فَإنَّ التَّفْضِيلَ عِنْدَ اللَّهِ تَعالى بِالتَّقْوى، وحَقائِقِ الإيمانِ. لا بِفَقْرٍ ولا غِنًى، كَما قالَ تَعالى ﴿إنَّ أكْرَمَكم عِنْدَ اللَّهِ أتْقاكُمْ﴾ وَلَمْ يَقُلْ أفْقَرُكم ولا أغْناكم. قالَ شَيْخُ الإسْلامِ ابْنُ تَيْمِيَّةَ - قَدَّسَ اللَّهُ رُوحَهُ - والفَقْرُ والغِنى ابْتِلاءٌ مِنَ اللَّهِ لِعَبْدِهِ. كَما قالَ تَعالى ﴿فَأمّا الإنْسانُ إذا ما ابْتَلاهُ رَبُّهُ فَأكْرَمَهُ ونَعَّمَهُ فَيَقُولُ رَبِّي أكْرَمَنِ (١٥) وأمّا إذا ما ابْتَلاهُ فَقَدَرَ عَلَيْهِ رِزْقَهُ فَيَقُولُ رَبِّي أهانَنِ (١٦) كَلّا﴾ أيْ لَيْسَ كُلُّ مَن وسَّعْتُ عَلَيْهِ وأعْطَيْتُهُ: أكُونُ قَدْ أكْرَمْتُهُ، ولا كُلُّ مَن ضَيَّقْتُ عَلَيْهِ وقَتَّرْتُ: أكُونُ قَدْ أهَنْتُهُ، فالإكْرامُ: أنْ يُكْرِمَ اللَّهُ العَبْدَ بِطاعَتِهِ، والإيمانِ بِهِ، ومَحَبَّتِهِ ومَعْرِفَتِهِ. والإهانَةُ: أنْ يَسْلُبَهُ ذَلِكَ. قالَ - يَعْنِي ابْنَ تَيْمِيَّةَ - ولا يَقَعُ التَّفاضُلُ بِالغِنى والفَقْرِ. بَلْ بِالتَّقْوى، فَإنِ اسْتَوَيا في التَّقْوى اسْتَوَيا في الدَّرَجَةِ. سَمِعْتُهُ يَقُولُ ذَلِكَ. وَتَذاكَرُوا هَذِهِ المَسْألَةِ عِنْدَ يَحْيى بْنِ مُعاذٍ. فَقالَ: لا يُوزَنُ غَدًا الفَقْرُ ولا الغِنى، وإنَّما يُوزَنُ الصَّبْرُ والشُّكْرُ. (فصل) قِيلَ: لا رَيْبَ أنَّ الوَلَدَ مُنْعَقِدٌ مِن ماءِ الأبِ كَما هو مُنْعَقِدٌ مِن ماءِ الأُمِّ، ولَكِنْ إنّما تَكَوَّنَ وصارَ مالًا مُتَقَوِّمًا في بَطْنِ الأُمِّ؛ فالأجْزاءُ الَّتِي صارَ بِها كَذَلِكَ مِن الأُمِّ أضْعافُ أضْعافُ الجُزْءِ الَّذِي مِن الأبِ، مَعَ مُساواتِها لَهُ في ذَلِكَ الجُزْءِ؛ فَهو إنّما تَكَوَّنَ في أحْشائِها مِن لَحْمِها ودَمِها، ولَمّا وضَعَهُ الأبُ لَمْ يَكُنْ لَهُ قِيمَةٌ أصْلًا، بَلْ كانَ كَما سَمّاهُ اللَّهُ ماءً مَهِينًا لا قِيمَةَ لَهُ، ولِهَذا لَوْ نَزا فَحْلُ رَجُلٍ عَلى رَمَكَةِ آخَرَ كانَ الوَلَدُ لِمالِكِ الأُمِّ بِاتِّفاقِ المُسْلِمِينَ، وهَذا بِخِلافِ البَذْرِ فَإنَّهُ مالٌ مُتَقَوِّمٌ لَهُ قِيمَةٌ قَبْلَ وضْعِهِ في الأرْضِ يُعاوَضُ عَلَيْهِ بِالأثْمانِ، وعَسْبُ الفَحْلِ لا يُعاوَضُ عَلَيْهِ، فَقِياسُ أحَدِهِما عَلى الآخَرِ مِن أبْطَلْ القِياسِ. فَإنْ قِيلَ: فَهَلّا طَرَدْتُمْ ذَلِكَ في النَّسَبِ، وجَعَلْتُمُوهُ لِلْأُمِّ كَما جَعَلْتُمُوهُ لِلْأبِ. قِيلَ: قَدْ اتَّفَقَ المُسْلِمُونَ عَلى أنَّ النَّسَبَ لِلْأبِ، كَما اتَّفَقُوا عَلى أنَّهُ يَتْبَعُ الأُمَّ في الحُرِّيَّةِ والرِّقِّ، وهَذا هو الَّذِي تَقْتَضِيهِ حِكْمَةُ اللَّهِ شَرْعًا وقَدَرًا؛ فَإنَّ الأبَ هو المَوْلُودُ لَهُ، والأُمُّ وِعاءٌ وإنْ تَكَوَّنَ فِيها، واللَّهُ سُبْحانَهُ جَعَلَ الوَلَدَ خَلِيفَةَ أبِيهِ وشَجْنَتِهِ والقائِمَ مَقامَهُ، ووَضَعَ الأنْسابَ بَيْنَ عِبادِهِ؛ فَيُقالُ: فُلانٌ بْنُ فُلانٍ، ولا تَتِمُّ مَصالِحُهم وتَعارُفُهم ومُعامَلاتُهم إلّا بِذَلِكَ، كَما قالَ تَعالى: ﴿يا أيُّها النّاسُ إنّا خَلَقْناكم مِن ذَكَرٍ وأُنْثى وجَعَلْناكم شُعُوبًا وقَبائِلَ لِتَعارَفُوا﴾ [الحجرات: ١٣] فَلَوْلا ثُبُوتُ الأنْسابِ مِن قِبَلِ الآباءِ لَما حَصَلَ التَّعارُفُ، ولَفَسَدَ نِظامُ العِبادِ؛ فَإنَّ النِّساءَ مُحْتَجِباتٍ مَسْتُوراتٍ عَنْ العُيُونِ؛ فَلا يُمْكِنُ في الغالِبِ أنْ تُعْرَفَ عَيْنُ الأُمِّ فَيَشْهَدُ عَلى نَسَبِ الوَلَدِ مِنها، فَلَوْ جُعِلَتْ الأنْسابُ لِلْأُمَّهاتِ لَضاعَتْ وفَسَدَتْ، وكانَ ذَلِكَ مُناقِضًا لِلْحِكْمَةِ والرَّحْمَةِ والمَصْلَحَةِ، ولِهَذا إنّما يُدْعى النّاسُ يَوْمَ القِيامَةِ بِآبائِهِمْ لا بِأُمَّهاتِهِمْ. قالَ البُخارِيُّ في صَحِيحِهِ: بابُ يُدْعى النّاسُ بِآبائِهِمْ يَوْمَ القِيامَةِ، ثُمَّ ذَكَرَ حَدِيثَ: «لِكُلِّ غادِرٍ لِواءٌ يَوْمَ القِيامَةِ عِنْدَ اسْتِهِ بِقَدْرِ غَدْرَتِهِ، يُقالُ: هَذِهِ غَدْرَةُ فُلانٍ بْنِ فُلانٍ». فَكانَ مِن تَمامِ الحِكْمَةِ أنْ جَعَلَ الحُرِّيَّةَ والرِّقَّ تَبَعًا لِلْأُمِّ، والنَّسَبَ تَبَعًا لِلْأبِ، والقِياسُ الفاسِدُ إنّما يَجْمَعُ بَيْنَ ما فَرَّقَ اللَّهُ بَيْنَهُ أوْ يُفَرِّقَ بَيْنَ ما جَمَعَ اللَّهُ بَيْنَهُ. فَإنْ قِيلَ: فَهَلّا طَرَدْتُمْ ذَلِكَ في الوَلاءِ، بَلْ جَعَلْتُمُوهُ لِمَوالِي الأُمِّ، والوَلاءُ لَحْمَةٌ كَلَحْمَةِ النَّسَبِ. قِيلَ: لَمّا كانَ الوَلاءُ مِن آثارِ الرِّقِّ ومُوجَباتُهُ كانَ تابِعًا لَهُ في حُكْمِهِ، فَكانَ لِمَوالِي الأُمِّ، ولَمّا كانَ فِيهِ شائِبَةُ النَّسَبِ وهو لَحْمَةٌ كَلَحْمَتِهِ رَجَعَ إلى مَوالِي الأبِ عِنْدَ انْقِطاعِهِ عَنْ مَوالِي الأُمِّ، فَرُوعِيَ فِيهِ الأمْرانِ، ورَتَّبَ عَلَيْهِ الأثَرانِ. فَإنْ قِيلَ: فَهَلّا جَعَلْتُمْ الوَلَدَ في الدِّيْنِ تابِعًا لِمَن لَهُ النَّسَبُ، بَلْ ألْحَقْتُمُوهُ بِأبِيهِ تارَةً وبِأُمِّهِ تارَةً. قِيلَ: الطِّفْلُ لا يَسْتَقِلُّ بِنَفْسِهِ، بَلْ لا يَكُونُ إلّا تابِعًا لِغَيْرِهِ؛ فَجَعَلَهُ الشّارِعُ تابِعًا لِخَيْرِ أبَوَيْهِ في الدِّينِ تَغْلِيبًا لِخَيْرِ الدِّينَيْنِ، فَإنَّهُ إذا لَمْ يَكُنْ لَهُ بُدٌّ مِن التَّبَعِيَّةِ لَمْ يَجُزْ أنْ يَتْبَعَ مَن هو عَلى دِينِ الشَّيْطانِ، وتَنْقَطِعُ تَبَعِيَّتُهُ عَمَّنْ هو عَلى دِينِ الرَّحْمَنِ؛ فَهَذا مُحالٌ في حِكْمَةِ اللَّهِ تَعالى وشَرْعِهِ. وقال في (التبيان في أقسام القرآن) قالوا: الحس شاهد أن الأجزاء التي في المولود من أمه أضعاف أضعاف الأجزاء التي فيه من أبيه. فثبت أن تكوينه من مني الأم ودم الطمث، ومني الأب عاقد له كالأنفحة. ونازعهم الجمهور، وقالوا: إنه يتكون من مني الرجل والأنثى، ثم لهم قولان. أحدهما: أن يكون من مني الذكر أعضاؤه، وأجزاؤه، ومن مني الأنثى صورته. والثاني: أن الأعضاء والأجزاء والصورة تكونت من مجموع الماءين، وأنهما امتزجا واختلطا وصارا ماء واحدا. وهذا هو الصواب، لأننا نجد الصورة والتشكيل تارة إلى الأب، وتارة إلى الأم. والله أعلم. وقد دل على هذا قوله تعالى: ﴿يا أيُّها النّاسُ إنّا خَلَقْناكم مِن ذَكَرٍ وأُنْثى﴾ والأصل: هو الذكر. فمنه البذر، ومنه السقي. والأنثى وعاء