Terug naar inhoud
NÛR

Soera 65 · Medinaans · 12 verzen

سورة الطَّلَاقِ

At-TalaaqDe Echtscheiding

Openbaringsvolgorde: 99 · Juz 28

Voorwoord

Soera At-Talâq — ‘De Echtscheiding’ — is een Medinaanse soera en telt twaalf verzen. Zij ontleent haar naam aan haar onderwerp: de regels rond de echtscheiding (talâq), de wachtperiode (‘idda) die daarop volgt, het verblijf en het levensonderhoud van de gescheiden vrouw, en het getuigenis bij scheiding en terugname. Zij opent met een rechtstreekse aanspreking van de Profeet ﷺ: ‘O Profeet, wanneer jullie van de vrouwen scheiden, scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode.’

De soera weeft door deze wetgeving heen een tweede, dieper thema: de godvrezendheid (taqwâ). Telkens wordt herhaald dat wie Allah vreest een uitweg krijgt, voorzien wordt vanwaar hij het niet verwacht, het moeilijke makkelijk gemaakt krijgt, en wiens zonden worden uitgewist. Daarna waarschuwt zij met het lot van opstandige volkeren uit het verleden, herinnert zij aan de Boodschapper die de gelovigen uit de duisternis naar het licht voert, en sluit zij af met de geweldigheid van Allah — die zeven hemelen en evenzoveel aarden schiep — opdat de mens Zijn almacht en alomvattende kennis zou kennen.

Verzen 1-4

﴿ ١ ﴾

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِىُّ إِذَا طَلَّقْتُمُ ٱلنِّسَآءَ فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ وَأَحْصُوا۟ ٱلْعِدَّةَ ۖ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ رَبَّكُمْ ۖ لَا تُخْرِجُوهُنَّ مِنۢ بُيُوتِهِنَّ وَلَا يَخْرُجْنَ إِلَّآ أَن يَأْتِينَ بِفَٰحِشَةٍۢ مُّبَيِّنَةٍۢ ۚ وَتِلْكَ حُدُودُ ٱللَّهِ ۚ وَمَن يَتَعَدَّ حُدُودَ ٱللَّهِ فَقَدْ ظَلَمَ نَفْسَهُۥ ۚ لَا تَدْرِى لَعَلَّ ٱللَّهَ يُحْدِثُ بَعْدَ ذَٰلِكَ أَمْرًۭا

Yaaa ayyuhan nabiyyu izaa tallaqtummun nisaaa'a fatalliqoohunna li'iddatihinna wa ahsul'iddata; wattaqul laaha rabbakum laa tukhri joohunna mim bu-yootihinna wa laa yakhrujna illaaa any yaateema bifaahishatim mubaiyinah; wa tilka hudoodul laah; wa many yata'adda hudoodal laahi faqad zalama nafsha; laa tadree la'allal laaha yuhdisu ba'dazaalika amraa

65:1O Profeet als jullie van de vrouwen scheiden, scheidt dan van hen met inachtneming van hun perioden, en berekent de perioden (precies) en vreest Allah, jullie Heer. Verwijdert hen niet uit hun huizen en zij mogen (deze) niet verlaten, behalve wanneer zij duidelijk zedeloosheden begaan. Dat zijn de Wetten van Allah en wie de Wetten van Allah overschrijdt, die heeft waarlijk zichzelf onrecht aangedaan. Jij weet niet of Allah misschien daarna een nieuwe omstandigheid zal doen ontstaan.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De soera opent met een directe instructie aan de Profeet ﷺ en de gelovigen: scheid niet impulsief, maar met inachtneming van de wachtperiode (‘idda) — dat wil zeggen: in een reinheid waarin geen gemeenschap heeft plaatsgevonden — en tel die periode nauwkeurig. Dat beschermt ieders recht: dat van Allah, van de man, van de vrouw, en van wie haar later wil huwen. De gescheiden vrouw blijft in haar huis en wordt er niet uit gezet, tenzij zij iets openlijk zedeloos doet. En dan klinkt de hoopvolle wijsheid achter dit alles: ‘jij weet niet of Allah daarna iets nieuws doet ontstaan’ — namelijk dat het hart weer warm wordt en de man haar terugneemt.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Allah, de Verhevene, spreekt Zijn Profeet [Mohammed] ﷺ en de gelovigen aan: {O Profeet, wanneer jullie van de vrouwen scheiden} — dat wil zeggen: [wanneer] jullie hen wensen te scheiden — {dan}: zoek voor hun scheiding de voorgeschreven wijze, en haast je niet tot de scheiding zodra de aanleiding daartoe bestaat zonder acht te slaan op het gebod van Allah, maar {scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode} — dat wil zeggen: ten behoeve van hun wachtperiode; door dat haar man van haar scheidt terwijl zij rein is, in een reinheid waarin hij geen gemeenschap met haar heeft gehad. Dit is de scheiding waarbij de wachtperiode helder en duidelijk is — anders dan wanneer hij van haar scheidt terwijl zij menstrueert; want dan wordt die menstruatie waarin de scheiding plaatsvond niet meegerekend, en daardoor wordt haar wachtperiode langer; en evenzo wanneer hij van haar scheidt in een reinheid waarin hij gemeenschap met haar had, want dan is een zwangerschap niet uitgesloten, zodat niet duidelijk en niet helder is met welke wachtperiode zij haar wachttijd doormaakt. Allah, de Verhevene, gebood het tellen van de wachtperiode, dat wil zeggen: haar vaststellen aan de hand van de menstruaties wanneer zij menstrueert, of aan de hand van de maanden wanneer zij niet menstrueert en niet zwanger is; want in het tellen ervan ligt het vervullen van het recht van Allah, het recht van de scheidende man, het recht van wie haar daarna zal huwen, en haar recht op levensonderhoud en dergelijke. Wanneer haar wachtperiode is vastgesteld, kent men haar toestand met inzicht, en weet men welke rechten op haar rusten en welke rechten zij heeft. Dit gebod om de wachtperiode te tellen is gericht tot de man en tot de vrouw indien zij rechtsbekwaam is; zo niet, dan tot haar voogd. En Zijn woord: {en vreest Allah, jullie Heer} — dat wil zeggen: in al jullie zaken; en vreest Hem ten aanzien van het recht van de gescheiden echtgenotes. Dan: {Verwijdert hen niet uit hun huizen} gedurende de wachtperiode, maar zij blijft in het huis waarin haar man van haar scheidde toen zij daarin was. {En zij mogen niet vertrekken} — dat wil zeggen: het is hun niet toegestaan eruit te gaan. Wat het verbod om haar te verwijderen betreft: dat is omdat de man verplicht is de echtgenote onderdak te bieden opdat zij daarin haar wachtperiode voltooit, en dat is een van zijn rechten. En wat het verbod op háár vertrek betreft: dat is omdat in haar vertrek een verwaarlozing van het recht van de man ligt en een gebrek aan bescherming ervan. Dit verbod om uit de huizen te gaan en om eruit verwijderd te worden, blijft van kracht tot de wachtperiode voltooid is. {Behalve wanneer zij duidelijk zedeloosheid begaan} — dat wil zeggen: met iets afzichtelijks en duidelijks dat haar verwijdering rechtvaardigt, zodanig dat het niet-verwijderen schade berokkent aan de bewoners van het huis, zoals het toebrengen van leed door zedeloze woorden en daden; in dat geval is het hun toegestaan haar te verwijderen, want zij is het zelf die haar verwijdering veroorzaakte. Het onderdak is immers een troost voor haar gemoed en een zachtmoedigheid jegens haar; zij is het dus die de schade over zichzelf bracht. Dit geldt voor de herroepelijk gescheiden vrouw die in haar wachtperiode is; de onherroepelijk gescheiden vrouw daarentegen heeft geen verplicht onderdak, want het onderdak volgt op het levensonderhoud, en het levensonderhoud is verplicht voor de herroepelijk gescheiden vrouw, niet voor de onherroepelijk gescheiden vrouw. {Dat zijn de wetten van Allah} — dat wil zeggen: die Hij voor Zijn dienaren heeft afgebakend, voor hen heeft voorgeschreven en hun heeft geboden eraan vast te houden en daarbij stil te staan. {En wie de wetten van Allah overschrijdt} — door er niet bij stil te staan, maar ze te buiten te gaan of erin tekort te schieten — {die heeft waarlijk zichzelf onrecht aangedaan} — dat wil zeggen: hij heeft zichzelf zijn recht onthouden en zijn aandeel verspeeld in het volgen van de wetten van Allah, die juist het welzijn in deze wereld en in het Hiernamaals zijn. {Jij weet niet of Allah misschien daarna een nieuwe omstandigheid zal doen ontstaan} — dat wil zeggen: Allah heeft de wachtperiode voorgeschreven en de scheiding daaraan gebonden om geweldige wijsheden. Daartoe behoort: dat Allah misschien in het hart van de scheidende man barmhartigheid en genegenheid doet ontstaan, zodat hij haar van wie hij scheidde terugneemt en hun samenleven hervat; daartoe is hij gedurende de wachtperiode in staat. Of misschien scheidde hij van haar om een aanleiding van haarzelf, en die aanleiding verdwijnt gedurende de wachtperiode, zodat hij haar terugneemt nu de aanleiding tot de scheiding is weggevallen. En tot de wijsheden behoort dat het de periode van afwachting is waarin de vrijheid van haar baarmoeder ten opzichte van haar man bekend wordt.

Ibn Kathîr

بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَٰنِ الرَّحِيمِ — In de naam van Allah, de Meest Genadevolle, de Meest Barmhartige. (1. O Profeet! Wanneer jullie van de vrouwen scheiden, scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode (‘idda) en telt hun wachtperiode. En heb Taqwâ van Allah, jullie Heer. En verwijdert hen niet uit hun huizen, noch mogen zij vertrekken, behalve wanneer zij een duidelijke zedeloosheid (Fâhisha Mubayyina) begaan. En dat zijn de gestelde grenzen van Allah. En wie de gestelde grenzen van Allah overschrijdt, die heeft waarlijk zichzelf onrecht aangedaan. Jij weet niet, het kan zijn dat Allah daarna iets nieuws doet ontstaan.) Er is een periode waarin gescheiden vrouwen in hun huizen blijven. De Profeet ﷺ wordt in dit vers als eerste aangesproken, om hem te eren, ook al wordt zijn gemeenschap eveneens aangesproken in Allahs woord, {O Profeet! Wanneer jullie van de vrouwen scheiden, scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode}. Al-Bukhârî leverde over dat ‘Abdullah ibn ‘Umar van zijn vrouw scheidde tijdens het leven van de Boodschapper van Allah ﷺ, terwijl zij menstrueerde. ‘Umar ibn al-Khattâb vermeldde dat aan de Boodschapper van Allah ﷺ. De Boodschapper van Allah ﷺ werd boos en zei: “Beveel hem haar terug te nemen en haar te houden tot zij rein is van haar menstruatie, en dan te wachten tot zij haar volgende menstruatie krijgt en weer rein wordt. Indien hij dan van haar wenst te scheiden, kan hij van haar scheiden wanneer zij rein is van haar menstruatie, vóór hij gemeenschap met haar heeft gehad. Dit is de wachtperiode die Allah, de Verhevene en Meest Geëerde, heeft vastgesteld.” Al-Bukhârî leverde deze hadith op meerdere plaatsen in zijn Sahîh over. Muslim verzamelde deze hadith ook, en zijn overlevering gebruikt deze woorden: “Dit is de wachtperiode die Allah heeft vastgesteld waarvoor de vrouwen gescheiden moeten worden.” In zijn Sahîh heeft Muslim een hadith overgeleverd die een passender versie is, van een overlevering van Ibn Jurayj, die zei dat Abû az-Zubayr hem berichtte dat hij ‘Abdur-Rahmân ibn Ayman, de vrijgelaten slaaf van ‘Azza, ‘Abdullah ibn ‘Umar hoorde vragen — en Abû az-Zubayr hoorde de vraag: “Wat met een man die van zijn vrouw scheidt terwijl zij nog menstrueert?” ‘Abdullah antwoordde: “Tijdens de tijd van de Boodschapper van Allah ﷺ scheidde ‘Abdullah ibn ‘Umar van zijn vrouw die menstrueerde, in het leven van de Boodschapper van Allah ﷺ. De Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Laat hem haar terugnemen.’ Dus keerde zij terug, en hij ﷺ zei: ‘Wanneer zij rein is, scheid dan van haar of houd haar.’” ‘Abdullah ibn ‘Umar zei: “De Boodschapper van Allah ﷺ reciteerde dit vers: {O Profeet! Wanneer jullie van de vrouwen scheiden, scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode}.” En ‘Abdullah (Ibn Mas‘ûd) verklaarde Allahs woord {scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode}: hij zei: “Reinheid zonder gemeenschap.” Iets vergelijkbaars is overgeleverd van Ibn ‘Umar, ‘Atâ’, Mujâhid, al-Hasan, Ibn Sîrîn, Qatâda, Maymûn ibn Mihrân en Muqâtil ibn Hayyân. Het is ook overgeleverd van ‘Ikrima en ad-Dahhâk. ‘Alî ibn Abî Talha leverde over van Ibn ‘Abbâs over het vers {scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode}: “Hij scheidt niet van haar terwijl zij menstrueert, noch terwijl zij rein is als hij gedurende die (reinheid) gemeenschap heeft gehad. Veeleer laat hij haar tot zij menstrueert, en nadat de menstruatie eindigt, scheidt hij eenmaal van haar.” En ‘Ikrima zei over {scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode}: “De wachtperiode bestaat uit reinheid en de menstruatieperiode.” Dus scheidt hij van haar terwijl duidelijk is dat zij zwanger is, of hij doet het niet vanwege de gemeenschap, of omdat hij niet weet of zij zwanger is of niet. Daarom zeiden de geleerden dat er twee soorten scheiding zijn: een die in overeenstemming is met de Sunna en een andere die een innovatie is. De scheiding die in overeenstemming is met de Sunna is die waarbij de man één scheiding over zijn vrouw uitspreekt wanneer zij niet menstrueert en zonder dat hij na het einde van de menstruatie gemeenschap met haar heeft gehad. Men kan ook van zijn vrouw scheiden wanneer duidelijk is dat zij zwanger is. Wat de geïnnoveerde scheiding betreft: die vindt plaats wanneer iemand van zijn vrouw scheidt terwijl zij menstrueert, of nadat de menstruatie eindigt en hij gemeenschap met haar heeft gehad en daarna van haar scheidt, ook al weet hij niet of zij zwanger is geworden of niet. Er is een derde soort scheiding, die noch een Sunna noch een innovatie is, namelijk wanneer iemand scheidt van een jonge echtgenote die nog niet begonnen is te menstrueren, of van de echtgenote die voorbij de leeftijd van menstruatie is, en het scheiden van zijn echtgenote voordat het huwelijk geconsumeerd is. Allah zei: {en telt hun wachtperiode} — dat wil zeggen: telt die en weet haar begin en einde, zodat de wachtperiode niet voor de vrouw verlengd wordt en zij niet weer kan huwen. {En heb Taqwâ van Allah, jullie Heer} in deze zaak. Levensonderhoud en onderdak zijn de plicht van de man tijdens de herroepelijke wachtperiode. Allah zei: {En verwijdert hen niet uit hun huizen, noch mogen zij vertrekken} — dat wil zeggen: gedurende de duur van de wachtperiode heeft zij recht op onderdak van haar man, zolang de wachtperiode voortduurt. Daarom heeft de man niet het recht haar uit haar huis te verdrijven, en het is haar niet toegestaan zijn huis te verlaten, omdat zij nog gebonden is aan het huwelijkscontract. Allah zei: {behalve wanneer zij een duidelijke zedeloosheid (Fâhisha Mubayyina) begaan} — dat wil zeggen dat de gescheiden vrouw het huis van haar man niet mag verlaten, tenzij zij een Fâhisha Mubayyina begaat, in welk geval zij het huis van haar man verlaat. Fâhisha Mubayyina duidt bijvoorbeeld op overspel, volgens ‘Abdullah ibn Mas‘ûd, Ibn ‘Abbâs, Sa‘îd ibn al-Musayyib, ash-Sha‘bî, al-Hasan, Ibn Sîrîn, Mujâhid, ‘Ikrima, Sa‘îd ibn Jubayr, Abû Qilâba, Abû Sâlih, ad-Dahhâk, Zayd ibn Aslam, ‘Atâ’ al-Khurâsânî, as-Suddî, Sa‘îd ibn Hilâl en anderen. Fâhisha Mubayyina duidt ook op het openlijk ongehoorzaam zijn aan haar man, of wanneer zij de familie van haar man beledigt in woorden en daden, volgens Ubayy ibn Ka‘b, Ibn ‘Abbâs, ‘Ikrima en anderen. Allahs woord {En dat zijn de gestelde grenzen van Allah} betekent: dit behoort tot Zijn wetgeving en verboden. {En wie de gestelde grenzen van Allah overschrijdt} — dat wil zeggen: wie deze grenzen schendt, ze overtreedt en iets anders dan ze ten uitvoer brengt — {die heeft waarlijk zichzelf onrecht aangedaan} door zo te handelen. De wijsheid van de wachtperiode in het huis van de man. Allah zei: {Jij weet niet, het kan zijn dat Allah daarna iets nieuws doet ontstaan} — dat wil zeggen: ‘Wij geboden dat de gescheiden vrouw gedurende de wachtperiode in het huis van haar man blijft, zodat de man spijt zou kunnen krijgen van zijn daad en Allah beschikt dat de man in zijn hart het voortzetten van het huwelijk gaat verlangen.’ Op die manier valt het terugkeren naar zijn vrouw hem gemakkelijker. Az-Zuhrî zei dat ‘Ubaydullah ibn ‘Abdullah zei dat Fâtima bint Qays over Allahs woord {Jij weet niet, het kan zijn dat Allah daarna iets nieuws doet ontstaan} zei: “Haar terugnemen.” Iets vergelijkbaars is gezegd door ash-Sha‘bî, ‘Atâ’, Qatâda, ad-Dahhâk, Muqâtil ibn Hayyân en ath-Thawrî. De onherroepelijk gescheiden vrouw heeft geen recht op levensonderhoud en onderdak van de man. Hier is het standpunt van de geleerden van de Salaf en hun navolgers dat onderdak niet verplicht is in het geval van de onherroepelijk gescheiden vrouw. Zij steunden ook op de hadith van Fâtima bint Qays al-Fihriyya, toen haar man Abû ‘Amr ibn Hafs voor de derde en laatste maal van haar scheidde. Hij was destijds van haar verwijderd in Jemen, en hij zond haar zijn scheidingsbesluit toe. Hij zond ook wat gerst met zijn bode, maar zij was niet tevreden met de hoeveelheid of de wijze van vergoeding. Hij zei: “Bij Allah, ik ben niet verplicht op jou uit te geven.” Dus ging zij naar de Boodschapper van Allah ﷺ, die zei: “Hij is niet verplicht op jou uit te geven.” Muslim voegde in zijn overlevering toe: “noch onderdak.” En hij beval haar haar wachtperiode te voltooien in het huis van Umm Sharîk. Daarna zei hij: “Zij is een vrouw die mijn Metgezellen bezoeken. Breng deze periode door in het huis van Ibn Umm Maktûm, want hij is een blinde man; [hij kan je niet zien als] je je kledij aflegt.” Imâm Ahmad verzamelde deze hadith via een andere keten van overlevering. In zijn overlevering zei de Boodschapper van Allah ﷺ: “Kijk, o dochter van de familie van Qays! Levensonderhoud en onderdak zijn vereist van de man die naar zijn vrouw kan terugkeren. Dus indien hij niet het recht heeft naar haar terug te keren, dan heeft zij geen recht op levensonderhoud en onderdak. Verlaat dus zijn huis en ga naar die-en-die vrouw.” Daarna zei hij: “Men spreekt tot haar. Ga daarom naar Ibn Umm Maktûm, want hij is een blinde man en kan je niet zien.” Abû al-Qâsim at-Tabarânî leverde over dat ‘Âmir ash-Sha‘bî naar Fâtima bint Qays ging, de zuster van ad-Dahhâk ibn Qays, uit de stam Quraysh. Fâtima was getrouwd met Abû ‘Amr ibn Hafs ibn al-Mughîra, uit Banî Makhzûm. Zij zei: “Abû ‘Amr ibn Hafs zond mij zijn scheidingsbesluit toe terwijl hij in een leger was dat naar Jemen was getrokken. Ik vroeg zijn vrienden mij van levensonderhoud en onderdak te voorzien. Zij zeiden: ‘Hij heeft ons daarvoor niets gezonden, noch heeft hij het van ons gevraagd.’ Ik ging naar de Boodschapper van Allah ﷺ en zei tegen hem: ‘O Boodschapper van Allah! Abû ‘Amr ibn Hafs scheidde van mij, en ik vroeg zijn vrienden mij van levensonderhoud en onderdak te voorzien, en zij zeiden dat hij hun daarvoor niets had gezonden.’ De Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Levensonderhoud en onderdak zijn enkel vereist van de man voor zijn gescheiden vrouw indien hij naar haar kan terugkeren. Indien zij niet meer toegestaan voor hem is, totdat zij een andere man huwt, dan hoeft hij haar geen levensonderhoud en onderdak te geven.’” An-Nasâ'î leverde deze overlevering eveneens over.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim toont aan dat het oordeel van de Boodschapper van Allah ﷺ — dat er voor de onherroepelijk gescheiden vrouw geen levensonderhoud noch onderdak is — overeenstemt met het Boek van Allah. Hij begint met de wijze waarop dit vers de timing van de scheiding vaststelt: {scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode}; de lâm hierin is de lâm van de tijd, dat wil zeggen: scheidt van hen in de tijd van hun wachtperiode — zoals in Zijn woord {En Wij plaatsen de rechtvaardige weegschalen voor (lit. ‘voor’) de Dag der Opstanding}, dat wil zeggen: óp de Dag der Opstanding, en {Verricht het gebed voor (lit. ‘voor’) het neigen van de zon}, dat wil zeggen: in de tijd van het neigen. De Arabieren zeggen: ‘ik kwam tot je voor (= in) de drie dagen die van de maand resteren.’ De Profeet ﷺ heeft dit vers zelf met deze uitleg verklaard, want in de twee Sahîhs staat van Ibn ‘Umar, moge Allah tevreden over hem zijn, dat toen hij van zijn vrouw scheidde terwijl zij menstrueerde, de Profeet ﷺ hem beval haar terug te nemen en daarna van haar te scheiden terwijl zij rein was, vóór hij haar aanraakte, en toen zei: “Dit is de wachtperiode die Allah heeft bevolen waarvoor de vrouwen gescheiden moeten worden.” Zo verduidelijkte de Profeet ﷺ dat de wachtperiode waarvoor Allah heeft bevolen dat de vrouwen gescheiden worden, de reinheid is die na de menstruatie komt; en als de qur’ (telperiode) de menstruatie was, zou hij vóór de wachtperiode hebben gescheiden in plaats van in de wachtperiode, en dat zou een verlenging voor haar zijn, wat niet toegestaan is, net als wanneer hij van haar scheidt tijdens de menstruatie. Vervolgens haalt hij het oordeel van de Boodschapper van Allah ﷺ aan dat overeenstemt met het Boek van Allah: dat er voor de onherroepelijk gescheiden vrouw (al-mabtûta) geen levensonderhoud noch onderdak is. Muslim leverde in zijn Sahîh over van Fâtima bint Qays dat Abû ‘Amr ibn Hafs definitief van haar scheidde terwijl hij afwezig was; hij zond haar via zijn gemachtigde wat gerst, maar zij was er ontstemd over, waarop hij zei: “Bij Allah, jij hebt geen enkel recht op ons.” Toen kwam zij bij de Boodschapper van Allah ﷺ en vermeldde dat aan hem en wat hij gezegd had, waarop hij zei: “Hij is niet verplicht jou levensonderhoud te geven”, en hij beval haar haar wachtperiode te voltooien in het huis van Umm Sharîk. Daarna zei hij: “Zij is een vrouw die mijn metgezellen bezoeken; voltooi je wachtperiode bij Ibn Umm Maktûm, want hij is een blinde man bij wie je je kledij kunt afleggen; en als je je wachtperiode hebt voltooid, laat het mij dan weten.” Zij zei: “Toen ik mijn wachtperiode had voltooid, vermeldde ik hem dat Mu‘âwiya ibn Abî Sufyân en Abû Jahm mij ten huwelijk hadden gevraagd. De Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Wat Abû Jahm betreft, hij legt zijn stok niet van zijn schouder af, en wat Mu‘âwiya betreft, hij is een arme stakker zonder bezit; huw Usâma ibn Zayd.’ Ik vond dat onwelgevallig, maar hij zei opnieuw: ‘Huw Usâma ibn Zayd.’ Dus huwde ik hem, en Allah legde daarin het goede en ik werd benijd.” En in zijn Sahîh staat ook van haar dat haar man van haar scheidde in de tijd van de Boodschapper van Allah ﷺ, en hij gaf haar slechts een geringe onderhoudsbijdrage. Toen zij dat zag, zei zij: “Bij Allah, ik zal het de Boodschapper van Allah ﷺ laten weten; heb ik recht op levensonderhoud, dan neem ik wat mij toekomt, en heb ik geen recht op levensonderhoud, dan neem ik er niets van.” Zij zei: “Ik vermeldde dat de Boodschapper van Allah ﷺ, en hij zei: ‘Je hebt geen recht op levensonderhoud noch op onderdak.’” Daarna toont hij hoe dit oordeel overeenstemt met het Boek van Allah, de Verhevene en Verheven. Allah, de Verhevene, zei: {O Profeet! Wanneer jullie van de vrouwen scheiden, scheidt dan van hen met inachtneming van hun wachtperiode en telt de wachtperiode en vreest Allah, jullie Heer; verwijdert hen niet uit hun huizen en zij mogen niet vertrekken, behalve wanneer zij een duidelijke zedeloosheid begaan; en dat zijn de wetten van Allah, en wie de wetten van Allah overschrijdt heeft waarlijk zichzelf onrecht aangedaan; jij weet niet, misschien doet Allah daarna iets nieuws ontstaan — en wanneer zij hun termijn bereiken, houdt hen dan op een goede wijze of scheidt van hen op een goede wijze, en neemt twee rechtvaardigen uit jullie midden als getuigen en houdt de getuigenis voor Allah staande} tot Zijn woord {Allah heeft voor alle zaken een maatgeving bepaald}. Allah, glorie zij Hem, gebood de echtgenoten die bij het bereiken van de termijn het recht van terugnemen en van vrijlaten hebben, hun echtgenotes niet uit hun huizen te verdrijven, en gebood hun echtgenotes niet te vertrekken. Dit wijst erop dat het toegestaan is haar te verwijderen wier man na de scheiding geen recht meer heeft haar te houden; want Hij, glorie zij Hem, vermeldde voor deze gescheiden vrouwen samenhangende bepalingen die niet van elkaar te scheiden zijn. De eerste: dat de echtgenoten hen niet uit hun huizen verdrijven. De tweede: dat zij niet uit de huizen van hun echtgenoten vertrekken. De derde: dat hun echtgenoten het recht hebben hen op een goede wijze terug te nemen vóór het verstrijken van de termijn, dan wel dat terugnemen te laten en hen op weldadige wijze vrij te laten. De vierde: het getuigen van twee rechtvaardigen, en dat is een getuigenis over de terugname, hetzij verplicht hetzij aanbevolen. Hij, glorie zij Hem, wees op de wijsheid daarvan, en dat dit specifiek de herroepelijk gescheiden vrouwen betreft, met Zijn woord: {Jij weet niet, misschien doet Allah daarna iets nieuws ontstaan}. De zaak waarvan men hoopt dat zij hier ontstaat, is de terugname. Zo zeiden de Salaf en wie na hen kwamen. Ibn Abî Shayba leverde over, via Abû Mu‘âwiya, van Dâwûd al-Awdî, van ash-Sha‘bî over {Jij weet niet, misschien doet Allah daarna iets nieuws ontstaan}: hij zei: “Misschien krijg jij spijt, zodat je een weg hebt tot de terugname.” Ad-Dahhâk zei over {misschien doet Allah daarna iets nieuws ontstaan}: “Misschien neemt hij haar terug tijdens de wachtperiode.” Datzelfde zeiden ‘Atâ’, Qatâda en al-Hasan. En reeds is het woord van Fâtima bint Qays voorbijgekomen: “Welke zaak ontstaat er na drie (scheidingen)?” Dit wijst erop dat de bedoelde scheiding de herroepelijke is, waarin deze bepalingen vaststaan, en dat de wijsheid van de Wijste der rechters en de Barmhartigste der barmhartigen dit zo heeft beschikt: misschien krijgt de man spijt en verdwijnt het kwaad dat de Satan tussen hen heeft gezaaid, zodat zijn ziel naar haar verlangt en hij haar terugneemt — zoals ‘Alî ibn Abî Tâlib, moge Allah tevreden over hem zijn, zei: “Als de mensen het gebod van Allah inzake de scheiding zouden opvolgen, zou geen man ooit zijn ziel laten verlangen naar een vrouw van wie hij scheidt.”

﴿ ٢ ﴾

فَإِذَا بَلَغْنَ أَجَلَهُنَّ فَأَمْسِكُوهُنَّ بِمَعْرُوفٍ أَوْ فَارِقُوهُنَّ بِمَعْرُوفٍۢ وَأَشْهِدُوا۟ ذَوَىْ عَدْلٍۢ مِّنكُمْ وَأَقِيمُوا۟ ٱلشَّهَٰدَةَ لِلَّهِ ۚ ذَٰلِكُمْ يُوعَظُ بِهِۦ مَن كَانَ يُؤْمِنُ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْءَاخِرِ ۚ وَمَن يَتَّقِ ٱللَّهَ يَجْعَل لَّهُۥ مَخْرَجًۭا

Fa izaa balaghna ajalahunna fa amsikoohunna bima'roofin aw faariqoohunna bima'roofinw wa ashhidoo zawai 'adlim minkum wa aqeemush shahaadata lillaah; zaalikum yoo'azu bihee man kaana yu'minu billaahi wal yawmil aakhir; wa many yattaqil laaha yaj'al lahoo makhrajaa

65:2Wanneer zij dan hun termijn bereikt hebben, behoudt hen dan volgens de voorschriften of scheidt van hen volgens de voorschriften, en neemt twee rechtvaardige personen als getuigen. En weest oprecht in de getuigenis voor Allah. Dat is waartoe jullie gemaand worden, (voor) wie gelooft in Allah en in de Laatste Dag. En wie Allah vreest die zal Hij een oplossing geven.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Aan het einde van de wachtperiode staat de man voor een keuze, en beide kanten moeten waardig: óf haar behouden in goed samenleven, óf van haar scheiden in goedheid — nooit haar vasthouden om te kwellen, en nooit scheiden met scheldpartijen of dwang. Twee rechtvaardige getuigen sluiten de deur naar latere twist. En dan komt de grote belofte die heel de soera draagt: wie Allah vreest, krijgt een uitweg. De scheiding mag dan benauwen, maar godvrezendheid opent ruimte waar de mens er geen ziet.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

En Zijn woord: {Wanneer zij dan hun termijn bereiken} — dat wil zeggen: [wanneer] zij het einde van de wachtperiode naderen; want als zij uit de wachtperiode zouden zijn, zou de man niet meer de keuze hebben tussen behouden en scheiden. {Behoudt hen dan volgens de voorschriften} — dat wil zeggen: op de wijze van goed samenleven en mooi gezelschap, niet op de wijze van benadeling en het verlangen naar kwaad en opsluiting; want haar op die wijze behouden is niet toegestaan. {Of scheidt van hen volgens de voorschriften} — dat wil zeggen: een scheiding waarin niets verwerpelijks is, zonder onderlinge scheldpartijen, zonder twist, en zonder haar te dwingen iets van haar bezit af te staan. {En neemt als getuigen} — over haar scheiding en haar terugname — {twee rechtvaardige personen uit jullie midden} — dat wil zeggen: twee rechtvaardige moslimmannen; want in het genoemde getuigenis ligt het sluiten van de deur naar twist, en het verhinderen dat ieder van beiden iets verzwijgt wat verklaard moet worden. {En weest oprecht} — o getuigen — {in de getuigenis voor Allah} — dat wil zeggen: brengt haar uit zoals zij is, zonder toevoeging en zonder vermindering, en beoogt met het afleggen ervan het aangezicht van Allah, de Verhevene; en spaart daarbij geen verwant vanwege zijn verwantschap, noch een vriend vanwege de liefde voor hem. {Dat} — wat Wij voor jullie genoemd hebben aan bepalingen en grenzen — {is waartoe wie in Allah en de Laatste Dag gelooft gemaand wordt}; want het geloof in Allah en de Laatste Dag verplicht degene die het bezit zich de vermaningen van Allah ter harte te nemen en voor zijn Hiernamaals zoveel goede daden te verrichten als hij kan — in tegenstelling tot degene uit wiens hart het geloof is weggetrokken; die geeft niet om het kwaad waaraan hij zich waagt en acht de vermaningen van Allah niet hoog, omdat de aanleiding daartoe ontbreekt. En aangezien de scheiding soms in benauwdheid, leed en verdriet kan storten, gebood Allah, de Verhevene, Zijn godvrezendheid en beloofde Hij wie Hem vreest in de scheiding en in al het andere, dat Hij hem een verlichting en een uitweg zal verschaffen. Wanneer de dienaar dus de scheiding wenst en haar verricht op de voorgeschreven wijze — door haar éénmaal te voltrekken, niet tijdens de menstruatie en niet in een reinheid waarin hij gemeenschap met haar had — dan wordt de zaak niet benauwd voor hem, maar verschaft Allah hem een verlichting en ruimte waardoor hij in staat is naar het huwelijk terug te keren wanneer hij spijt krijgt van de scheiding. En ofschoon het vers in de context van scheiding en terugname staat, geldt de lering door de algemeenheid van de bewoording: ieder die Allah [de Verhevene] vreest en in al zijn omstandigheden Zijn welbehagen blijft nastreven, hem zal Allah belonen in deze wereld en in het Hiernamaals; en tot Zijn beloning behoort dat Hij hem een verlichting en een uitweg verschaft uit elke moeilijkheid en last. En zoals Hij voor wie Hem vreest een verlichting en een uitweg verschaft, zo valt wie Allah niet vreest in de banden en boeien waaruit hij zich niet kan bevrijden en waarvan hij de gevolgen niet kan ontlopen. Bedenk dat in de scheiding: wanneer de dienaar Allah daarin niet vreest, maar haar voltrekt op de verboden wijze — zoals een drievoudige scheiding en dergelijke — dan zal hij onvermijdelijk spijt krijgen, een spijt die hij niet kan herstellen en waaruit hij niet kan ontkomen.

Ibn Kathîr

(2. Wanneer zij dan hun termijn bijna bereiken, behoudt hen dan op een goede wijze of scheidt van hen op een goede wijze. En neemt twee rechtvaardige personen uit jullie midden als getuigen. En houdt de getuigenis voor Allah staande. Dat zal een vermaning zijn voor wie in Allah en de Laatste Dag gelooft. En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken. 3. En Hij zal hem voorzien vanwaar hij het zich nooit kon voorstellen. En wie zijn vertrouwen op Allah stelt, voor hem zal Hij voldoende zijn. Voorwaar, Allah zal Zijn doel bereiken. Allah heeft inderdaad voor alle dingen een maat gesteld.) Het voorschrijven van vriendelijkheid jegens gescheiden vrouwen. Allah, de Verhevene, zegt dat wanneer de vrouw die in haar wachtperiode is het einde van de wachtperiode nadert, de man moet besluiten zich met haar te verzoenen en zo hun huwelijk bijeen te houden, {op een goede wijze}, terwijl hij vriendelijk voor haar is in hun samenleven. Anders moet hij besluiten op goede voorwaarden van haar te scheiden, zonder haar te beledigen, te vervloeken of te berispen. Integendeel, hij moet op goede voorwaarden van haar scheiden, met inachtneming van vriendelijkheid en goede manieren. Het gebod om getuigen te hebben voor de terugname. Allah zei: {En neemt twee rechtvaardige personen uit jullie midden als getuigen} — dat wil zeggen: bij het terugnemen van haar, indien dat jullie besluit is. Abû Dâwûd en Ibn Mâdja leverden over dat ‘Imrân ibn Husayn werd gevraagd over een man die van zijn vrouw scheidde en daarna gemeenschap met haar had, zonder getuigen op de hoogte te stellen van wanneer hij van haar scheidde en wanneer hij haar terugnam. ‘Imrân zei: “Zijn scheiding en zijn terugname waren in strijd met de Sunna. Betrek getuigen bij het scheiden van haar en het terugnemen van haar, en herhaal je gedrag niet.” Ibn Jurayj zei dat ‘Atâ’ het vers {En neemt twee rechtvaardige personen uit jullie midden als getuigen} verklaarde: “Het is niet toegestaan te huwen, te scheiden of de gescheiden vrouw terug te nemen behalve met twee rechtvaardige getuigen, juist zoals Allah, de Verhevene, heeft gezegd, behalve wanneer er een geldig excuus is.” Allahs woord {Dat zal een vermaning zijn voor wie in Allah en de Laatste Dag gelooft} betekent: ‘dit, Ons gebod aan jullie om in zulke gevallen getuigen te hebben en de getuigenis staande te houden, wordt ten uitvoer gebracht door wie in Allah en de Laatste Dag gelooft.’ Deze wetgeving is bedoeld om hen ten goede te komen die Allahs bestraffing in het Hiernamaals vrezen. Allah voorziet, is voldoende en maakt een uitweg uit elke moeilijkheid voor wie Taqwâ heeft. Allah zei: {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken. En Hij zal hem voorzien vanwaar hij het zich nooit kon voorstellen} — dat wil zeggen: wie Taqwâ van Allah heeft in wat Hij heeft geboden en vermijdt wat Hij heeft verboden, voor hem zal Allah een uitweg maken uit elke moeilijkheid en hem voorzien uit bronnen die hij nooit verwachtte of waaraan hij nooit dacht. Ibn Abî Hâtim leverde over dat ‘Abdullah ibn Mas‘ûd zei: “Het meest omvattende vers in de Koran is {Voorwaar, Allah gebiedt rechtvaardigheid (al-‘Adl) en het goede doen (al-Ihsân)} (16:90). Het grootste vers in de Koran dat verlichting bevat, is {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}.” ‘Ikrima verklaarde het vers eveneens: “Wie scheidt zoals Allah hem heeft geboden, voor hem zal Allah een uitweg maken.” Iets vergelijkbaars is overgeleverd van Ibn ‘Abbâs en ad-Dahhâk. ‘Abdullah ibn Mas‘ûd en Masrûq verklaarden het vers {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}: “Het betreft wanneer iemand weet dat Allah geeft als Hij wil en onthoudt als Hij wil, {vanwaar hij het zich nooit kon voorstellen} — uit bronnen die hij niet verwachtte.” Qatâda zei over {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}: “dat wil zeggen, uit elke twijfel en uit de verschrikkingen die op het moment van de dood worden ervaren, {En Hij zal hem voorzien vanwaar hij het zich nooit kon voorstellen} — vanwaar hij het nooit dacht of verwachtte.” Allah zei: {En wie zijn vertrouwen op Allah stelt, voor hem zal Hij voldoende zijn.} Imâm Ahmad leverde over dat Ibn ‘Abbâs zei dat hij op de kameel van de Profeet ﷺ reed, achter de Profeet ﷺ gezeten, en de Boodschapper van Allah ﷺ zei tegen hem: “O jongen! Ik zal je woorden leren [leer ze dus]. Wees Allah indachtig en Hij zal je beschermen, wees Allah indachtig en je zult Hem aan jouw zijde vinden. Als je vraagt, vraag Allah, en als je hulp zoekt, zoek die bij Allah. Weet dat als de gemeenschap haar kracht zou verzamelen om jou tot voordeel te zijn, zij je nooit tot voordeel zouden zijn, behalve met iets dat Allah voor jou heeft beschikt. Weet dat als zij hun kracht zouden verzamelen om je te schaden, zij je nooit zouden schaden, behalve met iets dat Allah tegen jou heeft beschikt. De pennen zijn opgeheven en de bladen zijn droog.” At-Tirmidhî verzamelde deze hadith en zei: “Hasan Sahîh.” Allahs woord {Voorwaar, Allah zal Zijn doel bereiken} betekent: Allah zal Zijn beslissingen en oordeel die Hij voor hem heeft gemaakt ten uitvoer brengen, op welke wijze Hij ook wil en kiest. {Allah heeft inderdaad voor alle dingen een maat gesteld.} Dit is zoals Zijn woord: {En alles bij Hem is in (juiste) maat} (13:8).