ومستودع لولده. تربيه في بطنها، كما تربيه في حجرها. ولهذا كان الولد للأب حكما ونسبا. وأما تبعيته للأم في الحرية والرق فلأنه إنما تكوّن وصار ولدا في بطنها، وغذته بلبانها مع الجزء الذي فيه منها. وكان الأب أحق بنسبه وتعصيبه لأنه أصله ومادته ونسخته. وكان أشرفهما دينا أولى به، تغليبا لدين الله وشرعه. [فَصْلٌ: في حُكْمِهِ ﷺ في الكَفاءَةِ في النِّكاحِ] قالَ اللَّهُ تَعالى: ﴿ياأيُّها النّاسُ إنّا خَلَقْناكم مِن ذَكَرٍ وأُنْثى وجَعَلْناكم شُعُوبًا وقَبائِلَ لِتَعارَفُوا إنَّ أكْرَمَكم عِنْدَ اللَّهِ أتْقاكُمْ﴾ [الحجرات: ١٣]. وَقالَ تَعالى: ﴿إنَّما المُؤْمِنُونَ إخْوَةٌ﴾ [الحجرات: ١٠]. وَقالَ: ﴿والمُؤْمِنُونَ والمُؤْمِناتُ بَعْضُهم أوْلِياءُ بَعْضٍ﴾ [التوبة: ٧١] وَقالَ تَعالى: ﴿فاسْتَجابَ لَهم رَبُّهم أنِّي لا أُضِيعُ عَمَلَ عامِلٍ مِنكم مِن ذَكَرٍ أوْ أُنْثى بَعْضُكم مِن بَعْضٍ﴾ [آل عمران: ١٩٥] وَقالَ ﷺ: «لا فَضْلَ لِعَرَبِيٍّ عَلى عَجَمِيٍّ، ولا لِعَجَمِيٍّ عَلى عَرَبِيٍّ، ولا لِأبْيَضَ عَلى أسْوَدَ. ولا لِأسْوَدَ عَلى أبْيَضَ إلّا بِالتَّقْوى، النّاسُ مِن آدَمَ، وآدَمُ مِن تُرابٍ». وَقالَ ﷺ: «إنَّ آلَ بَنِي فُلانٍ لَيْسُوا لِي بِأوْلِياءَ، إنَّ أوْلِيائِيَ المُتَّقُونَ حَيْثُ كانُوا وأيْنَ كانُوا». وَفِي الترمذي: عَنْهُ ﷺ «إذا جاءَكم مَن تَرْضَوْنَ دِينَهُ وخُلُقَهُ فَأنْكِحُوهُ، إلّا تَفْعَلُوهُ تَكُنْ فِتْنَةٌ في الأرْضِ وفَسادٌ كَبِيرٌ)، قالُوا: يا رَسُولَ اللَّهِ وإنْ كانَ فِيهِ؟ فَقالَ إذا جاءَكم مَن تَرْضَوْنَ دِينَهُ وخُلُقَهُ فَأنْكِحُوهُ ثَلاثَ مَرّاتٍ». «وَقالَ النَّبِيُّ ﷺ لِبَنِي بَياضَةَ (أنْكِحُوا أبا هند وأنْكِحُوا إلَيْهِ» وكانَ حَجّامًا. «وَزَوَّجَ النَّبِيُّ ﷺ زينب بنت جحش القرشية مِن زَيْدِ بْنِ حارِثَةَ مَوْلاهُ» «وَزَوَّجَ فاطمة بنت قيس الفهرية القرشية مِن أسامة ابْنِهِ» وَتَزَوَّجَ بِلالُ بْنُ رَباحٍ بِأُخْتِ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ عَوْفٍ، وقَدْ قالَ اللَّهُ تَعالى: ﴿والطَّيِّباتُ لِلطَّيِّبِينَ والطَّيِّبُونَ لِلطَّيِّباتِ﴾ [النور: ٢٦] وَقَدْ قالَ تَعالى: ﴿فانْكِحُوا ما طابَ لَكم مِنَ النِّساءِ﴾ [النساء: ٣] فالَّذِي يَقْتَضِيهِ حُكْمُهُ ﷺ اعْتِبارُ الدِّينِ في الكَفاءَةِ أصْلًا وكَمالًا، فَلا تُزَوَّجُ مُسْلِمَةٌ بِكافِرٍ، ولا عَفِيفَةٌ بِفاجِرٍ، ولَمْ يَعْتَبِرِ القُرْآنُ والسُّنَّةُ في الكَفاءَةِ أمْرًا وراءَ ذَلِكَ، فَإنَّهُ حَرَّمَ عَلى المُسْلِمَةِ نِكاحَ الزّانِي الخَبِيثِ، ولَمْ يَعْتَبِرْ نَسَبًا ولا صِناعَةً ولا غِنًى ولا حُرِّيَّةً، فَجَوَّزَ لِلْعَبْدِ القِنِّ نِكاحَ الحُرَّةِ النَّسِيبَةِ الغَنِيَّةِ، إذا كانَ عَفِيفًا مُسْلِمًا، وجَوَّزَ لِغَيْرِ القُرَشِيِّينَ نِكاحَ القُرَشِيّاتِ، ولِغَيْرِ الهاشِمِيِّينَ نِكاحَ الهاشِمِيّاتِ، ولِلْفُقَراءِ نِكاحَ المُوسِراتِ. وَقَدْ تَنازَعَ الفُقَهاءُ في أوْصافِ الكَفاءَةِ فَقالَ مالك في ظاهِرِ مَذْهَبِهِ إنِّها الدِّينُ وفي رِوايَةٍ عَنْهُ إنِّها ثَلاثَةٌ الدِّينُ والحُرِّيَّةُ والسَّلامَةُ مِنَ العُيُوبِ. وَقالَ أبو حنيفة: هي النَّسَبُ والدِّينُ. وَقالَ أحمد في رِوايَةٍ عَنْهُ هي الدِّينُ والنَّسَبُ خاصَّةً. وفي رِوايَةٍ أُخْرى: هي خَمْسَةٌ الدِّينُ والنَّسَبُ والحُرِّيَّةُ والصِّناعَةُ والمالُ. وإذا اعْتُبِرَ فِيها النَّسَبُ فَعَنْهُ فِيهِ رِوايَتانِ: إحْداهُما: أنَّ العَرَبَ بَعْضُهم لِبَعْضٍ أكْفاءٌ. الثّانِيَةُ: أنَّ قُرَيْشًا لا يُكافِئُهم إلّا قُرَشِيٌّ، وبَنُو هاشِمٍ لا يُكافِئُهم إلّا هاشِمِيٌّ. وَقالَ أصْحابُ الشّافِعِيِّ: يُعْتَبَرُ فِيها الدِّينُ والنَّسَبُ والحُرِّيَّةُ والصِّناعَةُ والسَّلامَةُ مِنَ العُيُوبِ المُنَفِّرَةِ. وَلَهم في اليَسارِ ثَلاثَةُ أوْجُهٍ: اعْتِبارُهُ فِيها، وإلْغاؤُهُ، واعْتِبارُهُ في أهْلِ المُدُنِ دُونَ أهْلِ البَوادِي؛ فالعَجَمِيُّ لَيْسَ عِنْدَهم كُفْئًا لِلْعَرَبِيِّ، ولا غَيْرُ القُرَشِيِّ لِلْقُرَشِيَّةِ، ولا غَيْرُ الهاشِمِيِّ لِلْهاشِمِيَّةِ، ولا غَيْرُ المُنْتَسِبَةِ إلى العُلَماءِ والصُّلَحاءِ المَشْهُورِينَ كُفْئًا لِمَن لَيْسَ مُنْتَسِبًا إلَيْهِما، ولا العَبْدُ كُفْئًا لِلْحُرَّةِ، ولا العَتِيقُ كُفْئًا لِحُرَّةِ الأصْلِ، ولا مَن مَسَّ الرِّقُّ أحَدَ آبائِهِ كُفْئًا لِمَن لَمْ يَمَسَّها رِقٌّ، ولا أحَدًا مِن آبائِها، وفي تَأْثِيرِ رِقِّ الأُمَّهاتِ وجْهانِ، ولا مَن بِهِ عَيْبٌ مُثْبِتٌ لِلْفَسْخِ كُفْئًا لِلسَّلِيمَةِ مِنهُ، فَإنْ لَمْ يَثْبُتِ الفَسْخُ وكانَ مُنَفِّرًا كالعَمى والقَطْعِ، وتَشْوِيهِ الخِلْقَةِ، فَوَجْهانِ: واخْتارَ الرُّويانِيُّ أنَّ صاحِبَهُ لَيْسَ بِكُفْءٍ، ولا الحَجّامُ والحائِكُ والحارِسُ كُفْئًا لِبِنْتِ التّاجِرِ والخَيّاطِ ونَحْوِهِما، ولا المُحْتَرِفُ لِبِنْتِ العالِمِ، ولا الفاسِقُ كُفْئًا لِلْعَفِيفَةِ، ولا المُبْتَدِعُ لِلسُّنِّيَّةِ، ولَكِنِ الكَفاءَةُ عِنْدَ الجُمْهُورِ هي حَقٌّ لِلْمَرْأةِ والأوْلِياءِ. ثُمَّ اخْتَلَفُوا فَقالَ أصْحابُ الشّافِعِيِّ: هي لِمَن لَهُ وِلايَةٌ في الحالِ. وَقالَ أحمد في رِوايَةٍ: حَقٌّ لِجَمِيعِ الأوْلِياءِ، قَرِيبُهم وبَعِيدُهُمْ، فَمَن لَمْ يَرْضَ مِنهم فَلَهُ الفَسْخُ. وقالَ أحمد في رِوايَةٍ ثالِثَةٍ: إنِّها حَقُّ اللَّهِ، فَلا يَصِحُّ رِضاهم بِإسْقاطِهِ، ولَكِنْ عَلى هَذِهِ الرِّوايَةِ لا تُعْتَبَرُ الحُرِّيَّةُ ولا اليَسارُ، ولا الصِّناعَةُ ولا النَّسَبُ، إنَّما يُعْتَبَرُ الدِّينُ فَقَطْ فَإنَّهُ لَمْ يَقُلْ أحمد، ولا أحَدٌ مِنَ العُلَماءِ إنَّ نِكاحَ الفَقِيرِ لِلْمُوسِرَةِ باطِلٌ، وإنْ رَضِيَتْ، ولا يَقُولُ هو ولا أحَدٌ: إنَّ نِكاحَ الهاشِمِيَّةِ لِغَيْرِ الهاشِمِيِّ والقُرَشِيَّةِ لِغَيْرِ القُرَشِيِّ باطِلٌ، وإنَّما نَبَّهْنا عَلى هَذا لِأنَّ كَثِيرًا مِن أصْحابِنا يَحْكُونَ الخِلافَ في الكِفاءَةِ، هَلْ هي حَقٌّ لِلَّهِ أوْ لِلْآدَمِيِّ؟ ويُطْلِقُونَ مَعَ قَوْلِهِمْ إنَّ الكَفاءَةَ هي الخِصالُ المَذْكُورَةُ، وفي هَذا مِنَ التَّساهُلِ وعَدَمِ التَّحْقِيقِ ما فِيهِ.

Verzen 14-18

﴿ ١٤ ﴾

۞ قَالَتِ ٱلْأَعْرَابُ ءَامَنَّا ۖ قُل لَّمْ تُؤْمِنُوا۟ وَلَٰكِن قُولُوٓا۟ أَسْلَمْنَا وَلَمَّا يَدْخُلِ ٱلْإِيمَٰنُ فِى قُلُوبِكُمْ ۖ وَإِن تُطِيعُوا۟ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ لَا يَلِتْكُم مِّنْ أَعْمَٰلِكُمْ شَيْـًٔا ۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌۭ رَّحِيمٌ

Qaalatil-A 'raabu aamannaa qul lam tu'minoo wa laakin qoolooo aslamnaa wa lamma yadkhulil eemaanu fee quloobikum wa in tutee'ul laaha wa Rasoolahoo laa yalitkum min a'maalikum shai'aa; innal laaha Ghafoorur Raheem

49:14De bedoeïenen zeggen: "Wij geloven." Zeg (tegen hen O Moehammad): "Jullie geloven (nog) niet," maar zeg (dat zij zeggen): "Wij hebben ons overgegeven," want het geloof is jullie harten nog niet binnengegaan. Maar als jullie Allah en Zijn Boodschapper gehoorzamen, dan vermindert Hij niets (van de beloning) van jullie daden. Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Hier wordt een fijn maar wezenlijk onderscheid getrokken: islam is niet hetzelfde als îmân. De bedoeïenen zeiden 'wij geloven', maar Allah corrigeert: zeg liever 'wij hebben ons overgegeven' — want het geloof was nog niet hun hart binnengetreden, met zijn zoetheid en zekerheid. Het is geen verwijt van huichelarij maar een uitnodiging tot diepgang; en wie God en Zijn Boodschapper gehoorzaamt, verliest geen greintje van zijn loon.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Allah, de Verhevene, bericht over de uitspraak van de bedoeïenen die op de tijd van de Boodschapper van Allah ﷺ tot de islam waren toegetreden, een toetreding zonder inzicht en zonder het nakomen van wat het geloof verplicht en vereist; en desondanks beweerden zij en zeiden: {Wij geloven} — dat wil zeggen: een volkomen geloof dat al zijn zaken vervult. Dat is de strekking van deze uitspraak. Allah gebood Zijn Boodschapper hun te antwoorden en zei: {Zeg: jullie geloven nog niet} — dat wil zeggen: maakt voor julliezelf niet de aanspraak op de rang van het geloof, uiterlijk en innerlijk volkomen; {maar zegt: wij hebben ons overgegeven} — dat wil zeggen: wij zijn toegetreden tot de islam, en beperkt jullie daartoe. {En} de reden daarvoor is dat {het geloof jullie harten nog niet binnengegaan is}: jullie zijn slechts toegetreden uit vrees of hoop of iets dergelijks dat de aanleiding voor jullie geloof was; daarom is de vreugdevolle bekoring van het geloof jullie harten nog niet binnengetreden. In Zijn woord {het geloof is jullie harten nog niet binnengegaan} — dat wil zeggen: op het tijdstip van deze uitspraak die van jullie uitging — ligt een aanwijzing naar hun toestand daarna; want bij velen van hen begunstigde Allah hen met het ware geloof en de strijd op de weg van Allah. {Maar als jullie Allah en Zijn Boodschapper gehoorzamen} — door het doen van goed of het laten van kwaad — {dan vermindert Hij niets van jullie daden} — dat wil zeggen: Hij vermindert daarvan geen greintje, maar betaalt ze jullie volledigst uit; jullie verliezen daarvan niets, klein noch groot. {Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig} — Vergevensgezind voor wie zich tot Hem keert en inkeert, Barmhartig met hem, daar Hij zijn berouw aanvaardt.

Ibn Kathîr

Allah berispt de bedoeïenen die, toen zij de islam omhelsden, voor zichzelf de rang van geloofsgetrouwe gelovigen opeisten, terwijl het geloof hun harten nog niet vast was binnengetreden: {De bedoeïenen zeggen: wij geloven. Zeg: jullie geloven nog niet, maar zegt: wij hebben ons overgegeven, want het geloof is jullie harten nog niet binnengegaan.} Dit edele vers levert bewijs dat het geloof (îmân) een hogere rang is dan de islam, volgens de geleerden van Ahl as-Sunna wa-l-Jamâ'a. Dit blijkt ook uit de overlevering van Jibrîl (vrede zij met hem), toen hij de Profeet ﷺ ondervroeg over de islam, daarna de îmân, daarna de ihsân; zo voert het van het algemene naar het meer bijzondere en daarna het nóg bijzonderdere. Imâm Ahmad leverde over dat 'Âmir ibn Sa'd ibn Abî Waqqâs zei: 'De Boodschapper van Allah ﷺ gaf (iets) aan enige mannen en gaf één van hen niets. Sa'd zei: O Boodschapper van Allah, u gaf aan die-en-die en aan die-en-die; maar u gaf niets aan die-en-die, hoewel hij een gelovige is. De Profeet ﷺ zei: Of zeg: een moslim. Sa'd herhaalde zijn uitspraak driemaal, telkens antwoordde de Profeet ﷺ: Of zeg: een moslim. Daarna zei de Profeet ﷺ: Voorwaar, ik geef sommige mannen en laat anderen na, terwijl die laatsten mij dierbaarder zijn dan de eersten; ik geef hun niets uit vrees dat zij op hun gezichten in het Vuur worden geworpen.' Deze overlevering staat in de twee Sahîhs. De Profeet ﷺ maakte dus onderscheid tussen de rang van gelovige en de rang van moslim, wat aangeeft dat de îmân een exclusiever rang is dan de islam. Dit bewijst dat de bedoeïenen die het vers noemt geen huichelaars waren, maar moslims in wier harten het geloof nog niet vast gevestigd was; zij eisten voor zichzelf een hogere rang op dan die zij hadden verworven, en kregen daarvoor een les. Deze betekenis stemt overeen met die van Ibn 'Abbâs, Ibrâhîm an-Nakha'î, Qatâda en de voorkeur van Ibn Jarîr. {Zeg: jullie geloven nog niet, maar zegt: wij zijn moslims, want het geloof is jullie harten nog niet binnengegaan} betekent: jullie hebben de werkelijkheid van het geloof nog niet bereikt. {Maar als jullie Allah en Zijn Boodschapper gehoorzamen, dan vermindert Hij niets van jullie daden} — Hij vermindert niets van jullie beloningen — zoals Allah zei: {En Wij verminderen niets van hun daden.} {Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig} — voor wie berouw toont en tot Hem terugkeert.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim verklaart Zijn woord {De bedoeïenen zeggen: wij geloven; zeg: jullie geloven nog niet, maar zegt: wij hebben ons overgegeven, want het geloof is jullie harten nog niet binnengegaan}, daarna gevolgd door de beschrijving van de mensen van het geloof: {Voorwaar, de gelovigen zijn slechts degenen die in Allah en Zijn Boodschapper geloven, die vervolgens niet twijfelen en die met hun bezittingen en hun levens strijden op de weg van Allah; zij zijn de waarachtigen.} De bevestiging (tasdîq) en de gehoorzaamheid worden dus geen 'geloof' totdat zij onvoorwaardelijk zijn; is het beperkt, dan is de hoogste van zijn toestanden — als het gevrijwaard is van twijfel — dat het islam is, en de drager ervan behoort tot de gewone moslims, niet tot de uitgelezen gelovigen. Sommige metgezellen verrichtten veelvuldig de talbiya in hun ihrâm en zeiden dan: 'Labbayk; ware het pralerij, dan zou het verdwijnen.' Allah, de Verhevene, ontkende immers het geloof bij wie het opeiste terwijl hij er geen smaak (dhawq) in had, en zei: {De bedoeïenen zeggen: wij geloven; zeg: jullie geloven nog niet, maar zegt: wij hebben ons overgegeven, want het geloof is jullie harten nog niet binnengegaan.} Dezen zijn dus moslims, maar geen (volle) gelovigen, omdat zij niet behoren tot wie het geloof zijn hart heeft aangeraakt, zodat hij de zoetheid en de smaak ervan heeft geproefd; en dat is de toestand van de meeste van wie zich tot de islam rekenen. Toch zijn dezen geen ongelovigen, want Allah, de Verhevene, heeft hun de islam bevestigd met Zijn woord {maar zegt: wij hebben ons overgegeven}, en Hij bedoelde niet: zegt het slechts met jullie tongen. Ibn al-Qayyim voegt daaraan een fijnzinnige taalkundige opmerking toe over {qâlat al-A'râb} (de bedoeïenen — vrouwelijk werkwoord bij een meervoud van niet-redelijke wezens of een collectief): het gebruik van het vrouwelijke werkwoord stemt overeen met het bepalende lidwoord van de soort en met de wijze waarop de Arabieren over een collectief of stam spraken, zoals men zegt 'qâlat al-A'râb' en 'sa'alat qabîla' — een opmerking die hij verbindt met de bredere regels van de overeenkomst van werkwoord en onderwerp.

﴿ ١٥ ﴾

إِنَّمَا ٱلْمُؤْمِنُونَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ ثُمَّ لَمْ يَرْتَابُوا۟ وَجَٰهَدُوا۟ بِأَمْوَٰلِهِمْ وَأَنفُسِهِمْ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلصَّٰدِقُونَ

Innamal muu'minoonal lazeena aamanoo billaahi wa Rasoolihee summa lam yartaaboo wa jaahadoo biamwaalihim wa anfusihim fee sabeelil laah; ulaaaika humus saadiqoon

49:15Voorwaar, de gelovigen zijn slechts degenen die in Allah en Zijn Boodschapper geloven, die vervolgens niet twijfelen en die met hun bezittingen en hun levens strijden op de Weg van Allah. Zij zijn de waarachtigen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Na de correctie volgt het portret van de échte gelovige: geloven in Allah en Zijn Boodschapper, daarna nooit meer twijfelen, en het bewijs leveren met bezit en leven op Zijn weg. Geloof is geen woord maar een wortel die zich toont in daden. Zij — en niet wie het alleen uitspreken — zijn de waarachtigen.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

{Voorwaar, de gelovigen} — dat wil zeggen: in werkelijkheid — {zijn slechts degenen die in Allah en Zijn Boodschapper geloven en die strijden op de weg van Allah} — dat wil zeggen: wie het geloof in Allah en Zijn Boodschapper combineren met de strijd op Zijn weg; want wie de ongelovigen bestrijdt, daarvan getuigt het van het volkomen geloof in zijn hart, omdat wie een ander bestrijdt omwille van de islam, het geloof en het nakomen van zijn voorschriften, des te eerder zichzelf daartoe bestrijdt; en omdat wie niet de kracht heeft tot de strijd, dat een bewijs is voor de zwakte van zijn geloof. Allah, de Verhevene, stelde in het geloof de afwezigheid van twijfel (rayb) als voorwaarde; want het heilzame geloof is de zekere, vaste overtuiging van datgene waarin Allah te geloven heeft geboden, die op geen enkele wijze door twijfel wordt aangetast. En Zijn woord {zij zijn de waarachtigen} — dat wil zeggen: zij die hun geloof waar hebben gemaakt met hun fraaie daden; want de waarachtigheid (sidq) is een geweldige aanspraak in alles wat geclaimd wordt en de claimer heeft bewijs en grond nodig, en het geweldigste daarvan is de aanspraak op het geloof, dat de spil is van de gelukzaligheid, het eeuwige welslagen en de blijvende voorspoed. Wie het opeist en zijn verplichtingen en vereisten nakomt, is de waarachtige, ware gelovige; en wie niet zo is, van hem wordt bekend dat hij niet waarachtig is in zijn aanspraak, en zijn aanspraak heeft geen nut; want het geloof is in het hart, en niemand kent het dan Allah, de Verhevene.

Ibn Kathîr

{Voorwaar, de gelovigen} — die het volmaakte geloof bezitten — {zijn slechts degenen die in Allah en Zijn Boodschapper geloven, die vervolgens niet twijfelen}: zij hebben geen twijfels en hun geloof werd niet aan het wankelen gebracht; veeleer bleef hun geloof op zekerheid. {En die met hun bezittingen en hun levens strijden op de weg van Allah}: zij gaven gewillig hun leven en het kostbaarste van hun bezit weg in gehoorzaamheid aan Allah, als middel om Zijn welbehagen te zoeken. {Zij zijn de waarachtigen}: in hun uitspraak, wanneer zij zeggen dat zij gelovigen zijn — anders dan sommige bedoeïenen die slechts in woorden uiterlijk geloofsgetrouw zijn.

﴿ ١٦ ﴾

قُلْ أَتُعَلِّمُونَ ٱللَّهَ بِدِينِكُمْ وَٱللَّهُ يَعْلَمُ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ ۚ وَٱللَّهُ بِكُلِّ شَىْءٍ عَلِيمٌۭ

Qul atu'allimoonal laaha bideenikum wallaahu ya'lamu maa fis samaawaati wa maa fil ard; wallaahu bikulli shai'in 'Aleem

49:16Zeg: "Zouden jullie Allah willen vertellen over (de waarachtigheid) van jullie geloof? Terwijl Hij kent wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt? En Allah is Alwetend over alle zaken.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Wie luid zijn geloof opeist tegenover de Profeet ﷺ, krijgt een snijdende wedervraag: willen jullie Allah jullie godsdienst leren? Hij die alles in hemel en aarde kent, kent ook precies wat er in jouw hart leeft. Geloof bewijs je niet met woorden tegenover de Alwetende; je toont het in oprechtheid, want voor Hem ligt het hart open.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarom zei Hij: {Zeg: zouden jullie Allah willen vertellen over jullie geloof, terwijl Allah kent wat in de hemelen en wat op de aarde is, en Allah van alle zaken Alwetend is?} En dit omvat alle dingen, waartoe behoort wat in de harten leeft aan geloof en ongeloof, vroomheid en zonde; want Hij, de Verhevene, kent dat alles en vergeldt het: is het goed, dan goed, en is het kwaad, dan kwaad. Het beweren van het geloof in het hart, dat alleen Allah kent, is dus een soort 'Allah onderwijzen over wat in het hart is' — en dat is een slechte omgangsvorm en een slecht vermoeden jegens Allah.