Ibn al-Qayyim

In samenhang met de samenhangende bepalingen van het vorige vers behandelt Ibn al-Qayyim Zijn woord: {En wanneer zij hun termijn bereiken, houdt hen dan op een goede wijze of scheidt van hen op een goede wijze en neemt twee rechtvaardigen uit jullie midden als getuigen}. Hij verklaart dat hieruit blijkt dat de echtgenoten bij het bereiken van de termijn het recht hebben van behouden en vrijlaten, en dat het getuigen van twee rechtvaardigen een getuigenis over de terugname is, hetzij verplicht hetzij aanbevolen, en dat Allah hier de wijsheid van die bepalingen aanduidt — namelijk dat zij specifiek de herroepelijk gescheiden vrouwen betreffen — met Zijn woord: {Jij weet niet, misschien doet Allah daarna iets nieuws ontstaan}, want de zaak waarvan men hoopt dat zij ontstaat, is de terugname. Daarom was het woord van de Profeet ﷺ: «Levensonderhoud en onderdak zijn enkel voor de vrouw wanneer haar man het recht van terugname over haar heeft» ontleend aan het Boek van Allah, een verklaring ervan en een uiteenzetting van de bedoeling van de Spreker ervan. Zo blijkt de eenheid van het oordeel van de Boodschapper van Allah ﷺ en het Boek van Allah; ook de rechtvaardige weegschaal (de zuivere rede) wijkt daarvan niet af, want het levensonderhoud komt enkel toe aan de echtgenote: wanneer zij onherroepelijk van hem gescheiden is, wordt zij een vreemde, met hetzelfde oordeel als alle vreemde vrouwen, en blijft er enkel het doormaken van haar wachtperiode over, wat haar geen levensonderhoud verschaft — net als degene met wie ten onrechte of in ontucht gemeenschap is gehad. Bovendien is het levensonderhoud enkel verschuldigd in ruil voor de mogelijkheid tot het genieten (van het huwelijk), en dat genieten is na haar onherroepelijke scheiding niet mogelijk. En als het levensonderhoud haar verschuldigd zou zijn vanwege haar wachtperiode, zou het ook verschuldigd zijn aan de weduwe uit het bezit van de overledene, en er is volstrekt geen verschil tussen beide: ieder van hen is van hem afgescheiden en doet haar wachtperiode jegens hem door, en bij beiden is het genieten onmogelijk geworden. En als haar het onderdak verschuldigd zou zijn, zou haar ook het levensonderhoud verschuldigd zijn, zoals wie het verplicht stelt zegt. Dat haar echter wél het onderdak maar niet het levensonderhoud verschuldigd zou zijn — daartegen verzetten zich de tekst en de analogie. Dit is het standpunt van ‘Abdullah ibn ‘Abbâs en zijn metgezellen, van Jâbir ibn ‘Abdullah, en van Fâtima bint Qays, een van de vrouwelijke rechtsgeleerden onder de Metgezellen — Fâtima placht hierover te debatteren — en daarmee zeggen Ahmad ibn Hanbal en zijn metgezellen, Ishâq ibn Râhawayh en zijn metgezellen, Dâwûd ibn ‘Alî en zijn metgezellen, en alle mensen van de hadith. Voor de rechtsgeleerden zijn er in deze kwestie drie standpunten, en dat zijn drie overleveringen van Ahmad: het eerste is dit. Het tweede: dat zij recht heeft op levensonderhoud en onderdak, en dat is het standpunt van ‘Umar ibn al-Khattâb, Ibn Mas‘ûd en de rechtsgeleerden van Kûfa. Het derde: dat zij recht heeft op onderdak maar niet op levensonderhoud, en dat is de leer van de mensen van Medina, en daarmee zeggen Mâlik en ash-Shâfi‘î. Vervolgens behandelt hij Zijn woord: {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}. Ar-Rabî‘ ibn Khuthaym zei: “Hij maakt voor hem een uitweg uit alles wat de mensen benauwt.” Abû al-‘Âliya zei: “Een uitweg uit elke moeilijkheid”, en dit omvat de moeilijkheden van deze wereld en van het Hiernamaals, en de benauwdheden van deze wereld en van het Hiernamaals; want Allah maakt voor de godvrezende een uitweg uit alles wat de mensen benauwt en hun zwaar valt in deze wereld en in het Hiernamaals. Al-Hasan zei: “Een uitweg uit datgene wat Hij hem verboden heeft.” En Ibn Mâdja en Ibn Abî d-Dunyâ leverden over van Abû Dharr, moge Allah tevreden over hem zijn, van de Profeet ﷺ, dat hij zei: “Als de mensen allemaal naar dit vers zouden handelen, zou het hun genoeg zijn.” Weet — zegt Ibn al-Qayyim — dat wie Allah vreest in zijn scheiding, en scheidt zoals Allah en Zijn Boodschapper het hem hebben geboden en het hem hebben voorgeschreven, daarmee al het andere bespaard blijft; daarom zei Allah, de Verhevene, nadat Hij het oordeel van de voorgeschreven scheiding had genoemd: {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}. Als de meeste mensen die scheiden Allah zouden vrezen, zouden zij door hun godvrezendheid de banden en boeien, het bedrog en de listen niet nodig hebben; want de scheiding die Allah, glorie zij Hem, heeft voorgeschreven is: dat hij van haar scheidt terwijl zij rein is, zonder gemeenschap, en eenmaal van haar scheidt, en haar dan met rust laat tot haar wachtperiode verstrijkt. Wenst hij haar tijdens de wachtperiode te behouden, dan behoudt hij haar; en neemt hij haar niet terug tot haar wachtperiode is verstreken, dan kan zij vrij over zichzelf beschikken zonder een andere man; en heeft hij geen behoefte meer aan haar, dan schaadt het hem niet dat zij een andere man huwt. Wie zo handelt, krijgt geen spijt en heeft geen list met een (tussen)echtgenoot noch een tahlîl nodig. Daarom werd Ibn ‘Abbâs gevraagd over een man die honderdmaal van zijn vrouw scheidde; hij zei: “Je bent ongehoorzaam geweest aan je Heer en je hebt je vrouw verlaten; je hebt Allah niet gevreesd zodat Hij voor jou een uitweg zou maken.” En Sa‘îd ibn Jubayr zei: “Een man kwam bij Ibn ‘Abbâs en zei: ‘Ik heb mijn vrouw duizendmaal verstoten.’ Hij zei: ‘Drie maken je vrouw voor jou verboden, en de rest is zonde; je hebt de tekenen van Allah tot spot genomen.’” En Mujâhid zei: “Ik was bij Ibn ‘Abbâs toen een man bij hem kwam en zei dat hij zijn vrouw driemaal had verstoten. Hij zweeg, tot ik dacht dat hij haar aan hem zou teruggeven, en zei toen: ‘De een van jullie gaat heen en begaat de dwaasheid, en zegt dan: o Ibn ‘Abbâs, o Ibn ‘Abbâs! Maar Allah, de Verhevene, heeft gezegd: {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}, en jij hebt Allah niet gevreesd, dus vind ik voor jou geen uitweg; je bent ongehoorzaam geweest aan je Heer en je vrouw is onherroepelijk van je gescheiden.’” Dit vermeldde Abû Dâwûd. En an-Nasâ'î leverde over van Mahmûd ibn Labîd, die zei: “De Boodschapper van Allah ﷺ werd bericht over een man die zijn vrouw met drie verstotingen tegelijk had verstoten; hij stond boos op en zei toen: ‘Wordt er met het Boek van Allah gespeeld terwijl ik nog onder jullie ben?’ — totdat een man opstond en zei: ‘O Boodschapper van Allah, zal ik hem niet doden?’” Zijn woord, de Verhevene: {En wie zijn vertrouwen op Allah stelt, voor hem is Hij voldoende; voorwaar, Allah bereikt Zijn doel; Allah heeft voor alle dingen een maat gesteld} — dat wil zeggen: Hij is voldoende voor wie op Hem vertrouwt in zijn rampen en zijn aangelegenheden; Hij is hem voldoende in alles wat hem bekommert. ‘Hasb’ is ‘het voldoende zijnde’: {Allah is ons voldoende} betekent: Allah is voldoende voor ons. En naarmate de dienaar een betere gedachte over Allah heeft, een betere hoop op Hem, en een oprechter vertrouwen op Hem, zo zal Allah zijn verwachting in Hem volstrekt nooit beschamen; want Hij, glorie zij Hem, beschaamt de verwachting van geen verwachtende, en laat de daad van geen handelende verloren gaan. Daarna, bij Zijn woord {Allah heeft voor alle dingen een maat gesteld}: er is geen geschapen wezen of Allah heeft het een eigen maat (qadar) gegeven; en de qadar is tweeërlei: een kennis-matige (‘ilmî) en een feitelijke (‘aynî). De eerste is de kennis-matige bepaling, namelijk de bepaling van het ding in de kennis, het woord en het geschrift — zoals de dienaar bij zichzelf bepaalt wat hij wil zeggen, schrijven en doen, en er een maat voor stelt. Hiertoe behoort Allahs bepaling, glorie zij Hem, van de maten van de schepselen in Zijn kennis en Zijn geschrift vóór hun voortbrenging, en daarna hun voortbrenging volgens die maat die Hij wist en optekende. De goddelijke qadar is dus tweeërlei: de ene in de kennis en de optekening, de tweede hun schepping, voortbrenging en vormgeving door Zijn macht waarmee Hij de dingen schept; en het scheppen omvat zowel het voortbrengen als het bepalen tezamen. De bedoeling is dat elk voortgebracht ding een maat heeft; de dienaren kunnen de Schepper niet naar Zijn waarde schatten, en de ongelovigen onder hen schatten Hem niet naar Zijn ware waarde; daarom vermeldde Hij, glorie zij Hem, dat slechts ten aanzien van hen, zoals Hij zei: {En zij schatten Allah niet naar Zijn ware waarde toen zij zeiden: Allah heeft niets op een mens neergezonden} (6:91). In hetzelfde verband haalt Ibn al-Qayyim het godsvertrouwen (tawakkul) van de Profeet ﷺ en zijn metgezellen aan op de dag van Uhud, toen hun na hun terugkeer werd gezegd: {Voorwaar, de mensen hebben zich tegen jullie verzameld, vreest hen dus} (3:173); zij rustten zich toe en trokken uit om hun vijand te ontmoeten, gaven het beste van zichzelf, en zeiden toen: {Allah is ons voldoende en Hij is de beste Beschermer} (3:173). Dat woord had zijn uitwerking en bracht zijn vrucht voort; daarom zei Allah, de Verhevene: {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken en hem voorzien vanwaar hij het niet verwacht, en wie zijn vertrouwen op Allah stelt, voor hem is Hij voldoende}. Zo plaatste Hij het godsvertrouwen ná de godvrezendheid, die het verrichten is van de geboden oorzaken; dan, indien hij op Allah vertrouwt, is Hij hem voldoende — zoals Hij elders zei: {En vreest Allah, en op Allah moeten de gelovigen vertrouwen} (5:11). Godsvertrouwen en het zich-voldoende-achten zónder het verrichten van de geboden oorzaken is zuivere machteloosheid; en als het vermengd is met een soort godsvertrouwen, dan is het een godsvertrouwen van machteloosheid. De dienaar behoort dus zijn godsvertrouwen niet tot machteloosheid te maken, noch zijn machteloosheid tot godsvertrouwen, maar hij maakt zijn godsvertrouwen tot een van de geboden oorzaken waarzonder het doel niet volledig bereikt wordt. Hier vergisten zich twee groepen mensen: de ene meende dat het godsvertrouwen alléén een op zichzelf staande, toereikende oorzaak is voor het bereiken van het gewenste, en verwaarloosde daarvoor de oorzaken die Allahs wijsheid heeft beschikt en die naar hun gevolgen leiden; zo vervielen zij in een soort nalatigheid en machteloosheid naar de mate waarin zij de oorzaken verwaarloosden, en hun godsvertrouwen werd zwak juist waar zij dachten dat het sterk was door het los te koppelen van de oorzaken. De andere groep verrichtte de oorzaken en zag de verbondenheid van de gevolgen daaraan, in de wet en in de voorbeschikking, maar wendde zich af van de zijde van het godsvertrouwen; en ofschoon deze groep met de oorzaken bereikte wat zij bereikte, heeft zij niet de kracht van de mensen van het godsvertrouwen, noch Allahs hulp, Zijn voldoende-zijn en Zijn verdediging; zij is veeleer in de steek gelaten en machteloos naar de mate waarin het godsvertrouwen haar ontging. Alle kracht ligt dus in het godsvertrouwen op Allah, zoals een van de Salaf zei: “Wie het verheugt de sterkste der mensen te zijn, laat hem op Allah vertrouwen.” Lam_ Hij vermeldde Zijn voldoende-zijn voor wie op Hem vertrouwt; maar misschien wekte dat de waan van een onmiddellijke toereiking op het moment van vertrouwen, daarom liet Hij erop volgen: {Allah heeft voor alle dingen een maat gesteld} — dat wil zeggen: een tijd die het niet overschrijdt; Hij voert het naar zijn tijd die Hij ervoor bepaald heeft. De vertrouwende mag dus niet ongeduldig zijn en zeggen: ‘ik heb vertrouwd en gesmeekt, maar ik zie niets en de toereiking is mij niet ten deel gevallen’, want Allah bereikt Zijn doel op de tijd die Hij ervoor heeft bepaald — en dit komt zeer veel voor in de Koran en de Sunna, en het is een fijnzinnige toegang tot het begrijpen van de teksten.

﴿ ٣ ﴾

وَيَرْزُقْهُ مِنْ حَيْثُ لَا يَحْتَسِبُ ۚ وَمَن يَتَوَكَّلْ عَلَى ٱللَّهِ فَهُوَ حَسْبُهُۥٓ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ بَٰلِغُ أَمْرِهِۦ ۚ قَدْ جَعَلَ ٱللَّهُ لِكُلِّ شَىْءٍۢ قَدْرًۭا

Wa yarzuqhu min haisu laa yahtasib; wa many yatawakkal 'alal laahi fahuwa husbuh; innal laaha baalighu amrih; qad ja'alal laahu likulli shai'in qadraa

65:3En Hij voorziet hem van waar hij het niet verwacht, en (voor) wie op Allah vertrouwt, is Hij voldoende. Voorwaar, Allah voert Zijn zaak uit. Waarlijk, Allah heeft voor alle zaken een maatgeving bepaald.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De belofte van vers 2 wordt nog ruimer: God voorziet de godvrezende vanwaar hij het nooit had verwacht. En wie zich werkelijk op Allah verlaat, voor hém is Allah genoeg — Hij bereikt Zijn doel hoe dan ook. Toch staat er een waarschuwing tegen ongeduld: ‘Allah heeft voor alle dingen een maat gesteld’ — de hulp komt op Zijn tijd, niet op de onze. Vertrouwen is geen passiviteit, maar het verrichten van de geboden middelen mét rust in het hart.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

En Zijn woord: {En Hij voorziet hem vanwaar hij het niet verwacht} — dat wil zeggen: Allah voert het levensonderhoud naar de godvrezende toe vanuit een richting die hij niet verwacht en niet bevroedt. {En wie op Allah vertrouwt} — in de zaak van zijn godsdienst en zijn wereld; door op Allah te steunen in het verkrijgen van wat hem baat en het afweren van wat hem schaadt, en door op Hem te vertrouwen bij het gemakkelijk maken daarvan — {voor hem is Hij voldoende} — dat wil zeggen: Hij is hem voldoende in de zaak waarin hij op Hem vertrouwde. En wanneer de zaak in de hoede ligt van de Rijke, de Sterke, de Almachtige, de Barmhartige, dan is Hij de dienaar nader dan al het andere; maar misschien heeft de goddelijke wijsheid het uitstellen ervan tot de daarvoor geschikte tijd geëist. Daarom zei Hij, de Verhevene: {Voorwaar, Allah bereikt Zijn doel} — dat wil zeggen: de voltrekking van Zijn beschikking en Zijn voorbeschikking is onvermijdelijk; maar Hij heeft {voor alle dingen een maat} gesteld — dat wil zeggen: een tijd en een omvang die het niet overschrijdt en waarin het niet tekortschiet.

Ibn Kathîr

(3. En Hij zal hem voorzien vanwaar hij het zich nooit kon voorstellen. En wie zijn vertrouwen op Allah stelt, voor hem zal Hij voldoende zijn. Voorwaar, Allah zal Zijn doel bereiken. Allah heeft inderdaad voor alle dingen een maat gesteld.) Allah zei: {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken. En Hij zal hem voorzien vanwaar hij het zich nooit kon voorstellen} — dat wil zeggen: wie Taqwâ van Allah heeft in wat Hij heeft geboden en vermijdt wat Hij heeft verboden, voor hem zal Allah een uitweg maken uit elke moeilijkheid en hem voorzien uit bronnen die hij nooit verwachtte of waaraan hij nooit dacht. Ibn Abî Hâtim leverde over dat ‘Abdullah ibn Mas‘ûd zei: “Het meest omvattende vers in de Koran is {Voorwaar, Allah gebiedt rechtvaardigheid (al-‘Adl) en het goede doen (al-Ihsân)} (16:90). Het grootste vers in de Koran dat verlichting bevat, is {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}.” ‘Ikrima verklaarde het vers eveneens: “Wie scheidt zoals Allah hem heeft geboden, voor hem zal Allah een uitweg maken.” Iets vergelijkbaars is overgeleverd van Ibn ‘Abbâs en ad-Dahhâk. ‘Abdullah ibn Mas‘ûd en Masrûq verklaarden het vers {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}: “Het betreft wanneer iemand weet dat Allah geeft als Hij wil en onthoudt als Hij wil, {vanwaar hij het zich nooit kon voorstellen} — uit bronnen die hij niet verwachtte.” Qatâda zei over {En wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij een uitweg maken}: “dat wil zeggen, uit elke twijfel en uit de verschrikkingen die op het moment van de dood worden ervaren, {En Hij zal hem voorzien vanwaar hij het zich nooit kon voorstellen} — vanwaar hij het nooit dacht of verwachtte.” Allah zei: {En wie zijn vertrouwen op Allah stelt, voor hem zal Hij voldoende zijn.} Imâm Ahmad leverde over dat Ibn ‘Abbâs zei dat hij op de kameel van de Profeet ﷺ reed, achter de Profeet ﷺ gezeten, en de Boodschapper van Allah ﷺ zei tegen hem: “O jongen! Ik zal je woorden leren [leer ze dus]. Wees Allah indachtig en Hij zal je beschermen, wees Allah indachtig en je zult Hem aan jouw zijde vinden. Als je vraagt, vraag Allah, en als je hulp zoekt, zoek die bij Allah. Weet dat als de gemeenschap haar kracht zou verzamelen om jou tot voordeel te zijn, zij je nooit tot voordeel zouden zijn, behalve met iets dat Allah voor jou heeft beschikt. Weet dat als zij hun kracht zouden verzamelen om je te schaden, zij je nooit zouden schaden, behalve met iets dat Allah tegen jou heeft beschikt. De pennen zijn opgeheven en de bladen zijn droog.” At-Tirmidhî verzamelde deze hadith en zei: “Hasan Sahîh.” Allahs woord {Voorwaar, Allah zal Zijn doel bereiken} betekent: Allah zal Zijn beslissingen en oordeel die Hij voor hem heeft gemaakt ten uitvoer brengen, op welke wijze Hij ook wil en kiest. {Allah heeft inderdaad voor alle dingen een maat gesteld.} Dit is zoals Zijn woord: {En alles bij Hem is in (juiste) maat} (13:8).

Ibn al-Qayyim

Bij Zijn woord {En wie zijn vertrouwen op Allah stelt, voor hem is Hij voldoende} — zie, zegt Ibn al-Qayyim, naar deze beloning die de vertrouwende ten deel valt en die Hij aan niemand anders gaf. Dit wijst erop dat het godsvertrouwen bij Hem de sterkste van de wegen is en Hem het meest geliefd. En dat Hij de zaken aan Zichzelf heeft toevertrouwd, is niet in strijd met het godsvertrouwen van de dienaar op Hem; integendeel, dit is juist de verwezenlijking dat alle zaken aan Hem zijn toevertrouwd, want wanneer de dienaar dat weet en het waarlijk kent, wordt zijn toestand — onvermijdelijk — het godsvertrouwen op Wie zó is, omdat hij weet dat alle zaken aan Hem zijn toevertrouwd en dat de dienaar niets daarvan bezit. Hij kan dus niet anders dan op Hem steunen, alles aan Hem overlaten en op Hem vertrouwen vanuit twee kanten: vanuit zijn armoede en het feit dat hij volstrekt niets bezit, en vanuit het feit dat de hele zaak in Zijn hand en bij Hem is. Het godsvertrouwen ontstaat uit deze twee soorten kennis. Wie zich met Allah bezighoudt in plaats van met zichzelf, hem bespaart Allah de last van zichzelf; wie zich met Allah bezighoudt in plaats van met de mensen, hem bespaart Allah de last van de mensen; wie zich met zichzelf bezighoudt in plaats van met Allah, hem laat Allah aan zichzelf over; en wie zich met de mensen bezighoudt in plaats van met Allah, hem laat Allah aan hen over. De bedoeling — zegt hij — is dat de Profeet ﷺ de dienaar gewezen heeft op datgene waarin de uiterste van zijn volkomenheid en het bereiken van zijn doel liggen: dat hij streeft naar wat hem baat en daarin zijn uiterste inspanning levert; dan baat hem het zich-voldoende-achten en het zeggen «Allah is mij voldoende en Hij is de beste Beschermer» — anders dan wie machteloos was en nalatig, totdat zijn belang hem ontging, en dan zegt: «Allah is mij voldoende en Hij is de beste Beschermer»; want Allah berispt hem, en is in die toestand niet voldoende voor hem; Hij is immers slechts voldoende voor wie Hem vreest en op Hem vertrouwt.

﴿ ٤ ﴾

وَٱلَّٰٓـِٔى يَئِسْنَ مِنَ ٱلْمَحِيضِ مِن نِّسَآئِكُمْ إِنِ ٱرْتَبْتُمْ فَعِدَّتُهُنَّ ثَلَٰثَةُ أَشْهُرٍۢ وَٱلَّٰٓـِٔى لَمْ يَحِضْنَ ۚ وَأُو۟لَٰتُ ٱلْأَحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَن يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ ۚ وَمَن يَتَّقِ ٱللَّهَ يَجْعَل لَّهُۥ مِنْ أَمْرِهِۦ يُسْرًۭا

Wallaaa'ee ya'isna minal maheedi min nisaaa 'ikum inir tabtum fa'iddatuhunna salaasatu ashhurinw wallaaa'ee lam yahidn; wa ulaatul ahmaali ajaluhunna any yada'na hamlahun; wa many yattaqil laaha yaj'al lahoo min armrihee yusraa

65:4En voor hen die (gezien hun leeftijd) onzeker zijn omtrent de menstruatie van jullie vrouwen; als jullie (mannen) twijfelen is hun wachttijd drie maanden. En (dit geldt ook voor) hen die nog geen menstruatie hebben. Voor hen die zwanger zijn geldt de wachttijd totdat zij hebben gebaard wat zij dragen. En wie Allah vreest, voor hem zal Hij zijn zaak makkelijk maken.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Het vorige vers sprak over ‘de wachtperiode’; nu wordt zij precies omschreven voor de gevallen die niet onder de gewone menstruatie-telling vallen. Voor wie wegens leeftijd niet meer menstrueert, en voor wie nog nooit menstrueerde: drie maanden. Voor de zwangere: tot zij bevalt — dan is haar wachttijd voorbij, ongeacht de maanden. Dit antwoordde op een concrete vraag van de Metgezellen over vrouwen die in al-Baqara niet genoemd waren. En weer klinkt de rode draad: wie Allah vreest, voor hem maakt Hij zijn zaak gemakkelijk.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Toen Allah, de Verhevene, had vermeld dat de geboden scheiding ten behoeve van de wachtperiode van de vrouwen geschiedt, vermeldde Hij de wachtperiode, en zei: {En zij van jullie vrouwen die niet meer op de menstruatie hopen} — door dat zij menstrueerden en daarna hun menstruatie ophield wegens ouderdom of iets anders, zonder dat de terugkeer ervan verwacht wordt — hun wachtperiode is drie maanden; Hij stelde elke maand tegenover één menstruatie. {En zij die nog niet gemenstrueerd hebben} — dat wil zeggen: de jonge meisjes die de menstruatie nog niet bereikt hebben, of de volwassen vrouwen die in het geheel geen menstruatie hebben gehad; zij zijn als degenen die niet meer menstrueren: hun wachtperiode is drie maanden. En wat betreft degenen die menstrueren, Allah vermeldde hun wachtperiode in Zijn woord: {En de gescheiden vrouwen wachten op zichzelf drie menstruatieperioden af} (al-Baqara 2:228). En Zijn woord: {En voor de zwangeren is hun termijn} — dat wil zeggen: hun wachtperiode — {dat zij baren waarvan zij zwanger zijn} — dat wil zeggen: al wat in hun buik is, of het er één is of meerdere; en dan tellen noch de maanden noch iets anders. {En wie Allah vreest, voor hem maakt Hij van zijn zaak gemak} — dat wil zeggen: wie Allah vreest, voor hem maakt Hij de zaken gemakkelijk en verlicht Hij elke moeilijkheid.

Ibn Kathîr

(4. En zij van jullie vrouwen die in de menopauze zijn, voor hen is de wachtperiode, als jullie twijfelen, drie maanden; en ook voor hen die geen menstruatie hebben. En voor hen die zwanger zijn, is hun wachtperiode totdat zij hun last neerleggen; en wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij zijn zaak gemakkelijk maken. 5. Dat is het gebod van Allah, dat Hij aan jullie heeft neergezonden; en wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij zijn slechte daden uitwissen, en zijn beloning vergroten.) De wachtperiode van hen die in de menopauze zijn en hen die geen menstruatie hebben. Allah, de Verhevene, verduidelijkt de wachtperiode van de vrouw in de menopauze. Dat is degene wier menstruatie is gestopt wegens haar hogere leeftijd. Haar wachtperiode is drie maanden in plaats van de drie maandelijkse cycli voor hen die menstrueren, wat berust op het vers in (Sûrat) al-Baqara. [zie 2:228] Hetzelfde geldt voor de jonge, die de jaren van menstruatie niet heeft bereikt. Haar wachtperiode is drie maanden zoals voor hen die in de menopauze zijn. Dit is de betekenis van Zijn woord {en ook voor hen die geen menstruatie hebben...}. Wat Zijn woord {als jullie twijfelen...} betreft, daarover zijn er twee opvattingen. De eerste is het woord van een groep van de Salaf, zoals Mujâhid, az-Zuhrî en Ibn Zayd: dat wil zeggen, indien zij bloed zien en er twijfel is of het menstruatiebloed was of niet. De tweede is dat, indien jullie het oordeel in dit geval niet kennen, weet dan dat hun wachtperiode drie maanden is. Dit is overgeleverd van Sa‘îd ibn Jubayr en het is de opvatting die door Ibn Jarîr (at-Tabarî) verkozen wordt. En dit is de meer voor de hand liggende betekenis. Dit standpunt wordt gesteund door wat overgeleverd is van Ubayy ibn Ka‘b, dat hij zei: “O Boodschapper van Allah! Sommige vrouwen werden niet in de Koran vermeld: de jonge, de oude en de zwangere.” Allah, de Verhevene en Meest Geëerde, zond dit vers neer: {En zij van jullie vrouwen die in de menopauze zijn, voor hen is de wachtperiode, als jullie twijfelen, drie maanden; en ook voor hen die geen menstruatie hebben. En voor hen die zwanger zijn, is hun wachtperiode totdat zij hun last neerleggen}. Ibn Abî Hâtim leverde een eenvoudiger overlevering hierover over van Ubayy ibn Ka‘b, die zei: “O Boodschapper van Allah! Toen het vers in Sûrat al-Baqara werd neergezonden dat de wachtperiode van de scheiding voorschrijft, zeiden sommige mensen in Medina: ‘Er zijn nog enkele vrouwen wier wachtperiode niet in de Koran is vermeld: de jonge, de oude wier menstruatie is opgehouden, en de zwangere.’ Naderhand werd dit vers neergezonden: {En zij van jullie vrouwen die in de menopauze zijn, voor hen is de wachtperiode, als jullie twijfelen, drie maanden; en ook voor hen die geen menstruatie hebben}.” De wachtperiode van zwangere vrouwen. Allahs woord {En voor hen die zwanger zijn, is hun wachtperiode totdat zij hun last neerleggen}: Allah zegt: de wachtperiode van de zwangere vrouw eindigt wanneer zij bevalt, hetzij in het geval van scheiding hetzij bij het overlijden van de man, volgens de overeenstemming van de meerderheid van de geleerden van de Salaf en de latere generaties. Dit berust op dit edele vers en op wat in de Profetische Sunna vermeld is. Al-Bukhârî leverde over dat Abû Salama zei: “Een man kwam bij Ibn ‘Abbâs terwijl Abû Hurayra bij hem zat en zei: ‘Geef mij je oordeel over een vrouw die veertig dagen na het overlijden van haar man een kind baarde.’ Ibn ‘Abbâs zei: ‘[Haar wachtperiode duurt tot] het einde van de langste van de twee voorgeschreven perioden.’ Ik reciteerde {En voor hen die zwanger zijn, is hun voorgeschreven periode totdat zij hun lasten afleveren}. Abû Hurayra zei: ‘Ik ben het met mijn neef (Abû Salama) eens.’ Toen zond Ibn ‘Abbâs zijn slaaf Kurayb naar Umm Salama om het haar te vragen. Zij antwoordde: ‘De man van Subay‘a al-Aslamiyya werd gedood terwijl zij zwanger was, en zij baarde een kind veertig dagen na zijn dood. Daarna ontving zij een huwelijksaanzoek en de Boodschapper van Allah ﷺ huwelijkte haar uit aan iemand. Abû as-Sanâbil was een van degenen die haar ten huwelijk vroegen.’” Al-Bukhârî verzamelde deze korte vorm van de hadith, die Muslim en andere geleerden van de hadith in zijn langere vorm verzamelden. Imâm Ahmad leverde over dat al-Miswar ibn Makhrama zei: “Subay‘a al-Aslamiyya baarde een kind enkele dagen na het overlijden van haar man. Toen zij de termijn na de bevalling had voltooid, werd zij ten huwelijk gevraagd. Dus zocht zij de toestemming van de Boodschapper van Allah ﷺ voor het huwelijk, en hij stond haar toe te huwen, dus huwde zij.” Al-Bukhârî verzamelde deze overlevering, evenals Muslim, Abû Dâwûd, an-Nasâ'î en Ibn Mâdja met een andere keten van overlevering van de hadith van Subay‘a. Muslim ibn al-Hajjâj leverde over dat ‘Ubaydullah ibn ‘Abdullah ibn ‘Utba zei dat zijn vader aan ‘Umar ibn ‘Abdullah ibn al-Arqam az-Zuhrî schreef, met het verzoek dat hij naar Subay‘a bint al-Hârith al-Aslamiyya zou gaan om haar te vragen over de kwestie in kwestie, en over wat de Boodschapper van Allah ﷺ tegen haar zei toen zij zijn oordeel zocht. ‘Umar ibn ‘Abdullah schreef aan ‘Ubaydullah ibn ‘Abdullah ibn ‘Utba en berichtte hem dat Subay‘a hem vertelde dat zij gehuwd was geweest met Sa‘d ibn Khawla, en hij was een van degenen die deelnamen aan de slag van Badr. Hij stierf tijdens de Afscheidsbedevaart, terwijl zij zwanger was. Kort na zijn dood baarde zij. Toen zij de termijn na de geboorte had doorgemaakt, maakte zij zich mooi voor wie haar ten huwelijk zouden vragen. Abû as-Sanâbil ibn Ba‘kak kwam bij haar en zei: ‘Waarom zie ik dat je je mooi hebt gemaakt? Wens je te hertrouwen? Bij Allah, je kunt niet huwen voordat vier maanden en tien dagen zijn verstreken.’” Subay‘a zei: “Toen hij dat zei, kleedde ik mij ’s avonds en ging naar de Boodschapper van Allah ﷺ en vroeg hem om zijn oordeel. Hij gaf mij een religieus oordeel dat het mij toegestaan was te huwen nadat ik mijn kind had gebaard, zeggend dat ik kon huwen als ik wilde.” Dit is de overlevering die Muslim verzamelde. Al-Bukhârî verzamelde deze hadith in een kortere vorm. Allahs woord {en wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij zijn zaak gemakkelijk maken} betekent: Allah zal zijn aangelegenheden voor hem verlichten en zal spoedig verlichting en een snelle uitweg brengen. {Dat is het gebod van Allah, dat Hij aan jullie heeft neergezonden} betekent: dit is Zijn gebod en wetgeving die Hij door Zijn Boodschapper ﷺ aan jullie heeft neergezonden. {en wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij zijn slechte daden uitwissen, en zijn beloning vergroten} betekent: Allah zal weren wat hij vreest en zijn beloning vermenigvuldigen, zelfs voor het weinige goede dat hij doet.

Ibn al-Qayyim

Bij de vermelding van het oordeel van de Profeet ﷺ inzake de wachtperioden zet Ibn al-Qayyim uiteen dat Allah, glorie zij Hem, dit hoofdstuk in Zijn Boek op de meest volledige, duidelijkste en omvattendste wijze heeft uiteengezet, zodat geen enkele wachtende vrouw eraan ontsnapt; want Hij vermeldde vier soorten wachtperioden, en dat is het geheel van hun soorten. De eerste soort: de wachtperiode van de zwangere door het neerleggen van de zwangerschap, in het algemeen — of zij onherroepelijk of herroepelijk gescheiden is, in het leven gescheiden of weduwe geworden — want Hij zei: {En voor de zwangeren is hun termijn dat zij hun last neerleggen}. Hierin ligt algemeenheid vanuit drie kanten. De eerste: de algemeenheid van datgene waarover bericht wordt, namelijk ‘de zwangeren’, want dat omvat hen allen. De tweede: de algemeenheid van de termijn, want Hij voegde die aan hen toe, en het toevoegen van een meervoudsnaam aan een bepaald begrip is algemeen; zo maakte Hij het neerleggen van de zwangerschap tot hun gehele termijn, en als sommigen van hen een andere termijn zouden hebben, zou het niet hun gehele termijn zijn. De derde: dat het onderwerp en het gezegde beide bepaald zijn — het onderwerp is duidelijk, en wat het gezegde betreft, namelijk Zijn woord {dat zij hun last neerleggen}, dat is een toegevoegd verbaal substantief, dat wil zeggen: hun termijn is het neerleggen van hun zwangerschap; en wanneer het onderwerp en het gezegde beide bepaald zijn, vereist dat de beperking van het tweede tot het eerste, zoals Zijn woord {O mensen, jullie zijn de behoeftigen tegenover Allah, en Allah is de Rijke, de Prijzenswaardige} (Fâtir 35:15). Hiermee voerden de meerderheid van de Metgezellen aan dat de wachtperiode van de zwangere weduwe het neerleggen van haar zwangerschap is, ook al legt zij die neer terwijl de echtgenoot nog op de wasbank ligt — zoals de Profeet ﷺ als oordeel gaf aan Subay‘a al-Aslamiyya; en dit oordeel en deze fatwa van hem waren ontleend aan het Boek van Allah en daarmee in overeenstemming. De tweede soort: de wachtperiode van de gescheiden vrouw die menstrueert, en dat is drie menstruatieperioden, zoals Allah, de Verhevene, zei: {En de gescheiden vrouwen wachten op zichzelf drie menstruatieperioden af} (al-Baqara 2:228). De derde soort: de wachtperiode van degene die geen menstruatie heeft, en zij is tweeërlei: een jonge die niet menstrueert, en een oude die de menstruatie niet meer verwacht. Allah, glorie zij Hem, verduidelijkte de wachtperiode van beide soorten met Zijn woord: {En zij van jullie vrouwen die niet meer op de menstruatie hopen — als jullie twijfelen, dan is hun wachtperiode drie maanden — en zij die nog niet gemenstrueerd hebben} — dat wil zeggen: hun wachtperiode is eveneens zo. Over de grens van het niet-meer-verwachten (al-iyâs) zijn de mensen sterk verdeeld geraakt: sommigen stelden de grens op vijftig jaar en zeiden dat een vrouw na de vijftig niet menstrueert — dat is het standpunt van Ishâq en een overlevering van Ahmad, moge Allah hem genadig zijn; de aanhangers van dit standpunt voerden het woord van ‘Â’isha aan, moge Allah tevreden over haar zijn: “Wanneer zij vijftig jaar bereikt, treedt zij uit de grens van de menstruerenden.” Een groep stelde de grens op zestig jaar en zei dat zij na de zestig niet menstrueert — dit is een tweede overlevering van Ahmad. Van hem is er een derde overlevering: het onderscheid tussen de Arabische vrouwen en de overige, zodat de grens zestig is bij de Arabische vrouwen en vijftig bij de niet-Arabische. Van hem is er een vierde overlevering: dat het bloed tussen de vijftig en de zestig een bloed is waarover getwijfeld wordt; zij vast en bidt en haalt het verplichte vasten in — dit is de keuze van al-Khiraqî. Van hem is er een vijfde overlevering: dat als het bloed na de vijftig terugkeert en zich herhaalt, het menstruatie is, en anders niet. En wat ash-Shâfi‘î betreft, moge Allah hem genadig zijn, hij heeft geen uitspraak over het bepalen van het niet-meer-verwachten op een termijn, en hij heeft daarna twee standpunten. Het ene: dat het bekend wordt aan het niet-meer-verwachten van haar verwanten. Het tweede: dat het beoordeeld wordt naar het niet-meer-verwachten van alle vrouwen. En onze sheikh (Ibn Taymiyya) zei: het niet-meer-verwachten verschilt naar de verschillen tussen vrouwen en heeft geen grens waarover de vrouwen het eens zijn; en met het vers wordt bedoeld het niet-meer-verwachten van iedere vrouw bij zichzelf, want het niet-meer-verwachten (al-iyâs) is het tegendeel van het hopen: wanneer een vrouw de menstruatie niet meer verwacht en er niet meer op hoopt, is zij ‘âyisa’ (een die het niet meer verwacht), ook al is zij veertig of daaromtrent, terwijl een ander het niet ophoudt te verwachten ook al is zij vijftig. En reeds staat authentiek vast van ‘Umar ibn al-Khattâb, moge Allah tevreden over hem zijn, over een vrouw die gescheiden werd en één of twee menstruaties had, waarna haar menstruatie ophield zonder dat zij wist wat het deed ophouden: dat zij negen maanden afwacht; wordt dan een zwangerschap bij haar duidelijk (dan is dat haar wachttijd), anders doet zij een wachtperiode van drie maanden door. De meesten waren het hierin met hem eens, onder wie Mâlik, Ahmad en ash-Shâfi‘î in zijn oude leer. En onze sheikh (Ibn Taymiyya) zei: er is voor de vrouwen geen vaste gewoonte hierin; onder hen is er die niet menstrueert ook al is zij volwassen, en onder hen is er die weinig menstrueert met grote tussenpozen, tot zij eenmaal per jaar menstrueert; daarom waren de geleerden het erover eens dat er voor de maximale reinheid tussen twee menstruaties geen grens is. Onder de vrouwen is er die door geringe vochtigheid maandenlang rein blijft, en onder hen is er die snel uitdroogt zodat haar menstruatie ophoudt en zij die niet meer verwacht, ook al is zij onder de vijftig, ja zelfs onder de veertig; en onder hen is er die niet snel uitdroogt zodat zij de vijftig voorbijgaat terwijl zij menstrueert. Hij zei: er is in het Boek noch in de Sunna een vaststelling van het niet-meer-verwachten op een tijdstip; en als met ‘de van menstruatie niet-meer-verwachtende’ wie vijftig of zestig jaar of iets dergelijks heeft bedoeld zou zijn, zou er gezegd zijn ‘en zij die de leeftijd van zoveel-en-zoveel bereiken’, en zou er niet gezegd zijn ‘niet meer verwachten’. Wat Zijn woord {als jullie twijfelen} betreft, het is van het soort dat is overgeleverd van de uitleggers: zoals Ibn Abî Hâtim in zijn tafsir overleverde, van de overlevering van Jarîr en Mûsâ ibn A‘yan — en de bewoording is van laatstgenoemde — van Mutarrif ibn Tarîf, van ‘Amr ibn Sâlim, van Ubayy ibn Ka‘b, die zei: «Ik zei: O Boodschapper van Allah, sommige mensen in Medina zeggen over de wachtperioden van de vrouwen wat Allah in de Koran niet heeft vermeld: de jonge, de oude en de zwangere. Toen zond Allah, glorie zij Hem, in deze soera neer: {En zij van jullie vrouwen die niet meer op de menstruatie hopen — als jullie twijfelen — dan is hun wachtperiode drie maanden, en zij die nog niet gemenstrueerd hebben; en voor de zwangeren is hun termijn dat zij hun last neerleggen}.» De termijn van een van hen is dus dat zij haar zwangerschap neerlegt; wanneer zij die heeft neergelegd, heeft zij haar wachtperiode voltooid. En over Zijn woord {als jullie twijfelen} is overgeleverd van Sa‘îd ibn Jubayr dat het de oude vrouw betreft die niet menstrueert, of de vrouw die met de menstruatie is opgehouden; deze valt in het geheel niet onder de menstruatieperioden. En de betekenis van {als jullie twijfelen} is: als jullie twijfelen — dat wil zeggen: als jullie naar hun oordeel vragen en hun oordeel niet kennen en daaraan twijfelen, dan hebben Wij het jullie verduidelijkt; het is dus een verduidelijking van Zijn gunst aan wie daarom verzocht, opdat de twijfel en de aarzeling die bij hem waren zouden verdwijnen — anders dan wie zich afwendt van het zoeken naar kennis. En de meerderheid stelt dat zij een wachtperiode van drie maanden doormaakt, en zij stelden voor de jeugd die het doormaken in maanden vereist geen grens; evenzo moet er voor de ouderdom die het doormaken in maanden vereist geen grens zijn — en dit is duidelijk, en aan Allah komt de lof toe.

Arabische grondtekst & bron — verzen 1-4

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat at-Talâq · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat at-Talâq · Sahîh al-Bukhârî (Ibn ‘Umar over scheiding tijdens de menstruatie) · Sahîh Muslim · Abû Dâwûd · Ibn Mâdja · an-Nasâ'î · Imâm Ahmad · at-Tirmidhî · at-Tabarânî · Ibn Abî Hâtim · (Fâtima bint Qays, Subay‘a al-Aslamiyya, Ibn ‘Abbâs, Ubayy ibn Ka‘b e.a.).

تَفْسِيرُ سُورَةِ الطَّلَاقِ وَهِيَ مَدَنِيَّةٌ. بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ * * خُوطب النَّبِيُّ ﷺ أَوَّلًا تَشْرِيفًا وَتَكْرِيمًا، ثُمَّ خَاطَبَ الْأُمَّةَ تَبَعًا فَقَالَ: ﴿يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ إِذَا طَلَّقْتُمُ النِّسَاءَ فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ﴾ وَقَالَ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ: حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ ثَوَابِ بْنِ سَعِيدٍ الْهُبَارِيُّ، حَدَّثَنَا أَسْبَاطُ بْنُ مُحَمَّدٍ، عَنْ سَعِيدٍ، عَنْ قَتَادَةَ، عَنْ أَنَسٍ قَالَ: طَلَّقَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ حَفْصَةَ، فَأَتَتْ أَهْلَهَا، فَأَنْزَلَ اللَّهُ، عَزَّ وَجَلَّ: ﴿يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ إِذَا طَلَّقْتُمُ النِّسَاءَ فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ﴾ فَقِيلَ لَهُ: رَاجِعْهَا فَإِنَّهَا صَوَّامَةٌ قَوَّامَةٌ، وَهِيَ مِنْ أَزْوَاجِكَ وَنِسَائِكَ فِي الْجَنَّةِ. وَرَوَاهُ ابْنُ جَرِيرٍ، عَنِ ابْنِ بَشَّارٍ، عَنْ عَبْدِ الْأَعْلَى، عَنْ سَعِيدٍ، عَنْ قَتَادَةَ ... فَذَكَرَهُ مُرْسَلًا [[تفسير الطبري (٢٨/٨٥)]] وَقَدْ وَرَدَ مِنْ غَيْرِ وَجْهٍ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ طَلَّقَ حَفْصَةَ ثُمَّ رَاجَعَهَا. وَقَالَ الْبُخَارِيُّ: حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ بُكَيْر، حَدَّثَنَا اللَّيْثُ وَعُقَيْلٌ، عَنِ ابْنِ شِهَابٍ، أَخْبَرَنِي سَالِمٌ: أَنَّ عَبْدَ اللَّهِ بْنَ عُمَرَ أَخْبَرَهُ: أَنَّهُ طَلَّقَ امْرَأَةً لَهُ وَهِيَ حَائِضٌ، فَذَكَرَ عمرُ لِرَسُولِ اللَّهِ ﷺ، فَتَغَيَّظَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ ثُمَّ قَالَ: "لِيُرَاجِعْهَا، ثُمَّ يُمْسِكْهَا حَتَّى تَطْهُرَ، ثُمَّ تَحِيضَ فَتَطْهُرَ، فَإِنْ بَدَا لَهُ أَنْ يُطَلِّقَهَا فَلْيُطَلِّقْهَا طَاهِرًا قَبْلَ أَنْ يَمَسَّهَا، فَتِلْكَ الْعِدَّةُ الَّتِي أَمَرَ اللَّهُ، عَزَّ وَجَلَّ" [[صحيح البخاري برقم (٤٩٠٨) .]] هَكَذَا رَوَاهُ الْبُخَارِيُّ هاهنا وَقَدْ رَوَاهُ فِي مَوَاضِعَ مِنْ كِتَابِهِ، وَمُسْلِمٌ، وَلَفْظُهُ: "فَتِلْكَ الْعِدَّةُ الَّتِي أَمَرَ اللَّهُ أَنْ يُطَلَّقَ لَهَا النِّسَاءُ" [[صحيح البخاري برقم (٥٢٥١) وصحيح مسلم برقم (١٤٧١) .]] وَرَوَاهُ أَصْحَابُ الْكُتُبِ وَالْمَسَانِيدِ مِنْ طُرُقٍ مُتَعَدِّدَةٍ وَأَلْفَاظٍ كَثِيرَةٍ [[المسند (٢/٢٦، ٤٣، ٥١، ٥٤، ٥٨) وسنن أبي داود برقم (٢١٧٩) وسنن النسائي (٦/١٣٨) وسنن ابن ماجة برقم (٢٠٢٣) .]] وَمَوَاضِعُ اسْتِقْصَائِهَا كتب الأحكام. وأمَسُّ لَفْظٍ يورَد هَا هُنَا مَا رَوَاهُ مُسْلِمٌ فِي صَحِيحِهِ، مِنْ طَرِيقِ ابْنُ جُرَيْج: أَخْبَرَنِي أَبُو الزُّبَيْرِ: أَنَّهُ سَمِعَ عَبْدَ الرَّحْمَنِ بْنَ أَيْمَنَ -مَوْلَى عَزة يَسْأَلُ ابْنَ عُمَرَ-وَأَبُو الزُّبَيْرِ يَسْمَعُ ذَلِكَ: كَيْفَ تَرَى فِي رَجُلٍ طَلَّقَ امْرَأَتَهُ حَائِضًا؟ فَقَالَ: طَلَّق ابْنُ عُمَرَ امْرَأَتَهُ حَائِضًا عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، فَسَأَلَ عُمَرُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ فَقَالَ: إِنَّ عَبْدَ اللَّهِ بْنَ عُمَرَ طَلَّقَ امْرَأَتَهُ وَهِيَ حَائِضٌ، فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "لِيُرَاجِعْهَا" فَردَّها، وَقَالَ: "إِذَا طَهُرَتْ فَلْيُطَلِّقْ أَوْ يُمْسِكْ". قَالَ ابْنُ عُمَرَ: وَقَرَأَ النَّبِيِّ ﷺ: ﴿يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ إِذَا طَلَّقْتُمُ النِّسَاءَ فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ﴾ [[صحيح مسلم برقم (١٤٧١٩) .]] . وَقَالَ الْأَعْمَشُ، عَنْ مَالِكِ بْنِ الْحَارِثِ، عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ يَزِيدَ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ فِي قَوْلِهِ: ﴿فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ﴾ قَالَ: الطُّهْرُ مِنْ غَيْرِ جِمَاعٍ [[رواه الطبري في تفسيره (٢٨/٨٣) .]] وَرُوِيَ عَنِ ابْنِ عُمَرَ وَعَطَاءٍ، وَمُجَاهِدٍ، وَالْحَسَنِ، وَابْنِ سِيرِينَ، وقَتَادَةَ، وَمَيْمُونِ بْنِ مِهْران، وَمُقَاتِلِ بْنِ حَيَّانَ مِثْلُ ذَلِكَ، وَهُوَ رِوَايَةٌ عَنْ عِكْرِمَةَ، وَالضَّحَّاكِ. وَقَالَ عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَلْحَةَ، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ فِي قَوْلِهِ تَعَالَى: ﴿فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ﴾ قَالَ: لَا يُطَلِّقْهَا وَهِيَ حَائِضٌ وَلَا فِي طُهْرٍ قَدْ جَامَعَهَا فِيهِ، وَلَكِنْ: تَتْرُكُهَا حَتَّى إِذَا حَاضَتْ وَطَهُرَتْ طَلِّقْهَا تَطْلِيقَةً. وَقَالَ عِكْرِمَةُ: ﴿فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ﴾ الْعِدَّةُ: الطُّهْرُ، وَالْقُرْءُ الْحَيْضَةُ، أَنْ يُطَلِّقَهَا حُبْلَى مُسْتَبِينًا حَمْلَهَا، وَلَا يُطَلِّقَهَا وَقَدْ طَافَ عَلَيْهَا، وَلَا يَدْرِي حُبْلَى هِيَ أَمْ لَا. وَمِنْ هَا هُنَا أَخَذَ الْفُقَهَاءُ أَحْكَامَ الطَّلَاقِ وَقَسَّمُوهُ إِلَى طَلَاقِ سُنَّةٍ وَطَلَاقِ بِدْعَةٍ، فَطَلَاقُ السُّنَّةِ: أَنْ يُطَلِّقَهَا طَاهِرًا مِنْ غَيْرِ جِمَاعٍ، أَوْ حَامِلًا قَدِ اسْتَبَانَ حَمْلُهَا. وَالْبِدْعِيُّ: هُوَ أَنْ يُطَلِّقَهَا فِي حَالِ الْحَيْضِ، أَوْ فِي طُهْرٍ قَدْ جَامَعَهَا فِيهِ، وَلَا يَدْرِي أَحَمَلَتْ أَمْ لَا؟ وَطَلَاقٌ ثَالِثٌ لَا سُنَّةَ فِيهِ وَلَا بِدْعَةَ، وَهُوَ طَلَاقُ الصَّغِيرَةِ وَالْآيِسَةِ، وَغَيْرِ الْمَدْخُولِ بِهَا، وَتَحْرِيرُ الْكَلَامِ فِي ذَلِكَ وَمَا يَتَعَلَّقُ بِهِ مُسْتَقْصًى فِي كُتُبِ الْفُرُوعِ، وَاللَّهُ سُبْحَانَهُ وَتَعَالَى أَعْلَمُ. * * وَقَوْلُهُ ﴿وَأَحْصُوا الْعِدَّةَ﴾ أَيِ: احْفَظُوهَا وَاعْرِفُوا ابْتِدَاءَهَا وَانْتِهَاءَهَا؛ لِئَلَّا تَطُولَ الْعِدَّةُ عَلَى الْمَرْأَةِ فَتَمْتَنِعَ مِنَ الْأَزْوَاجِ. ﴿وَاتَّقُوا اللَّهَ رَبَّكُمْ﴾ أَيْ: فِي ذَلِكَ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿لَا تُخْرِجُوهُنَّ مِنْ بُيُوتِهِنَّ وَلا يَخْرُجْنَ﴾ أَيْ: فِي مُدَّةِ الْعِدَّةِ لَهَا حَقُّ السُّكْنَى عَلَى الزَّوْجِ مَا دَامَتْ مُعْتَدَّةً مِنْهُ، فَلَيْسَ لِلرَّجُلِ أَنْ يُخْرِجَهَا، وَلَا يَجُوزَ لَهَا أَيْضًا الْخُرُوجُ لِأَنَّهَا مُعْتَقَلَةٌ [[في أ: "لأنها متعلقة".]] لِحَقِّ الزَّوْجِ أَيْضًا. * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِلا أَنْ يَأْتِينَ بِفَاحِشَةٍ مُبَيِّنَةٍ﴾ أَيْ: لَا يَخْرُجْنَ مِنْ بُيُوتِهِنَّ إِلَّا أَنْ تَرْتَكِبَ الْمَرْأَةُ فَاحِشَةً مُبَيِّنَةً، فَتَخْرُجَ مِنَ الْمَنْزِلِ، وَالْفَاحِشَةُ الْمُبَيِّنَةُ تَشْمَلُ الزِّنَا، كَمَا قَالَهُ ابْنُ مَسْعُودٍ، وَابْنُ عَبَّاسٍ، وَسَعِيدُ بْنُ المُسَيَّب، وَالشَّعْبِيُّ، وَالْحَسَنُ، وَابْنُ سِيرِينَ، وَمُجَاهِدٌ، وعِكْرمة، وَسَعِيدُ بْنُ جُبَيْرٍ، وَأَبُو قِلابة، وَأَبُو صَالِحٍ، وَالضَّحَّاكُ، وَزَيْدُ بْنُ أَسْلَمَ، وَعَطَاءٌ الخراساني، والسُّدِّي، وسعيد بن أبي هلال، وغيرهم وتشمل ماذا [[في م، أ: "وتشمل ما إذا".]] نشزَت الْمَرْأَةُ أَوْ بَذَت عَلَى أَهْلِ الرَّجُلِ وَآذَتْهُمْ فِي الْكَلَامِ وَالْفِعَالِ، كَمَا قَالَهُ أُبَيُّ بْنُ كَعْبٍ، وَابْنُ عَبَّاسٍ، وَعِكْرِمَةُ، وَغَيْرُهُمْ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَتِلْكَ حُدُودُ اللَّهِ﴾ أَيْ: شَرَائِعُهُ وَمَحَارِمُهُ ﴿وَمَنْ يَتَعَدَّ حُدُودَ اللَّهِ﴾ أَيْ: يَخْرُجُ عَنْهَا وَيَتَجَاوَزُهَا إِلَى غَيْرِهَا وَلَا يَأْتَمِرُ بِهَا ﴿فَقَدْ ظَلَمَ نَفْسَهُ﴾ أَيْ: بِفِعْلِ ذَلِكَ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿لَا تَدْرِي لَعَلَّ اللَّهَ يُحْدِثُ بَعْدَ ذَلِكَ أَمْرًا﴾ أَيْ: إِنَّمَا أَبْقَيْنَا الْمُطْلَّقَةَ فِي مَنْزِلِ الزَّوْجِ فِي مُدَّةِ الْعِدَّةِ، لَعَلَّ الزَّوْجَ يَنْدَمُ عَلَى طَلَاقِهَا وَيَخْلُقُ اللَّهُ فِي قَلْبِهِ رَجْعَتَها، فَيَكُونُ ذَلِكَ أَيْسَرَ وَأَسْهَلَ. قَالَ الزُّهْرِيِّ، عَنْ عُبَيْدِ اللَّهِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ، عَنْ فَاطِمَةَ بِنْتِ قَيْسٍ فِي قَوْلِهِ: ﴿لَا تَدْرِي لَعَلَّ اللَّهَ يُحْدِثُ بَعْدَ ذَلِكَ أَمْرًا﴾ قَالَ: هِيَ الرَّجْعَةُ. وَكَذَا قال الشعبي، وعطاء، وقتادة، والضحاك، ومقاتل ابن حيان، والثوري. ومن هاهنا ذَهَبَ مَنْ ذَهَبَ مِنَ السَّلَفِ وَمَنْ تَابَعَهُمْ، كَالْإِمَامِ أَحْمَدَ بْنِ حَنْبَلٍ، رَحِمَهُ اللَّهُ تَعَالَى إِلَى أَنَّهُ لَا تَجِبُ السُّكْنَى لِلْمَبْتُوتَةِ، وَكَذَا الْمُتَوَفَّى عَنْهَا زَوْجُهَا، وَاعْتَمَدُوا أَيْضًا عَلَى حَدِيثِ فَاطِمَةَ بِنْتِ قَيْسٍ الْفِهْرِيَّةِ، حِينَ طَلَّقَهَا زَوْجُهَا أَبُو عَمْرُو بْنُ حَفْصٍ آخِرَ ثَلَاثِ تَطْلِيقَاتٍ، وَكَانَ غَائِبًا عَنْهَا بِالْيَمَنِ، فَأَرْسَلَ إِلَيْهَا بِذَلِكَ، فَأَرْسَلَ إِلَيْهَا وَكِيلَهُ بِشَعِيرٍ -[يَعْنِي] [[زيادة من م.]] نَفَقَةً-فَتَسَخَّطته فَقَالَ: وَاللَّهِ لَيْسَ لَكِ عَلَيْنَا نَفَقَةٌ. فَأَتَتْ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ، فقال: "لَيْسَ لَكِ عَلَيْهِ نَفَقَةٌ". وَلِمُسْلِمٍ: وَلَا سُكْنَى، وَأَمَرَهَا أَنْ تَعْتَدَّ فِي بَيْتِ أُمِّ شَرِيكٍ، ثُمَّ قَالَ: "تِلْكَ امْرَأَةٌ يَغْشَاهَا أَصْحَابِي، اعْتَدِّي عِنْدَ ابْنِ أُمِّ مَكْتُومٍ، فَإِنَّهُ رَجُلٌ أَعْمَى تَضَعِينَ ثِيَابَكِ" الْحَدِيثَ [[صحيح مسلم برقم (١٤٨٠) .]] وَقَدْ رَوَاهُ الْإِمَامُ أَحْمَدُ مِنْ طَرِيقٍ أُخْرَى بِلَفْظٍ آخَرَ، فَقَالَ: حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ سَعِيدٍ، حَدَّثَنَا مَجَالِدٌ، حَدَّثَنَا عَامِرٌ قَالَ: قَدِمْتُ الْمَدِينَةَ فَأَتَيْتُ فَاطِمَةَ بِنْتَ قَيْسٍ، فَحَدَّثَتْنِي أَنَّ زَوْجَهَا طَلَّقَهَا عَلَى عَهْدِ النَّبِيِّ ﷺ، فَبِعْثَةُ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ فِي سَرية. قَالَتْ: فَقَالَ لِي أَخُوهُ: اخْرُجِي مِنَ الدَّارِ. فَقُلْتُ: إِنَّ لِي نَفَقَةً وَسُكْنَى حَتَّى يَحُلَّ الْأَجَلُ. قَالَ: لَا. قَالَتْ: فَأَتَيْتُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ فَقُلْتُ: إِنَّ فُلَانًا طَلَّقَنِي، وَإِنَّ أَخَاهُ أَخْرَجَنِي وَمَنَعَنِي السُّكْنَى وَالنَّفَقَةَ، [فَأَرْسَلَ إِلَيْهِ] [[زيادة من المسند.]] فَقَالَ: "مَا لَكَ وَلِابْنَةِ آلِ قَيْسٍ"، قَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ أَخِي طَلَّقَهَا ثَلَاثًا جَمِيعًا. قَالَتْ: فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "انْظُرِي يَا بِنْتَ آلِ قَيْسٍ، إِنَّمَا النَّفَقَةُ وَالسُّكْنَى لِلْمَرْأَةِ عَلَى زَوْجِهَا مَا كَانَ لَهُ عَلَيْهَا رَجْعَةٌ، فَإِذَا لَمْ يَكُنْ لَهُ عَلَيْهَا رَجْعَةٌ فَلَا نَفَقَةَ وَلَا سُكْنَى. اخْرُجِي فَانْزِلِي عَلَى فُلَانَةٍ". ثُمَّ قَالَ: "إِنَّهُ يُتحَدّث إِلَيْهَا، انْزِلِي عَلَى ابْنِ أُمِّ مَكْتُومٍ، فَإِنَّهُ أَعْمَى لَا يَرَاكِ" وَذَكَرَ تَمَامَ الْحَدِيثِ [[المسند (٦/٣٧٣) .]] وَقَالَ أَبُو الْقَاسِمِ الطَّبَرَانِيُّ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ الْبَزَّارُ التُّسْتَريّ، حَدَّثَنَا إِسْحَاقُ بْنُ إِبْرَاهِيمَ الصَّوَّافُ، حَدَّثَنَا بَكْرُ بْنُ بَكَّارٍ، حَدَّثَنَا سَعِيدُ بْنُ يَزِيدَ الْبَجَلِيُّ، حَدَّثَنَا عَامِرٌ الشَّعْبِيُّ: أَنَّهُ دَخَلَ عَلَى فَاطِمَةَ بِنْتِ قَيْسٍ أُخْتِ الضَّحَّاكِ بْنِ قَيْسٍ الْقُرَشِيِّ، وَزَوْجُهَا أَبُو عمرو بن حفص بن المغيرة الْمَخْزُومِيُّ فَقَالَتْ: إِنَّ أَبَا عَمْرِو بْنَ حَفْصٍ أَرْسَلَ إِلَيَّ وَهُوَ مُنْطَلِقٌ فِي جَيْشٍ إِلَى الْيَمَنِ بِطَلَاقِي، فَسَأَلْتُ أَوْلِيَاءَهُ النَّفَقَةَ عَلَيَّ وَالسُّكْنَى، فَقَالُوا: مَا أَرْسَلَ إِلَيْنَا فِي ذَلِكَ شَيْئًا، وَلَا أَوْصَانَا بِهِ. فَانْطَلَقْتُ إِلَى رَسُولِ اللَّهِ ﷺ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ أَبَا عَمْرِو بْنَ حَفْصٍ أَرْسَلَ إِلَيَّ بِطَلَاقِي، فَطَلَبْتُ السُّكْنَى وَالنَّفَقَةَ عَلَيَّ، فَقَالَ: أَوْلِيَاؤُهُ: لَمْ يُرْسِلْ إِلَيْنَا فِي ذَلِكَ بِشَيْءٍ. فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "إِنَّمَا النَّفَقَةُ وَالسُّكْنَى لِلْمَرْأَةِ إِذَا كَانَ لِزَوْجِهَا عَلَيْهَا رَجْعَةٌ، فَإِذَا كَانَتْ لَا تَحِلُّ لَهُ حَتَّى تَنْكِحَ زَوْجًا غَيْرَهُ فَلَا نَفَقَةَ لَهَا وَلَا سُكْنَى". وَكَذَا رَوَاهُ النَّسَائِيُّ [[المعجم الكبير (٢٤/٣٨٢) وسنن النسائي (٦/١٤٤) .]] عَنْ أَحْمَدَ بْنِ يَحْيَى الصُّوفِيِّ، عَنْ أَبِي نُعَيْمٍ الْفَضْلِ بْنِ دُكَيْن، عَنْ سَعِيدِ بْنِ يَزِيدَ وَهُوَ الْأَحْمَسِيُّ البَجَلي الْكُوفِيُّ. قَالَ أَبُو حَاتِمٍ الرَّازِيُّ: وَهُوَ شَيْخٌ، يَرْوِي عَنْهُ [[الجرح والتعديل لابن أبي حاتم (٤/٧٤) .]]

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat at-Talâq (uit zijn tafsir-compilatie) · Sahîh al-Bukhârî + Sahîh Muslim (Ibn ‘Umar) · Sahîh Muslim (Fâtima bint Qays: geen levensonderhoud noch onderdak voor de onherroepelijk gescheiden vrouw) · Ibn Mâdja + Ibn Abî d-Dunyâ (Abû Dharr) · an-Nasâ'î (Mahmûd ibn Labîd) · Ibn Abî Hâtim (Ubayy ibn Ka‘b) · (Subay‘a al-Aslamiyya, ‘Umar ibn al-Khattâb, Ibn ‘Abbâs).