Ibn Kathîr

{Zeg: zouden jullie Allah willen vertellen over jullie geloof} — zouden jullie Allah willen inlichten over wat in jullie harten is — {terwijl Allah kent wat in de hemelen en wat op de aarde is}: niets in de hemelen en de aarde, al was het de zwaarte van een stofdeeltje, groter of kleiner, ontsnapt ooit aan Zijn waarneming; {en Allah is Alwetend over alle zaken}.

﴿ ١٧ ﴾

يَمُنُّونَ عَلَيْكَ أَنْ أَسْلَمُوا۟ ۖ قُل لَّا تَمُنُّوا۟ عَلَىَّ إِسْلَٰمَكُم ۖ بَلِ ٱللَّهُ يَمُنُّ عَلَيْكُمْ أَنْ هَدَىٰكُمْ لِلْإِيمَٰنِ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

Yamunnoona 'alaika an aslamoo qul laa tamunnoo 'alaiya Islaamakum balillaahu yamunnu 'alaikum an hadaakum lil eemaani in kuntum saadiqeen

49:17Zij menen jou een dienst te bewijzen door Moslim te worden. Zeg: "Bewijst mij geen dienst door jullie (toetreden tot) de Islam. Juist Allah heeft jullie begenadigd, doordat Hij jullie naar het geloof heeft geleid, als jullie waarachtig zijn."

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De bedoeïenen wreven hun bekering aan de Profeet ﷺ als een gunst die zij hém bewezen. Allah keert het volledig om: jullie islam is geen dienst aan mij — het is Allah die jullie een gunst bewees door jullie naar het geloof te leiden. Wie leiding ontvangt, staat in de schuld, niet de Gever. De grootste weldaad die je ooit kreeg, is dat je hart de waarheid vond.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Dit is een van de toestanden van wie voor zichzelf het geloof opeist terwijl hij het niet bezit; want óf dat is een soort 'Allah onderwijzen', terwijl Hij toch weet dat Hij van alle dingen kennis heeft, óf hun bedoeling met deze uitspraak is een verdienste (minna) tegenover Zijn Boodschapper te doen gelden, alsof zij iets hebben opgeofferd en geschonken dat niet tot hun eigen belang behoort, maar tot zijn wereldse aandeel — en dat is opsmuk met wat niet opsiert, en pochen met wat hun niet betaamt tegenover Zijn Boodschapper te pochen. Want de verdienste behoort Allah, de Verhevene, jegens hen toe; zoals Hij hen begunstigde met de schepping, de voorziening en de uiterlijke en innerlijke gunsten, zo is Zijn gunst aan hen door hen te leiden tot de islam en Zijn gunst aan hen door het geloof voortreffelijker dan alle dingen; daarom zei Hij: {Zij menen jou een dienst te bewijzen door moslim te worden. Zeg: bewijst mij geen dienst door jullie islam; juist Allah heeft jullie begenadigd, doordat Hij jullie naar het geloof heeft geleid, als jullie waarachtig zijn.}

Ibn Kathîr

{Zij menen jou een dienst te bewijzen door moslim te worden. Zeg: bewijst mij geen dienst door jullie islam} — dat zijn de bedoeïenen die hun omhelzing van de islam, hun volgen en steunen van de Boodschapper ﷺ als een verdienste tegenover hem beschouwden. Allah, de Verhevene, weerlegde hun valse uitspraak: {Zeg: bewijst mij geen dienst door jullie islam} — want het nut van jullie islam komt slechts jullie zelf toe, en dit is een gunst van Allah aan jullie — {juist Allah heeft jullie begenadigd, doordat Hij jullie naar het geloof heeft geleid, als jullie waarachtig zijn} in jullie aanspraak gelovigen te zijn. De Profeet ﷺ zei tot de Ansâr op de dag van de slag van Hunayn: 'O groep van de Ansâr, heb ik jullie niet dwalend gevonden en heeft Allah jullie door mij geleid? Waren jullie niet verdeeld en heeft Allah jullie door mij verenigd? Waren jullie niet arm en heeft Allah jullie door mij rijk gemaakt?' Telkens als de Profeet ﷺ hun een van deze vragen stelde, antwoordden zij: 'Allah en Zijn Boodschapper hebben ons het meest begunstigd.' Al-Hâfiz Aboe Bakr al-Bazzâr leverde over dat Ibn 'Abbâs zei: 'Banî Asad kwamen bij de Boodschapper van Allah ﷺ en zeiden: O Boodschapper van Allah, wij hebben de islam omhelsd, en daarvóór bestreden de Arabieren u, terwijl wij u niet bestreden. De Boodschapper van Allah ﷺ zei: Voorwaar, hun begrip is gering en de Shaytân spreekt op hun tongen. Daarna werd dit vers geopenbaard: {Zij menen jou een dienst te bewijzen door moslim te worden. Zeg: bewijst mij geen dienst door jullie islam; juist Allah heeft jullie begenadigd, doordat Hij jullie naar het geloof heeft geleid, als jullie waarachtig zijn.}'

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim noemt de aanleiding van de openbaring in de geschiedenis van de afvaardiging van Banî Asad. Een afvaardiging van Banî Asad, tien man, onder wie Wâbisa ibn Ma'bad en Talha ibn Khuwaylid, kwam bij de Boodschapper van Allah ﷺ terwijl hij met zijn metgezellen in de moskee zat. Hun woordvoerder zei: 'O Boodschapper van Allah, wij getuigen dat Allah één is, zonder deelgenoot, en dat u Zijn dienaar en Zijn Boodschapper bent; en wij zijn tot u gekomen, o Boodschapper van Allah, zonder dat u een troep naar ons hebt gezonden, en wij staan in voor wie achter ons zijn.' Muhammad ibn Ka'b al-Quraz̧î zei: toen openbaarde Allah aan Zijn Boodschapper {Zij menen jou een dienst te bewijzen door moslim te worden. Zeg: bewijst mij geen dienst door jullie islam; juist Allah heeft jullie begenadigd, doordat Hij jullie naar het geloof heeft geleid, als jullie waarachtig zijn.} Tot wat zij de Boodschapper van Allah ﷺ die dag vroegen, behoorden de 'iyâfa (voortekens uit vogels), de waarzeggerij (kahâna) en het werpen met kiezels; de Boodschapper van Allah ﷺ verbood hun dat alles. Zij zeiden: 'O Boodschapper van Allah, dit zijn zaken die wij in de Jâhiliyya deden; is er nog een praktijk overgebleven?' Hij zei: 'Welke?' Zij zeiden: 'Het tekenen in het zand (al-khatt).' Hij zei: 'Een van de profeten beoefende dat; wie het zijn kennis evenaart, die weet.' Daarna verbindt Ibn al-Qayyim daaraan een hoofdstuk: de dienaar bevindt zich tussen een gunst (minna) van Allah jegens hem en een bewijs (hujja) van Hem tegen hem, en is van die twee niet los; het godsdienstige oordeel omvat Zijn gunst en Zijn bewijs. Allah, de Verhevene, zei: {Voorwaar, Allah heeft de gelovigen begunstigd toen Hij onder hen een Boodschapper uit henzelf zond}, en Hij zei: {Juist Allah begunstigt jullie doordat Hij jullie naar het geloof heeft geleid}, en Hij zei: {Aan Allah behoort het afdoende bewijs.} Ook het kosmische (universele) oordeel omvat Zijn gunst en Zijn bewijs: beschikt Hij kosmisch een oordeel voor de dienaar dat vergezeld gaat van de aansluiting van het godsdienstige oordeel daarop, dan is het een gunst voor hem; gaat het godsdienstige niet ermee gepaard, dan is het een bewijs van Hem tegen hem. Zo is het ook met Zijn godsdienstige oordeel: gaat Zijn kosmische oordeel ermee gepaard — door hem ertoe in staat te stellen — dan is dat een gunst van Hem voor hem; staat het los van Zijn kosmische oordeel, dan wordt het een bewijs van Hem tegen hem. De gunst ligt dus in het samengaan van het ene oordeel met het andere, en het bewijs in het loskoppelen van het ene van het andere: elke kennis die vergezeld gaat van een daad die Allah, de Verhevene, behaagt, is een gunst, en anders is zij een bewijs. Elke uiterlijke en innerlijke kracht die vergezeld gaat van het ten uitvoer brengen van Zijn welbehagen en Zijn geboden is een gunst, en anders is zij een bewijs. Elke toestand die vergezeld gaat van een uitwerking in het ondersteunen van Zijn godsdienst en het oproepen ertoe is een gunst van Hem, en anders is zij een bewijs. Elk bezit waaraan een uitgave op de weg van Allah en in Zijn gehoorzaamheid verbonden is — niet om beloning of dank te zoeken — is een gunst van Allah voor hem, en anders is het een bewijs. Elke vrije tijd waaraan een bezigheid is verbonden met wat de Heer van Zijn dienaar wil, is een gunst voor hem, en anders is zij een bewijs. Elke aanvaarding bij de mensen, verheerlijking en liefde voor hem, waaraan deemoed voor de Heer, vernedering en gebrokenheid, kennis van het gebrek van de ziel en de daad, en het geven van oprechte raad aan de schepselen is verbonden, is een gunst, en anders is zij een bewijs. Elk inzicht, vermaning, herinnering en kennisgeving van de kennisgevingen van de Waarachtige, de Verhevene, aan de dienaar, waaraan lering, toename in verstand en kennis in het geloof is verbonden, is een gunst, en anders is zij een bewijs. Elke toestand met Allah, de Verhevene, of rang waaraan de reis naar Allah en het verkiezen van Zijn wil boven de wil van de dienaar is verbonden, is een gunst van Allah; en gaat daarmee het stilstaan erbij en het tevreden-zijn ermee en het verkiezen van wat het vereist aan zielsgenoegen en zelfingenomenheid gepaard, dan is het een bewijs van Allah tegen hem. Laat de dienaar dus deze geweldige, gevaarvolle plaats overwegen en onderscheid maken tussen de plaatsen van de gunsten en de beproevingen, de bewijzen en de zegeningen; want hoe vaak loopt dat door elkaar bij de uitgelezen mensen en de meesters van het geestelijk pad. En Allah leidt wie Hij wil tot een recht pad.

﴿ ١٨ ﴾

إِنَّ ٱللَّهَ يَعْلَمُ غَيْبَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ وَٱللَّهُ بَصِيرٌۢ بِمَا تَعْمَلُونَ

Innal laaha ya'lamu ghaibas samaawaati wal ard; wallaahu baseerum bimaa ta'maloon

49:18Voorwaar, Allah kent het onwaarneembare van de hemelen en de aarde. En Allah is Alziend over wat jullie doen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De soera die de gemeenschap heeft geleerd hoe zij met Allah, Zijn Boodschapper en elkaar moet omgaan, sluit met de grond onder dat alles: Allah kent het onzichtbare van hemel en aarde en ziet alles wat je doet. Geen woord, geen verborgen achterdocht, geen oprecht of vals geloof ontgaat Hem. Wie dat beseft, leeft de hele soera vanzelf.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

{Voorwaar, Allah kent het onwaarneembare van de hemelen en de aarde} — dat wil zeggen: de verborgen zaken daarin, die voor de schepselen verborgen zijn, zoals wat zich in de diepten van de zeeën bevindt, in de uitgestrektheid van de woestijnen, en wat de nacht omhult of de dag verbergt; Hij kent de druppels van de regens, de korrels van het zand, het verborgene van de borsten en de geheimen van de zaken: {En er valt geen blad of Hij kent het, en er is geen graankorrel in de duisternissen van de aarde, en niets vochtigs en niets droogs of het staat in een duidelijk Boek.} {En Allah is Alziend over wat jullie doen}: Hij telt jullie daden op en betaalt ze jullie uit en vergeldt ze jullie naar wat Zijn wijde barmhartigheid en Zijn verreikende wijsheid vereisen. Hiermee is de tafsir van Soera al-Hujurât voltooid, met de hulp van Allah, Zijn gunst, Zijn vrijgevigheid en Zijn edelmoedigheid. En alle lof komt Allah toe.

Ibn Kathîr

Daarna herinnert Allah eraan dat Hij volledige kennis heeft van al het geschapene en dat Hij hen allen ziet: {Voorwaar, Allah kent het onwaarneembare van de hemelen en de aarde. En Allah is Alziend over wat jullie doen.} Hiermee eindigt de tafsîr van Soera al-Hujurât. Voorwaar, alle lof komt Allah toe, alle gunsten komen van Hem, en van Hem komen het welslagen en de bescherming tegen dwaling.