[فصل: في استدلال مَن فَسَّرَ الأقْراءَ بِالأطْهارِ بهذه الآية] قَوْلُهُ تَعالى: ﴿ياأيُّها النَّبِيُّ إذا طَلَّقْتُمُ النِّساءَ فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ﴾ وَوَجْهُ الِاسْتِدْلالِ بِهِ: أنَّ اللّامَ هي لامُ الوَقْتِ، أيْ: فَطَلِّقُوهُنَّ في وقْتِ عِدَّتِهِنَّ، كَما في قَوْلِهِ تَعالى: ﴿وَنَضَعُ المَوازِينَ القِسْطَ لِيَوْمِ القِيامَةِ﴾ [الأنبياء: ٤٧] أيْ: في يَوْمِ القِيامَةِ، وقَوْلُهُ: ﴿أقِمِ الصَّلاةَ لِدُلُوكِ الشَّمْسِ﴾ [الإسراء: ٧٨] أيْ: وقْتَ الدُّلُوكِ. وَتَقُولُ العَرَبُ: جِئْتُكَ لِثَلاثٍ بَقِينَ مِنَ الشَّهْرِ، أيْ: في ثَلاثٍ بَقِينَ مِنهُ، وقَدْ فَسَّرَ النَّبِيُّ ﷺ هَذِهِ الآيَةَ بِهَذا التَّفْسِيرِ، فَفي " الصَّحِيحَيْنِ ": «عَنِ ابْنِ عُمَرَ رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ: أنَّهُ لَمّا طَلَّقَ امْرَأتَهُ وهي حائِضٌ، أمَرَهُ النَّبِيُّ ﷺ أنْ يُراجِعَها، ثُمَّ يُطَلِّقَها، وهي طاهِرٌ، قَبْلَ أنْ يَمَسَّها، ثُمَّ قالَ: فَتِلْكَ العِدَّةُ الَّتِي أمَرَ اللَّهُ أنْ تُطَلَّقَ لَها النِّساءُ» فَبَيَّنَ النَّبِيُّ ﷺ أنَّ العِدَّةَ الَّتِي أمَرَ اللَّهُ أنْ تُطَلَّقَ لَها النِّساءُ هي الطُّهْرُ الَّذِي بَعْدَ الحَيْضَةِ، ولَوْ كانَ القُرْءُ هو الحَيْضَ كانَ قَدْ طَلَّقَها قَبْلَ العِدَّةِ لا في العِدَّةِ، وكانَ ذَلِكَ تَطْوِيلًا عَلَيْها، وهو غَيْرُ جائِزٍ، كَما لَوْ طَلَّقَها في الحَيْضِ. [فصل في حُكْمِ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ المُوافِقِ لِكِتابِ اللَّهِ أنَّهُ لا نَفَقَةَ لِلْمَبْتُوتَةِ ولا سُكْنى] رَوى مسلم في " صَحِيحِهِ " «عَنْ فاطمة بنت قيس: أنَّ أبا عمرو بن حفص طَلَّقَها ألْبَتَّةَ وهو غائِبٌ، فَأرْسَلَ إلَيْها وكِيلَهُ بِشَعِيرٍ، فَسَخِطَتْهُ، فَقالَ: واللَّهِ ما لَكِ عَلَيْنا مِن شَيْءٍ، فَجاءَتْ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ فَذَكَرَتْ ذَلِكَ لَهُ وما قالَ، فَقالَ: " لَيْسَ لَكِ عَلَيْهِ نَفَقَةٌ " فَأمَرَها أنْ تَعْتَدَّ في بَيْتِ أم شريك، ثُمَّ قالَ " تِلْكَ امْرَأةٌ يَغْشاها أصْحابِي، اعْتَدِّي عِنْدَ ابْنِ أُمِّ مَكْتُومٍ، فَإنَّهُ رَجُلٌ أعْمى تَضَعِينَ ثِيابَكِ، فَإذا حَلَلْتِ فَآذِنِينِي ". قالَتْ: فَلَمّا حَلَلْتُ ذَكَرْتُ لَهُ أنَّ مُعاوِيَةَ بْنَ أبِي سُفْيانَ وأبا جهم خَطَبانِي، فَقالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: أمّا أبو جهم فَلا يَضَعُ عَصاهُ عَنْ عاتِقِهِ، وأمّا معاوية فَصُعْلُوكٌ لا مالَ لَهُ، انْكِحِي أُسامَةَ بْنَ زَيْدٍ " فَكَرِهْتُهُ، ثُمَّ قالَ: " انْكِحِي أُسامَةَ بْنَ زَيْدٍ " فَنَكَحْتُهُ فَجَعَلَ اللَّهُ فِيهِ خَيْرًا واغْتَبَطْتُ» وَفِي " صَحِيحِهِ " أيْضًا: عَنْها «أنَّها طَلَّقَها زَوْجُها في عَهْدِ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، وكانَ أنْفَقَ عَلَيْها نَفَقَةً دُونًا فَلَمّا رَأتْ ذَلِكَ قالَتْ: واللَّهِ لَأُعْلِمَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ فَإنْ كانَتْ لِي نَفَقَةٌ أخَذْتُ الَّذِي يُصْلِحُنِي، وإنْ لَمْ تَكُنْ لِي نَفَقَةٌ لَمْ آخُذْ مِنهُ شَيْئًا، قالَتْ: فَذَكَرْتُ ذَلِكَ لِرَسُولِ اللَّهِ ﷺ فَقالَ (لا نَفَقَةَ لَكِ ولا سُكْنى)». [ذِكْرُ مُوافَقَةِ هَذا الحُكْمِ لِكِتابِ اللَّهِ عَزَّ وجَلَّ] قالَ اللَّهُ تَعالى: ﴿ياأيُّها النَّبِيُّ إذا طَلَّقْتُمُ النِّساءَ فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ وأحْصُوا العِدَّةَ واتَّقُوا اللَّهَ رَبَّكم لا تُخْرِجُوهُنَّ مِن بُيُوتِهِنَّ ولا يَخْرُجْنَ إلّا أنْ يَأْتِينَ بِفاحِشَةٍ مُبَيِّنَةٍ وتِلْكَ حُدُودُ اللَّهِ ومَن يَتَعَدَّ حُدُودَ اللَّهِ فَقَدْ ظَلَمَ نَفْسَهُ لا تَدْرِي لَعَلَّ اللَّهَ يُحْدِثُ بَعْدَ ذَلِكَ أمْرًا - فَإذا بَلَغْنَ أجَلَهُنَّ فَأمْسِكُوهُنَّ بِمَعْرُوفٍ أوْ فارِقُوهُنَّ بِمَعْرُوفٍ وأشْهِدُوا ذَوَيْ عَدْلٍ مِنكم وأقِيمُوا الشَّهادَةَ لِلَّهِ﴾ [الطلاق: ١-٢] إلى قَوْلِهِ: ﴿قَدْ جَعَلَ اللَّهُ لِكُلِّ شَيْءٍ قَدْرًا﴾ [الطلاق: ١-٣] فَأمَرَ اللَّهُ سُبْحانَهُ الأزْواجَ الَّذِينَ لَهم عِنْدَ بُلُوغِ الأجَلِ الإمْساكُ والتَّسْرِيحُ بِأنْ لا يُخْرِجُوا أزْواجَهم مِن بُيُوتِهِمْ، وأمَرَ أزْواجَهُنَّ أنْ لا يَخْرُجْنَ، فَدَلَّ عَلى جَوازِ إخْراجِ مَن لَيْسَ لِزَوْجِها إمْساكُها بَعْدَ الطَّلاقِ، فَإنَّهُ سُبْحانَهُ ذَكَرَ لِهَؤُلاءِ المُطَلَّقاتِ أحْكامًا مُتَلازِمَةً لا يَنْفَكُّ بَعْضُها عَنْ بَعْضٍ. أحَدُها: أنَّ الأزْواجَ لا يُخْرِجُوهُنَّ مِن بُيُوتِهِنَّ. والثّانِي: أنَّهُنَّ لا يَخْرُجْنَ مِن بُيُوتِ أزْواجِهِنَّ. والثّالِثُ: أنَّ لِأزْواجِهِنَّ إمْساكَهُنَّ بِالمَعْرُوفِ قَبْلَ انْقِضاءِ الأجَلِ، وتَرْكَ الإمْساكِ، فَيُسَرِّحُوهُنَّ بِإحْسانٍ. والرّابِعُ: إشْهادُ ذَوَيْ عَدْلٍ، وهو إشْهادٌ عَلى الرَّجْعَةِ إمّا وُجُوبًا وإمّا اسْتِحْبابًا، وأشارَ سُبْحانَهُ إلى حِكْمَةِ ذَلِكَ، وأنَّهُ في الرَّجْعِيّاتِ خاصَّةً بِقَوْلِهِ: ﴿لا تَدْرِي لَعَلَّ اللَّهَ يُحْدِثُ بَعْدَ ذَلِكَ أمْرًا﴾ والأمْرُ الَّذِي يُرْجى إحْداثُهُ هاهُنا: هو المُراجَعَةُ. هَكَذا قالَ السَّلَفُ ومَن بَعْدَهُمْ، قالَ ابْنُ أبِي شَيْبَةَ: حَدَّثَنا أبو معاوية عَنْ داود الأودي عَنِ الشَّعْبِيِّ: ﴿لا تَدْرِي لَعَلَّ اللَّهَ يُحْدِثُ بَعْدَ ذَلِكَ أمْرًا﴾ قالَ: لَعَلَّكَ تَنْدَمُ فَيَكُونَ لَكَ سَبِيلٌ إلى الرَّجْعَةِ. وَقالَ الضحاك: ﴿لَعَلَّ اللَّهَ يُحْدِثُ بَعْدَ ذَلِكَ أمْرًا﴾ قالَ: لَعَلَّهُ أنْ يُراجِعَها في العِدَّةِ، وقالَهُ عطاء وقتادة والحسن، وقَدْ تَقَدَّمَ قَوْلُ فاطمة بنت قيس: أيُّ أمْرٍ يَحْدُثُ بَعْدَ الثَّلاثِ؟ فَهَذا يَدُلُّ عَلى أنَّ الطَّلاقَ المَذْكُورَ هو الرَّجْعِيُّ الَّذِي ثَبَتَتْ فِيهِ هَذِهِ الأحْكامُ، وأنَّ حِكْمَةَ أحْكَمِ الحاكِمِينَ وأرْحَمِ الرّاحِمِينَ اقْتَضَتْهُ؛ لَعَلَّ الزَّوْجَ أنْ يَنْدَمَ ويَزُولَ الشَّرُّ الَّذِي نَزَغَهُ الشَّيْطانُ بَيْنَهُما فَتَتْبَعَها نَفْسُهُ فَيُراجِعَها كَما قالَ عَلِيُّ بْنُ أبِي طالِبٍ - رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ - " لَوْ أنَّ النّاسَ أخَذُوا بِأمْرِ اللَّهِ في الطَّلاقِ ما تَتَبَّعَ رَجُلٌ نَفْسَهُ امْرَأةً يُطَلِّقُها أبَدًا. ثُمَّ ذَكَرَ سُبْحانَهُ الأمْرَ بِإسْكانِ هَؤُلاءِ المُطَلَّقاتِ فَقالَ: ﴿أسْكِنُوهُنَّ مِن حَيْثُ سَكَنْتُمْ مِن وُجْدِكُمْ﴾ [الطلاق: ٦] فالضَّمائِرُ كُلُّها يَتَّحِدُ مُفَسِّرُها وأحْكامُها كُلُّها مُتَلازِمَةٌ، وكانَ قَوْلُ النَّبِيِّ ﷺ: «إنَّما النَّفَقَةُ والسُّكْنى لِلْمَرْأةِ إذا كانَ لِزَوْجِها عَلَيْها رَجْعَةٌ» مُشْتَقًّا مِن كِتابِ اللَّهِ عَزَّ وجَلَّ ومُفَسِّرًا لَهُ وبَيانًا لِمُرادِ المُتَكَلِّمِ بِهِ مِنهُ، فَقَدْ تَبَيَّنَ اتِّحادُ قَضاءِ رَسُولِ اللَّهِ ﷺ وكِتابِ اللَّهِ عَزَّ وجَلَّ، والمِيزانُ العادِلُ مَعَهُما أيْضًا لا يُخالِفُهُما، فَإنَّ النَّفَقَةَ إنَّما تَكُونُ لِلزَّوْجَةِ، فَإذا بانَتْ مِنهُ صارَتْ أجْنَبِيَّةً، حُكْمُها حُكْمُ سائِرِ الأجْنَبِيّاتِ، ولَمْ يَبْقَ إلّا مُجَرَّدُ اعْتِدادِها مِنهُ، وذَلِكَ لا يُوجِبُ لَها نَفَقَةً كالمَوْطُوءَةِ بِشُبْهَةٍ أوْ زِنًى، ولِأنَّ النَّفَقَةَ إنَّما تَجِبُ في مُقابَلَةِ التَّمَكُّنِ مِنَ الِاسْتِمْتاعِ، وهَذا لا يُمْكِنُ اسْتِمْتاعُهُ بِها بَعْدَ بَيْنُونَتِها، ولِأنَّ النَّفَقَةَ لَوْ وجَبَتْ لَها عَلَيْهِ لِأجْلِ عِدَّتِها لَوَجَبَتْ لِلْمُتَوَفّى عَنْها مِن مالِهِ ولا فَرْقَ بَيْنَهُما ألْبَتَّةَ، فَإنَّ كُلَّ واحِدٍ مِنهُما قَدْ بانَتْ عَنْهُ وهي مُعْتَدَّةٌ مِنهُ قَدْ تَعَذَّرَ مِنهُما الِاسْتِمْتاعُ، ولِأنَّها لَوْ وجَبَتْ لَها السُّكْنى لَوَجَبَتْ لَها النَّفَقَةُ كَما يَقُولُهُ مَن يُوجِبُها. فَأمّا أنْ تَجِبَ لَها السُّكْنى دُونَ النَّفَقَةِ فالنَّصُّ والقِياسُ يَدْفَعُهُ، وهَذا قَوْلُ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عَبّاسٍ وأصْحابِهِ وجابِرِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ وفاطمة بنت قيس إحْدى فُقَهاءِ نِساءِ الصَّحابَةِ، وكانَتْ فاطمة تُناظِرُ عَلَيْهِ، وبِهِ يَقُولُ أحْمَدُ بْنُ حَنْبَلٍ وأصْحابُهُ وإسْحاقُ بْنُ راهَوَيْهِ وأصْحابُهُ وداود بن علي وأصْحابُهُ وسائِرُ أهْلِ الحَدِيثِ. وَلِلْفُقَهاءِ في هَذِهِ المَسْألَةِ ثَلاثَةُ أقْوالٍ وهي ثَلاثُ رِواياتٍ عَنْ أحمد: أحَدُها: هَذا. والثّانِي: أنَّ لَها النَّفَقَةَ والسُّكْنى، وهو قَوْلُ عُمَرَ بْنِ الخَطّابِ وابْنِ مَسْعُودٍ وفُقَهاءِ الكُوفَةِ. والثّالِثُ: أنَّ لَها السُّكْنى دُونَ النَّفَقَةِ، وهَذا مَذْهَبُ أهْلِ المَدِينَةِ وبِهِ يَقُولُ مالك والشّافِعِيُّ. (لطيفة) وقعت حادثة في أيام ابن جرير وهي أن رجلا تزوج امرأة فأحبها حبا شديدا وأبغضته بغضا شديدا فكانت تواجهه بالشتم والدعاء عليه فقال لها يوما: أنت طالق ثلاثا لا تخاطبيني بشيء إلا خاطبتك بمثله فقالت له في الحال: أنت طالق ثلاثا بتاتا، فأبلس الرجل ولم يدر ما يصنع فاستفتى جماعة من الفقهاء فكلهم قال: لا بد أن تطلق فإنه إن أجابها بمثل كلامها طلقت وإن لم يجبها حنث وطلقت فإن بر طلقت وإن حنث طلقت. فأرشد به إلى ابن جرير فقال لها: "امض ولا تعاود الأيمان وأقم على زوجتك بعد أن تقول لها: أنت طالق ثلاثا إن أنا طلقتك فتكون قد خاطبتها بمثل خطابها لك فوفيت بيمينك ولم تطلق منك لما وصلت به الطلاق من الشرط" فذكر ذلك لابن عقيل فاستحسنه وقال: "وفيه وجه آخر لم يذكره ابن جرير وهو أنها قالت له: أنتَ طالق ثلاثا بفتح التاء وهو خطاب تذكير. فإذا قال لها أنتَ بفتح التاء لم يقع به طلاق". قلت: وفيه وجه آخر أحسن من الوجهين، وهو جار على أصول المذهب وهو تخصيص اللفظ العام بالنية كما إذا حلف لا يتغدى ونيته غذاء يومه قصر عليه، وإذا حلف لا يكلمه ونيته تخصيص الكلام بما يكرهه لم يحنث إذا كلمه بما يحبه ونظائره كثيرة وعلى هذا فنياط الكلام صريح أو كالصريح في أنه إنما أراد لا تكلم بشتم أو سب أو دعاء أو ما كان من هذا الباب إلا كلمها بمثله، ولم يرد أنها قالت له اشتر لي مقنعة أو ثوبا أن يقول لها اشتري لي ثوبا أو مقنعة. وإذا قالت له لا تشتر لي كذا فإني لا أحبه أن يقول لها مثله هذا مما يقطع أن الحالف لم يرده فإذا لم يخاطبها بمثله لم يحنث وهكذا يقطع بأن هذه الصورة المسؤول عنها لم يردها ولا كان بساط الكلام يقتضيها ولا خطرت بباله وإنما أراد ما كان من الكلام الذي هيج يمينه وبعثه على الحلف ومثل هذا يعتبر عندنا في الأيمان. (فائدة) سئل ابن عقيل عن رجل قالت له زوجته: طلقني فقال: إن الله قد طلقك؟ فقال: "يقع الطلاق، لأنه كناية استندت إلى دلالة الحال وهي ذكر الطلاق وسؤالها إياه" وأجاب بعض الشافعية بأنه إن نوى وقع الطلاق وإلا لم يقع" قلت: وهذا هو الصواب إن قوله "إن الله قد طلقك" إن أراد به شرع طلاقك وأباحه لم يقع. وإن أراد أن الله قد أوقع عليك الطلاق وأراده وشاءه، فهذا يكون طلاقا لأن ضرورة صدقة أن يكون الطلاق واقعا، وإذا احتمل الأمرين فلا يقع إلا بالنية. (فائدة) قوله تعالى: ﴿وَمَن يَتَّقِ اللَّهَ يَجْعَلْ لَهُ مَخْرَجًا﴾ قالَ الرَّبِيعُ بْنُ خُثَيْمٍ: يَجْعَلُ لَهُ مَخْرَجًا مِن كُلِّ ما ضاقَ عَلى النّاسِ، وقالَ أبُو العالِيَةِ: مَخْرَجًا مِن كُلِّ شِدَّةٍ، وهَذا جامِعٌ لِشَدائِدِ الدُّنْيا والآخِرَةِ، ومَضايِقِ الدُّنْيا والآخِرَةِ، فَإنَّ اللَّهَ يَجْعَلُ لِلْمُتَّقِي مِن كُلِّ ما ضاقَ عَلى النّاسِ واشْتَدَّ عَلَيْهِمْ في الدُّنْيا والآخِرَةِ مَخْرَجًا، وقالَ الحَسَنُ: مَخْرَجًا مِمّا نَهاهُ عَنْهُ. (فائدة) وقد روى ابن ماجه وابن أبي الدنيا عن أبي ذر رضي الله عنه عن النبي صلى الله تعالى عليه وآله وسلم قال: "لَوْ عَمِلَ النّاسُ كُلُّهمْ بِهذِهِ الآية لَوَسِعَتْهُمْ" (فصل) اعلم أن من اتقى الله في طلاقه، فطلق كما أمره الله ورسوله، وشرعه له. أغناه عن ذلك كله، ولهذا قال تعالى، بعد أن ذكر حكم الطلاق المشروع: ﴿وَمَن يَتَّقِ اللهَ يَجْعَلْ لَهُ مَخْرَجًا﴾. فلو اتقى الله عامة المطلقين لاستغنوا بتقواه عن الآصار والأغلال، والمكر والاحتيال، فإن الطلاق الذي شرعه الله سبحانه: أن يطلقها طاهرًا من غير جماع، ويطلقها واحدة، ثم يدعها حتى تنقضى عدتها. فإن بدا له أن يمسكها في العدة أمسكها، وإن لم يراجعها حتى انقضت عدتها أمكنه أن تستقبل عليها من غير زوج آخر، وإن لم يكن له فيها غرض لم يضره أن تتزوج بزوج غيره، فمن فعل هذا لم يندم، ولم يحتج إلى حيلة بزوج ولا تحليل. ولهذا سئل ابن عباس عن رجل طلق امرأته مائة؟ فقال: "عصيت ربك، وفارقت امرأتك، لم تتق الله فيجعل لك مخرجًا". وقال سعيد بن جبير: "جاء رجل إلى ابن عباس، فقال: إني طلقت امرأتي ألفا، فقال: أما ثلاث فتحرم عليك امرأتك، وبقيتهن وزر، اتخذت آيات الله هزوا". وقال مجاهد: "كنت عند ابن عباس، فجاءه رجل، فقال: إنه طلق امرأته ثلاثا. فسكت، حتى ظننت أنه رادّها إليه، ثم قال: ينطلق أحدكم فيركب الأحموقة، ثم يقول: يا ابن عباس، يا ابن عباس، وإن الله تعالى قال: ﴿وَمَن يَتَّق اللهَ يَجْعَلْ لَهُ مَخْرَجًا﴾ وإنك لم تتق الله، فلا أجد لك مخرجًا، عصيت ربك، وبانت منك امرأتك، ذكره أبو داود. وقد روى النسائي عن محمود بن لبيد قال: " أُخْبِرَ رسُولُ الله ﷺ عَنْ رَجُلٍ طَلّقَ امْرأتَهُ ثَلاثَ تَطْلِيقاتٍ جَمِيعًا، فقامَ غَضْبانَ، ثُمَّ قالَ: أيُلْعَبُ بِكِتاب اللهِ وأنَآ بَيْنَ أظْهُرِكُمْ؟ حَتّى قامَ رَجُلٌ، فَقالَ: يا رَسُولَ اللهِ، ألا أقْتُلهُ؟ ". قَوْله تَعالى ﴿وَمَن يَتَوَكَّلْ عَلى اللَّهِ فَهو حَسْبُهُ إنَّ اللَّهَ بالِغُ أمْرِهِ قَدْ جَعَلَ اللَّهُ لِكُلِّ شَيْءٍ قَدْرًا﴾ أيْ كافِي مَن يَثِقُ بِهِ في نَوائِبِهِ ومُهِمّاتِهِ، يَكْفِيهِ كُلَّ ما أهَمَّهُ، والحَسْبُ الكافِي ﴿حَسْبُنا اللَّهُ﴾ كافِينا اللَّهُ. وَكُلَّما كانَ العَبْدُ حَسَنَ الظَّنِّ بِاللَّهِ، حَسَنَ الرَّجاءِ لَهُ، صادِقَ التَّوَكُّلِ عَلَيْهِ، فَإنَّ اللَّهَ لا يُخَيِّبُ أمَلَهُ فِيهِ ألْبَتَّةَ، فَإنَّهُ سُبْحانَهُ لا يُخَيِّبُ أمَلَ آمِلٍ، ولا يُضَيِّعُ عَمَلَ عامِلٍ. (فائدة) قَوْله تَعالى ﴿وَمَن يَتَوَكَّلْ عَلى اللَّهِ فَهو حَسْبُهُ إنَّ اللَّهَ بالِغُ أمْرِهِ قَدْ جَعَلَ اللَّهُ لِكُلِّ شَيْءٍ قَدْرًا﴾ لَمّا ذَكَرَ كِفايَتَهُ لِلْمُتَوَكِّلِ عَلَيْهِ فَرُبَّما أوْهَمَ ذَلِكَ تَعْجِيلَ الكِفايَةِ وقْتَ التَّوَكُّلِ فَعَقَّبَهُ بِقَوْلِهِ: ﴿قَدْ جَعَلَ اللَّهُ لِكُلِّ شَيْءٍ قَدْرًا﴾ أيْ وقْتًا لا يَتَعَدّاهُ فَهو يَسُوقُهُ إلى وقْتِهِ الَّذِي قَدَّرَهُ لَهُ. فَلا يَسْتَعْجِلُ المُتَوَكِّلُ ويَقُولُ: قَدْ تَوَكَّلْت، ودَعَوْت فَلَمْ أرَ شَيْئًا ولَمْ تَحْصُلْ لِي الكِفايَةُ، فاللَّهُ بالِغُ أمْرِهِ في وقْتِهِ الَّذِي قَدَّرَهُ لَهُ، وهَذا كَثِيرٌ جِدًّا في القُرْآنِ والسُّنَّةِ، وهو بابٌ لَطِيفٌ مِن أبْوابِ فَهْمِ النُّصُوصِ. (فصل) قالَ في التَّوَكُّلِ: ﴿وَمَن يَتَوَكَّلْ عَلى اللَّهِ فَهو حَسْبُهُ﴾. فانْظُرْ إلى هَذا الجَزاءِ الَّذِي حَصَلَ لِلْمُتَوَكِّلِ، ولَمْ يَجْعَلْهُ لِغَيْرِهِ. وَهَذا يَدُلُّ عَلى أنَّ التَّوَكُّلَ أقْوى السُّبُلَ عِنْدَهُ وأحَبُّها إلَيْهِ. ولَيْسَ كَوْنُهُ وكَلَ الأُمُورَ إلى نَفْسِهِ بِمُنافٍ لِتَوَكُّلِ العَبْدِ عَلَيْهِ، بَلْ هَذا تَحْقِيقُ كَوْنِ الأُمُورِ كُلِّها مَوْكُولَةً إلى نَفْسِهِ؛ لِأنَّ العَبْدَ إذا عَلِمَ ذَلِكَ وتَحَقَّقَهُ مَعْرِفَةً صارَتْ حالُهُ التَّوَكُّلَ - قَطْعًا - عَلى مَن هَذا شَأْنُهُ، لِعِلْمِهِ بِأنَّ الأُمُورَ كُلَّها مَوْكُولَةٌ إلَيْهِ، وأنَّ العَبْدَ لا يَمْلِكُ شَيْئًا مِنها. فَهو لا يَجِدُ بُدًّا مِنَ اعْتِمادِهِ عَلَيْهِ. وتَفْوِيضِهِ إلَيْهِ. وثِقَتِهِ بِهِ مِنَ الوَجْهَيْنِ: مِن جِهَةِ فَقْرِهِ، وعَدَمِ مِلْكِهِ شَيْئًا ألْبَتَّةَ. وَمِن جِهَةِ كَوْنِ الأمْرِ كُلِّهِ بِيَدِهِ وإلَيْهِ. والتَّوَكُّلُ يَنْشَأُ مِن هَذَيْنِ العِلْمَيْنِ. (فائدة) من اشْتغل بِالله عَن نَفسه كفاه الله مؤونة نَفسه. وَمن اشْتغل بِالله عَن النّاس كَفاهُ الله مؤونة النّاس. وَمن اشْتغل بِنَفسِهِ عَن الله وكله الله إلى نَفسه. وَمن اشْتغل بِالنّاسِ عَن الله وكله الله إلَيْهِم. (فائدة) قوله تعالى: ﴿قَدْ جَعَلَ اللَّهُ لِكُلِّ شَيْءٍ قَدْرًا﴾ فما من مخلوق إلا وقد جعل الله له قدرا يخصه، والقدر يكون علميا ويكون عينيا. فالأول هو التقدير العلمي وهو تقدير الشيء في العلم واللفظ والكتاب، كما يقدر العبد في نفسه ما يريد أن يقوله ويكتبه ويفعله فيجعل له قدرا. ومن هذا تقدير الله سبحانه لمقادير الخلائق في علمه وكتابه قبل تكوينها، ثم كونها على ذلك القدر الذي علمه وكتبه. فالقدر الإلهي نوعان: أحدهما: في العلم والكتابة. والثاني: خلقها وبرأها وتصويرها بقدرته التي بها يخلق الأشياء. والخلق يتضمن الإبداع والتقدير جميعا. والمقصود أن كل موجد فله قدر، والعباد لا يقدرون الخالق قدره، والكفار منهم لا يقدرونه حق قدره، ولهذا لم يذكر ذلك سبحانه إلا في حقهم قال تعالى: ﴿وَما قَدَرُوا اللَّهَ حَقَّ قَدْرِهِ إذْ قالُوا ما أنْزَلَ اللَّهُ عَلى بَشَرٍ مِن شَيْءٍ﴾ [الأنعام: ٩١]. [فصل: التَّوَكُّلُ] وَكَذَلِكَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ، وأصْحابُهُ، يَوْمَ أُحُدٍ، لَمّا قِيلَ لَهم بَعْدَ انْصِرافِهِمْ مِن أُحُدٍ: ﴿إنَّ النّاسَ قَدْ جَمَعُوا لَكم فاخْشَوْهُمْ﴾ [آل عمران: ١٧٣] فَتَجَهَّزُوا وخَرَجُوا لِلِقاءِ عَدُوِّهِمْ، وأعْطَوْهُمُ الكَيْسَ مِن نُفُوسِهِمْ، ثُمَّ قالُوا: ﴿حَسْبُنا اللَّهُ ونِعْمَ الوَكِيلُ﴾ [آل عمران: ١٧٣] فَأثَّرَتِ الكَلِمَةُ أثَرَها، واقْتَضَتْ مُوجَبَها، ولِهَذا قالَ تَعالى: ﴿وَمَن يَتَّقِ اللَّهَ يَجْعَلْ لَهُ مَخْرَجًا ويَرْزُقْهُ مِن حَيْثُ لا يَحْتَسِبُ ومَن يَتَوَكَّلْ عَلى اللَّهِ فَهو حَسْبُهُ﴾ [الطلاق: ٢] فَجَعَلَ التَّوَكُّلَ بَعْدَ التَّقْوى الَّذِي هو قِيامُ الأسْبابِ المَأْمُورِ بِها، فَحِينَئِذٍ إنْ تَوَكَّلَ عَلى اللَّهِ، فَهو حَسْبُهُ، وكَما قالَ في مَوْضِعٍ آخَرَ: ﴿واتَّقُوا اللَّهَ وعَلى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ المُؤْمِنُونَ﴾ [المائدة: ١١] فالتَّوَكُّلُ والحَسْبُ بِدُونِ قِيامِ الأسْبابِ المَأْمُورِ بِها عَجْزٌ مَحْضٌ، فَإنْ كانَ مَشُوبًا بِنَوْعٍ مِنَ التَّوَكُّلِ، فَهو تَوَكُّلُ عَجْزٍ، فَلا يَنْبَغِي لِلْعَبْدِ أنْ يَجْعَلَ تَوَكُّلَهُ عَجْزًا، ولا يَجْعَلَ عَجْزَهُ تَوَكُّلًا، بَلْ يَجْعَلُ تَوَكُّلَهُ مِن جُمْلَةِ الأسْبابِ المَأْمُورِ بِها الَّتِي لا يَتِمُّ المَقْصُودُ إلّا بِها كُلِّها. وَمِن هاهُنا غَلِطَ طائِفَتانِ مِنَ النّاسِ: إحْداهُما: زَعَمَتْ أنَّ التَّوَكُّلَ وحْدَهُ سَبَبٌ مُسْتَقِلٌّ كافٍ في حُصُولِ المُرادِ، فَعُطِّلَتْ لَهُ الأسْبابُ الَّتِي اقْتَضَتْها حِكْمَةُ اللَّهِ المُوصِلَةُ إلى مُسَبِّباتِها، فَوَقَعُوا في نَوْعِ تَفْرِيطٍ وعَجْزٍ، بِحَسَبِ ما عَطَّلُوا مِنَ الأسْبابِ، وضَعُفَ تَوَكُّلُهم مِن حَيْثُ ظَنُّوا قُوَّتَهُ بِانْفِرادِهِ عَنِ الأسْبابِ، فَجَمَعُوا الهَمَّ كُلَّهُ، وصَيَّرُوهُ هَمًّا واحِدًا، وهَذا وإنْ كانَ فِيهِ قُوَّةٌ مِن هَذا الوَجْهِ، فَفِيهِ ضَعْفٌ مِن جِهَةٍ أُخْرى، فَكُلَّما قَوِيَ جانِبُ التَّوَكُّلِ بِإفْرادِهِ أضْعَفَهُ التَّفْرِيطُ في السَّبَبِ الَّذِي هو مَحَلُّ التَّوَكُّلِ، فَإنَّ التَّوَكُّلَ مَحَلُّهُ الأسْبابُ، وكَمالُهُ بِالتَّوَكُّلِ عَلى اللَّهِ فِيها، وهَذا كَتَوَكُّلِ الحَرّاثِ الَّذِي شَقَّ الأرْضَ، وألْقى فِيها البِذْرَ، فَتَوَكَّلَ عَلى اللَّهِ في زَرْعِهِ وإنْباتِهِ، فَهَذا قَدْ أعْطى التَّوَكُّلَ حَقَّهُ، ولَمْ يَضْعُفْ تَوَكُّلُهُ بِتَعْطِيلِ الأرْضِ، وتَخْلِيَتِها بُورًا، وكَذَلِكَ تَوَكُّلُ المُسافِرِ في قَطْعِ المَسافَةِ مَعَ جِدِّهِ في السَّيْرِ، وتَوَكُّلُ الأكْياسِ مِنَ النَّجاةِ مِن عَذابِ اللَّهِ، والفَوْزِ بِثَوابِهِ، مَعَ اجْتِهادِهِمْ في طاعَتِهِ، فَهَذا هو التَّوَكُّلُ الَّذِي يَتَرَتَّبُ عَلَيْهِ أثَرُهُ، ويَكُونُ اللَّهُ حَسْبَ مَن قامَ بِهِ. وَأمّا تَوَكُّلُ العَجْزِ والتَّفْرِيطِ، فَلا يَتَرَتَّبُ عَلَيْهِ أثَرُهُ، ولَيْسَ اللَّهُ حَسْبَ صاحِبِهِ، فَإنَّ اللَّهَ إنَّما يَكُونُ حَسْبَ المُتَوَكِّلِ عَلَيْهِ إذا اتَّقاهُ، وتَقْواهُ فِعْلُ الأسْبابِ المَأْمُورِ بِها، لا إضاعَتُها. والطّائِفَةُ الثّانِيَةُ: الَّتِي قامَتْ بِالأسْبابِ، ورَأتِ ارْتِباطَ المُسَبِّباتِ بِها شَرْعًا وقَدَرًا، وأعْرَضَتْ عَنْ جانِبِ التَّوَكُّلِ، وهَذِهِ الطّائِفَةُ وإنْ نالَتْ بِما فَعَلَتْهُ مِنَ الأسْبابِ ما نالَتْهُ، فَلَيْسَ لَها قُوَّةُ أصْحابِ التَّوَكُّلِ، ولا عَوْنُ اللَّهِ لَهم وكِفايَتُهُ إيّاهم ودِفاعُهُ عَنْهُمْ، بَلْ هي مَخْذُولَةٌ عاجِزَةٌ، بِحَسَبِ ما فاتَها مِنَ التَّوَكُّلِ. فالقُوَّةُ كُلُّ القُوَّةِ في التَّوَكُّلِ عَلى اللَّهِ، كَما قالَ بَعْضُ السَّلَفِ: مَن سَرَّهُ أنْ يَكُونَ أقْوى النّاسِ، فَلْيَتَوَكَّلْ عَلى اللَّهِ، فالقُوَّةُ مَضْمُونَةٌ لِلْمُتَوَكِّلِ، والكِفايَةُ والحَسْبُ والدَّفْعُ عَنْهُ، وإنَّما يَنْقُصُ عَلَيْهِ مِن ذَلِكَ بِقَدْرِ ما يَنْقُصُ مِنَ التَّقْوى والتَّوَكُّلِ، وإلّا فَمَعَ تَحَقُّقِهِ بِهِما، لا بُدَّ أنْ يَجْعَلَ اللَّهُ لَهُ مَخْرَجًا مِن كُلِّ ما ضاقَ عَلى النّاسِ، ويَكُونُ اللَّهُ حَسْبَهُ وكافِيَهُ. والمَقْصُودُ أنَّ النَّبِيَّ ﷺ أرْشَدَ العَبْدَ إلى ما فِيهِ غايَةُ كَمالِهِ، ونَيْلُ مَطْلُوبِهِ، أنْ يَحْرِصَ عَلى ما يَنْفَعُهُ، ويَبْذُلَ فِيهِ جَهْدَهُ، وحِينَئِذٍ يَنْفَعُهُ التَّحَسُّبُ، وقَوْلُ «حَسْبِيَ اللَّهُ ونِعْمَ الوَكِيلُ» بِخِلافِ مَن عَجَزَ وفَرَّطَ، حَتّى فاتَتْهُ مَصْلَحَتُهُ، ثُمَّ قالَ «حَسْبِيَ اللَّهُ ونِعْمَ الوَكِيلُ» فَإنَّ اللَّهَ يَلُومُهُ، ولا يَكُونُ في هَذا الحالِ حَسْبَهُ، فَإنَّما هو حَسْبُ مَنِ اتَّقاهُ وتَوَكَّلَ عَلَيْهِ. [أقْسامِ الحِيَلِ ومَراتِبِها] [القِسْمُ الأوَّلُ مِن الحِيَلِ] فَصْلٌ قالَ أرْبابُ الحِيَلِ: قالَ اللَّهُ تَعالى: ﴿وَمَن يَتَّقِ اللَّهَ يَجْعَلْ لَهُ مَخْرَجًا﴾ والحِيَلُ مَخارِجٌ مِن المَضائِقِ. والجَوابُ إنّما يَتَبَيَّنُ بِذِكْرِ قاعِدَةٍ في أقْسامِ الحِيَلِ ومَراتِبِها، فَنَقُولُ وبِاللَّهِ التَّوْفِيقُ هي أقْسامٌ. [القِسْمُ الأوَّلُ مِن الحِيَلِ طُرُقٌ يُتَوَصَّلُ بِها إلى ما هو حَرامٌ] القِسْمُ الأوَّلُ: الطُّرُقُ الخَفِيَّةُ الَّتِي يُتَوَصَّل بِها إلى ما هو مُحَرَّمٌ في نَفْسِهِ، بِحَيْثُ لا يَحِلُّ بِمِثْلِ ذَلِكَ السَّبَبِ بِحالٍ، فَمَتى كانَ المَقْصُودُ بِها مُحَرَّمٌ في نَفْسِهِ فَهي حَرامٌ بِاتِّفاقِ المُسْلِمِينَ، وذَلِكَ كالحِيَلِ عَلى أخْذِ أمْوالِ النّاسِ وظُلْمِهِمْ في نُفُوسِهِمْ وسَفْكِ دِمائِهِمْ وإبْطالِ حُقُوقِهِمْ وإفْسادِ ذاتِ بَيْنِهِمْ، وهي مِن جِنْسِ حِيَلِ الشَّياطِينِ عَلى إغْواءِ بَنِي آدَمَ بِكُلِّ طَرِيقٍ، وهم يَتَحَيَّلُونَ عَلَيْهِمْ لِيُوقِعُوهم في واحِدَةٍ مِن سِتَّةٍ ولا بُدَّ؛ فَيَتَحَيَّلُونَ عَلَيْهِمْ بِكُلِّ طَرِيقٍ أنْ يُوقِعُوهم في الكُفْرِ والنِّفاقِ عَلى اخْتِلافِ أنْواعِهِ، فَإذا عَمِلَتْ حِيَلُهم في ذَلِكَ قَرَّتْ عُيُونُهُمْ، فَإنْ عَجَزَتْ حِيَلُهم عَنْ مَن صَحَّتْ فِطْرَتُهُ وتَلاها شاهِدُ الإيمانِ مِن رَبِّهِ بِالوَحْيِ الَّذِي أنْزَلَهُ عَلى رَسُولِهِ أعْمَلُوا الحِيلَةَ في إلْقائِهِ في البِدْعَةِ عَلى اخْتِلافِ أنْواعِها وقَبُولِ القَلْبِ لَها وتَهْيِئَتِهِ واسْتِعْدادِهِ. فَإنْ تَمَّتْ حِيَلُهم كانَ ذَلِكَ أحَبَّ إلَيْهِمْ مِن المَعْصِيَةِ، وإنْ كانَتْ كَبِيرَةً، ثُمَّ يَنْظُرُونَ في حالِ مَن اسْتَجابَ لَهم إلى البِدْعَةِ؛ فَإنْ كانَ مُطاعًا مَتْبُوعًا في النّاسِ أمَرُوهُ بِالزُّهْدِ والتَّعَبُّدِ ومَحاسِنِ الأخْلاقِ والشِّيَمِ، ثُمَّ أطارُوا لَهُ الثَّناءَ بَيْنَ النّاسِ لِيَصْطادُوا عَلَيْهِ الجُهّالَ ومَن لا عِلْمَ عِنْدَهُ بِالسُّنَّةِ، وإنْ لَمْ يَكُنْ كَذَلِكَ جَعَلُوا بِدْعَتَهُ عَوْنًا لَهُ عَلى ظُلْمِهِ أهْلَ السُّنَّةِ وأذاهم والنِّيلِ مِنهُمْ، وزَيَّنُوا لَهُ أنَّ هَذا انْتِصارٌ لِما هم عَلَيْهِ مِن الحَقِّ، فَإنْ أعْجَزَتْهم هَذِهِ الحِيلَةُ ومَنَّ اللَّهُ عَلى العَبْدِ بِتَحْكِيمِ السُّنَّةِ ومَعْرِفَتِها والتَّمْيِيزِ بَيْنَها وبَيْنَ البِدْعَةِ ألْقَوْهُ في الكَبائِرِ، وزَيَّنُوا لَهُ فِعْلَها بِكُلِّ طَرِيقٍ، وقالُوا لَهُ: أنْتَ عَلى السُّنَّةِ، وفُسّاقُ أهْلِ السُّنَّةِ أوْلِياءُ اللَّهِ، وعُبّادُ أهْلِ البِدْعَةِ أعْداءُ اللَّهِ، وقُبُورُ فُسّاقِ أهْلِ السُّنَّةِ رَوْضَةٌ مِن رِياضِ الجَنَّةِ، وقُبُورُ عُبّادِ أهْلِ البِدَعِ حُفْرَةٌ مِن حُفَرِ النّارِ، والتَّمَسُّكُ بِالسُّنَّةِ يُكَفِّرُ الكَبائِرَ، كَما أنَّ مُخالَفَةَ السُّنَّةِ تُحْبِطُ الحَسَناتِ، وأهْلُ السُّنَّةِ إنْ قَعَدَتْ بِهِمْ أعْمالُهم قامَتْ بِهِمْ عَقائِدُهُمْ، وأهْلُ البِدَعِ إذا قامَتْ بِهِمْ أعْمالُهم قَعَدَتْ بِهِمْ عَقائِدُهُمْ، وأهْلُ السُّنَّةِ هم الَّذِينَ أحْسَنُوا الظَّنَّ بِرَبِّهِمْ إذْ وصَفُوهُ بِما وصَفَ بِهِ نَفْسَهُ ووَصَفَهُ بِهِ رَسُولُهُ ووَصَفُوهُ بِكُلِّ كَمالٍ وجَلالٍ ونَزَّهُوهُ عَنْ كُلِّ نَقْصٍ، واللَّهُ تَعالى عِنْدَ ظَنِّ عَبْدِهِ بِهِ، وأهْلُ البِدَعِ هم الَّذِينَ يَظُنُّونَ بِرَبِّهِمْ ظَنَّ السُّوءِ؛ إذْ يُعَطِّلُونَهُ عَنْ صِفاتِ كَمالِهِ ويُنَزِّهُونَهُ عَنْها، وإذا عَطَّلُوهُ عَنْها لَزِمَ اتِّصافُهُ بِأضْدادِها ضَرُورَةً؛ ولِهَذا قالَ اللَّهُ تَعالى في حَقِّ مَن أنْكَرَ صِفَةً واحِدَةً مِن صِفاتِهِ وهي صِفَةُ العِلْمِ بِبَعْضِ الجُزْئِيّاتِ: ﴿وَذَلِكم ظَنُّكُمُ الَّذِي ظَنَنْتُمْ بِرَبِّكم أرْداكم فَأصْبَحْتُمْ مِنَ الخاسِرِينَ﴾ [فصلت: ٢٣] وأخْبَرَهم عَنْ الظّانِّينَ بِاللَّهِ ظَنَّ السَّوْءِ أنَّ عَلَيْهِمْ دائِرَةَ السَّوْءِ، وغَضِبَ اللَّهُ عَلَيْهِمْ، ولَعَنَهُمْ، وأعَدَّ لَهم جَهَنَّم وساءَتْ مَصِيرًا، فَلَمْ يَتَوَعَّدْ بِالعِقابِ أحَدًا أعْظَمَ مِمَّنْ ظَنَّ بِهِ ظَنَّ السُّوءَ، وأنْتَ لا تَظُنُّ بِهِ ظَنَّ السُّوءِ، فَما لَك ولِلْعِقابِ؟ وأمْثالُ هَذا مِن الحَقِّ الَّذِي يَجْعَلُونَهُ وصْلَةً لَهُمْ، وحِيلَةً إلى الِاسْتِهانَةِ بِالكَبائِرِ، وأخْذِهِ الأمْنَ لِنَفْسِهِ. وَهَذِهِ حِيلَةٌ لا يَنْجُو مِنها إلّا الرّاسِخُ في العِلْمِ، العارِفُ بِأسْماءِ اللَّهِ وصِفاتِهِ، فَإنَّهُ كُلَّما كانَ بِاللَّهِ أعْرَفَ كانَ لَهُ أشَدَّ خَشْيَةً، وكُلَّما كانَ بِهِ أجْهَلَ كانَ أشَدَّ غُرُورًا بِهِ وأقَلَّ خَشْيَةً. فَإنْ أعْجَزَتْهم هَذِهِ الحِيلَةُ وعَظُمَ وقارُ اللَّهِ في قَلْبِ العَبْدِ هَوَّنُوا عَلَيْهِ الصَّغائِرَ، وقالُوا لَهُ: إنّها تَقَعُ مُكَفِّرَةً بِاجْتِنابِ الكَبائِرِ حَتّى كَأنَّها لَمْ تَكُنْ، ورُبَّما مَنَّوْهُ أنَّهُ إذا تابَ مِنها - كَبائِرَ كانَتْ أوْ صَغائِرَ - كُتِبَ لَهُ مَكانَ كُلِّ سَيِّئَةٍ حَسَنَةٌ، فَيَقُولُونَ لَهُ: كَثِّرْ مِنها ما اسْتَطَعْت، ثُمَّ ارْبَحْ مَكانَ كُلِّ سَيِّئَةٍ حَسَنَةً بِالتَّوْبَةِ، ولَوْ قَبْلَ المَوْتِ بِساعَةٍ؛ فَإنْ أعْجَزَتْهم هَذِهِ الحِيلَةُ وخَلَّصَ اللَّهُ عَبْدَهُ مِنها نَقَلُوهُ إلى الفُضُولِ مِن أنْواعِ المُباحاتِ والتَّوَسُّعِ فِيها، وقالُوا لَهُ: قَدْ كانَ لِداوُدَ مِائَةُ امْرَأةٍ إلّا واحِدَةً ثُمَّ أرادَ تَكْمِيلَها بِالمِائَةِ، وكانَ لِسُلَيْمانَ ابْنِهِ مِائَةُ امْرَأةٍ، وكانَ لِلزُّبَيْرِ بْنِ العَوّامِ وعَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ عَوْفٍ وعُثْمانَ بْنِ عَفّانَ مِن الأمْوالِ ما هو مَعْرُوفٌ، وكانَ لِعَبْدِ اللَّهِ بْنِ المُبارَكِ واللَّيْثِ بْنِ سَعْدٍ مِن الدُّنْيا وسَعَةِ المالِ ما لا يُجْهَلُ، ويُنْسُوهُ ما كانَ لِهَؤُلاءِ مِن الفَضْلِ، وأنَّهم لَمْ يَنْقَطِعُوا عَنْ اللَّهِ بِدُنْياهُمْ، بَلْ سارُوا بِها إلَيْهِ، فَكانَتْ طَرِيقًا لَهم إلى اللَّهِ. فَإنْ أعْجَزَتْهم هَذِهِ الحِيلَةُ - بِأنْ تَفْتَحَ بَصِيرَةَ قَلْبِ العَبْدِ حَتّى كَأنَّهُ يُشاهِدُ بِها الآخِرَةَ وما أعَدَّ اللَّهُ فِيها لِأهْلِ طاعَتِهِ وأهْلِ مَعْصِيَتِهِ، فَأخَذَ حَذَرَهُ، وتَأهَّبَ لِلِّقاءِ رَبِّهِ، واسْتَقْصَرَ مُدَّةَ هَذِهِ الحَياةِ الدُّنْيا في جَنْبِ الحَياةَ الباقِيَةَ الدّائِمَةَ - نَقَلُوهُ إلى الطّاعاتِ المَفْضُولَةِ الصَّغِيرَةِ الثَّوابِ لِيَشْغَلُوهُ بِها عَنْ الطّاعاتِ الفاضِلَةِ الكَثِيرَةِ الثَّوابِ، فَيُعْمِلُ حِيلَتَهُ في تَرْكِهِ كُلَّ طاعَةٍ كَبِيرَةٍ إلى ما هو دُونَها، فَيُعْمِلُ حِيلَتَهُ في تَفْوِيتِ الفَضِيلَةِ عَلَيْهِ؛ فَإنْ أعْجَزَتْهم هَذِهِ الحِيلَةُ - وهَيْهاتَ - لَمْ يَبْقَ لَهم إلّا حِيلَةٌ واحِدَةٌ، وهي تَسْلِيطُ أهْلِ الباطِلِ والبِدَعِ والظَّلَمَةِ عَلَيْهِ يُؤْذُونَهُ، ويُنَفِّرُونَ النّاسَ عَنْهُ، ويَمْنَعُونَهم مِن الِاقْتِداءِ بِهِ؛ لِيُفَوِّتُوا عَلَيْهِ مَصْلَحَةَ الدَّعْوَةِ إلى اللَّهِ وعَلَيْهِمْ مَصْلَحَةَ الإجابَةِ. فَهَذِهِ مَجامِعُ أنْواعِ حِيَلِ الشَّيْطانِ، ولا يُحْصِي أفْرادَها إلّا اللَّهُ، ومَن لَهُ مُسْكَةٌ مِن العَقْلِ يَعْرِفُ الحِيلَةَ الَّتِي تَمَّتْ عَلَيْهِ مِن هَذِهِ الحِيَلِ، فَإنْ كانَتْ لَهُ هِمَّةٌ إلى التَّخَلُّصِ مِنها، وإلّا فَيَسْألُ مَن تَمَّتْ عَلَيْهِ، واللَّهُ المُسْتَعانُ. [مِن حِيَلِ شَياطِينِ الإنْسِ] وَهَذِهِ الحِيَلُ مِن شَياطِينِ الجِنِّ نَظِيرُ حِيَلِ شَياطِينِ الإنْسِ المُجادِلِينَ بِالباطِلِ لِيُدْحِضُوا بِهِ الحَقَّ ويَتَوَصَّلُوا بِهِ إلى أغْراضِهِمْ الفاسِدَةِ في الأُمُورِ الدِّينِيَّةِ والدُّنْيَوِيَّةِ وذَلِكَ كَحِيَلِ القَرامِطَةِ الباطِنِيَّةِ عَلى إفْسادِ الشَّرائِعِ، وحِيَلِ الرُّهْبانِ عَلى أشْباهِ الحَمِيرِ مِن عابِدِ الصَّلِيبِ بِما يُمَوِّهُونَ بِهِ عَلَيْهِمْ مِن المَخارِيقِ والحِيَلِ كالنُّورِ المَصْنُوعِ وغَيْرِهِ مِمّا هو مَعْرُوفٌ عِنْدَ النّاسِ، وكَحِيَلِ أرْبابِ الإشاراتِ مِن الإذْنَ والتَّسْيِيرِ والتَّغْيِيرِ وإمْساكِ الحَيّاتِ ودُخُولِ النّارِ في الدُّنْيا قَبْلَ الآخِرَةِ، وأمْثالِ ذَلِكَ مِن حِيَلِ أشْباهِ النَّصارى الَّتِي تَرُوجُ عَلى أشْباهِ الأنْعامِ، وكَحِيَلِ أرْبابِ الدَّكِّ وخِفَّةِ اليَدِ الَّتِي تَخْفى عَلى النّاظِرِينَ أسْبابُها ولا يَتَفَطَّنُونَ لَها، وكَحِيَلِ السَّحَرَةِ عَلى اخْتِلافِ أنْواعِ السِّحْرِ؛ فَإنَّ سِحْرَ البَيانِ هو مِن أنْواعِ التَّحَيُّلِ: إمّا لِكَوْنِهِ بَلَغَ مِن اللُّطْفِ والحُسْنِ إلى حَدِّ اسْتِمالَةِ القُلُوبِ فَأشْبَهَ السِّحْرَ مِن هَذا الوَجْهِ، وإمّا لِكَوْنِ القادِرِ عَلى البَيانِ يَكُونُ قادِرًا عَلى تَحْسِينِ القَبِيحِ وتَقْبِيحِ الحَسَنِ فَهو أيْضًا يُشْبِهُ السِّحْرَ مِن هَذا الوَجْهِ أيْضًا. وَكَذَلِكَ سِحْرُ الوَهْمِ أيْضًا هو حِيلَةٌ وهْمِيَّةٌ، والواقِعُ شاهِدٌ بِتَأْثِيرِ الوَهْمِ والإيهامِ، ألا تَرى أنَّ الخَشَبَةَ الَّتِي يَتَمَكَّنُ الإنْسانُ مِن المَشْيِ عَلَيْها إذا كانَتْ قَرِيبَةً مِن الأرْضِ لا يُمْكِنُ المَشْيُ عَلَيْها إذا كانَتْ عَلى مَهْواةٍ بَعِيدَةِ القَعْرِ؟ والأطِبّاءُ تَنْهى صاحِبَ الرُّعافِ عَنْ النَّظَرِ إلى الشَّيْءِ الأحْمَرِ، وتَنْهى المَصْرُوعَ عَنْ النَّظَرِ إلى الأشْياءِ القَوِيَّةِ اللَّمَعانِ أوْ الدَّوْرانِ، فَإنَّ النُّفُوسَ خُلِقَتْ مَطِيَّةَ الأوْهامِ، والطَّبِيعَةُ فَعّالَةٌ، والأحْوالُ الجُسْمانِيَّةُ تابِعَةٌ لِلْأحْوالِ النَّفْسانِيَّةِ. وَكَذَلِكَ السِّحْرُ بِالِاسْتِعانَةِ بِالأرْواحِ الخَبِيثَةِ إنّما هو بِالتَّحَيُّلِ عَلى اسْتِخْدامِها بِالإشْراكِ بِها والِاتِّصافِ بِهَيْئاتِها الخَبِيثَةِ؛ ولِهَذا لا يَعْمَلُ السِّحْرُ إلّا مَعَ الأنْفُسِ الخَبِيثَةِ المُناسِبَةِ لِتِلْكَ الأرْواحِ، وكُلَّما كانَتْ النَّفْسُ أخْبَثَ كانَ سِحْرُها أقْوى، وكَذَلِكَ سِحْرُ التَّمْزِيجاتِ - وهو أقْوى ما يَكُونُ مِن السِّحْرِ - أنْ يُمْزَجَ بَيْنَ القُوى النَّفْسانِيَّةِ الخَبِيثَةِ الفَعّالَةِ والقُوى الطَّبِيعِيَّةِ المُنْفَعِلَةِ، والمَقْصُودُ أنَّ السِّحْرَ مِن أعْظَمِ أنْواعِ الحِيَلِ الَّتِي يَنالُ بِها السّاحِرُ غَرَضَهُ، وحِيَلُ السّاحِرِ مِن أضْعَفِ الحِيَلِ وأقْواها، ولَكِنْ لا تُؤَثِّرُ تَأْثِيرًا مُسْتَقِرًّا إلّا في الأنْفُسِ الباطِلَةِ المُنْفَعِلَةِ لِلشَّهَواتِ الضَّعِيفَةِ تَعَلُّقِها بِفاطِرِ الأرْضِ والسَّمَواتِ المُنْقَطِعَةِ عَنْ التَّوَجُّهِ إلَيْهِ والإقْبالِ عَلَيْهِ؛ فَهَذِهِ النُّفُوسُ مَحَلُّ تَأْثِيرِ السِّحْرِ، وكَحِيَلِ أرْبابِ المَلاهِي والطَّرِبِ عَلى اسْتِمالَةِ النُّفُوسِ إلى مَحَبَّةِ الصُّوَرِ والوُصُولِ إلى الِالتِذاذِ بِها؛ فَحِيلَةُ السَّماعِ الشَّيْطانِيِّ عَلى ذَلِكَ مِن أدْنى الحِيَلِ عَلَيْهِ، حَتّى قِيلَ: أوَّلُ ما وقَعَ الزِّنا في العالَمِ فَإنَّما كانَ بِحِيلَةِ اليَراعِ والغِناءِ، لَمّا أرادَ الشَّيْطانُ ذَلِكَ لَمْ يَجِدْ عَلَيْهِ حِيلَةً أدْنى مِن المَلاهِي. وَكَحِيَلِ اللُّصُوصِ والسُّرّاقِ عَلى أخْذِ أمْوالِ النّاسِ، وهم أنْواعٌ لا تُحْصى؛ فَمِنهم السُّرّاقُ بِأيْدِيهِمْ، ومِنهم السُّرّاقُ بِأقْلامِهِمْ، ومِنهم السُّرّاقُ بِأمانَتِهِمْ، ومِنهم السُّرّاقُ بِما يُظْهِرُونَهُ مِن الدِّينِ والفَقْرِ والصَّلاحِ والزُّهْدِ وهم في الباطِنِ بِخِلافِهِ، ومِنهم السُّرّاقُ بِمَكْرِهِمْ وخِداعِهِمْ وغِشِّهِمْ، وبِالجُمْلَةِ فَحِيَلُ هَذا الضَّرْبِ مِن النّاسِ مِن أكْثَرِ الحِيَلِ، وتَلِيها حِيَلُ عُشّاقِ الصُّوَرِ عَلى الوُصُولِ إلى أغْراضِهِمْ فَإنَّها تَقَعُ في الغالِبِ خَفِيَّةً، وإنَّما تَتِمُّ غالِبًا عَلى النُّفُوسِ القابِلَةِ المُنْفَعِلَةِ الشَّهْوانِيَّةِ، وكَحِيَلِ التَّتارِ الَّتِي مَلَكُوا بِها البِلادَ وقَهَرُوا بِها العِبادَ وسَفَكُوا بِها الدِّماءَ واسْتَباحُوا بِها الأمْوالَ، وكَحِيَلِ اليَهُودِ وإخْوانِهِمْ مِن الرّافِضَةِ فَإنَّهم بَيْتُ المَكْرِ والِاحْتِيالِ، ولِهَذا ضُرِبَتْ عَلى الطّائِفَتَيْنِ الذِّلَّةُ، وهَذِهِ سُنَّةُ اللَّهِ في كُلِّ مُخادِعٍ مُحْتالٍ بِالباطِلِ. [أرْبابُ الحِيَلِ نَوْعانِ] ثُمَّ أرْبابُ هَذِهِ الحِيَلِ نَوْعانِ: نَوْعُ يُقْصَدُ بِهِ حُصُولُ مَقْصُودِهِ، ولا يَظْهَرُ أنَّهُ حَلالٌ، كَحِيَلِ اللُّصُوصِ وعُشّاقِ الصُّوَرِ المُحَرَّمَةِ ونَحْوِهِما، ونَوْعٌ يُظْهِرُ صاحِبُهُ أنَّ مَقْصُودَهُ خَيْرٌ وصَلاحٌ ويُبْطِنُ خِلافَهُ. وَأرْبابُ النَّوْعِ الأوَّلِ أسْلَمُ عاقِبَةً مِن هَؤُلاءِ؛ فَإنَّهم أتَوْا البُيُوتَ مِن أبْوابِها والأمْرَ مِن طَرِيقِهِ ووَجْهِهِ، وأمّا هَؤُلاءِ فَقَلَبُوا مَوْضُوعَ الشَّرْعِ والدِّينِ، ولَمّا كانَ أرْبابُ هَذا النَّوْعِ إنّما يُباشِرُونَ الأسْبابَ الجائِزَةَ ولا يُظْهِرُونَ مَقاصِدَهم أعْضَلَ أمْرُهُمْ، وعَظُمَ الخَطْبُ بِهِمْ، وصَعُبَ الِاحْتِرازُ مِنهُمْ، وعَزَّ عَلى العالَمِ اسْتِنْقاذُ قَتْلاهُمْ، فاسْتُبِيحَتْ بِحِيَلِهِمْ الفُرُوجُ، وأُخِذَتْ بِها الأمْوالُ مِن أرْبابِها فَأُعْطِيَتْ لِغَيْرِ أهْلِها، وعُطِّلَتْ بِها الواجِباتُ، وضُيِّعَتْ بِها الحُقُوقُ، وعَجَّتْ الفُرُوجُ والأمْوالُ والحُقُوقُ إلى رَبِّها عَجِيجًا، وضَجَّتْ مِمّا حَلَّ بِها إلَيْهِ ضَجِيجًا، ولا يَخْتَلِفُ المُسْلِمُونَ أنَّ تَعْلِيمَ هَذِهِ الحِيَلِ حَرامٌ، والإفْتاءُ بِها حَرامٌ، والشَّهادَةُ عَلى مَضْمُونِها حَرامٌ، والحُكْمُ بِها مَعَ العِلْمِ بِحالِها حَرامٌ، واَلَّذِي جَوَّزُوا مِنها ما جَوَّزُوا مِن الأئِمَّةِ لا يَجُوزُ أنْ يُظَنَّ بِهِمْ أنَّهم جَوَّزُوهُ عَلى وجْهِ الحِيلَةِ إلى المُحَرَّمِ، وإنَّما جَوَّزُوا صُورَةَ ذَلِكَ الفِعْلِ. ثُمَّ إنّ المُتَحَيِّلَ المُخادِعَ المَكّارَ أخَذَ صُورَةَ ما أفْتَوْا بِهِ فَتَوَسَّلَ بِهِ إلى ما مَنَعُوا مِنهُ، ورَكَّبَ ذَلِكَ عَلى أقْوالِهِمْ وفَتاواهُمْ، وهَذا فِيهِ الكَذِبُ عَلَيْهِمْ وعَلى الشّارِعِ، مِثالُهُ أنَّ الشّافِعِيَّ - رَحِمَهُ اللَّهُ تَعالى - يُجَوِّزُ إقْرارَ المَرِيضِ لِوارِثِهِ؛ فَيَتَّخِذُهُ مَن يُرِيدُ أنْ يُوصِيَ لِوارِثِهِ وسِيلَةً إلى الوَصِيَّةِ لَهُ بِصُورَةِ الإقْرارِ. وَيَقُولُ: هَذا جائِزٌ عِنْدَ الشّافِعِيِّ، وهَذا كَذِبٌ عَلى الشّافِعِيِّ؛ فَإنَّهُ لا يُجَوِّزُ الوَصِيَّةَ لِلْوارِثِ بِالتَّحَيُّلِ عَلَيْها بِالإقْرارِ؛ فَكَذَلِكَ الشّافِعِيُّ يُجَوِّزُ لِلرَّجُلِ إذا اشْتَرى مِن غَيْرِهِ سِلْعَةً بِثَمَنٍ أنْ يَبِيعَهُ إيّاها بِأقَلَّ مِمّا اشْتَراها مِنهُ بِناءً عَلى ظاهِرِ السَّلامَةِ. ولا يَجُوزُ ذَلِكَ حِيلَةً عَلى بَيْعِ مِائَةٍ بِمِائَةٍ وخَمْسِينَ إلى سَنَةٍ؛ فاَلَّذِي يَسُدُّ الذَّرائِعَ يَمْنَعُ ذَلِكَ ويَقُولُ: هو يُتَّخَذُ حِيلَةً إلى ما حَرَّمَهُ اللَّهُ ورَسُولُهُ، فَلا يَقْبَلُ إقْرارَ المَرِيضِ لِوارِثِهِ، ولا يَصِحُّ هَذا البَيْعَ. ولا سِيَّما فَإنَّ إقْرارَ المَرْءِ شَهادَةٌ عَلى نَفْسِهِ، فَإذا تَطَرَّقَ إلَيْها التُّهْمَةُ بَطَلَتْ كالشَّهادَةِ عَلى غَيْرِهِ. والشّافِعِيُّ يَقُولُ: أقْبَلُ إقْرارَهُ إحْسانًا لِلظَّنِّ بِالمُقِرِّ، وحَمْلًا لِإقْرارِهِ عَلى السَّلامَةِ، ولا سِيَّما عِنْدَ الخاتِمَةِ. وَمِن هَذا البابِ احْتِيالُ المَرْأةِ عَلى فَسْخِ نِكاحِ الزَّوْجِ بِما يُعْلِمُهُ إيّاها أرْبابُ المَكْرِ والِاحْتِيالِ، بِأنْ تُنْكِرَ أنْ تَكُونَ أذِنَتْ لِلْوَلِيِّ، أوْ بِأنَّ النِّكاحَ لَمْ يَصِحَّ؛ لِأنَّ الوَلِيَّ أوْ الشُّهُودَ جَلَسُوا وقْتُ العَقْدِ عَلى فِراشِ حَرِيرٍ، أوْ اسْتَنَدُوا إلى وِسادَةِ حَرِيرٍ. وَقَدْ رَأيْت مَن يَسْتَعْمِلُ هَذِهِ الحِيلَةَ إذا طَلَّقَ الزَّوْجُ امْرَأتَهُ ثَلاثًا، وأرادَ تَخْلِيصَهُ مِن عارِ التَّحْلِيلِ وشَنارِهِ أرْشَدَهُ إلى القَدْحِ في صِحَّةِ النِّكاحِ بِفِسْقِ الوَلِيِّ أوْ الشُّهُودِ، فَلا يَصِحُّ الطَّلاقُ في النِّكاحِ الفاسِدِ. وقَدْ كانَ النِّكاحُ صَحِيحًا لَمّا كانَ مُقِيمًا مَعَها عِدَّةَ سِنِينَ، فَلَمّا أوْقَعَ الطَّلاقَ الثَّلاثَ فَسَدَ النِّكاحُ. وَمِن هَذا احْتِيالُ البائِعِ عَلى فَسْخِ البَيْعِ بِدَعْواهُ أنَّهُ لَمْ يَكُنْ بالِغًا وقْتَ العَقْدِ، أوْ لَمْ يَكُنْ رَشِيدًا، أوْ كانَ مَحْجُورًا عَلَيْهِ، أوْ لَمْ يَكُنْ المَبِيعُ مِلْكًا لَهُ ولا مَأْذُونًا لَهُ في بَيْعِهِ فَهَذِهِ الحِيَلُ وأمْثالُها لا يَسْتَرِيبُ مُسْلِمٌ في أنَّها مِن كَبائِرِ الإثْمِ وأقْبَحِ المُحَرَّماتِ، وهي مِن التَّلاعُبِ بِدِينِ اللَّهِ، واتِّخاذِ آياتِهِ هُزُوًا، وهي حَرامٌ مِن جِهَتِها في نَفْسِها لِكَوْنِها كَذِبًا وزُورًا، وحَرامٌ مِن جِهَةِ المَقْصُودِ بِها، وهو إبْطالُ حَقٍّ وإثْباتُ باطِلٍ؛ فَهَذِهِ ثَلاثَةُ أقْسامٍ: [الحِيَلُ المُحَرَّمَةُ عَلى ثَلاثَةِ أنْواعٍ] أحَدُها: أنْ تَكُونَ الحِيلَةُ مُحَرَّمَةً ويُقْصَدُ بِها المُحَرَّمُ. الثّانِي: أنْ تَكُونَ مُباحَةً في نَفْسِها ويُقْصَدُ بِها المُحَرَّمُ؛ فَيَصِيرُ حَرامًا تَحْرِيمَ الوَسائِلِ كالسَّفَرِ لِقَطْعِ الطَّرِيقِ وقَتْلِ النَّفْسِ المَعْصُومَةِ. وَهَذانِ القِسْمانِ تَكُونُ الحِيلَةُ فِيهِما مَوْضُوعَةً لِلْمَقْصُودِ الباطِلِ المُحَرَّمِ، ومُفْضِيَةً إلَيْهِ، كَما هي مَوْضُوعَةٌ لِلْمَقْصُودِ الصَّحِيحِ الجائِزِ ومُفْضِيَةٌ إلَيْهِ؛ فَإنَّ السَّفَرَ طَرِيقٌ صالِحٌ لِهَذا وهَذا. الثّالِثُ: أنْ تَكُونَ الطَّرِيقُ لَمْ تُوضَعْ لِلْإفْضاءِ إلى المُحَرَّمِ، وإنَّما وُضِعَتْ مُفْضِيَةً إلى المَشْرُوعِ كالإقْرارِ والبَيْعِ والنِّكاحِ والهِبَةِ ونَحْوِ ذَلِكَ، فَيَتَّخِذُها المُتَحَيِّلُ سُلَّمًا وطَرِيقًا إلى الحَرامِ، وهَذا مُعْتَرَكُ الكَلامِ في هَذا البابِ، وهو الَّذِي قَصَدْنا الكَلامَ فِيهِ بِالقَصْدِ الأوَّلِ. [نَوْعٌ رابِعٌ مِن الحِيَلِ يَنْقَسِمُ إلى ثَلاثَةِ أقْسامٍ يُقْصَدُ بِها أخْذُ حَقٍّ] القِسْمُ الرّابِعُ: أنْ يُقْصَدَ بِالحِيلَةِ أخْذِ حَقٍّ أوْ دَفْعُ باطِلٍ، وهَذا القِسْمُ يَنْقَسِمُ إلى ثَلاثَةِ أقْسامٍ أيْضًا: أحَدُها: أنْ يَكُونَ الطَّرِيقُ مُحَرَّمًا في نَفْسِهِ، وإنْ كانَ المَقْصُودُ بِهِ حَقًّا، مِثْلُ أنْ يَكُونَ لَهُ عَلى رَجُلٍ حَقٌّ فَيَجْحَدَهُ، ولا يُبَيِّنُهُ لَهُ، فَيُقِيمَ صاحِبُهُ شاهِدَيْ زُورٍ يَشْهَدانِ بِهِ، ولا يَعْلَمانِ ثُبُوتَ ذَلِكَ الحَقِّ، ومِثْلُ أنْ يُطَلِّقَ الرَّجُلُ امْرَأتَهُ ثَلاثًا، ويَجْحَدَ الطَّلاقَ، ولا يُبَيِّنُهُ لَها، فَتُقِيمَ شاهِدَيْنِ يَشْهَدانِ أنَّهُ طَلَّقَها، ولَمْ يَسْمَعا الطَّلاقَ مِنهُ، ومِثْلُ أنْ يَكُونَ لَهُ عَلى رَجُلٍ دَيْنٌ، ولَهُ عِنْدَهُ ودِيعَةٌ، فَيَجْحَدَ الوَدِيعَةَ، فَيَجْحَدَ هو الدَّيْنَ، أوْ بِالعَكْسِ، ويَحْلِفَ ما لَهُ عِنْدِي حَقٌّ، أوْ ما أوْدَعَنِي شَيْئًا، وإنْ كانَ يُجِيزُ هَذا مَن يُجِيزُ مَسْألَةَ الظَّفَرِ. وَمِثْلُ أنْ تَدَّعِيَ عَلَيْهِ المَرْأةُ كِسْوَةً أوْ نَفَقَةً ماضِيَةً كَذِبًا وباطِلًا، فَيُنْكِرَ أنْ تَكُونَ مَكَّنَتْهُ مِن نَفْسِها أوْ سَلَّمَتْ نَفْسَها إلَيْهِ، أوْ يُقِيمَ شاهِدَيْ زُورٍ أنَّها كانَتْ ناشِزًا؛ فَلا نَفَقَةَ لَها ولا كِسْوَةَ، ومِثْلُ أنْ يَقْتُلَ رَجُلٌ ولِيَّهُ فَيُقِيمَ شاهِدَيْ زُورٍ ولَمْ يَشْهَدا القَتْلَ فَيَشْهَدا أنَّهُ قَتَلَهُ، ومِثْلُ أنْ يَمُوتَ مَوْرُوثُهُ فَيُقِيمَ شاهِدَيْ زُورٍ أنَّهُ ماتَ وأنَّهُ وارِثُهُ، وهُما لا يَعْلَمانِ ذَلِكَ، ونَظائِرُهُ مِمَّنْ لَهُ حَقٌّ لا شاهِدَ لَهُ بِهِ فَيُقِيمُ شاهِدَيْ زُورٍ يَشْهَدانِ لَهُ بِهِ؛ فَهَذا يَأْثَمُ عَلى الوَسِيلَةِ دُونَ المَقْصُودِ، وفي مِثْلِ هَذا جاءَ الحَدِيثُ: «أدِّ الأمانَةَ إلى مَن ائْتَمَنَك، ولا تَخُنْ مَن خانَك». [فَصْلٌ: القِسْمُ الثّانِي مِن أنْواعِ الحِيَلِ] فَصْلٌ القِسْمُ الثّانِي: أنْ يَكُونَ الطَّرِيقُ مَشْرُوعَةً، وما يُفْضِي إلَيْهِ مَشْرُوعٌ، وهَذِهِ هي الأسْبابُ الَّتِي نَصَبَها الشّارِعُ مُفْضِيَةً إلى مُسَبَّباتِها كالبَيْعِ والإجارَةِ والمُساقاةِ والمُزارِعَةِ والوَكالَةِ، بَلْ الأسْبابُ مَحَلُّ حُكْمِ اللَّهِ ورَسُولِهِ، وهي في اقْتِضائِها لِمُسَبَّباتِها شَرْعًا عَلى وِزانِ الأسْبابِ الحِسِّيَّةِ في اقْتِضائِها لِمُسَبَّباتِها قَدَرًا؛ فَهَذا شَرْعُ الرَّبِّ تَعالى وذَلِكَ قَدَرُهُ، وهُما خَلْقُهُ وأمْرُهُ، واللَّهُ لَهُ الخَلْقُ والأمْرُ، ولا تَبْدِيلَ لِخَلْقِ اللَّهِ، ولا تَغْيِيرَ لِحُكْمِهِ، فَكَما لا يُخالِفُ سُبْحانَهُ بِالأسْبابِ القَدَرِيَّةِ أحْكامَها بَلْ يُجْرِيها عَلى أسْبابِها وما خُلِقَتْ لَهُ؛ فَهَكَذا الأسْبابُ الشَّرْعِيَّةُ لا يُخْرِجُها عَنْ سَبَبِها وما شُرِعَتْ لَهُ، بَلْ هَذِهِ سُنَّتُهُ شَرْعًا وأمْرًا، وتِلْكَ سُنَّتُهُ قَضاءً وقَدَرًا، وسُنَّتُهُ الأمْرِيَّةُ قَدْ تُبَدَّلُ وتَتَغَيَّرُ كَما يُعْصى أمْرُهُ ويُخالَفُ، وأمّا سُنَّتُهُ القَدَرِيَّةُ فَلَنْ تَجِدَ لِسُنَّةِ اللَّهِ تَبْدِيلًا ولَنْ تَجِدَ لِسُنَّةِ اللَّهِ تَحْوِيلًا، كَما لا يُعْصى أمْرُهُ الكَوْنِيُّ القَدَرِيُّ. وَيَدْخُلُ في هَذا القِسْمِ التَّحَيُّلُ عَلى جَلْبِ المَنافِعِ وعَلى دَفْعِ المَضارِّ، وقَدْ ألْهَمَ اللَّهُ تَعالى ذَلِكَ لِكُلِّ حَيَوانٍ؛ فَلِأنْواعِ الحَيَواناتِ مِن أنْواعِ الحِيَلِ والمَكْرِ ما لا يَهْتَدِي إلَيْهِ بَنُو آدَمَ. وَلَيْسَ كَلامُنا ولا كَلامُ السَّلَفِ في ذَمِّ الحِيَلِ مُتَناوِلًا لِهَذا القِسْمِ. بَلْ العاجِزُ مَن عَجَزَ عَنْهُ، والكَيِّسُ مَن كانَ بِهِ أفْطَنَ وعَلَيْهِ أقْدَرَ، ولا سِيَّما في الحَرْبِ فَإنَّها خَدْعَةٌ. والعَجْزُ كُلُّ العَجْزِ تَرْكُ هَذِهِ الحِيلَةِ. والإنْسانُ مَندُوبٌ إلى اسْتِعاذَتِهِ بِاللَّهِ تَعالى مِن العَجْزِ والكَسَلِ؛ فالعَجْزُ عَدَمُ القُدْرَةِ عَلى الحِيلَةِ النّافِعَةِ. والكَسَلُ عَدَمُ الإرادَةِ لِفِعْلِها؛ فالعاجِزُ لا يَسْتَطِيعُ الحِيلَةَ، والكَسْلانُ لا يُرِيدُها. ومَن لَمْ يَحْتَلْ وقَدْ أمْكَنَتْهُ هَذِهِ الحِيلَةُ أضاعَ فُرْصَتَهُ وفَرَّطَ في مَصالِحِهِ، كَما قالَ: ؎إذا المَرْءُ لَمْ يَحْتَلْ وقَدْ جَدَّ جِدُّهُ ∗∗∗ أضاعَ وقاسى أمْرَهُ وهو مُدْبِرُ وَفِي هَذا قالَ بَعْضُ السَّلَفِ: الأمْرُ أمْرانِ: أمْرٌ فِيهِ حِيلَةٌ فَلا يُعْجَزُ عَنْهُ، وأمْرٌ لا حِيلَةَ فِيهِ فَلا يُجْزَعُ مِنهُ. [فَصْلٌ: القِسْمُ الثّالِثُ مِن أنْواعِ الحِيَلِ] [المِثالُ الأوَّلُ اسْتَأْجَرَ مِنهُ دارًا مُدَّةَ سِنِينَ بِأُجْرَةٍ مَعْلُومَةٍ فَخافَ أنْ يَغْدِرَ بِهِ المُكْرِي في آخِرِ المُدَّةِ] فَصْلٌ [الِاحْتِيالُ عَلى الوُصُولِ إلى الحَقِّ بِطَرِيقٍ مُباحَةٍ لَكِنَّها لَمْ تُشْرَعْ لَهُ]. القِسْمُ الثّالِثُ: أنْ يَحْتالَ عَلى التَّوَصُّلِ إلى حَقٍّ أوْ عَلى دَفْعِ الظُّلْمِ بِطَرِيقٍ مُباحَةٍ لَمْ تُوضَعْ مُوَصِّلَةً إلى ذَلِكَ، بَلْ وُضِعَتْ لِغَيْرِهِ، فَيَتَّخِذُها هو طَرِيقًا إلى هَذا المَقْصُودِ الصَّحِيحِ، أوْ قَدْ يَكُونُ قَدْ وُضِعَتْ لَهُ لَكِنْ تَكُونُ خَفِيَّةً ولا يَفْطِنُ لَها، والفَرْقُ بَيْنَ هَذا القِسْمِ واَلَّذِي قَبْلَهُ أنَّ الطَّرِيقَ في الَّذِي قَبْلَهُ نُصِبَتْ مُفْضِيَةً إلى مَقْصُودِها ظاهِرًا، فَسالِكُها سالِكٌ لِلطَّرِيقِ المَعْهُودِ، والطَّرِيقُ في هَذا القِسْمِ نُصِبَتْ مُفْضِيَةً إلى غَيْرِهِ فَيَتَوَصَّلُ بِها إلى ما لَمْ تُوضَعْ لَهُ؛ فَهي في الفِعالِ كالتَّعْرِيضِ الجائِزِ في المَقالِ، أوْ تَكُونُ مُفْضِيَةً إلَيْهِ لَكِنْ بِخَفاءٍ، ونَذْكُرُ لِذَلِكَ أمْثِلَةً يُنْتَفَعُ بِها في هَذا البابِ. المِثالُ الأوَّلُ: إذا اسْتَأْجَرَ مِنهُ دارًا مُدَّةَ سِنِينَ بِأُجْرَةٍ مَعْلُومَةٍ، فَخافَ أنْ يَغْدِرَ بِهِ المُكْرِي في آخِرِ المُدَّةِ ويَتَسَبَّبَ إلى فَسْخِ الإجارَة بِأنْ يَظْهَرَ أنَّهُ لَمْ تَكُنْ لَهُ وِلايَةُ الإيجارِ أوْ أنَّ المُؤَجَّرَ مِلْكٌ لِابْنِهِ أوْ امْرَأتِهِ أوْ أنَّهُ كانَ مُؤَجَّرًا قَبْلَ إيجارِهِ، ويَتَبَيَّنُ أنَّ المَقْبُوضَ أُجْرَةُ المِثْلِ لِما اسْتَوْفاهُ مِن المُدَّةِ ويَنْتَزِعُ المُؤَجَّرَ لَهُ مِنهُ؛ فالحِيلَةُ في التَّخَلُّصِ مِن هَذِهِ الحِيلَةِ أنْ يُضَمِّنَهُ المُسْتَأْجِرُ دَرَكَ العَيْنِ المُؤَجَّرَةِ لَهُ أوْ لِغَيْرِهِ، فَإذا اسْتُحِقَّتْ أوْ ظَهَرَتْ الإجارَةُ فاسِدَةً رَجَعَ عَلَيْهِ بِما قَبَضَهُ مِنهُ، أوْ يَأْخُذُ إقْرارَ مَن يَخافُ مِنهُ بِأنَّهُ لا حَقَّ لَهُ في العَيْنِ وأنَّ كُلَّ دَعْوى يَدَّعِيها بِسَبَبِها فَهي باطِلَةٌ، أوْ يَسْتَأْجِرُها مِنهُ بِمِائَةِ دِينارٍ مَثَلًا ثُمَّ يُصارِفَهُ كُلَّ دِينارٍ بِعَشَرَةِ دَراهِمَ، فَإذا طالَبَهُ بِأُجْرَةِ المِثْلِ طالَبَهُ هو بِالدَّنانِيرِ الَّتِي وقَعَ عَلَيْها العَقْدُ، فَإنَّهُ لَمْ يَخَفْ مِن ذَلِكَ، ولَكِنْ يَخافُ أنْ يَغْدِرَ بِهِ في آخِرِ المُدَّةِ، فَلْيُقَسِّطْ مَبْلَغَ الأُجْرَةِ عَلى عَدَدِ السِّنِينَ، ويَجْعَلْ مُعْظَمَها لِلسَّنَةِ الَّتِي يَخْشى غَدْرَهُ فِيها. وَكَذَلِكَ إذا خافَ المُؤَجِّرُ أنْ يَغْدِرَ المُسْتَأْجِرُ ويَرْحَلَ في آخِرِ المُدَّةِ، فَلْيَجْعَلْ مُعْظَمَ الأُجْرَةِ عَلى المُدَّةِ الَّتِي يَأْمَنُ فِيها مِن رَحِيلِهِ، والقَدْرَ اليَسِيرَ مِنها لِآخِرِ المُدَّةِ. [المِثالُ السّابِعُ تَزَوُّجُ المَرْأةِ بِشَرْطِ ألّا يَتَزَوَّجَ عَلَيْها] تَزَوُّجُ المَرْأةِ بِشَرْطِ ألّا يَتَزَوَّجَ عَلَيْها] المِثالُ السّابِعُ: إذا خاصَمَتْهُ امْرَأتُهُ وقالَتْ: قُلْ " كُلُّ جارِيَةٍ أشْتَرِيها فَهي حُرَّةٌ، وكُلُّ امْرَأةٍ أتَزَوَّجُها فَهي طالِقٌ " فالحِيلَةُ في خَلاصِهِ أنْ يَقُولَ ذَلِكَ ويَعْنِي بِالجارِيَةِ السَّفِينَةَ لِقَوْلِهِ: ﴿إنّا لَمّا طَغى الماءُ حَمَلْناكم في الجارِيَةِ﴾ [الحاقة: ١١] ويُمْسِكُ بِيَدِهِ حَصاةً أوْ خِرْقَةً ويَقُولُ: " فَهي طالِقٌ " فَيَرُدُّ الكِنايَةَ إلَيْها، فَإنْ تَفَقَّهَتْ عَلَيْهِ الزَّوْجَةُ وقالَتْ: قُلْ: " كُلُّ رَقِيقَةٍ أوْ أمَةٍ " فَلِيَقُلْ ذَلِكَ ولْيَعْنِ فَهي حُرَّةُ الخِصالِ غَيْرُ فاجِرَةٍ، فَإنَّهُ لَوْ قالَ ذَلِكَ لَمْ تُعْتَقْ كَما لَوْ قالَ لَهُ رَجُلٌ: " غُلامُك فاجِرٌ زانٍ " فَقالَ: ما أعْرِفُهُ إلّا حُرًّا عَفِيفًا، ولَمْ يُرِدْ العِتْقَ، لَمْ يُعْتَقْ. وَإنْ تَفَقَّهَتْ عَلَيْهِ وقالَتْ: قُلْ: " فَهي عَتِيقَةٌ " فَلِيَقُلْ ذَلِكَ ولِيَنْوِ ضِدَّ الجَدِيدَةِ، أيْ عَتِيقَةٌ في الرِّقِّ، فَإنْ تَفَقَّهَتْ وقالَتْ: قُلْ: " فَهي مَعْتُوقَةٌ " و: " قَدْ أعْتَقْتها إنْ مَلَكْتها " فَلْيَرُدَّ الكِنايَةَ إلى حَصاةٍ في يَدِهِ أوْ خِرْقَةٍ، فَإنْ لَمْ تَدَعْهُ أنْ يَمْسِكَ شَيْئًا فَلْيَرُدَّها إلى نَفْسِهِ، ويَعْنِي أنْ قَدْ أعْتَقَها مِن النّارِ بِالإسْلامِ، أوْ فَهي حُرَّةٌ لَيْسَتْ رَقِيقَةً لِأحَدٍ، ويَجْعَلُ الكَلامَ جُمْلَتَيْنِ، فَإنْ حَضَرَتْهُ وقالَتْ: قُلْ: " فالجارِيَةُ الَّتِي أشْتَرِيها مَعْتُوقَةٌ " فَلْيُقَيِّدْ ذَلِكَ بِزَمَنٍ مُعَيَّنٍ، أوْ مَكان مُعَيَّنٍ في نِيَّتِهِ، ولا يَحْنَثْ بِغَيْرِهِ، فَإنْ حَضَرَتْهُ وقالَتْ: مِن غَيْرِ تَوْرِيَةٍ ولا كِنايَةٍ ولا نِيَّةٍ تُخالِفُ قَوْلِي، وهَذا آخِرُ التَّشْدِيدِ، فَلا يَمْنَعُهُ ذَلِكَ مِن التَّوْرِيَةِ والكِنايَةِ. وَإنْ قالَ بِلِسانِهِ: " لا أُوَرِّي ولا أُكَنِّي " والتَّوْرِيَةُ والكِنايَةُ في قَلْبِهِ، كَما لَوْ قالَ: " لا أسْتَثْنِي " بِلِسانِهِ ومِن نِيَّتِهِ الِاسْتِثْناءُ، ثُمَّ اسْتَثْنى فَإنَّهُ يَنْفَعُهُ، حَتّى لَوْ لَمْ يَنْوِ الِاسْتِثْناءَ ثُمَّ عَزَمَ عَلَيْهِ واسْتَثْنى نَفَعَهُ ذَلِكَ بِالسُّنَّةِ الصَّحِيحَةِ الصَّرِيحَةِ الَّتِي لا مُعارِضَ لَها بِوَجْهٍ في غَيْرِ حَدِيثٍ، كَقَوْلِ المَلَكِ لِسُلَيْمانَ: قُلْ إنْ شاءَ اللَّهُ، وقَوْلِ النَّبِيِّ ﷺ: «إلّا الإذْخِرَ» بَعْدَ أنْ ذَكَّرَهُ بِهِ العَبّاسُ، وقَوْلِهِ: «إنْ شاءَ اللَّهُ» بَعْدَ أنْ قالَ: «لَأغْزُوَنَّ قُرَيْشًا، ثَلاثَ مَرّاتٍ» ثُمَّ قالَ بَعْدَ الثّالِثَةِ وسُكُوتِهِ: «إنْ شاءَ اللَّهُ». والقُرْآنُ صَرِيحٌ في نَفْعِ الِاسْتِثْناءِ إذا نَسِيَهُ ولَمْ يَنْوِهِ في أوَّلِ كَلامِهِ ولا أثْناءَهُ في قَوْله تَعالى: ﴿وَلا تَقُولَنَّ لِشَيْءٍ إنِّي فاعِلٌ ذَلِكَ غَدًا - إلا أنْ يَشاءَ اللَّهُ واذْكُرْ رَبَّكَ إذا نَسِيتَ﴾ [الكهف: ٢٣-٢٤]، وهَذا إمّا أنْ يَخْتَصَّ بِالِاسْتِثْناءِ إذا نَسِيَهُ كَما فَسَّرَهُ بِهِ جُمْهُورُ المُفَسِّرِينَ، أوْ يَعُمَّهُ ويَعُمَّ غَيْرَهُ وهو الصَّوابُ؛ فَأمّا أنْ يُخْرِجَ مِنهُ الِاسْتِثْناءَ الَّذِي سِيقَ الكَلامُ لِأجْلِهِ ويَرُدَّ إلى غَيْرِهِ فَلا يَجُوزُ، ولِأنَّ الكَلامَ الواحِدَ لا يُعْتَبَرُ في صِحَّتِهِ نِيَّةُ كُلِّ جُمْلَةٍ مِن جُمَلِهِ وبَعْضٍ مِن أبْعاضِهِ؛ فالنَّصُّ والقِياسُ يَقْتَضِي نَفْعَ الِاسْتِثْناءِ، وإنْ خَطَر لَهُ بَعْدَ انْقِضاءِ الكَلامِ، وهَذا هو الصَّوابُ المَقْطُوعُ بِهِ. [المِثالُ الثّالِثَ عَشَرَ الحِيلَةُ في التَّخَلُّصِ مِن طَلاقِ امْرَأتِهِ] حِيلَةٌ في التَّخَلُّصِ مِن طَلاقِ امْرَأتِهِ] المِثالُ الثّالِثَ عَشَرَ: إذا قالَ الرَّجُلُ لِامْرَأتِهِ: " الطَّلاقُ يَلْزَمُنِي لا تَقُولِينَ لِي شَيْئًا إلّا قُلْت لَك مِثْلَهُ " فَقالَتْ لَهُ: أنْتَ طالِقٌ ثَلاثًا. فالحِيلَةُ في التَّخَلُّصِ مِن أنْ يَقُولَ لَها مِثْلَ ذَلِكَ أنْ يَقُولَ لَها: قُلْت لِي: أنْتَ طالِقٌ ثَلاثًا. قالَ أصْحابُ الشّافِعِيِّ: وفي هَذِهِ الحِيلَةِ نَظَرٌ لا يَخْفى؛ لِأنَّهُ لَمْ يَقُلْ لَها مِثْلَ ما قالَتْ لَهُ، وإنَّما حَكى كَلامَها مِن غَيْرِ أنْ يَقُولَ لَها نَظِيرَهُ. ولَوْ أنَّ رَجُلًا سَبَّ رَجُلًا فَقالَ لَهُ المَسْبُوبُ: " أنْتِ قُلْت لِي كَذا وكَذا " لَمْ يَكُنْ قَدْ رَدَّ عَلَيْهِ عِنْدَ أحَدٍ، لا لُغَةً ولا عُرْفًا؛ فَهَذِهِ الحِيلَةُ لَيْسَتْ بِشَيْءٍ. وَقالَتْ طائِفَةٌ أُخْرى: الحِيلَةُ أنْ يَقُولَ لَها: " أنْتَ طالِقٌ ثَلاثًا " - بِفَتْحِ التّاءِ - فَلا تَطْلُقُ، وهَذا نَظِيرُ ما قالَتْ لَهُ سَواءٌ، وهَذِهِ وإنْ كانَتْ أقْرَبَ مِن الأُولى؛ فَإنَّ المَفْهُومَ المُتَعارَفَ لُغَةً وعَقْلًا وعُرْفًا مِن الرَّدِّ عَلى المَرْأةِ أنْ يُخاطِبَها خِطابَ المُؤَنَّثِ، فَإذا خاطَبَها خِطابَ المُذَكَّرِ لَمْ يَكُنْ ذَلِكَ رَدًّا ولا جَوابًا، ولَوْ فُرِضَ أنَّهُ رَدٌّ لَمْ يَمْنَعْ وُقُوعَ الطَّلاقِ بِالمُواجَهَةِ وإنْ فَتَحَ التّاءَ، كَأنَّهُ قالَ: أيُّها الشَّخْصُ أوْ الإنْسانُ. وَقالَتْ طائِفَةٌ أُخْرى: الحِيلَةُ في ذَلِكَ أنْ يَقُولَ: أنْتِ طالِقٌ ثَلاثًا إنْ شاءَ اللَّهُ، أوْ إنْ كَلَّمْت السُّلْطانَ، أوْ إنْ سافَرْت، ونَحْوَ ذَلِكَ؛ فَيَكُونَ قَدْ قالَ لَها نَظِيرَ ما قالَتْ، ولا يَضُرُّهُ زِيادَةُ الشَّرْطِ، وهَذِهِ الحِيلَةُ أقْرَبُ مِن الَّتِي قَبْلَها، ولَكِنْ في كَوْنِ المُتَكَلِّمِ بِها رادًّا أوْ مُجِيبًا نَظَرٌ لا يَخْفى؛ لِأنَّ الشَّرْطَ وإنْ تَضَمَّنَ زِيادَةً في الكَلامِ لَكِنَّهُ يُخْرِجُهُ عَنْ كَوْنِهِ نَظِيرًا لِكَلامِها، ومِثْلًا لَهُ، وهو إنّما حَلَفَ أنْ يَقُولَ لَها مِثْلَ ما قالَتْ لَهُ، والجُمْلَةُ الشَّرْطِيَّةُ لَيْسَتْ مِثْلَ الجُمْلَةِ الخَبَرِيَّةِ، بَلْ الشَّرْطُ يَدْخُلُ عَلى الكَلامِ التّامِّ فَيُصَيِّرُهُ ناقِصًا يَحْتاجُ إلى الجَوابِ، ويَدْخُلُ عَلى الخَبَرِ فَيَقْلِبُهُ إنْشاءً، ويُغَيِّرُ صُورَةَ الجُمْلَةِ الخَبَرِيَّةِ ومَعْناها، ولَوْ قالَ رَجُلٌ لِغَيْرِهِ: " لَعَنَك اللَّهُ "، فَقالَ لَهُ: " لَعَنَك اللَّهُ إنْ بَدَّلْت دِينَك أوْ ارْتَدَدْت عَنْ الإسْلامِ " لَمْ يَكُنْ سابًّا لَهُ. وَلَوْ قالَ لَهُ: " يا زانٍ " فَقالَ: " بَلْ أنْتَ زانٍ إنْ وطِئْت فَرْجًا حَرامًا " لَمْ يَكُنْ الثّانِي قاذِفًا لَهُ. ولَوْ بَذَلَتْ لَهُ مالًا عَلى أنْ يُطَلِّقَها، فَقالَ: أنْتِ طالِقٌ إنْ كَلَّمْت السُّلْطانَ، لَمْ يَسْتَحِقَّ المالَ، ولَمْ يَكُنْ مُطَلِّقًا. وَقالَتْ طائِفَةٌ أُخْرى: لا حاجَةَ إلى شَيْءٍ مِن ذَلِكَ، والحالِفُ لَمْ تَدْخُلْ هَذِهِ الصُّورَةُ في عُمُومِ كَلامِهِ، وإنْ دَخَلَتْ فَهي مِن المَخْصُوصِ بِالعُرْفِ والعادَةِ والعَقْلِ؛ فَإنَّهُ لَمْ يُرِدْ هَذِهِ الصُّورَةَ قَطْعًا، ولا خَطَرَتْ بِبالِهِ، ولا تَناوَلَها لَفْظُهُ؛ فَإنَّهُ إنّما تَناوَلَ لَفْظُهُ القَوْلَ الَّذِي يَصِحُّ " أنْتِ امْرَأتِي " وبِمَنزِلَةِ قَوْلِ الأمَةِ لِسَيِّدِها: " أنْتِ أمَتِي وجارِيَتِي " ونَحْوِ هَذا مِن الكَلامِ اللَّغْوِ الَّذِي لَمْ يَدْخُلْ تَحْتَ لَفْظِ الحالِفِ ولا إرادَتِهِ، أمّا عَدَمُ دُخُولِهِ تَحْتَ إرادَتِهِ فَلا إشْكالَ فِيهِ، وأمّا عَدَمُ تَناوُلِ لَفْظِهِ لَهُ؛ فَإنَّ اللَّفْظَ العامَّ إنّما يَكُونُ عامًّا فِيما يَصْلُحُ لَهُ وفِيما سِيقَ لِأجْلِهِ. وَهَذا أقْوى مِن جَمِيعِ ما تَقَدَّمَ، وغايَتُهُ تَخْصِيصُ العامِّ بِالعُرْفِ والعادَةِ، وهَذا أقْرَبُ لُغَةً وعُرْفًا وعَقْلًا وشَرْعًا مِن جَعْلِ ما تَقَدَّمَ مُطابِقًا ومُماثِلًا لِكَلامِها مِثْلَهُ، فَتَأمَّلْهُ، واللَّهُ المُوَفِّقُ. [المِثالُ الرّابِعَ عَشَرَ الإحْرامُ وقَدْ ضاقَ الوَقْتُ] [الإحْرامُ وقَدْ ضاقَ الوَقْتُ] المِثالُ الرّابِعَ عَشَرَ: إذا خافَ الرَّجُلُ لِضِيقِ الوَقْتِ أنْ يُحْرِمَ بِالحَجِّ فَيَفُوتَهُ فَيَلْزَمَهُ القَضاءُ ودَمُ الفَواتِ؛ فالحِيلَةُ أنْ يُحْرِمَ إحْرامًا مُطْلَقًا ولا يُعَيِّنَهُ؛ فَإنْ اتَّسَعَ لَهُ الوَقْتُ جَعَلَهُ حَجًّا أوْ قِرانًا أوْ تَمَتُّعًا، وإنْ ضاقَ عَلَيْهِ الوَقْتُ جَعَلَهُ عُمْرَةً، ولا يَلْزَمُهُ غَيْرُها. [المِثالُ الخامِسَ عَشَرَ مَن جاوَزَ المِيقاتَ غَيْرَ مُحْرِمٍ] [مَن جاوَزَ المِيقاتَ غَيْرَ مُحْرِمٍ] المِثالُ الخامِسَ عَشَرَ: إذا جاوَزَ المِيقاتَ غَيْرَ مُحْرِمٍ لَزِمَهُ الإحْرامُ ودَمٌ لِمُجاوَزَتِهِ لِلْمِيقاتِ غَيْرَ مُحْرِمٍ، فالحِيلَةُ في سُقُوطِ الدَّمِ عَنْهُ أنْ لا يُحْرِمَ مِن مَوْضِعِهِ، بَلْ يَرْجِعَ إلى المِيقاتِ فَيُحْرِمَ مِنهُ؛ فَإنْ أحْرَمَ مِن مَوْضِعِهِ لَزِمَهُ الدَّمُ، ولا يَسْقُطُ بِرُجُوعِهِ إلى المِيقاتِ. [المِثال السّادِسَ عَشْر الحِيلَة لِلْبِرِّ في يَمِينٍ] [حِيلَةٌ لِلْبِرِّ في يَمِينٍ] المِثالُ السّادِسَ عَشَرَ: إذا سُرِقَ لَهُ مَتاعٌ، فَقالَ لِامْرَأتِهِ: إنْ لَمْ تُخْبِرِينِي مَن أخَذَهُ فَأنْتِ طالِقٌ ثَلاثًا، والمَرْأةُ لا تَعْلَمُ مَن أخَذَهُ. فالحِيلَةُ في التَّخَلُّصِ مِن هَذِهِ اليَمِينِ أنْ تَذْكُرَ الأشْخاصَ الَّتِي لا يَخْرُجُ المَأْخُوذُ عَنْهُمْ، ثُمَّ تُفْرِدَ كُلَّ واحِدٍ واحِدٍ، وتَقُولَ: هو أخَذَهُ؛ فَإنَّها تَكُونُ مُخْبِرَةً عَنْ الآخِذِ وعَنْ غَيْرِهِ فَيَبَرُّ في يَمِينِهِ ولا تَطْلُقُ. [المِثالُ الثّانِي والأرْبَعُونَ الحِيلَةُ في عَدَمِ حِنْثِ الحالِفِ] [حِيلَةٌ في عَدَمِ حِنْثِ الحالِفِ] المِثالُ الثّانِي والأرْبَعُونَ: إذا اسْتُحْلِفَ عَلى شَيْءٍ، فَأحَبَّ أنْ يَحْلِفَ ولا يَحْنَثَ؛ فالحِيلَةُ أنْ يُحَرِّكَ لِسانَهُ بِقَوْلِ: " إنْ شاءَ اللَّهُ " وهَلْ يُشْتَرَطُ أنْ يُسْمِعَها نَفْسَهُ؟ فَقِيلَ: لا بُدَّ أنْ يُسْمِعَ نَفْسَهُ، وقالَ شَيْخُنا: هَذا لا دَلِيلَ عَلَيْهِ، بَلْ مَتى حَرَّكَ لِسانَهُ بِذَلِكَ كانَ مُتَكَلِّمًا، وإنْ لَمْ يُسْمِعْ نَفْسَهُ، وهَكَذا حُكْمُ الأقْوالِ الواجِبَةِ والقِراءَةِ الواجِبَةِ، قُلْت: وكانَ بَعْضُ السَّلَفِ يُطْبِقُ شَفَتَيْهِ ويُحَرِّكُ لِسانَهُ بِلا إلَهَ إلّا اللَّهُ ذاكِرًا، وإنْ لَمْ يُسْمِعْ نَفْسَهُ؛ فَإنَّهُ لا حَظَّ لِلشَّفَتَيْنِ في حُرُوفِ هَذِهِ الكَلِمَةِ، بَلْ كُلُّها حَلْقِيَّةٌ لِسانِيَّةٌ؛ فَيُمْكِنُ الذّاكِرُ أنْ يُحَرِّكَ لِسانَهُ بِها ولا يُسْمِعَ نَفْسَهُ ولا أحَدًا مِن النّاسِ، ولا تَراهُ العَيْنُ يَتَكَلَّمُ، وهَكَذا التَّكَلُّمُ يَقُولُ: " إنْ شاءَ اللَّهُ " يُمْكِنُ مَعَ إطْباقِ الفَمِ؛ فَلا يَسْمَعُهُ أحَدٌ ولا يَراهُ، وإنْ أطْبَقَ أسْنانَهُ وفَتَحَ شَفَتَيْهِ أدْنى شَيْءٍ سَمِعَتْهُ أُذُناهُ بِجُمْلَتِهِ. [حِيلَةٌ في إبْطالِ الشَّهادَةِ عَلى الزِّنى] المِثالُ الخامِسُ والخَمْسُونَ: إذا رَفَعَ إلى الإمامِ وادَّعى عَلَيْهِ أنَّهُ زَنى، فَخافَ إنْ أنْكَرَ أنْ تَقُومَ عَلَيْهِ البَيِّنَةُ فَيُحَدَّ؛ فالحِيلَةُ في إبْطالِ شَهادَتِهِمْ أنْ يُقِرَّ إذا سُئِلَ مَرَّةً واحِدَةً، ولا يَزِيدَ عَلَيْها؛ فَلا تُسْمَعُ البَيِّنَةُ مَعَ الإقْرارِ، ولَيْسَ لِلْحاكِمِ ولا لِلْإمامِ أنْ يُقَرِّرَهُ تَمامَ النِّصابِ، بَلْ إذا سَكَتَ لَمْ يَتَعَرَّضْ لَهُ؛ فَإنْ كانَ الإمامُ مِمَّنْ يَرى وُجُوبَ الحَدِّ بِالمَرَّةِ الواحِدَةِ؛ فالحِيلَةُ أنْ يَرْجِعَ عَنْ إقْرارِهِ فَيَسْقُطَ عَنْهُ الحَدُّ؛ فَإذا خافَ مِن إقامَةِ البَيِّنَةِ عَلَيْهِ أقَرَّ أيْضًا ثُمَّ رَجَعَ، وهَكَذا أبَدًا، وهَذِهِ الحِيلَةُ جائِزَةٌ؛ فَإنَّهُ يَجُوزُ لَهُ دَفْعُ الحَدِّ عَنْ نَفْسِهِ، وأنْ يُخْلِدَ إلى التَّوْبَةِ، كَما قالَ النَّبِيُّ ﷺ لِلصَّحابَةِ لَمّا فَرَّ ماعِزٌ مِن الحَدِّ: «هَلّا تَرَكْتُمُوهُ يَتُوبُ فَيَتُوبَ اللَّهُ عَلَيْهِ» فَإذا فَرَّ مِن الحَدِّ إلى التَّوْبَةِ فَقَدْ أحْسَنَ. [المِثالُ السّادِسُ والخَمْسُونَ الحِيلَةُ في الخَلاصِ مِن الحِنْثِ] [حِيلَةٌ في الخَلاصِ مِن الحِنْثِ] المِثالُ السّادِسُ والخَمْسُونَ: إذا حَلَفَ لِغادِرٍ أوْ جاسُوسٍ أوْ سارِقٍ أنْ لا يُخْبِرَ بِهِ أحَدًا، ولا يَدُلَّ عَلَيْهِ؛ فَأرادَ التَّخَلُّصَ مِن هَذِهِ اليَمِينِ وأنْ لا يُخْفِيَهُ؛ فالحِيلَةُ أنْ يَسْألَ عَنْ أقْوامٍ هو مِن جُمْلَتِهِمْ؛ فَإذا سُئِلَ عَنْ غَيْرِهِ قالَ: لا، فَإذا انْتَهَتْ النَّوْبَةُ إلَيْهِ سَكَتَ؛ فَإنَّهُ لا يَحْنَثُ ولا يَأْثَمُ بِالسَّتْرِ عَلَيْهِ وإيوائِهِ، وسُئِلَ أبُو حَنِيفَةَ - رَحِمَهُ اللَّهُ - عَنْ هَذِهِ المَسْألَةِ بِعَيْنِها، قالَ لَهُ السّائِلُ: نَزَلَ بِي اللُّصُوصُ؛ فَأخَذُوا مالِي واسْتَحْلَفُونِي بِالطَّلاقِ ألّا أُخْبِرَ أحَدًا بِهِمْ؛ فَخَرَجْت فَرَأيْتُهم يَبِيعُونَ مَتاعِي في السُّوقِ جَهْرَةً، فَقالَ لَهُ: اذْهَبْ إلى الوالِي فَقُلْ لَهُ يَجْمَعُ أهْلَ المَحَلَّةِ أوْ السِّكَّةِ الَّذِينَ هم فِيهِ ثُمَّ يُحْضِرُهم ثُمَّ يَسْألُك عَنْهم واحِدًا واحِدًا؛ فَإذا سَألَك عَمَّنْ لَيْسَ مِنهُمْ، فَقُلْ: لَيْسَ مِنهُمْ، وإذا سَألَك عَمَّنْ هو مِنهم فاسْكُتْ؛ فَفَعَلَ الرَّجُلُ؛ فَأخَذَ الوالِي مَتاعَهُ مِنهُمْ، وسَلَّمَهُ إلَيْهِ؛ فَلَوْ عُمِلَتْ هَذِهِ الحِيلَةُ مَعَ مَظْلُومٍ لَمْ تَنْفَعْ، وحَنِثَ الحالِفُ؛ فَإنَّ المَقْصُودَ الدَّفْعُ عَنْهُ، وبِالسُّكُوتِ قَدْ أعانَ عَلَيْهِ، ولَمْ يَدْفَعْ عَنْهُ. [المِثالُ السّابِعُ والخَمْسُونَ الحِيلَةُ في بِرِّ زَوْجٍ وزَوْجَتِهِ حَلَفَ كُلٌّ مِنهُما] [حِيلَةٌ في بِرِّ زَوْجٍ وزَوْجَتِهِ حَلَفَ كُلٌّ مِنهُما] المِثالُ السّابِعُ والخَمْسُونَ: ما سُئِلَ عَنْهُ أبُو حَنِيفَةَ - رَحِمَهُ اللَّهُ - عَنْ امْرَأةٍ قالَ لَها زَوْجُها: أنْتِ طالِقٌ إذا سَألْتَينِي الخُلْعَ إنْ لَمْ أخْلَعْك، وقالَتْ المَرْأةُ: كُلُّ مَمْلُوكٍ لِي حُرٌّ إنْ لَمْ أسْألْك الخَلْع اليَوْمَ؛ فَجاءَ الزَّوْجُ إلى أبِي حَنِيفَةَ فَقالَ: أحْضِرْ المَرْأةَ؛ فَأحْضَرَها، فَقالَ لَها أبُو حَنِيفَةَ: سَلِيهِ الخُلْعَ، فَقالَتْ: سَألَتْك أنْ تَخْلَعَنِي، فَقالَ لَهُ أبُو حَنِيفَةَ: قُلْ لَها قَدْ خَلَعْتُك عَلى ألْفِ دِرْهَمٍ تُعْطِينِيها، فَقالَ لَها ذَلِكَ، فَقالَ لَها قَوْلِي: لا أقْبَلُ، فَقالَتْ: لا أقْبَلُ، فَقالَ: قَوْمِي مَعَ زَوْجِك فَقَدْ بَرَّ كُلُّ واحِدٍ مِنكُما ولَمْ يَحْنَثْ في شَيْءٍ، ذَكَرَها مُحَمَّدُ بْنُ الحَسَنِ في كِتابِ الحِيَلِ لَهُ. وَإنَّما تَتِمُّ هَذِهِ الحِيلَةُ عَلى الوَجْهِ الَّذِي ذَكَرَهُ؛ فَلَوْ قالَتْ لَهُ: " أسْألُك الخُلْعَ عَلى ألْفٌ دِرْهَمٍ حالَّةً، أوْ إلى شَهْرٍ " فَقالَ: " قَدْ خَلَعْتُك عَلى ذَلِكَ " وقَعَ الخُلْعُ؛ بِخِلافِ ما إذا قالَتْ لَهُ: " اخْلَعْنِي " قالَ: " خَلَعْتُك عَلى ألْفٍ " فَإنَّ هَذا لا يَكُونُ خُلْعًا حَتّى تَقْبَلَ وتَرْضى، وهي لَمْ تَرْضَ بِالألْفِ؛ فَلا يَقَعُ الخُلْعُ. [فَإنْ قِيلَ: فَكَيْفَ إذًا لَمْ يَقَعْ الخُلْعُ؟] قِيلَ: هو إنّما حَلَفَ عَلى فِعْلِهِ لا عَلى قَبُولِها؛ فَإذا قالَ: " قَدْ خَلَعْتُك عَلى ألْفٍ " فَقَدْ وُجِدَ الخُلْعُ مِن جِهَتِهِ؛ فانْحَلَّتْ يَمِينُهُ، ولَمْ يَقِفْ حَلُّ اليَمِينِ عَلى قَبُولِها، كَما إذا حَلَفَ لا يَبِيعُ، فَباعَ، ولَمْ يَقْبَلْ المُشْتَرِي، ولا بَيِّنَةَ لَهُ؛ فَإنَّهُ يَحْنَثُ. [المِثالُ الثّامِنُ والخَمْسُونَ أخَوانِ زُفَّتْ لِكُلٍّ مِنهُما زَوْجَةُ الآخَرِ] [أخَوانِ زُفَّتْ لِكُلٍّ مِنهُما زَوْجَةُ الآخَرِ] المِثالُ الثّامِنُ والخَمْسُونَ: ما ذَكَرَهُ مُحَمَّدٌ في كِتابِهِ أيْضًا عَنْهُ أتاهُ أخَوانِ قَدْ تَزَوَّجا بِأُخْتَيْنِ؛ فَزُفَّتْ كُلُّ امْرَأةٍ مِنهُما إلى زَوْجِ أُخْتِها؛ فَدَخَلَ بِها ولَمْ يَعْلَمْ، ثُمَّ عَلِمَ الحالَ لَمّا أصْبَحا؛ فَذَكَرا لَهُ ذَلِكَ، وسَألاهُ المَخْرَجَ، فَقالَ لَهُما: كُلٌّ مِنكُما راضٍ بِاَلَّتِي دَخَلَ بِها؟ فَقالا: نَعَمْ، فَقالَ: لِيُطَلِّقْ كُلٌّ مِنكُما امْرَأتَهُ الَّتِي عَقَدَ عَلَيْها تَطْلِيقَةً؛ فَفَعَلا، فَقالَ: لِيَعْقِدْ كُلٌّ مِنكُما عَلى المَرْأةِ الَّتِي دَخَلَ بِها، فَفَعَلا، فَقالَ: لِيَمْضِ كُلٌّ مِنكُما إلى أهْلِهِ، وهَذِهِ الحِيلَةُ في غايَةِ اللُّطْفِ؛ فَإنَّ المَرْأةَ الَّتِي دَخَلَ بِها كُلٌّ مِنهُما قَدْ وطِئَها بِشُبْهَةٍ؛ فَلَهُ أنْ يَنْكِحَها في عِدَّتِها؛ فَإنَّهُ لا يُصانُ ماؤُهُ عَنْ مائِهِ، وأمَرَهُ أنْ يُطَلِّقَ واحِدَةً فَإنَّهُ لَمْ يَدْخُلْ بِاَلَّتِي طَلَّقَها فالواحِدَةُ تُبِينُها، ولا عِدَّةَ عَلَيْها مِنهُ، فَلِلْآخَرِ أنْ يَتَزَوَّجَها. [المِثالُ التّاسِعُ والخَمْسُونَ الحِيلَةُ في تَخَلُّصِ المَرْأة مِن الزَّوْجِ الَّذِي لا تَرْضى بِهِ] حِيلَةٌ في تَخَلُّصِ المَرْأةِ مِن الزَّوْجِ الَّذِي لا تَرْضى بِهِ] المِثالُ التّاسِعُ والخَمْسُونَ: إذا تَزَوَّجَتْ المَرْأةُ وخافَتْ أنْ يُسافِرَ عَنْها الزَّوْجُ ويَدَعَها أوْ يُسافِرَ بِها ولا تُرِيدُ الخُرُوجَ مِن دارِها أوْ أنْ يَتَزَوَّجَ عَلَيْها أوْ يَتَسَرّى أوْ يَشْرَبَ المُسْكِرَ أوْ يَضْرِبَها مِن غَيْرِ جُرْمٍ أوْ يَتَبَيَّنَ فَقِيرًا وقَدْ ظَنَّتْهُ غَنِيًّا أوْ مَعِيبًا وقَدْ ظَنَّتْهُ سَلِيمًا أوْ أُمِّيًّا وقَدْ ظَنَّتْهُ قارِئًا أوْ جاهِلًا وقَدْ ظَنَّتْهُ عالِمًا أوْ نَحْوَ ذَلِكَ، فَلا يُمْكِنُها التَّخَلُّصُ، فالحِيلَةُ لَها في ذَلِكَ كُلِّهِ أنْ تَشْتَرِطَ عَلَيْهِ أنَّهُ مَتى وُجِدَ شَيْءٌ مِن ذَلِكَ فَأمْرُها بِيَدِها، إنْ شاءَتْ أقامَتْ مَعَهُ وإنْ شاءَتْ فارَقَتْهُ، وتُشْهِدَ عَلَيْهِ بِذَلِكَ، فَإنْ خافَتْ أنْ لا تَشْتَرِطَ ذَلِكَ بَعْدَ لُزُومِ العَقْدِ فَلا يُمْكِنُها إلْزامُهُ بِالشَّرْطِ فَلا تَأْذَنُ لِوَلِيِّها أنْ يُزَوِّجَها مِنهُ إلّا عَلى هَذا الشَّرْطِ، فَيَقُولَ: زَوَّجْتُكُما عَلى أنَّ أمْرَها بِيَدِها إنْ كانَ الأمْرُ كَيْتَ وكَيْتَ؛ فَمَتى كانَ الأمْرُ كَذَلِكَ مَلَكَتْ تَطْلِيقَ نَفْسِها، ولا بَأْسَ بِهَذِهِ الحِيلَةِ، فَإنَّ المَرْأةَ تَتَخَلَّصُ بِها مِن نِكاحِ مَن لَمْ تَرْضَ بِنِكاحِهِ، وتَسْتَغْنِي بِها عَنْ رَفْعِ أمْرِها إلى الحاكِمِ لِيَفْسَخَ نِكاحَها بِالغَيْبَةِ والإعْسارِ ونَحْوِهِما. [المِثالُ الحادِي والسِّتُّونَ الحِيلَةُ في الخَلاصِ مِمّا سَبَقَ بِهِ اللِّسانُ] [حِيلَةٌ في الخَلاصِ مِمّا سَبَقَ بِهِ اللِّسانُ] المِثالُ الحادِي والسِّتُّونَ: إذا سَبَقَ لِسانُهُ بِما يُؤاخَذُ بِهِ في الظّاهِرِ ولَمْ يُرِدْ مَعْناهُ، أوْ أرادَهُ ثُمَّ رَجَعَ عَنْهُ وتابَ مِنهُ، أوْ خافَ أنْ يَشْهَدَ عَلَيْهِ بِهِ شُهُودُ زُورٍ ولَمْ يَتَكَلَّمْ بِهِ، فَرُفِعَ إلى الحاكِمِ وادُّعِيَ عَلَيْهِ بِهِ، فَإنْ أنْكَرَ شَهِدُوا عَلَيْهِ، وإنْ أقَرَّ حَكَمَ عَلَيْهِ، ولا سِيَّما إنْ كانَ لا يَرى قَبُولَ التَّوْبَةِ مِن ذَلِكَ، فالحِيلَةُ في الخَلاصِ أنْ لا يُقِرَّ بِهِ ولا يُنْكِرَ، فَيَشْهَدَ عَلَيْهِ الشُّهُودُ، بَلْ يَكْفِيه في الجَوابِ أنْ يَقُولَ: " إنْ كُنْت قُلْته فَقَدْ رَجَعْت عَنْهُ، وأنا تائِبٌ إلى اللَّهِ مِنهُ " ولَيْسَ لِلْحاكِمِ بَعْدَ ذَلِكَ أنْ يَقُولَ: لا أكْتَفِي مِنك بِهَذا الجَوابِ، بَلْ لا بُدَّ مِن الإقْرارِ أوْ الإنْكارِ، فَإنَّ هَذا جَوابٌ كافٍ في مِثْلِ هَذِهِ الدَّعْوى، وتَكْلِيفُهُ بَعْدَ ذَلِكَ خُطَّةَ الخَسْفِ بِالإقْرارِ - وقَدْ يَكُونُ كاذِبًا فِيهِ، أوْ الإنْكارِ وقَدْ تابَ مِنهُ بَيْنَهُ وبَيْنَ اللَّهِ تَعالى، فَيَشْهَدُ عَلَيْهِ الشُّهُودُ - ظُلْمٌ وباطِلٌ؛ فَلا يَحِلُّ لِلْحاكِمِ أنْ يَسْألَهُ بَعْدَ هَذا هَلْ وقَعَ مِنك ذَلِكَ أوْ لَمْ يَقَعْ؟ بَلْ أبْلَغُ مِن هَذا لَوْ شَهِدَ عَلَيْهِ بِالرِّدَّةِ فَقالَ: " لَمْ أزَلْ أشْهَدُ أنْ لا إلَهَ لا اللَّهُ وأنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللَّهِ مُنْذُ عَقَلْت وإلى الآنَ " لَمْ يُسْتَكْشَفْ عَنْ شَيْءٍ، ولَمْ يُسْألْ لا هو ولا الشُّهُودُ عَنْ سَبَبِ رِدَّتِهِ، كَما ذَكَرَهُ الخِرَقِيِّ في مُخْتَصَرِهِ وغَيْرُهُ مِن أصْحابِ الشّافِعِيِّ، فَإذا ادَّعى عَلَيْهِ بِأنَّهُ قالَ كَذا وكَذا فَقالَ: " إنْ كُنْت قُلْته فَأنا تائِبٌ إلى اللَّهِ مِنهُ " أوْ " قَدْ تُبْت مِنهُ " فَقَدْ اكْتُفِيَ مِنهُ بِهَذا الجَوابِ، ولَمْ يُكْشَفْ عَنْ شَيْءٍ مِنهُ بَعْدَ ذَلِكَ. [المِثالُ الثّانِي والثَّمانُونَ حِيلَةٌ في عَدَمِ الحِنْثِ في يَمِينٍ] [حِيلَةٌ في عَدَمِ الحِنْثِ في يَمِينٍ] المِثالُ الثّانِي والثَّمانُونَ: لَوْ حَلَفَ رَجُلٌ بِالطَّلاقِ أنَّهُ لا يَضْمَنُ عَنْ أحَدٍ شَيْئًا فَحَلَفَ آخَرُ بِالطَّلاقِ أنْ لا بُدَّ أنْ تَضْمَنَ عَنِّي؛ فالحِيلَةُ في أنْ يَضْمَنَ عَنْهُ، ولا يَحْنَثُ، أنْ يُشارِكَهُ ويَشْتَرِيَ مَتاعًا بَيْنَهُ وبَيْنَ شَرِيكِهِ. قالَ القاضِي: فَإنَّهُ يَضْمَنُ عَنْ شَرِيكِهِ نِصْفَ الثَّمَنِ، ولا يَحْنَثُ الحالِفُ في يَمِينِهِ؛ لِأنَّ المَحْلُوفَ عَلَيْهِ عَقْدُ الضَّمانِ، وما يَلْزَمُهُ في مَسْألَتِنا لا يَلْزَمُهُ بِعَقْدِ الضَّمانِ، وإنَّما يَلْزَمُهُ بِالوَكالَةِ؛ لِأنَّ كُلَّ واحِدٍ مِن الشَّرِيكَيْنِ وكِيلُ صاحِبِهِ فِيما يَشْتَرِيهِ، فَلِهَذا لَمْ يَحْنَثْ في يَمِينِهِ، فَإنْ كانَتْ بِحالِها، ولَمْ يَكُنْ بَيْنَهُ وبَيْنَ المَحْلُوفِ عَلَيْهِ شَرِكَةٌ، لَكِنَّهُ وكَّلَهُ المَحْلُوفُ عَلَيْهِ فاشْتَراها لَمْ يَحْنَثْ أيْضًا لِما بَيَّنّا. [المِثالُ الرّابِعُ والثَّمانُونَ تَحَيُّلُ المَظْلُومِ عَلى مَسَبَّةِ النّاسِ لِلظّالِمِ] [تَحَيُّلُ المَظْلُومِ عَلى مَسَبَّةِ النّاسِ لِلظّالِمِ] المِثالُ الرّابِعُ والثَّمانُونَ: لا بَأْسَ لِلْمَظْلُومِ أنْ يَتَحَيَّلَ عَلى مَسَبَّةِ النّاسِ لِظالِمِهِ، والدُّعاءِ عَلَيْهِ والأخْذِ مِن عِرْضِهِ، وإنْ لَمْ يَفْعَلْ ذَلِكَ بِنَفْسِهِ؛ إذْ لَعَلَّ ذَلِكَ يَرْدَعُهُ، ويَمْنَعُهُ مِن الإقامَةِ عَلى ظُلْمِهِ، وهَذا كَما لَوْ أخَذَ مالَهُ فَلَبِسَ أرَثَّ الثِّيابِ بَعْدَ أحْسَنِها، وأظْهَرَ البُكاءَ والنَّحِيبَ والتَّأوُّهَ، أوْ آذاهُ في جِوارِهِ فَخَرَجَ مِن دارِهِ، وطَرَحَ مَتاعَهُ عَلى الطَّرِيقِ، أوْ أخَذَ دابَّتَهُ فَطَرَحَ حِمْلَهُ عَلى الطَّرِيقِ وجَلَسَ يَبْكِي، ونَحْوِ ذَلِكَ، فَكُلُّ هَذا مِمّا يَدْعُو النّاسَ إلى لَعْنِ الظّالِمِ لَهُ وسَبِّهِ والدُّعاءِ عَلَيْهِ، وقَدْ أرْشَدَ النَّبِيُّ ﷺ المَظْلُومَ بِأذى جارِهِ لَهُ إلى نَحْوِ ذَلِكَ، فَفي السُّنَنِ ومُسْنَدِ الإمامِ أحْمَدَ مِن حَدِيثِ أبِي هُرَيْرَةَ: «أنَّ رَجُلًا شَكا إلى النَّبِيِّ ﷺ مِن جارِهِ، فَقالَ: اذْهَبْ فاصْبِرْ، فَأتاهُ مَرَّتَيْنِ أوْ ثَلاثًا، فَقالَ: اذْهَبْ فاطْرَحْ مَتاعَك في الطَّرِيقِ، فَطَرَحَ مَتاعَهُ في الطَّرِيقِ، فَجَعَلَ النّاسُ يَسْألُونَهُ فَيُخْبِرُهم خَبَرَهُ، فَجَعَلَ النّاسُ يَلْعَنُونَهُ: فَعَلَ اللَّهُ بِهِ وفَعَلَ، فَجاءَ إلَيْهِ جارُهُ فَقالَ لَهُ: ارْجِعْ لا تَرى مِنِّي شَيْئًا تَكْرَهُهُ» هَذا لَفْظُ أبِي داوُد. [المِثالُ الخامِسُ والثَّمانُونَ مِن لَطائِفِ حِيَلِ أبِي حَنِيفَةَ] [مِن لَطائِفِ حِيَلِ أبِي حَنِيفَةَ] المِثالُ الخامِسُ والثَّمانُونَ: ما ذُكِرَ في مَناقِبِ أبِي حَنِيفَةَ - رَحِمَهُ اللَّهُ تَعالى - أنَّ رَجُلًا أتاهُ بِاللَّيْلِ فَقالَ: أدْرِكْنِي قَبْلَ الفَجْرِ، وإلّا طَلَّقْت امْرَأتِي، فَقالَ: وما ذاكَ؟ قالَ: تَرَكَتْ اللَّيْلَةَ كَلامِي، فَقُلْت لَها: إنْ طَلَعَ الفَجْرُ، ولَمْ تُكَلِّمِينِي فَأنْتِ طالِقٌ ثَلاثًا، وقَدْ تَوَسَّلْت إلَيْها بِكُلِّ أمْرٍ أنْ تُكَلِّمَنِي فَلَمْ تَفْعَلْ، فَقالَ لَهُ: اذْهَبْ فَمُرْ مُؤَذِّنَ المَسْجِدِ أنْ يَنْزِلَ فَيُؤَذِّنَ قَبْلَ الفَجْرِ، فَلَعَلَّها إذا سَمِعَتْهُ أنْ تُكَلِّمَك، واذْهَبْ إلَيْها وناشِدْها أنْ تُكَلِّمَك قَبْلَ أنْ يُؤَذِّنَ المُؤَذِّنُ، فَفَعَلَ الرَّجُلُ، وجَلَسَ يُناشِدُها، وأذَّنَ المُؤَذِّنُ، فَقالَتْ: قَدْ طَلَعَ الفَجْرُ وتَخَلَّصْت مِنك، فَقالَ: قَدْ كَلَّمْتِنِي قَبْلَ الفَجْرِ وتَخَلَّصْت مِن اليَمِينِ، وهَذا مِن أحْسَنِ الحِيَلِ. [حِيلَةٌ أُخْرى لَهُ] المِثالُ السّادِسُ والثَّمانُونَ: قالَ بِشْرُ بْنُ الوَلِيدِ: كانَ في جِوارِ أبِي حَنِيفَةَ فَتًى يَغْشى مَجْلِسَهُ، فَقالَ لَهُ يَوْمًا: إنِّي أُرِيدُ التَّزَوُّجَ بِامْرَأةٍ، وقَدْ طَلَبُوا مِنِّي مِن المَهْرِ فَوْقَ طاقَتِي، وقَدْ تَعَلَّقْت بِالمَرْأةِ، فَقالَ لَهُ: أعْطِهِمْ ما طَلَبُوا مِنك، فَفَعَلَ، فَلَمّا عَقَدَ العَقْدَ جاءَ إلَيْهِ فَقالَ: قَدْ طَلَبُوا مِنِّي المَهْرَ، فَقالَ: احْتَلْ واقْتَرِضْ وأعْطِهِمْ فَفَعَلَ، فَلَمّا دَخَلَ بِأهْلِهِ قالَ: إنِّي أخافُ المُطالَبِينَ بِالدَّيْنِ، ولَيْسَ عِنْدِي ما أُوَفِّيهِمْ، فَقالَ: أظْهِرْ أنَّك تُرِيدُ سَفَرًا بَعِيدًا، وأنَّك تُرِيدُ الخُرُوجَ بِأهْلِك، فَفَعَلَ، واكْتَرى جِمالًا، فاشْتَدَّ ذَلِكَ عَلى المَرْأةِ، وأوْلِيائِها، فَجاءُوا إلى أبِي حَنِيفَةَ - رَحِمَهُ اللَّهُ -، فَسَألُوهُ، فَقالَ: لَهُ أنْ يَذْهَبَ بِأهْلِهِ حَيْثُ شاءَ، فَقالُوا: نَحْنُ نُرْضِيهِ ونَرُدُّ إلَيْهِ ما أخَذْناهُ مِنهُ، ولا يُسافِرُ، فَلَمّا سَمِعَ الزَّوْجُ طَمِعَ فَقالَ: لا واللَّهِ حَتّى يَزِيدُونِي، فَقالَ لَهُ: إنْ رَضِيت بِهَذا، وإلّا أقَرَّتْ المَرْأةُ أنَّ عَلَيْها دَيْنًا لِرَجُلٍ، فَلا يُمْكِنُك أنْ تُخْرِجَها حَتّى تُوَفِّيَهُ فَقالَ: بِاللَّهِ لا يَسْمَعُ أهْلُ المَرْأةِ ذَلِكَ مِنك، أنا أرْضى بِاَلَّذِي أعْطَيْتهمْ. [فصل: الحِيَلُ عَلى ثَلاثَةِ أنْواعٍ] وَحِيَلُ هَذا البابِ ثَلاثَةُ أنْواعٍ: حِيلَةٌ عَلى دَفْعِ الظُّلْمِ والمَكْرِ حَتّى لا يَقَعَ، وحِيلَةٌ عَلى رَفْعِهِ بَعْدَ وُقُوعِهِ، وحِيلَةٌ عَلى مُقابَلَتِهِ بِمِثْلِهِ حَيْثُ لا يُمْكِنُ رَفْعُهُ؛ فالنَّوْعانِ الأوَّلانِ جائِزانِ، وفي الثّالِثِ تَفْصِيلٌ، فَلا يُمْكِنُ القَوْلُ بِجَوازِهِ عَلى الإطْلاقِ، ولا بِالمَنعِ مِنهُ عَلى الإطْلاقِ، بَلْ إنْ كانَ المُتَحَيَّلُ بِهِ حَرامًا لِحَقِّ اللَّهِ لَمْ يَجُزْ مُقابَلَتُهُ بِمِثْلِهِ، كَما لَوْ جَرَّعَهُ الخَمْرَ أوْ زَنى بِحُرْمَتِهِ، وإنْ كانَ حَرامًا؛ لِكَوْنِهِ ظُلْمًا لَهُ في مالِهِ، وقَدَرَ عَلى ظُلْمِهِ بِمِثْلِ ذَلِكَ فَهي مَسْألَةُ الظَّفَرِ، وقَدْ تَوَسَّعَ فِيها قَوْمٌ حَتّى أفْرَطُوا وجَوَّزُوا قَلْعَ البابِ، ونَقْبَ الحائِطِ وخَرْقَ السَّقْفِ، ونَحْوَ ذَلِكَ؛ لِمُقابَلَتِهِ بِأخْذِ نَظِيرِ مالِهِ، ومَنَعَها قَوْمٌ بِالكُلِّيَّةِ، وقالُوا: لَوْ كانَ عِنْدَهُ ودِيعَةٌ أوْ لَهُ عَلَيْهِ دَيْنٌ لَمْ يَجُزْ لَهُ أنْ يَسْتَوْفِيَ مِنهُ قَدْرَ حَقِّهِ إلّا بِإعْلامِهِ بِهِ، وتَوَسَّطَ آخَرُونَ وقالُوا: إنْ كانَ سَبَبُ الحَقِّ ظاهِرًا كالزَّوْجِيَّةِ والأُبُوَّةِ والبُنُوَّةِ ومِلْكِ اليَمِينِ المُوجِبِ لِلْإنْفاقِ فَلَهُ أنْ يَأْخُذَ قَدْرَ حَقِّهِ مِن غَيْرِ إعْلامِهِ، وإنْ لَمْ يَكُنْ ظاهِرًا كالقَرْضِ وثَمَنِ المَبِيعِ، ونَحْوِ ذَلِكَ لَمْ يَكُنْ لَهُ الأخْذُ إلّا بِإعْلامِهِ، وهَذا أعْدَلُ الأقْوالِ في المَسْألَةِ، وعَلَيْهِ تَدُلُّ السُّنَّةُ دَلالَةً صَرِيحَةً؛ والقائِلُونَ بِهِ أسْعَدُ بِها، وبِاللَّهِ التَّوْفِيقُ. وَإنْ كانَ بَهْتًا لَهُ وكَذِبًا عَلَيْهِ أوْ قَذْفًا لَهُ أوْ شَهادَةً عَلَيْهِ بِالزُّورِ لَمْ يَجُزْ لَهُ مُقابَلَتُهُ بِمِثْلِهِ، وإنْ كانَ دُعاءً عَلَيْهِ أوْ لَعْنًا أوْ مَسَبَّةً فَلَهُ مُقابَلَتُهُ بِمِثْلِهِ عَلى أصَحِّ القَوْلَيْنِ، وإنْ مَنَعَهُ كَثِيرٌ مِن النّاسِ، وإنْ كانَ إتْلافُ مالٍ لَهُ فَإنْ كانَ مُحْتَرَمًا كالعَبْدِ والحَيَوانِ لَمْ يَجُزْ لَهُ مُقابَلَتُهُ بِمِثْلِهِ، وإنْ كانَ غَيْرَ مُحْتَرَمٍ فَإنْ خافَ تَعَدِّيَهُ فِيهِ لَمْ يَجُزْ لَهُ مُقابَلَتُهُ بِمِثْلِهِ كَما لَوْ حَرَقَ دارِهِ لَمْ يَجُزْ لَهُ أنْ يَحْرِقَ دارِهِ، وإنْ لَمْ يَتَعَدَّ فِيهِ - بَلْ كانَ يَفْعَلُ بِهِ نَظِيرَ ما فَعَلَ بِهِ سَواءٌ كَما لَوْ قَطَعَ شَجَرَتَهُ أوْ كَسَرَ إناءَهُ أوْ فَتَحَ قَفَصًا عَنْ طائِرِهِ أوْ حَلَّ وِكاءَ مائِعٍ لَهُ أوْ أرْسَلَ الماءَ عَلى مِسْطاحِهِ فَذَهَبَ بِما فِيهِ ونَحْوِ ذَلِكَ، وأمْكَنَهُ مُقابَلَتُهُ بِمِثْلِ ما فَعَلَ سَواءٌ - فَهَذا مَحَلُّ اجْتِهادٍ لَمْ يَدُلَّ عَلى المَنعِ مِنهُ كِتابٌ، ولا سُنَّةٌ، ولا إجْماعٌ، ولا قِياسٌ صَحِيحٌ، بَلْ الأدِلَّةُ المَذْكُورَةُ تَقْتَضِي جَوازَهُ كَما تَقَدَّمَ بَيانُهُ في أوَّلِ الكِتابِ. وَكانَ شَيْخُنا - رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ - يُرَجِّحُ هَذا ويَقُولُ: هو أوْلى بِالجَوازِ مِن إتْلافِ طَرَفِهِ بِطَرَفِهِ، واللَّهُ أعْلَمُ.