Arabische grondtekst & bron — verzen 14-18

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Hujurât · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Hujurât · onverkorte editie (Arabisch + Engelse vertaling).

يَقُولُ تَعَالَى مُنْكِرًا عَلَى الْأَعْرَابِ الَّذِينَ أَوَّلَ مَا دَخَلُوا فِي الْإِسْلَامِ ادَّعَوْا لِأَنْفُسِهِمْ مَقَامَ الْإِيمَانِ، وَلَمْ يَتَمَكَّنِ الْإِيمَانُ فِي قُلُوبِهِمْ بَعْدُ: ﴿قَالَتِ الأعْرَابُ آمَنَّا قُلْ لَمْ تُؤْمِنُوا وَلَكِنْ قُولُوا أَسْلَمْنَا وَلَمَّا يَدْخُلِ الإيمَانُ فِي قُلُوبِكُمْ﴾ . وَقَدِ اسْتُفِيدَ مِنْ هَذِهِ الْآيَةِ الْكَرِيمَةِ: أَنَّ الْإِيمَانَ أَخَصُّ مِنَ الْإِسْلَامِ كَمَا هُوَ مَذْهَبُ أَهْلِ السُّنَّةِ وَالْجَمَاعَةِ، وَيَدُلُّ عَلَيْهِ حَدِيثُ جِبْرِيلَ، عَلَيْهِ السَّلَامُ، حِينَ سَأَلَ عَنِ الْإِسْلَامِ، ثُمَّ عَنِ الْإِيمَانِ، ثُمَّ عَنِ الْإِحْسَانِ، فَتَرَقَّى مِنَ الْأَعَمِّ إِلَى الْأَخَصِّ، ثُمَّ لِلْأَخَصِّ مِنْهُ. قَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا عَبْدُ الرَّزَّاقِ، أَخْبَرَنَا مَعْمَر، عَنِ الزُّهْرِيِّ، عَنْ عَامِرُ بْنُ سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، عَنْ أَبِيهِ قَالَ: أَعْطَى رَسُولُ اللَّهِ ﷺ رِجَالًا وَلَمْ يُعْطِ رَجُلًا مِنْهُمْ شَيْئًا، فَقَالَ سَعْدٌ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، أَعْطَيْتَ فُلَانًا وَفُلَانًا وَلَمْ تُعط فُلَانًا شَيْئًا، وَهُوَ مُؤْمِنٌ؟ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: "أَوْ مُسْلِمٌ" حَتَّى أَعَادَهَا سَعْدٌ ثَلَاثًا، وَالنَّبِيُّ ﷺ يَقُولُ: "أَوْ مُسْلِمٌ" ثُمَّ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: "إِنِّي لَأُعْطِي رِجَالًا وَأَدَعُ من هو أحب إليّ منهم فلم أعطيه شَيْئًا؛ مَخَافَةَ أَنْ يُكَبُّوا فِي النَّارِ عَلَى وُجُوهِهِمْ". أَخْرَجَاهُ فِي الصَّحِيحَيْنِ مِنْ حَدِيثِ الزُّهْرِيِّ، بِهِ [[المسند (١/١٧٦) وصحيح البخاري برقم (٢٧) وصحيح مسلم برقم (١٥٠) .]] . فَقَدْ فَرَّقَ النَّبِيُّ ﷺ بَيْنَ الْمُسْلِمِ وَالْمُؤْمِنِ، فَدَلَّ عَلَى أَنَّ الْإِيمَانَ أَخَصُّ مِنَ الْإِسْلَامِ. وَقَدْ قَرَّرْنَا ذَلِكَ بِأَدِلَّتِهِ فِي أَوَّلِ شَرْحِ كِتَابِ الْإِيمَانِ مِنْ "صَحِيحِ الْبُخَارِيِّ" وَلِلَّهِ الْحَمْدُ وَالْمِنَّةُ. وَدَلَّ ذَلِكَ عَلَى أَنَّ ذَاكَ الرَّجُلَ كَانَ مُسْلِمًا لَيْسَ مُنَافِقًا؛ لِأَنَّهُ تَرَكَهُ مِنَ الْعَطَاءِ وَوَكَلَهُ إِلَى مَا هُوَ فِيهِ مِنَ الْإِسْلَامِ، فَدَلَّ هَذَا عَلَى [[في ت: "إلى".]] أَنَّ هَؤُلَاءِ الْأَعْرَابَ الْمَذْكُورِينَ فِي هَذِهِ الْآيَةِ لَيْسُوا بِمُنَافِقِينَ، وَإِنَّمَا هُمْ مُسْلِمُونَ لَمْ يَسْتَحْكِمِ الْإِيمَانُ فِي قُلُوبِهِمْ، فَادَّعَوْا لِأَنْفُسِهِمْ مَقَامًا أَعْلَى مِمَّا وَصَلُوا إِلَيْهِ، فَأُدِّبُوا فِي ذَلِكَ. وَهَذَا مَعْنَى قَوْلِ ابْنِ عَبَّاسٍ وَإِبْرَاهِيمَ النَّخَعِيِّ، وَقَتَادَةَ، وَاخْتَارَهُ ابْنُ جَرِيرٍ. وَإِنَّمَا قُلْنَا هَذَا لِأَنَّ الْبُخَارِيَّ، رَحِمَهُ اللَّهُ، ذَهَبَ إِلَى أَنَّ هَؤُلَاءِ كَانُوا مُنَافِقِينَ يُظهرون الْإِيمَانَ وَلَيْسُوا كَذَلِكَ. وَقَدْ رُوِيَ عَنْ سَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ، وَمُجَاهِدٍ، وَابْنِ زَيْدٍ أَنَّهُمْ قَالُوا فِي قَوْلِهِ: ﴿وَلَكِنْ قُولُوا أَسْلَمْنَا﴾ أَيِ: اسْتَسْلَمْنَا خَوْفَ الْقَتْلِ وَالسِّبَاءِ. قَالَ مُجَاهِدٌ: نَزَلَتْ فِي بَنِي أَسَدِ بْنِ خُزَيْمَةَ. وَقَالَ قَتَادَةُ: نَزَلَتْ فِي قَوْمٍ امْتَنُّوا بِإِيمَانِهِمْ عَلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ. وَالصَّحِيحُ الْأَوَّلُ؛ أَنَّهُمْ قَوْمٌ ادَّعَوْا لِأَنْفُسِهِمْ مَقَامَ الْإِيمَانِ، وَلَمْ يَحْصُلْ لَهُمْ بَعْدُ، فَأُدِّبُوا وَأُعْلِمُوا أَنَّ ذَلِكَ لَمْ يَصِلُوا إِلَيْهِ بَعْدُ، وَلَوْ كَانُوا مُنَافِقِينَ لَعُنِّفُوا وَفُضِحُوا، كَمَا ذُكِرَ الْمُنَافِقُونَ فِي سُورَةِ بَرَاءَةَ. وَإِنَّمَا قِيلَ لِهَؤُلَاءِ تَأْدِيبًا: ﴿قُلْ لَمْ تُؤْمِنُوا وَلَكِنْ قُولُوا أَسْلَمْنَا وَلَمَّا يَدْخُلِ الإيمَانُ فِي قُلُوبِكُمْ﴾ أَيْ: لَمْ تَصِلُوا إِلَى حَقِيقَةِ الْإِيمَانِ بَعْدُ. ثُمَّ قَالَ: ﴿وَإِنْ تُطِيعُوا اللَّهَ وَرَسُولَهُ لَا يَلِتْكُمْ مِنْ أَعْمَالِكُمْ [شَيْئًا] ﴾ [[زيادة من ت.]] أَيْ: لَا يَنْقُصُكُمْ مِنْ أُجُورِكُمْ شَيْئًا، كَقَوْلِهِ: ﴿وَمَا أَلَتْنَاهُمْ مِنْ عَمَلِهِمْ مِنْ شَيْءٍ﴾ [الطُّورِ: ٢١] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَحِيمٌ﴾ أي: لمن تاب إليه وأناب. * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِنَّمَا الْمُؤْمِنُونَ﴾ أَيْ: إِنَّمَا الْمُؤْمِنُونَ الكُمَّل ﴿الَّذِينَ آمَنُوا بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ ثُمَّ لَمْ يَرْتَابُوا﴾ أَيْ: لَمْ يَشُكُّوا وَلَا تَزَلْزَلُوا، بَلْ ثَبَتُوا [[في ت: "تثبتوا".]] عَلَى حَالٍ وَاحِدَةٍ، وَهِيَ التَّصْدِيقُ الْمَحْضُ، ﴿وَجَاهَدُوا بِأَمْوَالِهِمْ وَأَنْفُسِهِمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ﴾ أَيْ: وَبَذَلُوا مُهَجَهُمْ [[في ت: "مهجتهم".]] وَنَفَائِسَ أَمْوَالِهِمْ فِي طَاعَةِ اللَّهِ وَرِضْوَانِهِ، ﴿أُولَئِكَ هُمُ الصَّادِقُونَ﴾ أَيْ: فِي قَوْلِهِمْ إِذَا قَالُوا: "إِنَّهُمْ مُؤْمِنُونَ"، لَا كَبَعْضِ الْأَعْرَابِ الَّذِينَ لَيْسَ مَعَهُمْ مِنَ الدِّينِ إِلَّا الْكَلِمَةَ الظَّاهِرَةَ. وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ غَيْلَانَ، حَدَّثَنَا رِشْدين، حَدَّثَنِي عَمْرُو بْنُ الْحَارِثِ، عَنْ أَبِي السَّمْحِ، عَنْ أَبِي الْهَيْثَمِ، عَنْ أَبِي سَعِيدٍ [[في ت: "أبي سعيد رضي الله عنه".]] قَالَ: أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: "الْمُؤْمِنُونَ فِي الدُّنْيَا عَلَى ثَلَاثَةِ أَجْزَاءٍ: [الَّذِينَ] [[زيادة من ت، أ، والمسند.]] آمَنُوا بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ ثُمَّ لَمْ يَرْتَابُوا وَجَاهَدُوا بِأَمْوَالِهِمْ وَأَنْفُسِهِمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ. وَالَّذِي يَأْمَنُهُ النَّاسُ عَلَى أَمْوَالِهِمْ وَأَنْفُسِهِمْ. ثُمَّ الَّذِي إِذَا أَشْرَفَ عَلَى طَمَعٍ تَرَكَهُ لِلَّهِ، عَزَّ وَجَلَّ" [[المسند (٣/٨) وفي إسناده بن أبي السمح عن أبي الهيثم وهو ضعيف.]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿قُلْ أَتُعَلِّمُونَ اللَّهَ بِدِينِكُمْ﴾ أَيْ: أَتُخْبِرُونَهُ [[في ت: "أتخبرون".]] بِمَا فِي ضَمَائِرِكُمْ، ﴿وَاللَّهُ يَعْلَمُ مَا فِي السَّمَوَاتِ وَمَا فِي الأرْضِ﴾ أي: لَا يَخْفَى عَلَيْهِ مِثْقَالُ ذَرَّةٍ فِي الْأَرْضِ وَلَا فِي السَّمَاءِ، وَلَا أَصْغَرُ مِنْ ذَلِكَ وَلَا أَكْبَرُ، ﴿وَاللَّهُ بِكُلِّ شَيْءٍ عَلِيمٌ﴾ . ثُمَّ قَالَ [تَعَالَى] [[زيادة من ت.]] : ﴿يَمُنُّونَ عَلَيْكَ أَنْ أَسْلَمُوا﴾ ، يَعْنِي: الْأَعْرَابُ [الَّذِينَ] [[زيادة من ت، أ.]] يُمَنُّونَ بِإِسْلَامِهِمْ وَمُتَابَعَتِهِمْ وَنُصْرَتِهِمْ عَلَى الرَّسُولِ، يَقُولُ اللَّهُ رَدًّا عَلَيْهِمْ: ﴿قُلْ لَا تَمُنُّوا عَلَيَّ إِسْلامَكُمْ﴾ ، فَإِنَّ نَفْعَ ذَلِكَ إِنَّمَا يَعُودُ عَلَيْكُمْ، وَلِلَّهِ الْمِنَّةُ عَلَيْكُمْ فِيهِ، ﴿بَلِ اللَّهُ يَمُنُّ عَلَيْكُمْ أَنْ هَدَاكُمْ لِلإيمَانِ إِنْ كُنْتُمْ صَادِقِينَ﴾ أَيْ: فِي دَعْوَاكُمْ ذَلِكَ، كَمَا قَالَ النَّبِيُّ ﷺ لِلْأَنْصَارِ يَوْمَ حُنَيْنٍ: "يَا مَعْشَرَ الْأَنْصَارِ، أَلَمْ أَجِدْكُمْ ضُلَّالًا فَهَدَاكُمُ اللَّهُ بِي؟ وَكُنْتُمْ مُتَفَرِّقِينَ فَأَلَّفَكُمُ اللَّهُ بِي؟ وَعَالَةً فَأَغْنَاكُمُ اللَّهُ بِي؟ " كُلَّمَا قَالَ شَيْئًا قَالُوا: اللَّهُ وَرَسُولُهُ أَمَنُّ [[رواه البخاري في صحيحه برقم (٤٣٣٠) من حديث عَبْدِ اللَّهِ بْنِ زَيْدِ بْنِ عَاصِمٍ رَضِيَ الله عنه.]] . وَقَالَ [[في ت: "وروى".]] الْحَافِظُ أَبُو بَكْرٍ الْبَزَّارُ: حَدَّثَنَا إِبْرَاهِيمُ بْنُ سَعِيدٍ الْجَوْهَرِيُّ، حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ سَعِيدٍ الْأُمَوِيُّ، عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ قَيْسٍ، عَنْ أَبِي عَوْنٍ، عَنْ سَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ [رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمَا] [[زيادة من ت.]] قَالَ: جَاءَتْ بَنُو أَسَدٍ إلى رسول الله صلى الله عليه وسلم فَقَالُوا: يَا رَسُولَ اللَّهِ، أَسْلَمْنَا وَقَاتَلَتْكَ الْعَرَبُ، ولم تقاتلك، فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "إِنَّ فِقْهَهُمْ قَلِيلٌ، وَإِنَّ الشَّيْطَانَ يَنْطِقُ [[في أ: "ينطق".]] عَلَى أَلْسِنَتِهِمْ". وَنَزَلَتْ هَذِهِ الْآيَةُ: ﴿يَمُنُّونَ عَلَيْكَ أَنْ أَسْلَمُوا قُلْ لَا تَمُنُّوا عَلَيَّ إِسْلامَكُمْ بَلِ اللَّهُ يَمُنُّ عَلَيْكُمْ أَنْ هَدَاكُمْ لِلإيمَانِ إِنْ كُنْتُمْ صَادِقِينَ﴾ ثُمَّ قَالَ: لَا نَعْلَمُهُ يُرْوَى إِلَّا مِنْ هَذَا الْوَجْهِ، وَلَا نَعْلَمُ رَوَى أَبُو عَوْنٍ مُحَمَّدُ بْنُ عُبَيْدِ اللَّهِ، عَنْ سَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ، غَيْرَ [[في أ: "سوى".]] هَذَا الْحَدِيثِ [[ورواه النسائي في السنن الكبرى برقم (١١٥١٩) من طريق يحيى بن سعيد الأموي به.]] . ثُمَّ كَرَّرَ الْإِخْبَارَ بِعِلْمِهِ بِجَمِيعِ الْكَائِنَاتِ، وَبَصَرِهِ بِأَعْمَالِ الْمَخْلُوقَاتِ فَقَالَ: ﴿إِنَّ اللَّهَ يَعْلَمُ غَيْبَ السَّمَوَاتِ وَالأرْضِ وَاللَّهُ بَصِيرٌ بِمَا تَعْمَلُونَ﴾ آخِرُ تَفْسِيرِ الحجرات، ولله الحمد والمنة