Verzen 5

﴿ ٥ ﴾

ذَٰلِكَ أَمْرُ ٱللَّهِ أَنزَلَهُۥٓ إِلَيْكُمْ ۚ وَمَن يَتَّقِ ٱللَّهَ يُكَفِّرْ عَنْهُ سَيِّـَٔاتِهِۦ وَيُعْظِمْ لَهُۥٓ أَجْرًا

Zaalika amrul laahi anzalahoo ilaikum; wa many yattaqil laaha yukaffir 'anhu saiyi aatihee wa yu'zim lahoo ajraa

65:5Dat is het bevel van Allah, dat Hij aan jullie neerzendt. En wie Allah vreest, voor hem zal Hij zijn zonden uitwissen en hem een geweldige beloning geven.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Deze hele wetgeving is geen menselijke afspraak maar een gebod dat Allah heeft neergezonden — om opgevolgd en hooggehouden te worden. En opnieuw die belofte aan de godvrezende, nu in haar diepste vorm: Hij wist je slechte daden uit en vergroot je beloning. Wie zich aan Zijn grenzen houdt in iets dat zo beladen is als een scheiding, vindt vergeving en loon.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

{Dat} — dat wil zeggen: het oordeel dat Allah voor jullie heeft uiteengezet — {is het gebod van Allah, dat Hij aan jullie heeft neergezonden} opdat jullie ernaar handelen, het navolgen en het hoogachten. {En wie Allah vreest, voor hem wist Hij zijn slechte daden uit en vergroot Hij voor hem de beloning} — dat wil zeggen: het verwerpelijke wordt van hem afgewend en het gewenste wordt hem ten deel.

Ibn Kathîr

(5. Dat is het gebod van Allah, dat Hij aan jullie heeft neergezonden; en wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij zijn slechte daden uitwissen, en zijn beloning vergroten.) Allahs woord {Dat is het gebod van Allah, dat Hij aan jullie heeft neergezonden} betekent: dit is Zijn gebod en wetgeving die Hij door Zijn Boodschapper ﷺ aan jullie heeft neergezonden. {en wie Taqwâ van Allah heeft, voor hem zal Hij zijn slechte daden uitwissen, en zijn beloning vergroten} betekent: Allah zal weren wat hij vreest en zijn beloning vermenigvuldigen, zelfs voor het weinige goede dat hij doet.

Arabische grondtekst & bron — verzen 5

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat at-Talâq · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat at-Talâq · Sahîh al-Bukhârî (Ibn ‘Umar over scheiding tijdens de menstruatie) · Sahîh Muslim · Abû Dâwûd · Ibn Mâdja · an-Nasâ'î · Imâm Ahmad · at-Tirmidhî · at-Tabarânî · Ibn Abî Hâtim · (Fâtima bint Qays, Subay‘a al-Aslamiyya, Ibn ‘Abbâs, Ubayy ibn Ka‘b e.a.).

يَقُولُ تَعَالَى مُبَيِّنًا لِعِدَّةِ الْآيِسَةِ -وَهِيَ الَّتِي قَدِ انْقَطَعَ عَنْهَا الْحَيْضُ لِكِبَرِهَا-: أَنَّهَا ثَلَاثَةُ أَشْهُرٍ، عِوَضًا عَنِ الثَّلَاثَةِ قُرُوءٍ فِي حَقِّ مَنْ تَحِيضُ، كَمَا دَلَّتْ عَلَى ذَلِكَ آيَةُ "الْبَقَرَةِ" [[هي الآية ٢٢٨.]] وَكَذَا الصِّغَارُ اللَّائِي لَمْ يَبْلُغْنَ سِنَّ الْحَيْضِ أَنَّ عِدَّتَهُنَّ كَعِدَّةِ الْآيِسَةِ ثَلَاثَةُ أَشْهُرٍ؛ وَلِهَذَا قَالَ: ﴿وَاللائِي لَمْ يَحِضْنَ﴾ * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِنِ ارْتَبْتُمْ﴾ فِيهِ قَوْلَانِ: أَحَدُهُمَا -وَهُوَ قَوْلُ طَائِفَةٍ مِنَ السَّلَفِ، كَمُجَاهِدٍ، وَالزُّهْرِيِّ، وَابْنِ زَيْدٍ-: أَيْ إِنْ رَأَيْنَ دَمًا وَشَكَكْتُمْ فِي كَوْنِهِ حَيْضًا أَوِ اسْتِحَاضَةً، وَارْتَبْتُمْ فِيهِ. وَالْقَوْلُ الثَّانِي: إِنِ ارْتَبْتُمْ فِي حُكْمِ عِدَّتِهِنَّ، وَلَمْ تَعْرِفُوهُ فَهُوَ ثَلَاثُ أَشْهُرٍ. وَهَذَا مَرْوِيٌّ، عَنْ سَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ. وَهُوَ اخْتِيَارُ ابْنِ جَرِيرٍ، وَهُوَ أَظْهَرُ فِي الْمَعْنَى، وَاحتَجَّ عَلَيْهِ بِمَا رَوَاهُ عَنْ أَبِي كُرَيْب وَأَبِي السَّائِبِ قَالَا حَدَّثَنَا ابْنُ إِدْرِيسَ، أَخْبَرَنَا مُطَرِّفٌ، عَنْ عَمْرِو بْنِ سَالِمٍ قَالَ: قَالَ أُبَيُّ بْنُ كَعْبٍ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ عِددًا مِنْ عِدد النِّسَاءِ لَمْ تُذْكَرْ فِي الْكِتَابِ: الصِّغَارُ وَالْكِبَارُ وَأُولَاتُ الْأَحْمَالِ [[في أ: "الأحمال أجلهن".]] قَالَ: فَأَنْزَلَ اللَّهُ عَزَّ وَجَلَّ: ﴿وَاللائِي يَئِسْنَ مِنَ الْمَحِيضِ مِنْ نِسَائِكُمْ إِنِ ارْتَبْتُمْ فَعِدَّتُهُنَّ ثَلاثَةُ أَشْهُرٍ وَاللائِي لَمْ يَحِضْنَ وَأُولاتُ الأحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ وَرَوَاهُ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ بِأَبْسَطَ مِنْ هَذَا السِّيَاقِ فَقَالَ: حَدَّثَنَا أَبِي، حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ الْمُغِيرَةِ، أَخْبَرَنَا جَرِيرٌ، عَنْ مُطرِّف، عَنْ عُمَرَ [[في أ: "عن عمرو".]] بْنِ سَالِمٍ، عَنْ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ قَالَ: قُلْتُ لِرَسُولِ اللَّهِ ﷺ: إِنْ نَاسًا مِنْ أَهْلِ الْمَدِينَةِ لَمَّا أُنْزِلَتْ هَذِهِ الْآيَةُ الَّتِي فِي "الْبَقَرَةِ" فِي عِدَّةِ النِّسَاءِ قَالُوا: لَقَدْ بَقِيَ مِنْ عِدَّةِ النِّسَاءِ عِدَدٌ لَمْ يُذكَرْن فِي الْقُرْآنِ: الصِّغَارُ وَالْكِبَارُ اللَّائِي قَدِ انْقَطَعَ عَنْهُنَّ الْحَيْضُ، وَذَوَاتُ الْحَمْلِ. قَالَ: فَأُنْزِلَتِ الَّتِي فِي النِّسَاءِ الْقُصْرَى: ﴿وَاللائِي يَئِسْنَ مِنَ الْمَحِيضِ مِنْ نِسَائِكُمْ إِنِ ارْتَبْتُمْ فَعِدَّتُهُنَّ ثَلاثَةُ أَشْهُرٍ وَاللائِي لَمْ يَحِضْنَ﴾ * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَأُولاتُ الأحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ يَقُولُ تَعَالَى: وَمَنْ كَانَتْ حَامِلًا فَعِدَّتُهَا بِوَضْعِهِ، وَلَوْ كَانَ بَعْدَ الطَّلَاقِ أَوِ الْمَوْتِ بفُوَاق نَاقَةٍ [[في أ::بفراق تامة".]] فِي قَوْلِ جُمْهُورِ الْعُلَمَاءِ مِنَ السَّلَفِ وَالْخَلَفِ، كَمَا هُوَ نَصُّ هَذِهِ الْآيَةِ الْكَرِيمَةِ، وَكَمَا وَرَدَتْ بِهِ السُّنَّةُ النَّبَوِيَّةُ. وَقَدْ رُوي عَنْ عَلِيٍّ، وَابْنِ عَبَّاسٍ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمْ [[في أ: "عنهما".]] أَنَّهُمَا ذَهَبَا فِي الْمُتَوَفَّى عَنْهَا زَوْجُهَا أَنَّهَا تَعْتَدُّ بِأَبْعَدِ الْأَجَلَيْنِ مِنَ الْوَضْعِ أَوِ الْأَشْهُرِ، عَمَلًا بِهَذِهِ الْآيَةِ الْكَرِيمَةِ، وَالَّتِي فِي سُورَةِ "الْبَقَرَةِ". وَقَدْ قَالَ الْبُخَارِيُّ: حَدَّثَنَا سَعْدُ [[فيأ: "سعيد".]] بْنُ حَفْصٍ، حَدَّثَنَا شَيْبَانُ، عَنْ يَحْيَى قَالَ: أَخْبَرَنِي أَبُو سَلَمَةَ قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى ابْنِ عَبَّاسٍ -وَأَبُو هُرَيْرَةَ جَالِسٌ-فَقَالَ: أَفْتِنِي فِي امْرَأَةٍ وَلَدَتْ بَعْدَ زَوْجِهَا بِأَرْبَعِينَ لَيْلَةً. فَقَالَ: ابْنُ عَبَّاسٍ آخِرُ الْأَجَلَيْنِ. قُلْتُ أَنَا: ﴿وَأُولاتُ الأحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ قال أبو هريرة: أَنَا مَعَ ابْنِ أَخِي -يَعْنِي أَبَا سَلَمَةَ-فَأَرْسَلَ ابْنُ عَبَّاسٍ غُلَامَهُ كُرَيْبًا إِلَى أُمِّ سَلَمَةَ يَسْأَلُهَا، فَقَالَتْ: قُتِل زَوْجُ سُبَيْعَةَ الْأَسْلَمِيَّةِ وَهِيَ حُبْلَى، فَوَضَعَتْ بَعْدَ مَوْتِهِ بِأَرْبَعِينَ لَيْلَةً، فَخُطِبَتْ، فَأَنْكَحَهَا رَسُولِ اللَّهِ ﷺ، وَكَانَ أَبُو السَّنَابِلِ فِيمَنْ خَطَبَهَا [[صحيح البخاري برقم (٤٩٠٩) .]] هَكَذَا أورد البخاري هذا الحديث هاهنا مُخْتَصَرًا. وَقَدْ رَوَاهُ هُوَ وَمُسْلِمٌ وَأَصْحَابُ الْكُتُبِ مُطَوَّلًا مِنْ وُجُوهٍ أُخَرَ [[صحيح البخاري برقم (٥٣١٨) وصحيح مسلم برقم (١٤٨٥) وسنن النسائي (٦/١٩١) .]] وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا حَمَّادُ بْنُ أُسَامَةَ، أَخْبَرَنَا هِشَامٌ، عَنْ أَبِيهِ، عَنِ الْمِسْوَرِ بْنِ مَخْرَمَة؛ أَنَّ سُبَيعَة الْأَسْلَمِيَّةَ تُوفي عَنْهَا زوجُها وَهِيَ حَامِلٌ، فَلَمْ تَمْكُثْ إِلَّا لَيَالِيَ حَتَّى وَضَعَتْ، فَلَمَّا تَعَلَّت مِنْ نِفَاسِهَا خُطِبت، فَاسْتَأْذَنْتُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ فِي النِّكَاحِ، فَأَذِنَ لَهَا أَنْ تُنكَح فنُكحت. وَرَوَاهُ الْبُخَارِيُّ فِي صَحِيحِهِ، وَمُسْلِمٌ، وَأَبُو دَاوُدَ، وَالنَّسَائِيُّ، وَابْنُ مَاجَهْ مِنْ طُرُقٍ عنها [[المسند (٤/٣٢٧) وصحيح البخاري برقم (٥٣٢٠) وسنن النسائي (٦/١٩٠) وسنن ابن ماجة برقم (٢٠٩٢) كلهم من هذا الطريق الذي ساقه الإمام أحمد، وأما مسلم وأبو داود فهو هذا الطريق الآتي بعده، صحيح مسلم برقم (١٤٨٤) وسنن أبي داود برقم (٢٣٠٦) .]] كما قال مسلم ابن الْحَجَّاجِ: حَدَّثَنِي أَبُو الطَّاهِرِ، أَخْبَرَنَا ابْنُ وَهْبٍ، حَدَّثَنِي يُونُسُ بْنُ يَزِيدَ، عَنِ ابْنُ شِهَابٍ، حَدَّثَنِي عُبَيْدِ اللَّهِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عُتبة: أَنَّ أَبَاهُ كَتَبَ إِلَى عُمَرَ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ الْأَرْقَمِ الزُّهْرِيِّ يَأْمُرُهُ أَنْ يَدْخُلَ عَلَى سُبَيعة بِنْتِ الْحَارِثِ الْأَسْلَمِيَّةِ فَيَسْأَلَهَا عَنْ حَدِيثِهَا وَعَمَّا قَالَ لَهَا رَسُولُ اللَّهِ ﷺ حِينَ اسْتَفْتَتْهُ. فَكَتَبَ عُمر بْنُ عَبْدِ اللَّهِ يُخْبِرُهُ أَنَّ سُبَيْعَةَ أَخْبَرَتْهُ أَنَّهَا كَانَتْ تَحْتَ سَعد [[في أ: "سعيد".]] بْنِ خَولة -وَكَانَ مِمَّنْ شَهِدَ بَدْرًا-فَتُوُفِّيَ عَنْهَا فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ وَهِيَ حَامِلٌ، فَلَمْ تَنشَب أَنْ وَضَعَتْ حَمْلَهَا بَعْدَ وَفَاتِهِ، فَلَمَّا تَعَلَّت مِنْ نِفَاسِهَا تَجَمَّلَتْ لِلْخُطَّابِ، فَدَخَلَ عَلَيْهَا أَبُو السَّنَابِلِ بْنُ بَعكك فَقَالَ لَهَا: مَالِي أَرَاكِ مُتَجَمِّلَةً؟ لَعَلَّكِ تَرجين النِّكَاحَ، إِنَّكِ وَاللَّهِ مَا أَنْتِ بِنَاكِحٍ حَتَّى تَمرَ عَلَيْكِ أَرْبَعَةُ أَشْهُرٍ وعشرٌ. قَالَتْ سُبيَعة: فَلَمَّا قَالَ لِي ذَلِكَ جَمعتُ عَلَيَّ ثِيَابِي حِينَ أمسيتُ فأتيتُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ فَسَأَلْتُهُ عَنْ ذَلِكَ، فَأَفْتَانِي بِأَنِّي قَدْ حَلَلت حِينَ وضعتُ حَمْلِي، وَأَمَرَنِي بِالتَّزْوِيجِ [[في م، أ: "بالتزويج"]] إِنْ بَدَا لِي. هَذَا لَفْظُ مُسْلِمٍ. وَرَوَاهُ الْبُخَارِيُّ مُخْتَصَرًا [[صحيح مسلم برقم (١٤٨٤) وصحيح البخاري برقم (٥٣١٩، ٣٩٩١) .]] ثُمَّ قَالَ الْبُخَارِيُّ بَعْدَ [ذَلِكَ، أَيْ: بَعْدَ] [[زيادة من أ.]] رِوَايَةِ الْحَدِيثِ الْأَوَّلِ عِنْدَ هَذِهِ الْآيَةِ: وَقَالَ [[في م: "وقال أبو سليمان".]] سُلَيْمَانُ بْنُ حَرْبٍ وَأَبُو النُّعْمَانِ: حَدَّثَنَا حَمَّادُ بْنُ زَيْدٍ، عَنْ أَيُّوبَ، عَنْ مُحَمَّدٍ -هُوَ ابْنُ سِيرِينَ-قَالَ: كُنْتُ فِي حَلْقَةٍ فِيهَا عَبْدُ الرَّحْمَنِ بْنُ أَبِي لَيْلَى، رَحِمَهُ اللَّهُ، وَكَانَ أَصْحَابُهُ يُعَظِّمُونَهُ، فَذَكَرَ آخِرَ الْأَجَلَيْنِ، فحدّثتُ بِحَدِيثِ سُبَيعة بِنْتِ الْحَارِثِ عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عُتْبَةَ، قَالَ: فَضَمَّزَلي [[في أ: "فضم لي".]] بَعْضُ أَصْحَابِهِ، وَقَالَ مُحَمَّدٌ: فَفَطِنْتُ لَهُ فَقُلْتُ: لَهُ إِنِّي لجريءٌ أَنْ أكذبَ عَلَى عَبْدِ اللَّهِ وَهُوَ فِي نَاحِيَةِ الْكُوفَةِ. قَالَ: فَاسْتَحْيَا وَقَالَ: لَكِنَّ عَمّه لَمْ يَقُلْ ذَلِكَ. فَلَقِيتُ أَبَا عَطِيَّةَ مَالِكَ بْنَ عَامِرٍ فَسَأَلْتُهُ، فَذَهَبَ يُحَدِّثُنِي بِحَدِيثِ سُبَيعة، فَقُلْتُ: هَلْ سَمِعْتَ عَنْ عَبْدِ اللَّهِ شَيْئًا؟ فَقَالَ: كُنَّا عِنْدَ عَبْدِ اللَّهِ فَقَالَ: أَتَجْعَلُونَ عَلَيْهَا التَّغْلِيظَ، وَلَا تَجْعَلُونَ عَلَيْهَا الرُّخْصَةَ؟ نَزَلَتْ [[في م: "أنزلت".]] سُورَةُ النِّسَاءِ الْقُصْرَى بَعْدَ الطُّولَى: ﴿وَأُولاتُ الأحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ وَرَوَاهُ ابْنُ جَرِيرٍ، مِنْ طَرِيقِ سُفْيَانَ بْنِ عُيَيْنَةَ وَإِسْمَاعِيلَ بْنِ عُلَيَّة، عَنْ أَيُّوبَ بِهِ مُخْتَصَرًا [[تفسير الطبري (٢٨/٩٢) .]] وَرَوَاهُ النَّسَائِيُّ فِي التَّفْسِيرِ عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ عَبْدِ الْأَعْلَى، عَنْ خَالِدٍ بْنِ الْحَارِثِ، عَنِ ابْنِ عَوْنٍ، عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ سِيرِينَ، فَذَكَرَهُ [[هو في سنن النسائي (٦/١٩٦) ولم أقع عليه في الكبرى.]] وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنِي زَكَرِيَّا بْنُ يَحْيَى بْنِ أَبَانٍ الْمِصْرِيُّ، حَدَّثَنَا سَعِيدُ بْنُ أَبِي مَرْيَمَ، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ جعفر، حَدَّثَنِي ابْنُ شَبْرَمة الْكُوفِيُّ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ، عَنْ عَلْقَمَةَ بْنِ قَيْسٍ؛ أَنَّ عَبْدَ اللَّهِ بْنَ مَسْعُودٍ قَالَ: مَنْ شَاءَ لَاعَنْتُهُ، مَا نَزَلَتْ: ﴿وَأُولاتُ الأحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ إِلَّا بَعْدَ آيَةِ الْمُتَوَفَّى عَنْهَا زَوْجُهَا. قَالَ: وَإِذَا وَضَعَتِ الْمُتَوَفَّى عَنْهَا زَوْجُهَا فَقَدْ حَلَّتْ. يُرِيدُ بِآيَةِ الْمُتَوَفَّى عَنْهَا زَوْجُهَا ﴿وَالَّذِينَ يُتَوَفَّوْنَ مِنْكُمْ وَيَذَرُونَ أَزْوَاجًا يَتَرَبَّصْنَ بِأَنْفُسِهِنَّ أَرْبَعَةَ أَشْهُرٍ وَعَشْرًا﴾ [الْبَقَرَةِ: ٢٣٤] وَقَدْ رَوَاهُ النَّسَائِيُّ مِنْ حَدِيثِ سَعِيدِ بْنِ أَبِي مَرْيَمَ، بِهِ [[تفسير الطبري (٢٨/٩٢) وسنن النسائي (٦/١٩٧) .]] ثُمَّ قَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ مَنِيع، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ عُبَيْدٍ، حَدَّثَنَا إِسْمَاعِيلُ بْنُ أَبِي خَالِدٍ، عَنِ الشَّعْبِيِّ قَالَ: ذُكِرَ عِنْدَ ابْنِ مَسْعُودٍ آخِرُ الْأَجَلَيْنِ، فَقَالَ: مَنْ شَاءَ قَاسَمْتُهُ بِاللَّهِ إِنَّ هَذِهِ الْآيَةَ الَّتِي فِي النِّسَاءِ الْقُصْرَى نَزَلَتْ بَعْدَ الْأَرْبَعَةِ الْأَشْهُرِ وَالْعَشْرِ ثُمَّ قَالَ أَجَلُ الْحَامِلِ أَنْ تَضَعَ مَا فِي بَطْنِهَا [[تفسير الطبري (٢٨/٩٢) .]] . وَقَالَ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ سِنَانٍ الْوَاسِطِيُّ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الرَّحْمَنِ بْنُ مَهْدِيٍّ، عَنْ سُفْيَانَ، عَنِ الْأَعْمَشُ، عَنْ أَبِي الضُّحى، عَنْ مَسْرُوقٍ قَالَ: بَلَغَ ابْنَ مَسْعُودٍ أَنَّ عَلِيًّا، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ، يَقُولُ: آخِرُ الْأَجَلَيْنِ. فَقَالَ: مَنْ شَاءَ لَاعَنْتُهُ، إِنَّ الَّتِي فِي النِّسَاءِ القُصرَى نَزَلَتْ بَعْدَ الْبَقَرَةِ: ﴿وَأُولاتُ الأحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ وَرَوَاهُ أَبُو دَاوُدَ وَابْنُ مَاجَهْ، مِنْ حَدِيثِ أَبِي مُعَاوِيَةَ، عَنِ الأعمش [[سنن أبي داود برقم (٢٣٠٧) وسنن ابن ماجة برقم (٢٠٣٠) .]] وَقَالَ عَبْدُ اللَّهِ ابْنُ الْإِمَامِ أَحْمَدَ: حَدَّثَنِي مُحَمَّدُ بْنُ أَبِي بَكْرٍ الْمُقَدَّمِيُّ، أَخْبَرَنَا عَبْدُ الْوَهَّابِ الثَّقَفِيُّ، حَدَّثَنَا الْمُثَنَّى، عَنْ عَمْرِو بْنِ شُعَيْبٍ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عَمْرٍو، عَنْ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ قَالَ: قُلْتُ لِلنَّبِيِّ ﷺ: ﴿وَأُولاتُ الأحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ المطلقة ثلاثا أو المتوفى عَنْهَا [[في م: "عنها زوجها".]] ؟ فَقَالَ: "هِيَ الْمُطَلَّقَةُ ثَلَاثًا وَالْمُتَوَفَّى عَنْهَا" [[زوائد المسند (٥/١١٦) .]] هَذَا حَدِيثٌ غَرِيبٌ جِدًّا، بَلْ مُنْكَرٌ؛ لِأَنَّ فِي إِسْنَادِهِ الْمُثَنَّى بْنُ الصَّبَّاحِ، وَهُوَ مَتْرُوكُ الْحَدِيثِ بمِرّة وَلَكِنْ رَوَاهُ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ بِسَنَدٍ آخَرَ، فَقَالَ: حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ دَاوُدَ السِّمْناني، حَدَّثَنَا عَمْرُو بْنُ خَالِدٍ -يَعْنِي: الْحَرَّانِيَّ-حَدَّثَنَا ابْنُ لَهِيعة، عَنْ عَمْرِو بْنِ شُعَيْبٍ، عَنْ سَعِيدِ بْنِ الْمُسَيَّبِ، عَنْ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ، أَنَّهُ لَمَّا نَزَلَتْ هَذِهِ الْآيَةُ قَالَ لِرَسُولِ اللَّهِ ﷺ: لَا أَدْرِي أَمُشْتَرَكَةٌ أَمْ مُبْهَمَةٌ، قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "أَيَّةُ آيَةٍ؟ ". قَالَ: ﴿أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ الْمُتَوَفَّى عَنْهَا وَالْمُطَلَّقَةُ؟ قَالَ: "نَعَمْ". وَكَذَا رَوَاهُ ابْنُ جَرِيرٍ، عَنْ أَبِي كُرَيْب، عَنْ مُوسَى بْنِ دَاوُدَ، عَنِ ابْنِ لَهِيعَةَ، بِهِ. ثُمَّ رَوَاهُ عَنْ أَبِي كُرَيْبٍ أَيْضًا، عَنْ مَالِكِ بْنِ إِسْمَاعِيلَ، عَنِ ابْنِ عُيَيْنَةَ، عَنْ عَبْدِ الْكَرِيمِ بْنِ أَبِي الْمُخَارِقِ أَنَّهُ حَدَّثَ عَنْ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ قَالَ: سَأَلْتُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ عَنْ: ﴿وَأُولاتُ الأحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ قَالَ: "أَجَلُ، كُلِّ حَامِلٍ أَنْ تَضَعَ مَا فِي بَطْنِهَا" [[تفسير الطبري (٢٨/٩٣) وقال الحافظ بن حجر في الفتح (٨/٦٥٤) بعد ما ساق هذه الرواية: "وهذا المرفوع وإن كان لا يخلو شيء من أسانيده عن مقال، لكن كثرة طرقه تشعر بأن له أصلا، ويعضده قصة سبيعة المذكورة".]] عَبْدُ الْكَرِيمِ هَذَا ضَعِيفٌ، وَلَمْ يُدْرِكْ أُبَيّا. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَمَنْ يَتَّقِ اللَّهَ يَجْعَلْ لَهُ مِنْ أَمْرِهِ يُسْرًا﴾ أَيْ: يُسَهِّلُ لَهُ أَمْرَهُ، وَيُيَسِّرُهُ عَلَيْهِ، وَيَجْعَلُ لَهُ فَرَجًا قَرِيبًا وَمَخْرَجًا عَاجِلًا. ثُمَّ قَالَ: ﴿ذَلِكَ أَمْرُ اللَّهِ أَنزلَهُ إِلَيْكُمْ﴾ أَيْ: حُكْمُهُ وَشَرْعُهُ أَنْزَلَهُ إِلَيْكُمْ بِوَاسِطَةِ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ، ﴿وَمَنْ يَتَّقِ اللَّهَ يُكَفِّرْ عَنْهُ سَيِّئَاتِهِ وَيُعْظِمْ لَهُ أَجْرًا﴾ أَيْ: يُذْهِبْ عَنْهُ الْمَحْذُورَ، ويجزل له الثواب على العمل اليسير.

Verzen 6

﴿ ٦ ﴾

أَسْكِنُوهُنَّ مِنْ حَيْثُ سَكَنتُم مِّن وُجْدِكُمْ وَلَا تُضَآرُّوهُنَّ لِتُضَيِّقُوا۟ عَلَيْهِنَّ ۚ وَإِن كُنَّ أُو۟لَٰتِ حَمْلٍۢ فَأَنفِقُوا۟ عَلَيْهِنَّ حَتَّىٰ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ ۚ فَإِنْ أَرْضَعْنَ لَكُمْ فَـَٔاتُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ ۖ وَأْتَمِرُوا۟ بَيْنَكُم بِمَعْرُوفٍۢ ۖ وَإِن تَعَاسَرْتُمْ فَسَتُرْضِعُ لَهُۥٓ أُخْرَىٰ

Askinoohunna min haisu sakantum minw wujdikum wa laa tudaaarroohunna litudaiyiqoo 'alaihinn; wa in kunna ulaati hamlin fa anfiqoo 'alihinna hattaa yada'na hamlahunn; fain arda'na lakum fa aatoo hunna ujoorahunna waatamiroo bainakum bima'roofinw wa in ta'aasartum fasaturdi'u lahooo ukhraa

65:6Laat hen (gedurende de wachttijd) wonen zoals jullie zelf wonen, naar jullie vermogens, en kwelt hen niet om hen in het nauw te drijven. En als zij zwanger zijn, voorziet hun dan tot zij gebaard hebben wat zij dragen. En als zij (de kinderen) voor jullie zogen, geeft hun dan hun vergoeding en pleegt onderling overleg op een redelijke wijze. En als jullie moeilijkheden ondervinden, laat dan een andere (vrouw het kind) voor hem zogen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Na het verbod om de gescheiden vrouw uit te zetten, volgt het gebod om haar fatsoenlijk onder te brengen — naar wat de man zich kan veroorloven — en haar niet te kwellen om haar tot vertrek te dwingen. Is zij zwanger, dan loopt het levensonderhoud tot de bevalling. En zoogt zij het kind, dan krijgt zij een vergoeding, met onderling overleg ‘in goedheid’ — want juist bij een scheiding met een kind erbij dreigt twist. De Koran ankert het hele arrangement in redelijkheid en zachtheid, niet in wraak.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Eerder kwam voorbij dat Allah het verwijderen van de gescheiden vrouwen uit de huizen verbood; hier gebiedt Hij hen onderdak te bieden, en bepaalt Hij dat onderdak volgens de voorschriften (bi-l-ma‘rûf), namelijk het huis dat iemand als hij en als zij bewoont, naar gelang van de welstand en de krapte van de man. {En kwelt hen niet om hen in het nauw te drijven} — dat wil zeggen: berokken hun bij hun verblijf geen leed met woord of daad, opdat zij het beu worden en uit de huizen vertrekken vóór de wachtperiode voltooid is, zodat júllie het zijn die hen verwijderd hebben. De slotsom hiervan is dat Hij het verwijderen van hen verbood en hun het vertrekken verbood, en gebood hun onderdak te bieden op een wijze waarbij hun geen schade en geen moeilijkheid overkomt; en dat hangt af van het gebruik (‘urf). {En als zij} — dat wil zeggen: de gescheiden vrouwen — {zwanger zijn, voorziet hen dan tot zij baren waarvan zij zwanger zijn}: en dat is omwille van de zwangerschap die in haar buik is, indien zij onherroepelijk gescheiden is; en voor haarzelf én haar zwangerschap, indien zij herroepelijk gescheiden is. Het levensonderhoud loopt tot het neerleggen van de zwangerschap; wanneer zij dan hun zwangerschap hebben neergelegd, zogen zij ofwel hun kinderen ofwel niet. {Indien zij dan voor jullie zogen, geeft hun dan hun vergoeding} — de voor hen vastgestelde, indien er een vaststelling is; anders de gangbare vergoeding. {En pleegt onderling overleg op een redelijke wijze (bi-l-ma‘rûf)} — dat wil zeggen: laat ieder van beide echtgenoten en anderen de ander tot het redelijke aansporen, en dat is al wat baat en welzijn bevat in deze wereld en in het Hiernamaals; want in de nalatigheid in het onderling tot het redelijke aansporen ontstaat aan schade en kwaad wat alleen Allah kent, terwijl in het onderling aansporen een samenwerking ligt in vroomheid en godvrezendheid. En wat bij deze plaats past, is dat de beide echtgenoten bij de scheiding ten tijde van de wachtperiode — vooral wanneer er tussen hen een kind is geboren — meestal in twist en ruzie geraken vanwege het levensonderhoud voor haar en voor het kind, samen met de scheiding die meestal niet anders dan met afkeer gepaard gaat, zodat daar veel uit voortkomt; daarom wordt ieder van beiden tot het redelijke en goed samenleven en het laten van ruzie en twist gemaand, en wordt hun dat aangeraden. {En als jullie het moeilijk met elkaar hebben} — door dat de beide echtgenoten het er niet over eens worden dat zij haar kind zoogt — {dan zal een andere (vrouw het) voor hem zogen}, een ander dan zij, en {er rust geen zonde op jullie wanneer jullie volgens de voorschriften overhandigen wat jullie geven}. Dit geldt wanneer het kind de borst van een ander dan zijn moeder aanvaardt; aanvaardt het slechts de borst van zijn moeder, dan is zij aangewezen om het te zogen en is het haar verplicht, en wordt zij ertoe verplicht indien zij weigert, en heeft zij recht op de gangbare vergoeding indien zij het niet eens worden over een vastgestelde. Dit is afgeleid uit het edele vers naar de betekenis: want toen het kind gedurende de zwangerschap in de buik van zijn moeder was en er geen uitweg voor hem uit was, wees Allah, de Verhevene, het levensonderhoud aan zijn verzorger toe; en toen het geboren was en het in staat was zich te voeden van zijn moeder en van een ander, stond Allah, de Verhevene, beide toe; en wanneer het in een toestand is waarin het zich slechts van zijn moeder kan voeden, is het als de zwangerschap, en is zijn moeder aangewezen als de weg tot zijn voeding.