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Hujurât (uit zijn tafsir-compilatie).

(فائدة) قال تعالى: ﴿قالت الأعراب آمنا قل لم تؤمنوا ولكن قولوا أسلمنا ولما يدخل الإيمان في قلوبكم وإن تطيعوا الله ورسوله لا يلتكم من أعمالكم شيئا إن الله غفور رحيم﴾ ثم ذكر وصف أهل الإيمان فقال: ﴿إنَّما المُؤْمِنُونَ الَّذِينَ آمَنُوا بِاللَّهِ ورَسُولِهِ ثُمَّ لَمْ يَرْتابُوا وجاهَدُوا بِأمْوالِهِمْ وأنْفُسِهِمْ في سَبِيلِ اللَّهِ أُولَئِكَ هُمُ الصّادِقُونَ﴾ فالتصديق والطاعة لا يكون إيمانا حتى يكون مطلقا، فإذا تقيد فأعلى أحواله إن سلم من الشك أن يكون إسلاما، ويكون صاحبه من عوام المسلمين، لا من خواص المؤمنين. (لطيفة) وَكانَ بَعْضُ الصَّحابَةِ يُكْثِرُ التَّلْبِيَةَ في إحْرامِهِ، ثُمَّ يَقُولُ لَبَّيْكَ، لَوْ كانَ رِياءً لاضْمَحَلَّ وقَدْ نَفى اللَّهُ تَعالى الإيمانَ عَمَّنِ ادَّعاهُ. ولَيْسَ لَهُ فِيهِ ذَوْقٌ. فَقالَ تَعالى ﴿قالَتِ الأعْرابُ آمَنّا قُلْ لَمْ تُؤْمِنُوا ولَكِنْ قُولُوا أسْلَمْنا ولَمّا يَدْخُلِ الإيمانُ في قُلُوبِكُمْ﴾ [الحجرات: ١٤]. فَهَؤُلاءِ مُسْلِمُونَ، ولَيْسُوا بِمُؤْمِنِينَ. لِأنَّهم لَيْسُوا مِمَّنْ باشَرَ الإيمانُ قَلْبَهُ، فَذاقَ حَلاوَتَهُ وطَعْمَهُ. وهَذا حالُ أكْثَرِ المُنْتَسِبِينَ إلى الإسْلامِ. ولَيْسَ هَؤُلاءِ كُفّارًا. فَإنَّهُ سُبْحانَهُ أثْبَتَ لَهُمُ الإسْلامَ بِقَوْلِهِ ﴿وَلَكِنْ قُولُوا أسْلَمْنا﴾ وَلَمْ يُرِدْ: قُولُوا بِألْسِنَتِكُمْ، مِن غَيْرِ مُواطَأةِ القَلْبِ. فَإنَّهُ فَرَّقَ بَيْنَ قَوْلِهِمْ آمَنّا وقَوْلِهِمْ أسْلَمْنا، ولَكِنْ لَمّا لَمْ يَذُوقُوا طَعْمَ الإيمانِ، قالَ: لَمْ تُؤْمِنُوا. ووَعَدَهم سُبْحانَهُ وتَعالى - مَعَ ذَلِكَ - عَلى طاعَتِهِمْ أنْ لا يُنْقِصَهم مِن أُجُورِ أعْمالِهِمْ شَيْئًا. ثُمَّ ذَكَرَ أهْلَ الإيمانِ الَّذِينَ ذاقُوا طَعْمَهُ، وهُمُ الَّذِينَ آمَنُوا بِهِ وبِرَسُولِهِ. ثُمَّ لَمْ يَرْتابُوا في إيمانِهِمْ. وإنَّما انْتَفى عَنْهُمُ الرَّيْبُ: لِأنَّ الإيمانَ قَدْ باشَرَ قُلُوبَهم. وخالَطَتْها بَشاشَتُهُ. فَلَمْ يَبْقَ لِلرَّيْبِ فِيهِ مَوْضِعٌ. وَصَدَّقَ ذَلِكَ الذَّوْقَ: بَذْلُهم أحَبَّ شَيْءٍ إلَيْهِمْ في رِضا رَبِّهِمْ تَعالى. وهو أمْوالُهم وأنْفُسُهم. وَمِنَ المُمْتَنِعِ: حُصُولُ هَذا البَذْلِ مِن غَيْرِ ذَوْقِ طَعْمِ الإيمانِ، ووُجُودِ حَلاوَتِهِ. فَإنَّ ذَلِكَ إنَّما يَحْصُلُ بِصِدْقِ الذَّوْقِ والوَجْدِ. كَما قالَ الحَسَنُ لَيْسَ الإيمانُ بِالتَّمَنِّي، ولا بِالتَّحَلِّي، ولَكِنْ ما وقَرَ في القَلْبِ، وصَدَّقَهُ العَمَلُ. فالذَّوْقُ والوَجْدُ: أمْرٌ باطِنٌ، والعَمَلُ دَلِيلٌ عَلَيْهِ ومُصَدِّقٌ لَهُ. كَما أنَّ الرَّيْبَ والشَّكَّ والنِّفاقَ: أمْرٌ باطِنٌ. والعَمَلُ دَلِيلٌ عَلَيْهِ ومُصَدِّقٌ لَهُ. فالأعْمالُ ثَمَراتُ العُلُومِ والعَقائِدِ. فاليَقِينُ: يُثْمِرُ الجِهادَ، ومَقاماتِ الإحْسانِ. فَعَلى حَسَبِ قُوَّتِهِ تَكُونُ ثَمَرَتُهُ ونَتِيجَتُهُ. والرَّيْبُ والشَّكُّ: يُثْمِرُ الأعْمالَ المُناسِبَةَ لَهُ. وبِاللَّهِ التَّوْفِيقُ. (فصل: قاعدة الإيمان المطلق، ومطلق الإيمان) فالإيمان المطلق لا يطلق إلا على الكامل الكمال المأمور به ومطلق الإيمان يطلق على الناقص والكامل. ولهذا نفى النبي ﷺ الإيمان المطلق عن الزاني وشارب الخمر والسارق، ولم ينف عنه مطلق الإيمان لئلا يدخل في قوله: ﴿واللَّهُ ولِيُّ المُؤْمِنِينَ﴾ ولا في قوله: ﴿قَدْ أفْلَحَ المُؤْمِنُونَ﴾ ولا في قوله: ﴿إنَّما المُؤْمِنُونَ الَّذِينَ إذا ذُكِرَ اللَّهُ وجِلَتْ قُلُوبُهُمْ﴾ إلى آخر الآيات. ويدخل في قوله: ﴿فَتَحْرِيرُ رَقَبَةٍ مُؤْمِنَةٍ﴾ وفي قوله: ﴿وَإنْ طائِفَتانِ مِنَ المُؤْمِنِينَ اقْتَتَلُوا﴾ وفي قوله: "لا يقتل مؤمن بكافر " وأمثال ذلك. فلهذا كان قوله تعالى: ﴿قالَتِ الأعْرابُ آمَنّا قُلْ لَمْ تُؤْمِنُوا ولَكِنْ قُولُوا أسْلَمْنا﴾ نفيا للإيمان المطلق لا لمطلق الإيمان لوجوه: منها أنه أمرهم أو أذن لهم أن يقولوا أسلمنا والمنافق لا يقال له ذلك. ومنها أنه قال: ﴿قالَتِ الأعْرابُ﴾ ولم يقل قال المنافقون. ومنها أن هؤلاء الجفاة الذين نادوا رسول الله ﷺ من وراء الحجرات ورفعوا أصواتهم فوق صوته غلظة منهم وجفاء لا نفاقا وكفرا. ومنها أنه قال ﴿وَلَمّا يَدْخُلِ الإيمانُ في قُلُوبِكُمْ﴾ ولم ينف دخول الإسلام في قلوبهم ولو كانوا منافقين لنفى عنهم الإسلام كما نفى الإيمان. ومنها أن الله تعالى قال: ﴿وَإنْ تُطِيعُوا اللَّهَ ورَسُولَهُ لا يَلِتْكم مِن أعْمالِكم شَيْئًا﴾ أي لا ينقصكم والمنافق لا طاعة له. ومنها أنه قال: ﴿يَمُنُّونَ عَلَيْكَ أنْ أسْلَمُوا قُلْ لا تَمُنُّوا عَلَيَّ إسْلامَكُمْ﴾ فأثبت لهم إسلامهم ونهاهم أن يمنوا على رسول الله ﷺ ولو لم يكن إسلاما صحيحا لقال لم تسلموا بل أنتم كاذبون كما كذبهم في قولهم: ﴿نَشْهَدُ إنَّكَ لَرَسُولُ اللَّهِ﴾ لما لم تطابق شهادتهم اعتقادهم. ومنها أنه قال: ﴿بَلِ اللَّهُ يَمُنُّ عَلَيْكُمْ﴾ ولو كانوا منافقين لما من عليهم. ومنها أنه قال: ﴿أنْ هَداكم لِلإيمانِ﴾ ولا ينافي هذا قوله: ﴿قُلْ لَمْ تُؤْمِنُوا﴾ فإنه نفى الإيمان المطلق ومن عليهم بهدايتهم إلى الإسلام الذي هو متضمن لمطلق الإيمان. ومنها أن النبي ﷺ لما قسم القسم قال له سعد: أعطيت فلانا وتركت فلانا وهو مؤمن فقال: "أو مسلم ثلاث مرات" وأثبت له الإسلام دون الإيمان. وفي الآية أسرار بديعة ليس هذا موضعها والمقصود الفرق بين الإيمان المطلق ومطلق الإيمان؛ فالإيمان المطلق يمنع دخول النار ومطلق الإيمان يمنع الخلود فيها. العاشر: إنك إذا قلت الأمر المطلق فقد أدخلت اللام على الأمر وهي تفيد العموم والشمول، ثم وصفته بعد ذلك بالإطلاق بمعنى أنه لم يقيد بقيد يوجب تخصيصه من شرط أو صفة وغيرهما، فهو عام في كل فرد من الأفراد التي هذا شأنها. وأما مطلق الأمر فالإضافة فيه ليست للعموم بل للتمييز، فهو قدر مشترك مطلق لا عام فيصدق بفرد من أفراده. وعلى هذا فمطلق البيع جائز، والبيع المطلق ينقسم إلى جائز وغيره. والأمر المطلق للوجوب، ومطلق الأمر ينقسم إلى الواجب والمندوب. والماء المطلق طهور، ومطلق الماء ينقسم إلى طهور وغيره. والملك المطلق هو الذي يثبت للحر، ومطلق الملك يثبت للعبد. فإذا قيل العبد هل يملك أم لا يملك؟ كان الصواب إثبات مطلق الملك له دون الملك المطلق. وإذا قيل هل الفاسق مؤمن أم غير مؤمن؟ فهو على هذا التفصيل والله تعالى أعلم. فبهذا التحقيق يزول الإشكال في مسألة المندوب هل هو مأمور به أم لا؟ وفي مسألة الفاسق هل هو مؤمن أم لا؟ (قاعِدَة) الإيمان لَهُ ظاهر وباطن وظاهره قَول اللِّسان وعمل الجَوارِح، وباطنه تَصْدِيق القلب وانقياده ومحبته. فَلا ينفع ظاهر لا باطِن لَهُ، وإن حقن بِهِ الدِّماء، وعصم بِهِ المال والذريّة. وَلا يجزئ باطِن لا ظاهر لَهُ إلّا إذا تعذّر بعجز أو إكْراه وخَوف هَلاك، فَتخلف العَمَل ظاهرا مَعَ عدم المانِع دَلِيل على فَساد الباطِن وخلوّه من الإيمان، ونقصه دَلِيل نَقصه، وقوته دَلِيل قوته. فالإيمان قلب الإسْلام ولبه، واليَقِين قلب الإيمان ولبه، وكل علم وعمل لا يزِيد الإيمان واليَقِين قُوَّة فمدخول، وكل إيمان لا يبْعَث على العَمَل فمدخول. [فَصْلٌ: الأحْكامَ تَجْرِي عَلى الظَّواهِرِ] فَإنْ قِيلَ: قَدْ أطَلْتُمْ الكَلامَ في مَسْألَةِ القُصُودِ في العُقُودِ، ونَحْنُ نُحاكِمُكم إلى القُرْآنِ والسُّنَّةِ وأقْوالِ الأئِمَّةِ، قالَ اللَّهُ تَعالى حِكايَةً عَنْ نَبِيِّهِ نُوحٍ: ﴿وَلا أقُولُ لِلَّذِينَ تَزْدَرِي أعْيُنُكم لَنْ يُؤْتِيَهُمُ اللَّهُ خَيْرًا اللَّهُ أعْلَمُ بِما في أنْفُسِهِمْ إنِّي إذًا لَمِنَ الظّالِمِينَ﴾ [هود: ٣١] فَرَتَّبَ الحُكْيمَ عَلى ظاهِرِ إيمانِهِمْ، ورَدَّ عِلْمَ ما في أنْفُسِهِمْ إلى العالِمِ بِالسَّرائِرِ تَعالى المُنْفَرِدِ بِعِلْمِ ذاتِ الصُّدُورِ وعِلْمِ ما في النُّفُوسِ مِن عِلْمِ الغَيْبِ، وقَدْ قالَ تَعالى لِرَسُولِهِ: ﴿وَلا أقُولُ لَكم عِنْدِي خَزائِنُ اللَّهِ ولا أعْلَمُ الغَيْبَ﴾ [هود: ٣١] وَقَدْ قالَ ﷺ: «إنِّي لَمْ أُومَرْ أنْ أُنَقِّبَ عَنْ قُلُوبِ النّاسِ، ولا أشُقَّ بُطُونَهُمْ» وقَدْ قالَ: «أُمِرْت أنْ أُقاتِلَ النّاسَ حَتّى يَقُولُوا لا إلَهَ إلّا اللَّهُ، فَإذا قالُوها عَصَمُوا مِنِّي دِماءَهم وأمْوالَهم إلّا بِحَقِّ الإسْلامِ وحِسابُهم عَلى اللَّهِ» فاكْتَفى مِنهم بِالظّاهِرِ، ووَكَلَ سَرائِرَهم إلى اللَّهِ، وكَذَلِكَ فَعَلَ بِاَلَّذِينَ تَخَلَّفُوا عَنْهُ واعْتَذَرُوا إلَيْهِ، قَبِلَ مِنهم عَلانِيَتَهُمْ، ووَكَلَ سَرائِرَهم إلى اللَّهِ عَزَّ وجَلَّ، وكَذَلِكَ كانَتْ سِيرَتُهُ في المُنافِقِينَ: قَبُولُ ظاهِرِ إسْلامِهِمْ، ويَكِلُ سَرائِرَهم إلى اللَّهِ عَزَّ وجَلَّ، وقالَ تَعالى: ﴿وَلا تَقْفُ ما لَيْسَ لَكَ بِهِ عِلْمٌ﴾ [الإسراء: ٣٦] وَلَمْ يَجْعَلْ لَنا عِلْمًا بِالنِّيّاتِ والمَقاصِدِ تَتَعَلَّقُ الأحْكامُ الدُّنْيَوِيَّةُ بِها، فَقَوْلُنا لا عِلْمَ لَنا بِهِ. قالَ الشّافِعِيُّ: فَرَضَ اللَّهُ تَعالى عَلى خَلْقِهِ طاعَةَ نَبِيِّهِ، ولَمْ يَجْعَلْ لَهم مِن الأمْرِ شَيْئًا، فَأوْلى ألّا يَتَعاطَوْا حُكْمًا عَلى غَيْبِ أحَدٍ بِدَلالَةٍ ولا ظَنٍّ؛ لِقُصُورِ عِلْمِهِمْ مِن عُلُومِ أنْبِيائِهِ الَّذِينَ فَرَضَ عَلَيْهِمْ الوُقُوفَ عَمّا ورَدَ عَلَيْهِمْ حَتّى يَأْتِيَهم أمْرُهُ؛ فَإنَّهُ تَعالى ظاهَرَ عَلَيْهِمْ الحُجَجَ، فَما جَعَلَ إلَيْهِمْ الحُكْمَ في الدُّنْيا إلّا بِما ظَهَرَ مِن المَحْكُومِ عَلَيْهِ، فَفَرَضَ عَلى نَبِيِّهِ أنْ يُقاتِلَ أهْلَ الأوْثانِ حَتّى يُسْلِمُوا فَتُحْقَنَ دِماؤُهم إذا أظْهَرُوا الإسْلامَ، وأُعْلِمَ أنَّهُ لا يَعْلَمُ صِدْقَهم بِالإسْلامِ إلّا اللَّهُ؛ ثُمَّ أطْلَعَ اللَّهُ رَسُولَهُ عَلى قَوْمٍ يُظْهِرُونَ الإسْلامَ ويُسِرُّونَ غَيْرَهُ فَلَمْ يَجْعَلْ لَهُ أنْ يَحْكُمَ عَلَيْهِمْ بِخِلافِ حُكْمِ الإسْلامِ، ولَمْ يَجْعَلْ لَهُ أنْ يَقْضِيَ عَلَيْهِمْ في الدُّنْيا بِخِلافِ ما أظْهَرُوا؛ فَقالَ لِنَبِيِّهِ: ﴿قالَتِ الأعْرابُ آمَنّا قُلْ لَمْ تُؤْمِنُوا ولَكِنْ قُولُوا أسْلَمْنا﴾ [الحجرات: ١٤] يَعْنِي أسْلَمْنا بِالقَوْلِ مَخافَةَ القَتْلِ والسَّبْيِ، ثُمَّ أخْبَرَهم أنَّهُ يَجْزِيهِمْ إنْ أطاعُوا اللَّهَ ورَسُولَهُ، يَعْنِي إنْ أحْدَثُوا طاعَةَ اللَّهِ ورَسُولِهِ، وقالَ في المُنافِقِينَ وهم صِنْفٌ ثانٍ: ﴿إذا جاءَكَ المُنافِقُونَ﴾ إلى قَوْلِهِ: ﴿اتَّخَذُوا أيْمانَهم جُنَّةً﴾ [المنافقون: ٢] يَعْنِي جُنَّةً مِن القَتْلِ، وقالَ: ﴿سَيَحْلِفُونَ بِاللَّهِ لَكم إذا انْقَلَبْتُمْ إلَيْهِمْ﴾ [التوبة: ٩٥] فَأمَرَ بِقَبُولِ ما أظْهَرُوا، ولَمْ يَجْعَلْ لِنَبِيِّهِ أنْ يَحْكُمَ عَلَيْهِمْ بِخِلافِ حُكْمِ الإيمانِ، وقَدْ أعْلَمَ اللَّهُ نَبِيَّهُ أنَّهم في الدَّرْكِ الأسْفَلِ مِن النّارِ؛ فَجَعَلَ حُكْمَهُ تَعالى عَلَيْهِمْ عَلى سَرائِرِهِمْ، وحُكْمَ نَبِيِّهِ عَلَيْهِمْ في الدُّنْيا عَلى عَلانِيَتِهِمْ بِإظْهارِ التَّوْبَةِ وما قامَتْ عَلَيْهِ بَيِّنَةٌ مِن المُسْلِمِينَ وبِما أقَرُّوا بِقَوْلِهِ وما جَحَدُوا مِن قَوْلِ الكُفْرِ ما لَمْ يُقِرُّوا بِهِ ولَمْ يَقُمْ بِهِ بَيِّنَةٌ عَلَيْهِمْ، وقَدْ كَذَّبَهم في قَوْلِهِمْ في كُلِّ ذَلِكَ، وكَذَلِكَ أخْبَرَ النَّبِيُّ ﷺ عَنْ اللَّهِ، أخْبَرَنا مالِكٌ عَنْ ابْنِ شِهابٍ عَنْ عَطاءِ بْنِ يَزِيدَ عَنْ عُبَيْدِ اللَّهِ بْنِ يَزِيدَ عَنْ عَدِيِّ بْنِ الخِيارِ: أنَّ «رَجُلًا سارَّ النَّبِيَّ ﷺ، فَلَمْ يَدْرِ ما سارَّهُ حَتّى جَهَرَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ، فَإذا هو يُشاوِرُهُ في قَتْلِ رَجُلٍ مِن المُنافِقِينَ، فَقالَ النَّبِيُّ ﷺ: ألَيْسَ يَشْهَدُ أنْ لا إلَهَ إلّا اللَّهُ؟ قالَ: بَلى، ولا شَهادَةَ لَهُ، فَقالَ: ألَيْسَ يُصَلِّي؟ قالَ: بَلى، ولا صَلاةَ لَهُ، فَقالَ النَّبِيُّ ﷺ: أُولَئِكَ الَّذِينَ نَهانِي اللَّهُ عَنْ قَتْلِهِمْ» ثُمَّ ذَكَرَ حَدِيثَ: «أُمِرْت أنْ أُقاتِلَ النّاسَ» ثُمَّ قالَ: فَحِسابُهم عَلى اللَّهِ بِصِدْقِهِمْ وكَذِبِهِمْ، وسَرائِرُهم إلى اللَّهِ العالِمِ بِسَرائِرِهِمْ المُتَوَلِّي الحُكْمَ عَلَيْهِمْ دُونَ أنْبِيائِهِ وحُكّامِ خَلْقِهِ. وَبِذَلِكَ مَضَتْ أحْكامُ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ فِيما بَيْنَ العِبادِ مِن الحُدُودِ وجَمِيعِ الحُقُوقِ، أعْلَمَهم أنَّ جَمِيعَ أحْكامِهِ عَلى ما يُظْهِرُونَ، واللَّهُ يُدِينُ بِالسَّرائِرِ. [فصل: وُضِعَتْ الألْفاظُ لِتَعْرِيفِ ما في النَّفْسِ] إنّ اللَّهَ تَعالى وضَعَ الألْفاظَ بَيْنَ عِبادِهِ تَعْرِيفًا ودَلالَةً عَلى ما في نُفُوسِهِمْ، فَإذا أرادَ أحَدُهم مِن الآخَرِ شَيْئًا عَرَّفَهُ بِمُرادِهِ وما في نَفْسِهِ بِلَفْظِهِ، ورَتَّبَ عَلى تِلْكَ الإراداتِ والمَقاصِدِ أحْكامَها بِواسِطَةِ الألْفاظِ، ولَمْ يُرَتِّبْ تِلْكَ الأحْكامَ عَلى مُجَرَّدِ ما في النُّفُوسِ مِن غَيْرِ دَلالَةِ فِعْلٍ أوْ قَوْلٍ، ولا عَلى مُجَرَّدِ ألْفاظٍ مَعَ العِلْمِ بِأنَّ المُتَكَلِّمَ بِها لَمْ يُرِدْ مَعانِيَها ولَمْ يُحِطْ بِها عِلْمًا، بَلْ تَجاوَزَ لِلْأُمَّةِ عَمّا حَدَّثَتْ بِهِ أنْفُسَها ما لَمْ تَعْمَلْ بِهِ أوْ تُكَلِّمْ بِهِ، وتَجاوَزَ لَها عَمّا تَكَلَّمَتْ بِهِ مُخْطِئَةً أوْ ناسِيَةً أوْ مُكْرَهَةً أوْ غَيْرَ عالِمَةٍ بِهِ إذا لَمْ تَكُنْ مُرِيدَةً لِمَعْنى ما تَكَلَّمَتْ بِهِ أوْ قاصِدَةً إلَيْهِ، فَإذا اجْتَمَعَ القَصْدُ والدَّلالَةُ القَوْلِيَّةُ أوْ الفِعْلِيَّةُ تَرَتَّبَ الحُكْمُ. هَذِهِ قاعِدَةُ الشَّرِيعَةِ، وهي مِن مُقْتَضَياتِ عَدْلِ اللَّهِ وحِكْمَتِهِ ورَحْمَتِهِ، فَإنَّ خَواطِرَ القُلُوبِ وإرادَةَ النُّفُوسِ لا تَدْخُلُ تَحْتَ الِاخْتِيارِ، فَلَوْ تَرَتَّبَتْ عَلَيْها الأحْكامُ لَكانَ في ذَلِكَ أعْظَمُ حَرَجٍ ومَشَقَّةٍ عَلى الأُمَّةِ، ورَحْمَةُ اللَّهِ تَعالى وحِكْمَتُهُ تَأْبى ذَلِكَ، والغَلَطُ والنِّسْيانُ والسَّهْوُ وسَبْقُ اللِّسانِ بِما لا يُرِيدُهُ العَبْدُ بَلْ يُرِيدُ خِلافَهُ والتَّكَلُّمُ بِهِ مُكْرَهًا وغَيْرَ عارِفٍ لِمُقْتَضاهُ مِن لَوازِمِ البَشَرِيَّةِ لا يَكادُ يَنْفَكُّ الإنْسانُ مِن شَيْءٍ مِنهُ؛ فَلَوْ رَتَّبَ عَلَيْهِ الحُكْمَ لَحَرَجَتْ الأُمَّةُ وأصابَها غايَةُ التَّعَبِ والمَشَقَّةِ؛ فَرَفَعَ عَنْها المُؤاخَذَةَ بِذَلِكَ كُلِّهِ حَتّى الخَطَأِ في اللَّفْظِ مِن شِدَّةِ الفَرَحِ والغَضَبِ والسُّكْرِ كَما تَقَدَّمَتْ شَواهِدُهُ. وَكَذَلِكَ الخَطَأُ والنِّسْيانُ والإكْراهُ والجَهْلُ بِالمَعْنى وسَبْقُ اللِّسانِ بِما لَمْ يُرِدْهُ والتَّكَلُّمُ في الإغْلاقِ ولَغْوُ اليَمِينِ؛ فَهَذِهِ عَشْرَةُ أشْياءَ لا يُؤاخِذُ اللَّهُ بِها عَبْدَهُ بِالتَّكَلُّمِ في حالٍ مِنها؛ لِعَدَمِ قَصْدِهِ وعَقْدِ قَلْبِهِ الَّذِي يُؤاخِذُهُ بِهِ. (فصل: إلحاق علامة التأنيث للفعل) قالوا إن الاسم المؤنث لو كان تأنيثه حقيقيا فلا بد من لحوق تاء التأنيث في الفعل، وإن كان مجازيا لكنت بالخيار وزعموا أن التاء في: ﴿قالَتِ الأعْرابُ﴾ ونحوه لتأنيث الجماعة وهو غير حقيقي وقد كان على لحوق التاء في: ﴿وَقالَ نِسْوَةٌ﴾ أولى لأن تأنيثهن حقيقي واتفقوا أن الفعل إذا تأخر عن فاعله المؤنث فلا بد من إثبات التاء وإن لم يكن التأنيث حقيقيا ولم يذكروا فرقا بين تقدم الفعل وتأخره. ومما يقال لهم إذا لحقت التاء لتأنيث الجماعة فلم لا يجوز في جمع السلامة المذكر كما جازت في جمع التكسير ومما يقال لهم أيضا إذا كان لفظ الجماعة مؤنثا فلفظ الجمع مذكر فلم روعي لفظ التأنيث دون لفظ التذكير. فإن قلت أنت مخير فإن راعيت لفظ التأنيث أنثت، وإن راعيت لفظ التذكير ذكرت. قيل لهم هذا باطل فإن أحدا من العرب لم يقل الهندان ذهب ولا الأعراب انطلق. مراعاة للفظ الجمع، فبطلت العلة فهذه عللهم قد انتقضت كما ترى فاسمع الآن سر المسألة وكشف قناعها. الأصل في هذا الباب أن الفعل متى اتصل بفاعله ولم يحجز بينهما حاجز لحقت العلامة ولا نبالي أكان التأنيث حقيقيا أم مجازيا فتقول طابت الثمرة، وجاءت هند إلا أن يكون الاسم المؤنث في معنى اسم آخر مذكر كالحوادث والحدثان والأرض،: فلذلك جاء فإن الحوادث أودى بها. فإن الحوادث في معنى الحدثان وجاء ولا أرض أبقل إبقالها فإنه في معنى ولا مكان أبقل إبقالها وإذا فصلت الفعل عن فاعله فكلما بعد عنه قوي حذف العلامة وكلما قرب قوي إثباتها وإن توسط توسط ف حضر القاضي اليوم امرأة أحسن من حضرت وفي القرآن: ﴿وَأخَذَ الَّذِينَ ظَلَمُوا الصَّيْحَةُ﴾ ومن هنا كان إذا تأخر الفعل عن الفاعل وجب ثبوت التاء طال الكلام أم قصر لأن الفعل إذا تأخر كان فاعله مضمرا متصلا به اتصال الجزء بالكل فلم يكن بد من ثبوت التاء لفرط الاتصال وإذا تقدم الفعل متصلا بفاعله الظاهر فليس مؤخر الاتصال كهو مع المضمر لأن الفاعل الظاهر كلمة والفعل كلمة أخرى كان حذف التاء في تأنيث هند وطابت الثمرة أقرب إلى الجواز منه في قولك الثمرة طابت فإن حجز بين الفعل وفاعله حاجز كان حذف التاء حسنا وكلما كثرت الحواجز كان حذفها أحسن فإن كان الفاعل جمعا مكسرا دخلت التاء للتأنيث وحذفت لتذكير اللفظ لأنه بمنزلة الواحد في أن إعرابه كإعرابه، ومجراه في كثير من الكلام مجرى اسم الجنس فإن كان الجمع مسلما فلا بد من التذكير لسلامة لفظ الواحدة فلا تقول قالت الكافرون كما لا تقول قالت الكافر لأن اللفظ بحاله لم يتغير بطرو الجمع عليه. فإن قيل: فلم لا تقول الأعراب قال: كما تقوله مقدما؟ قيل ثبوت التاء إنما كان مراعاة لمعنى الجماعة فإذا أردت ذلك المعنى أثبت التاء وإن تأخر الفعل لم يجز حذفه لاتصال الضمير وإن لم ترد معنى الجماعة حذفت التاء إذا تقدم الفعل ولم يحتج إليها إذا تأخر لأن ضمير الفاعلين لجماعة في المعنى وليسوا جمعا لأن الجمع مصدر جمعت أجمع فمن قال: إن التذكير في ذهب الرجال وقام الهندات مراعاة لمعنى الجمع فقد أخطأ وأما حذف التاء من وقال نسوة فلأنه اسم جمع كرهط وقوم ولولا أن فيه تاء التأنيث لفتحت التاء في فعله ولكنه قد يجوز أن تقول قالت نسوة كما تقول: سألت قبيلة ونسوة. فإن قلت: إذا كانت النسوة باللام كان دخول التاء في الفعل أحسن كما كان ذلك في ﴿قالت الأعراب﴾ لأن اللام للعهد وكان الاسم قد تقدم ذكره فأشبهت حال الفعل حاله إذا كان فيه ضمير يعود إلى مذكور من أجل الألف واللام فإنها ترد إلى معهود معنى الصيحة في القرآن الكريم فإذا قلت: فإذا استوى ذكر التاء وتركها في الفعل المتقدم وفاعله مؤنث غير حقيقي فما الحكمة في اختصاصها في قصة شعيب بالفعل وحذفها في قصة صالح {وأخذ الذين ظلموا الصيحة)؟ قلت الصيحة في قصة صالح في معنى العذاب والخزي إذ كانت منتظمة بقوله سبحانه: ﴿وَمِن خِزْيِ يَوْمِئِذٍ إنَّ رَبَّكَ هو القَوِيُّ العَزِيزُ﴾ فصارت الصيحة عبارة عن ذلك الخزي وعن العذاب المذكور في الآية فقوي التذكير بخلاف قصة شعيب فإنه لم يذكر فيها ذلك. هذا جواب السهيلي. وعندي فيه جواب أحسن من هذا إن شاء الله وهو: أن الصيحة يراد بها المصدر بمعنى الصياح فيحسن فيها التذكير ويراد بها الواحدة من المصدر فيكون التأنيث أحسن وقد أخبر تعالى عن العذاب الذي أصاب به قوم شعيب بثلاثة أمور كلها مؤنثة اللفظ أحدها: الرجفة في قوله في الأعراف: ﴿فَأخَذَتْهُمُ الرَّجْفَةُ فَأصْبَحُوا في دارِهِمْ جاثِمِينَ﴾ الثاني: الظلة بقوله: ﴿فَكَذَّبُوهُ فَأخَذَهم عَذابُ يَوْمِ الظُّلَّةِ﴾ الثالث: الصيحة: ﴿وَأخَذَ الَّذِينَ ظَلَمُوا الصَّيْحَةُ﴾ وجمع لهم بين الثلاثة فإن الرجفة بدأت بهم فأصحروا إلى الفضاء خوفا من سقوط الأبنية عليهم فصهرتهم الشمس بحرها ورفعت لهم الظلة فأهرعوا إليها يستظلون بها من الشمس فنزل عليهم منها العذاب وفيه الصيحة فكان ذكر الصيحة مع الرجفة والظلة أحسن من ذكر الصياح وكان ذكر التاء والله أعلم.