Ibn Kathîr

(6. Geeft hun onderdak waar jullie wonen, volgens wat jullie bezitten, en kwelt hen niet om hen in het nauw te drijven. En als zij zwanger zijn, voorziet hen dan tot zij hun last neerleggen. En indien zij de kinderen voor jullie zogen, geeft hun dan hun verschuldigde vergoeding, en laat ieder van jullie met de ander op een redelijke wijze omgaan. Maar als jullie het elkaar moeilijk maken, dan mag een andere vrouw voor hem zogen. 7. Laat de welgestelde man uitgeven naar zijn middelen; en de man wiens middelen beperkt zijn, laat hem uitgeven naar wat Allah hem heeft gegeven. Allah legt geen mens een last op die zwaarder is dan wat Hij hem heeft gegeven. Allah zal na moeilijkheid gemak schenken.) De gescheiden vrouw heeft recht op behoorlijk onderdak en op wat redelijk is. Allah, de Verhevene, gebiedt Zijn gelovige dienaren dat wanneer een van hen van zijn vrouw scheidt, hij haar onderdak moet verschaffen tot het einde van haar wachtperiode: {Geeft hun onderdak waar jullie wonen} betekent: met jullie. {volgens wat jullie bezitten}: Ibn ‘Abbâs, Mujâhid en verscheidene anderen zeiden dat het naar “jullie vermogen” verwijst. Qatâda zei: “Indien je haar slechts in een hoek van je huis kunt onderbrengen, doe dat dan.” Het verbod op slechte behandeling van gescheiden vrouwen. Allahs woord {en kwelt hen niet om hen in het nauw te drijven}: Muqâtil ibn Hayyân zei: “Het betekent: hinder haar niet om haar te dwingen zich vrij te kopen, en verdrijf haar evenmin uit je huis.” Ath-Thawrî leverde over van Mansûr, van Abû ad-Duhâ over {en kwelt hen niet om hen in het nauw te drijven}: “Hij scheidt van haar, en wanneer er nog enkele dagen resten, neemt hij haar terug.” De onherroepelijk gescheiden zwangere vrouw heeft recht op onderhoud van haar man totdat zij bevalt. Allah zei: {En als zij zwanger zijn, voorziet hen dan tot zij hun last neerleggen.} Dit betreft de vrouw die onherroepelijk gescheiden is. Indien zij zwanger is, dan moet op haar worden uitgegeven tot zij haar last neerlegt. Dit wordt ondersteund door het feit dat zij, indien zij herroepelijk gescheiden is, recht heeft op haar onderhoud, of zij nu zwanger is of niet. De gescheiden moeder mag een vergoeding nemen voor het zogen van haar kind. Allah zei: {Indien zij de kinderen voor jullie zogen} betekent: wanneer de zwangere vrouwen bevallen en zij onherroepelijk gescheiden zijn door het verstrijken van de wachtperiode, dan kunnen zij op dat moment het kind ofwel zogen ofwel niet. Maar dat is pas nadat zij hem heeft gevoed met de melk, namelijk de eerste melk waarvan het welzijn van het kind afhangt. Indien zij dan zoogt, heeft zij recht op een vergoeding daarvoor. Het is haar toegestaan een overeenkomst aan te gaan met de vader of zijn vertegenwoordiger in ruil voor welke betaling zij ook overeenkomen. Daarom zei Allah, de Verhevene: {Indien zij de kinderen voor jullie zogen, geeft hun dan hun verschuldigde vergoeding.} Allah zei: {en laat ieder van jullie met de ander op een redelijke wijze omgaan} betekent: de aangelegenheden van het gescheiden paar moeten op een rechtvaardige wijze worden geregeld zonder een van beiden schade te berokkenen, juist zoals Allah, de Verhevene, in Sûrat al-Baqara zei: {Geen moeder mag onrecht worden aangedaan vanwege haar kind, noch een vader vanwege zijn kind} (2:233). Allah zei: {Maar als jullie het elkaar moeilijk maken, dan mag een andere vrouw voor hem zogen} betekent: indien het gescheiden paar het oneens is, omdat de vrouw een onredelijke vergoeding vraagt voor het zogen van hun kind, en de vader weigert het bedrag te betalen of een onredelijk bedrag biedt, dan mag hij een andere vrouw vinden om zijn kind te zogen. Indien de moeder ermee instemt het bedrag te aanvaarden dat betaald zou worden aan de vrouw die ermee instemde het kind te zogen, dan heeft zij meer recht haar eigen kind te zogen. Allahs woord {Laat de welgestelde man uitgeven naar zijn middelen} betekent: de welgestelde vader of zijn vertegenwoordiger moet op het kind uitgeven naar zijn middelen. {en de man wiens middelen beperkt zijn, laat hem uitgeven naar wat Allah hem heeft gegeven. Allah legt geen mens een last op die zwaarder is dan wat Hij hem heeft gegeven.} Dit is zoals Allah zei: {Allah belast geen ziel boven haar vermogen} (2:286). [Allahs woord {Allah zal na moeilijkheid gemak schenken} wordt bij vers 7 toegelicht.]

Ibn al-Qayyim

Na een voorafgaand betoog stelt Ibn al-Qayyim de vraag: er rest jullie nog één zaak, namelijk dat Zijn woord, glorie zij Hem, {Geeft hun onderdak waar jullie wonen, naar jullie vermogen} enkel de onherroepelijk gescheiden vrouwen betreft en niet de herroepelijk gescheidenen, met als bewijs Zijn woord erop volgend: {En kwelt hen niet om hen in het nauw te drijven, en als zij zwanger zijn, voorziet hen dan tot zij hun last neerleggen}; want dit betreft de onherroepelijk gescheiden vrouw, aangezien Hij — als zij herroepelijk gescheiden was — het levensonderhoud niet aan de zwangerschap zou hebben gebonden en die binding zonder uitwerking zou zijn, want zij heeft er recht op of zij nu niet-zwanger of zwanger is; en kennelijk is het voornaamwoord in {Geeft hun onderdak} hetzelfde als het voornaamwoord in Zijn woord {En als zij zwanger zijn, voorziet hen dan}. Het antwoord — zegt hij — is dat de steller van deze vraag óf behoort tot wie het levensonderhoud én het onderdak verplicht stellen, óf tot wie het onderdak verplicht stelt maar niet het levensonderhoud. Is het het eerste, dan is het vers — naar zijn eigen bewering — een bewijs tégen hem; want Hij, glorie zij Hem, stelde bij het verplicht stellen van het levensonderhoud op hen als voorwaarde dat zij zwanger zijn, en een oordeel dat aan een voorwaarde gekoppeld is, vervalt bij het wegvallen ervan; dit wijst erop dat de onherroepelijk gescheiden niet-zwangere vrouw geen recht op levensonderhoud heeft. Zegt men: dit is een afleiding uit het tegengestelde begrip (mafhûm), en daarmee houdt hij geen rekening — dan is het antwoord: dit is niet uit het tegengestelde begrip, maar uit het wegvallen van het oordeel bij het wegvallen van zijn voorwaarde; want als het oordeel zou blijven na het wegvallen ervan, zou het geen voorwaarde zijn. En is hij van wie het onderdak alléén verplicht stelt, dan wordt hem gezegd: in het vers is geen enkel voornaamwoord dat specifiek de onherroepelijk gescheiden vrouw betreft, maar de voornaamwoorden ervan zijn tweeërlei: een soort die beslist de herroepelijk gescheiden vrouw betreft, zoals Zijn woord {En wanneer zij hun termijn bereiken, houdt hen dan op een goede wijze of scheidt van hen op een goede wijze}; en een soort die zowel de onherroepelijk als de herroepelijk gescheiden vrouw kan betreffen of beiden, namelijk Zijn woord {Verwijdert hen niet uit hun huizen en zij mogen niet vertrekken} en Zijn woord {Geeft hun onderdak waar jullie wonen, naar jullie vermogen}. Het op de herroepelijk gescheiden vrouw betrekken is het aangewezene, opdat de voornaamwoorden en datgene waarnaar zij verwijzen één zijn; want als men het op een ander zou betrekken, zou een verschil tussen de voornaamwoorden en datgene waarnaar zij verwijzen volgen, en dat is in strijd met het uitgangspunt, terwijl het op het uitgangspunt betrekken voortreffelijker is. Zegt men: wat is dan het nut van het specificeren van het levensonderhoud van de herroepelijk gescheiden vrouw met het zwanger-zijn? Dan wordt gezegd: in het vers ligt niets dat vereist dat de herroepelijk gescheiden niet-zwangere vrouw geen levensonderhoud heeft; veeleer is de herroepelijk gescheiden vrouw tweeërlei, wier oordeel Allah in Zijn Boek heeft verduidelijkt: een niet-zwangere, die het levensonderhoud heeft krachtens het huwelijkscontract, want haar oordeel is het oordeel van de echtgenotes; of een zwangere, die het levensonderhoud heeft krachtens dit vers totdat zij haar zwangerschap neerlegt, waarna het levensonderhoud na het neerleggen het levensonderhoud van een verwante wordt en niet van een echtgenoot. Zo verschilt haar toestand vóór het neerleggen van haar toestand erna: de man geeft op haar alleen uit wanneer zij zwanger is, maar wanneer zij heeft neergelegd, wordt haar levensonderhoud een zaak van wie het levensonderhoud van het kind verplicht is — en in de toestand van haar zwangerschap is dat niet zo, want in de toestand van haar zwangerschap is het (kind) een deel van haar delen; wanneer het zich afscheidt, krijgt het een ander oordeel, en gaat het levensonderhoud van het ene oordeel naar het andere over. Zo bleek het nut van de beperking en het geheim van de voorwaarde; en Allah weet het best wat Hij met Zijn woord bedoelde.

Arabische grondtekst & bron — verzen 6

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat at-Talâq · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat at-Talâq · Sahîh al-Bukhârî (Ibn ‘Umar over scheiding tijdens de menstruatie) · Sahîh Muslim · Abû Dâwûd · Ibn Mâdja · an-Nasâ'î · Imâm Ahmad · at-Tirmidhî · at-Tabarânî · Ibn Abî Hâtim · (Fâtima bint Qays, Subay‘a al-Aslamiyya, Ibn ‘Abbâs, Ubayy ibn Ka‘b e.a.).

يَقُولُ تَعَالَى آمِرًا عِبَادَهُ إِذَا طَلَّقَ أحدُهم الْمَرْأَةَ أَنْ يُسكنَها فِي مَنْزِلٍ حَتَّى تَنْقَضِيَ عِدَّتُهَا، فَقَالَ: ﴿أَسْكِنُوهُنَّ مِنْ حَيْثُ سَكَنْتُمْ﴾ أَيْ: عِنْدَكُمْ، ﴿مِنْ وُجْدِكُمْ﴾ قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ، وَمُجَاهِدٌ، وَغَيْرُ وَاحِدٍ: يَعْنِي سَعَتكم. حَتَّى قَالَ قَتَادَةُ: إِنْ لَمْ تَجِدْ إِلَّا جَنْبَ بَيْتِكَ فأسكنها فيه. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَلا تُضَارُّوهُنَّ لِتُضَيِّقُوا عَلَيْهِنَّ﴾ قَالَ مُقَاتِلُ بْنُ حَيَّانَ: يَعْنِي يُضَاجِرُهَا لِتَفْتَدِيَ مِنْهُ بِمَالِهَا أَوْ تَخْرُجَ مِنْ مَسْكَنِهِ. وَقَالَ الثَّوْرِيُّ، عَنْ مَنْصُورٍ، عَنْ أَبِي الضُّحَى: ﴿وَلا تُضَارُّوهُنَّ لِتُضَيِّقُوا عَلَيْهِنَّ﴾ قَالَ: يُطَلِّقُهَا، فَإِذَا بَقِيَ يَوْمَانِ رَاجَعَهَا. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَإِنْ كُنَّ أُولاتِ حَمْلٍ فَأَنْفِقُوا عَلَيْهِنَّ حَتَّى يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ قَالَ كَثِيرٌ مِنَ الْعُلَمَاءِ مِنْهُمُ ابْنُ عَبَّاسٍ، وَطَائِفَةٌ مِنَ السَّلَفِ، وَجَمَاعَاتٌ مِنَ الْخَلَفِ: هَذِهِ فِي الْبَائِنِ، إِنْ كَانَتْ حَامِلًا أَنْفَقَ عَلَيْهَا حَتَّى تَضَعَ حَمْلَهَا، قَالُوا: بِدَلِيلِ أَنَّ الرَّجْعِيَّةَ تَجِبُ نَفَقَتُهَا، سَوَاءٌ كَانَتْ حَامِلًا أَوْ حَائِلًا. وَقَالَ آخَرُونَ: بَلِ السِّيَاقُ كُلُّهُ فِي الرَّجْعِيَّاتِ، وَإِنَّمَا نَصَّ عَلَى الْإِنْفَاقِ عَلَى الْحَامِلِ وَإِنْ كَانَتْ رَجْعِيَّةً؛ لِأَنَّ الْحَمْلَ تَطُولُ مُدَّتُهُ غَالِبًا، فَاحْتِيجَ إِلَى النَّصِّ عَلَى وُجُوبِ الْإِنْفَاقِ إِلَى الْوَضْعِ؛ لِئَلَّا يُتَوَهَّمَ أَنَّهُ إِنَّمَا تَجِبُ النَّفَقَةُ بِمِقْدَارِ مُدَّةِ الْعِدَّةِ. وَاخْتَلَفَ الْعُلَمَاءُ: هَلِ النَّفَقَةُ لَهَا بِوَاسِطَةِ الْحَمْلِ، أَمْ لِلْحَمْلِ وَحْدَهُ؟ عَلَى قَوْلَيْنِ مَنْصُوصَيْنِ عَنِ الشَّافِعِيِّ وَغَيْرِهِ، وَيَتَفَرَّعُ عَلَيْهَا مَسَائِلُ مَذْكُورَةٌ فِي عِلْمِ الْفُرُوعِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿فَإِنْ أَرْضَعْنَ لَكُمْ﴾ أَيْ: إِذَا وَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ وَهُنَّ طَوَالِقُ، فَقَدْ بنَّ بِانْقِضَاءِ عِدَّتِهِنَّ، وَلَهَا حِينَئِذٍ أَنْ تُرْضِعَ الْوَلَدَ، وَلَهَا أَنْ تَمْتَنِعَ مِنْهُ، وَلَكِنْ بَعْدَ أَنْ تُغَذِّيَهُ باللبَّأ -وَهُوَ بَاكُورَةُ اللَّبَنِ الَّذِي لَا قِوَامَ لِلْوَلَدِ غَالِبًا إِلَّا بِهِ-فَإِنْ أَرْضَعَتِ اسْتَحَقَّتْ أَجْرَ مِثْلِهَا، وَلَهَا أَنْ تُعَاقِدَ أَبَاهُ أَوْ وَلِيَّهُ عَلَى مَا يَتَّفِقَانِ عَلَيْهِ مِنْ أُجْرَةٍ؛ وَلِهَذَا قَالَ تَعَالَى: ﴿فَإِنْ أَرْضَعْنَ لَكُمْ فَآتُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ﴾ وَقَوْلُهُ: ﴿وَأْتَمِرُوا بَيْنَكُمْ بِمَعْرُوفٍ﴾ أَيْ: وَلْتَكُنْ أُمُورُكُمْ فِيمَا بَيْنَكُمْ بِالْمَعْرُوفِ، مِنْ غَيْرِ إِضْرَارٍ وَلَا مُضَارَّةٍ، كَمَا قَالَ تَعَالَى فِي سُورَةِ "الْبَقَرَةِ": ﴿لَا تُضَارَّ وَالِدَةٌ بِوَلَدِهَا وَلا مَوْلُودٌ لَهُ بِوَلَدِهِ﴾ [الْبَقَرَةِ: ٢٣٣] * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَإِنْ تَعَاسَرْتُمْ فَسَتُرْضِعُ لَهُ أُخْرَى﴾ أَيْ: وَإِنِ اخْتَلَفَ الرَّجُلُ وَالْمَرْأَةُ، فَطَلَبَتِ الْمَرْأَةُ أُجْرَةَ الرَّضَاعِ كَثِيرًا وَلَمْ يُجِبْهَا الرَّجُلُ إِلَى ذَلِكَ، أَوْ بَذَلَ الرَّجُلُ قَلِيلًا وَلَمْ تُوَافِقْهُ عَلَيْهِ، فَلْيَسْتَرْضِعْ لَهُ غَيْرَهَا. فَلَوْ رَضِيَتِ الْأُمُّ بِمَا اسْتُؤْجِرَتْ عَلَيْهِ الْأَجْنَبِيَّةُ فَهِيَ أَحَقُّ بِوَلَدِهَا. * * وَقَوْلُهُ: ﴿لِيُنْفِقْ ذُو سَعَةٍ مِنْ سَعَتِهِ﴾ أَيْ: لِيُنْفِقْ عَلَى الْمَوْلُودِ وَالِدُهُ، أَوْ وَلِيُّهُ، بِحَسَبِ قُدْرَتِهِ، ﴿وَمَنْ قُدِرَ عَلَيْهِ رِزْقُهُ فَلْيُنْفِقْ مِمَّا آتَاهُ اللَّهُ لَا يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلا مَا آتَاهَا﴾ كَقَوْلِهِ: ﴿لَا يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلا وُسْعَهَا﴾ [الْبَقَرَةِ: ٢٨٦] . رَوَى ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنَا ابْنُ حُمَيْدٍ، حَدَّثَنَا حَكَّام، عن أَبِي سِنَانٍ قَالَ: سَأَلَ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ عَنْ أَبِي عُبَيْدَةَ، فَقِيلَ: إِنَّهُ يَلْبَسُ الْغَلِيظَ مِنَ الثِّيَابِ، وَيَأْكُلُ أَخْشَنَ الطَّعَامِ، فَبَعَثَ إِلَيْهِ بِأَلْفِ دِينَارٍ، وَقَالَ لِلرَّسُولِ: انْظُرْ مَا يَصْنَعُ بِهَا إِذَا هُوَ أَخَذَهَا: فَمَا لَبِثَ أَنْ لَبِسَ اللَّيِّنَ مِنَ الثِّيَابِ، وَأَكَلَ أَطْيَبَ الطَّعَامِ، فَجَاءَهُ الرَّسُولُ فَأَخْبَرَهُ، فَقَالَ: رَحِمَهُ اللَّهُ، تَأَوَّلَ هَذِهِ الْآيَةَ: ﴿لِيُنْفِقْ ذُو سَعَةٍ مِنْ سَعَتِهِ وَمَنْ قُدِرَ عَلَيْهِ رِزْقُهُ فَلْيُنْفِقْ مِمَّا آتَاهُ اللَّهُ﴾ [[تفسير الطبري (٢٨/٩٦) .]] وَقَالَ الْحَافِظُ أَبُو الْقَاسِمِ الطَّبَرَانِيُّ فِي مُعْجَمِهِ الْكَبِيرِ: حَدَّثَنَا هَاشِمُ بْنُ مَرْثَدٍ الطَّبَرَانِيُّ، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ إِسْمَاعِيلَ بْنِ عَيَّاشٍ، أَخْبَرَنِي أَبِي، أَخْبَرَنِي ضَمْضَم بْنُ زُرْعَة، عَنْ شُرَيح بْنِ عُبَيْدٍ، عَنْ أَبِي مَالِكٍ الْأَشْعَرِيِّ -وَاسْمُهُ الْحَارِثُ-قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "ثَلَاثَةُ نَفَرٍ، كَانَ لِأَحَدِهِمْ عَشَرَةُ دَنَانِيرَ، فَتَصَدَّقَ مِنْهَا بِدِينَارٍ. وَكَانَ لِآخَرَ عَشْرُ أَوَاقٍ، فَتَصَدَّقَ مِنْهَا بِأُوقِيَّةٍ. وَكَانَ لِآخَرَ مِائَةُ أُوقِيَّةٍ، فَتَصَدَّقَ مِنْهَا بِعَشْرِ أَوَاقٍ". فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "هُمْ فِي الْأَجْرِ سَوَاءٌ، كُلٌّ قَدْ تَصَدَّقَ بِعُشْرِ مَالِهِ، قَالَ اللَّهُ تَعَالَى: ﴿لِيُنْفِقْ ذُو سَعَةٍ مِنْ سَعَتِهِ﴾ [[المعجم الكبير (٣/٢٩٢) وفس إسناده ضعف وانقطاع كما تقدم مرارًا.]] هَذَا حَدِيثٌ غَرِيبٌ مِنْ هَذَا الْوَجْهِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿سَيَجْعَلُ اللَّهُ بَعْدَ عُسْرٍ يُسْرًا﴾ وَعْدٌ مِنْهُ تَعَالَى، وَوَعْدُهُ حَقٌّ، لَا يُخْلِفُهُ، وَهَذِهِ كَقَوْلِهِ تَعَالَى: ﴿فَإِنَّ مَعَ الْعُسْرِ يُسْرًا إِنَّ مَعَ الْعُسْرِ يُسْرًا﴾ [الشَّرْحِ: ٥، ٦] وَقَدْ رَوَى الْإِمَامُ أَحْمَدُ حَدِيثًا يَحْسُنُ أَنْ نَذْكُرَهُ هَا هُنَا، فَقَالَ: حَدَّثَنَا هَاشِمُ بْنُ الْقَاسِمِ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الْحَمِيدِ بْنُ بَهْرَام، حَدَّثَنَا شَهْر بْنُ حَوْشَب قَالَ: قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: بَيْنَمَا رَجُلٌ وَامْرَأَةٌ لَهُ فِي السَّلَفِ الْخَالِي لَا يَقْدِرَانِ عَلَى شَيْءٍ، فَجَاءَ الرَّجُلُ مِنْ سَفَرِهِ، فَدَخَلَ عَلَى امْرَأَتِهِ جَائِعًا قَدْ أَصَابَ [[في م، أ: "أصابته".]] مَسْغَبَةً شَدِيدَةً، فَقَالَ لِامْرَأَتِهِ: عِنْدَكِ شَيْءٌ؟ قَالَتْ: نَعَمْ، أَبْشِرْ، أَتَاكَ رِزْقُ اللَّهِ، فَاسْتَحَثَّهَا، فَقَالَ: وَيْحَكِ! ابْتَغِي إِنْ كَانَ عِنْدَكِ شَيْءٌ. قَالَتْ نَعَمْ، هُنَيهة -تَرْجُو رَحْمَةَ اللَّهِ-حَتَّى إِذَا طَالَ عَلَيْهِ الطَّوَى [[في م: "الطول".]] قَالَ: وَيْحَكِ! قُومِي فَابْتَغِي إِنْ كَانَ عِنْدَكِ شَيْءٌ فائتيني به، فإني قد بُلغتُ وجَهِدتُ. فقال: نعم، الآن يُنضح التَّنُّورُ فَلَا تَعْجَلْ. فَلَمَّا أَنْ سَكَتَ عَنْهَا سَاعَةً وَتَحَيَّنَتْ أَنْ يَقُولَ لَهَا، قَالَتْ مِنْ عِنْدِ نَفْسِهَا: لَوْ قمتُ فنظرتُ إِلَى تَنُّورِي؟ فقامَتْ فنظرَت إِلَى تَنورها مَلْآنَ مِنْ جنُوبَ الْغَنَمِ، ورَحييها تطحنَان. فَقَامَتْ إِلَى الرَّحَى فنَفضتها، وَاسْتَخْرَجَتْ مَا فِي تَنُّورِهَا مِنْ جُنُوبِ الْغَنَمِ. قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: فَوَالَّذِي نَفْسُ أَبِي الْقَاسِمِ بِيَدِهِ، هُوَ [[في م: "عن".]] قَوْلُ مُحَمَّدٍ ﷺ: "لَوْ أَخَذَتْ مَا فِي رَحييها وَلَمْ تَنْفُضْهَا لَطَحَنَتَا إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ" [[المسند (٢/٤٢١) .]] وَقَالَ فِي مَوْضِعٍ آخَرَ: حَدَّثَنَا أَبُو عَامِرٍ، حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرٍ، عَنْ هِشَامٍ، عَنْ مُحَمَّدٍ -وَهُوَ ابْنُ سِيرِينَ-عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: دَخَلَ رَجُلٌ عَلَى أَهْلِهِ، فَلَمَّا رَأَى مَا بِهِمْ مِنَ الْحَاجَةِ خَرَجَ إِلَى البَرِيَّة، فَلَمَّا رَأَتِ امْرَأَتُهُ قَامَتْ إِلَى الرَّحَى فَوَضَعَتْهَا، وَإِلَى التَّنُّورِ فسَجَرته، ثُمَّ قَالَتِ: اللَّهُمَّ ارْزُقْنَا. فَنَظَرَتْ، فَإِذَا الْجَفْنَةُ قَدِ امْتَلَأَتْ، قَالَ: وَذَهَبَتْ إِلَى التَّنُّورِ فَوَجَدَتْهُ مُمْتَلِئًا، قَالَ: فَرَجَعَ الزَّوْجُ قَالَ: أَصَبْتُمْ بَعْدِي شَيْئًا؟ قَالَتِ امْرَأَتُهُ: نَعَمْ، مِنْ رَبِّنَا. قَامَ إِلَى الرَّحَى، فَذَكَرَ ذَلِكَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: "أَمَا إِنَّهُ لَوْ لَمْ تَرْفَعْهَا، لَمْ تزل تدور إلى يوم القيامة" [[المسند (٢/٥١٣) .]]

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat at-Talâq (uit zijn tafsir-compilatie) · Sahîh al-Bukhârî + Sahîh Muslim (Ibn ‘Umar) · Sahîh Muslim (Fâtima bint Qays: geen levensonderhoud noch onderdak voor de onherroepelijk gescheiden vrouw) · Ibn Mâdja + Ibn Abî d-Dunyâ (Abû Dharr) · an-Nasâ'î (Mahmûd ibn Labîd) · Ibn Abî Hâtim (Ubayy ibn Ka‘b) · (Subay‘a al-Aslamiyya, ‘Umar ibn al-Khattâb, Ibn ‘Abbâs).

قال ابن القيم - بعد كلام -: فَإنْ قِيلَ: بَقِيَ عَلَيْكم شَيْءٌ واحِدٌ وهو أنَّ قَوْلَهُ سُبْحانَهُ: ﴿أسْكِنُوهُنَّ مِن حَيْثُ سَكَنْتُمْ مِن وُجْدِكُمْ﴾ إنَّما هو في البَوائِنِ لا في الرَّجْعِيّاتِ بِدَلِيلِ قَوْلِهِ عَقِيبَهُ: ﴿وَلا تُضارُّوهُنَّ لِتُضَيِّقُوا عَلَيْهِنَّ وإنْ كُنَّ أُولاتِ حَمْلٍ فَأنْفِقُوا عَلَيْهِنَّ حَتّى يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ فَهَذا في البائِنِ؛ إذْ لَوْ كانَتْ رَجْعِيَّةً لَما قَيَّدَ النَّفَقَةَ عَلَيْها بِالحَمْلِ ولَكانَ عَدِيمَ التَّأْثِيرِ، فَإنَّها تَسْتَحِقُّها حائِلًا كانَتْ أوْ حامِلًا، والظّاهِرُ أنَّ الضَّمِيرَ في (أسْكِنُوهُنَّ) هو والضَّمِيرُ في قَوْلِهِ ﴿وَإنْ كُنَّ أُولاتِ حَمْلٍ فَأنْفِقُوا عَلَيْهِنَّ﴾ واحِدٌ. فالجَوابُ: أنَّ مَوْرِدَ هَذا السُّؤالِ إمّا أنْ يَكُونَ مِنَ المُوجِبِينَ النَّفَقَةَ والسُّكْنى، أوْ مِمَّنْ يُوجِبُ السُّكْنى دُونَ النَّفَقَةِ، فَإنْ كانَ الأوَّلَ: فالآيَةُ عَلى زَعْمِهِ حُجَّةٌ عَلَيْهِ؛ لِأنَّهُ سُبْحانَهُ شَرَطَ في إيجابِ النَّفَقَةِ عَلَيْهِنَّ كَوْنَهُنَّ حَوامِلَ، والحُكْمُ المُعَلَّقُ عَلى الشَّرْطِ يَنْتَفِي عِنْدَ انْتِفائِهِ فَدَلَّ عَلى أنَّ البائِنَ الحائِلَ لا نَفَقَةَ لَها. فَإنْ قِيلَ: فَهَذِهِ دَلالَةٌ عَلى المَفْهُومِ ولا يَقُولُ بِها. قِيلَ: لَيْسَ ذَلِكَ مِن دَلالَةِ المَفْهُومِ، بَلْ مِنِ انْتِفاءِ الحُكْمِ عِنْدَ انْتِفاءِ شَرْطِهِ، فَلَوْ بَقِيَ الحُكْمُ بَعْدَ انْتِفائِهِ لَمْ يَكُنْ شَرْطًا، وإنْ كانَ مِمَن يُوجِبُ السُّكْنى وحْدَها فَيُقالُ لَهُ: لَيْسَ في الآيَةِ ضَمِيرٌ واحِدٌ يَخُصُّ البائِنَ، بَلْ ضَمائِرُها نَوْعانِ: نَوْعٌ يَخُصُّ الرَّجْعِيَّةَ قَطْعًا، كَقَوْلِهِ ﴿فَإذا بَلَغْنَ أجَلَهُنَّ فَأمْسِكُوهُنَّ بِمَعْرُوفٍ أوْ فارِقُوهُنَّ بِمَعْرُوفٍ﴾ وَنَوْعٌ يُحْتَمَلُ أنْ يَكُونَ لِلْبائِنِ وأنْ يَكُونَ لِلرَّجْعِيَّةِ وأنْ يَكُونَ لَهُما وهو قَوْلُهُ: ﴿لا تُخْرِجُوهُنَّ مِن بُيُوتِهِنَّ ولا يَخْرُجْنَ﴾ وَقَوْلُهُ ﴿أسْكِنُوهُنَّ مِن حَيْثُ سَكَنْتُمْ مِن وُجْدِكُمْ﴾ فَحَمْلُهُ عَلى الرَّجْعِيَّةِ هو المُتَعَيَّنُ لِتَتَّحِدَ الضَّمائِرُ ومُفَسِّرُها، فَلَوْ حُمِلَ عَلى غَيْرِها لَزِمَ اخْتِلافُ الضَّمائِرِ ومُفَسِّرِها وهو خِلافُ الأصْلِ والحَمْلُ عَلى الأصْلِ أوْلى. فَإنْ قِيلَ: فَما الفائِدَةُ في تَخْصِيصِ نَفَقَةِ الرَّجْعِيَّةِ بِكَوْنِها حامِلًا؟ قِيلَ: لَيْسَ في الآيَةِ ما يَقْتَضِي أنَّهُ لا نَفَقَةَ لِلرَّجْعِيَّةِ الحائِلِ، بَلِ الرَّجْعِيَّةُ نَوْعانِ قَدْ بَيَّنَ اللَّهُ حُكْمَهُما في كِتابِهِ: حائِلٌ: فَلَها النَّفَقَةُ بِعَقْدِ الزَّوْجِيَّةِ إذْ حُكْمُها حُكْمُ الأزْواجِ، أوْ حامِلٌ: فَلَها النَّفَقَةُ بِهَذِهِ الآيَةِ إلى أنْ تَضَعَ حَمْلَها، فَتَصِيرُ النَّفَقَةُ بَعْدَ الوَضْعِ نَفَقَةَ قَرِيبٍ لا نَفَقَةَ زَوْجٍ، فَيُخالِفُ حالُها قَبْلَ الوَضْعِ حالَها بَعْدَهُ، فَإنَّ الزَّوْجَ يُنْفِقُ عَلَيْها وحْدَهُ إذا كانَتْ حامِلًا، فَإذا وضَعَتْ صارَتْ نَفَقَتُها عَلى مَن تَجِبُ عَلَيْهِ نَفَقَةُ الطِّفْلِ، ولا يَكُونُ حالُها في حالِ حَمْلِها كَذَلِكَ، بِحَيْثُ تَجِبُ نَفَقَتُها عَلى مَن تَجِبُ عَلَيْهِ نَفَقَةُ الطِّفْلِ، فَإنَّهُ في حالِ حَمْلِها جُزْءٌ مِن أجْزائِها، فَإذا انْفَصَلَ كانَ لَهُ حُكْمٌ آخَرُ، وانْتَقَلَتِ النَّفَقَةُ مِن حُكْمٍ إلى حُكْمٍ، فَظَهَرَتْ فائِدَةُ التَّقْيِيدِ وسِرُّ الِاشْتِراطِ، واللَّهُ أعْلَمُ بِما أرادَ مِن كَلامِهِ.

Verzen 7-11

﴿ ٧ ﴾

لِيُنفِقْ ذُو سَعَةٍۢ مِّن سَعَتِهِۦ ۖ وَمَن قُدِرَ عَلَيْهِ رِزْقُهُۥ فَلْيُنفِقْ مِمَّآ ءَاتَىٰهُ ٱللَّهُ ۚ لَا يُكَلِّفُ ٱللَّهُ نَفْسًا إِلَّا مَآ ءَاتَىٰهَا ۚ سَيَجْعَلُ ٱللَّهُ بَعْدَ عُسْرٍۢ يُسْرًۭا

Liyuntiq zoo sa'atim min sa'atihee wa man qudira 'alaihi riquhoo falyunfiq mimmaaa aataahul laah; laa yukalliful laahu nafsan illaa maaa aataahaa; sa yaj'alul laahu ba'da'usriny yusraa

65:7Laat de welvarende besteden volgens zijn welvaart; en degene wiens voorzieningen beperkt zijn, laat hem besteden van wat Allah hem heeft gegeven. Allah belast geen ziel dan volgens wat Hij haar heeft gegeven. Allah zal na moeilijkheden gemak schenken.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

God maakt de last licht: de welgestelde geeft uit naar zijn rijkdom, de minbedeelde naar wat hij heeft — niemand wordt belast boven zijn vermogen. En het vers eindigt met een troostbelofte die heel breed reikt: ‘Allah zal na moeilijkheid gemak schenken.’ Wie krap zit, hoort hier dat zijn benauwdheid niet het einde is.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarna bepaalde Allah, de Verhevene, het levensonderhoud naar gelang van de toestand van de man, en zei: {Laat de welgestelde uitgeven van zijn welstand} — dat wil zeggen: laat de rijke uitgeven van zijn rijkdom, en laat hij niet de uitgave van de armen doen. {En degene wiens voorziening beperkt is} — dat wil zeggen: voor wie zij krap gemaakt is — {laat hem uitgeven van wat Allah hem heeft gegeven} aan voorziening. {Allah belast geen ziel dan met wat Hij haar heeft gegeven}: en dit past bij de goddelijke wijsheid en barmhartigheid, doordat Hij ieder naar zijn vermogen behandelde, het de behoeftige verlichtte, en hem slechts belast met wat Hij hem heeft gegeven; Allah belast in het hoofdstuk van het levensonderhoud en in al het andere geen ziel dan naar haar vermogen. {Allah zal na moeilijkheid gemak schenken}: en dit is een blijde tijding voor hen die het moeilijk hebben, dat Allah, de Verhevene, de benauwdheid van hen zal wegnemen en de moeilijkheid van hen zal opheffen; want voorwaar, met de moeilijkheid komt gemak, voorwaar, met de moeilijkheid komt gemak.

Ibn Kathîr

(7. Laat de welgestelde man uitgeven naar zijn middelen; en de man wiens middelen beperkt zijn, laat hem uitgeven naar wat Allah hem heeft gegeven. Allah legt geen mens een last op die zwaarder is dan wat Hij hem heeft gegeven. Allah zal na moeilijkheid gemak schenken.) Allahs woord {Laat de welgestelde man uitgeven naar zijn middelen} betekent: de welgestelde vader of zijn vertegenwoordiger moet op het kind uitgeven naar zijn middelen. {en de man wiens middelen beperkt zijn, laat hem uitgeven naar wat Allah hem heeft gegeven. Allah legt geen mens een last op die zwaarder is dan wat Hij hem heeft gegeven.} Dit is zoals Allah zei: {Allah belast geen ziel boven haar vermogen} (2:286). Een verhaal over een vrouw die Taqwâ had. Allahs woord {Allah zal na moeilijkheid gemak schenken}: dit is een vaste belofte van Hem, en voorwaar, Allahs beloften zijn waar en Hij verbreekt ze nooit. Dit is zoals Allahs woord: {Voorwaar, met elke moeilijkheid is verlichting. Voorwaar, met elke moeilijkheid is verlichting} (94:5-6). Er is een relevante hadith die wij hier dienen te vermelden. Imâm Ahmad leverde over dat Abû Hurayra zei: “Een man en zijn vrouw uit een vroegere generatie waren arm. Toen de man eens terugkwam van een reis, ging hij naar zijn vrouw, terwijl hij honger en vermoeidheid voelde, en zei tegen haar: ‘Heb je iets te eten?’ Zij zei: ‘Ja, ontvang de blijde tijding van Allahs voorzieningen.’ Hij zei opnieuw tegen haar: ‘Als je iets te eten hebt, breng het mij dan.’ Zij zei: ‘Wacht nog even.’ Zij verwachtte Allahs barmhartigheid. Toen de zaak lang duurde, zei hij tegen haar: ‘Sta op en breng mij wat je te eten hebt, want ik heb echt honger en ben vermoeid.’ Zij zei: ‘Ik zal het doen. Aanstonds zal ik het deksel van de oven openen, dus wees niet haastig.’ Toen hij druk bezig was en zich een poos onthield van aandringen, zei zij bij zichzelf: ‘Ik moet eens in mijn oven kijken.’ Dus stond zij op en keek in haar oven en vond die vol met het vlees van een lam, en haar vijzel en stamper waren vol met graankorrels; die maalde uit zichzelf de korrels. Dus haalde zij eruit wat in de vijzel en de stamper was, nadat zij die had geschud om alles eruit te krijgen, en haalde ook het vlees eruit dat zij in de oven vond.” Abû Hurayra voegde toe: “Bij Hem in Wiens Hand het leven van Abû al-Qâsim (de Profeet Mohammed ﷺ) ligt! Dit is dezelfde uitspraak die Mohammed ﷺ deed: ‘Had zij genomen wat in haar molen was zonder die door schudden helemaal te legen, dan zou die de korrels zijn blijven malen tot de Dag der Opstanding.’”

﴿ ٨ ﴾

وَكَأَيِّن مِّن قَرْيَةٍ عَتَتْ عَنْ أَمْرِ رَبِّهَا وَرُسُلِهِۦ فَحَاسَبْنَٰهَا حِسَابًۭا شَدِيدًۭا وَعَذَّبْنَٰهَا عَذَابًۭا نُّكْرًۭا

Wa ka ayyim min qaryatin 'atat 'an amri Rabbihaa wa Rusulihee fahaasabnaahaa hisaaban shadeedanw wa 'azzabnaahaa 'azaaban nukraa

65:8En hoeveel steden zijn er niet in opstand gekomen tegen het bevel van hun Heer en Zijn Boodschappers, waarop Wij met hen afrekenden met een harde afrekening. En Wij hebben hen met een verschrikkelijke bestraffing bestraft.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Na de wetgeving komt de ernst: hoeveel steden trotseerden niet het gebod van hun Heer en Zijn boodschappers — en hun macht en aantal redden hen niet. Zij werden streng afgerekend en zwaar gestraft. De boodschap aan de gelovige is helder: wie Gods grenzen overschrijdt, deelt in dat lot. De scheidingswetten van deze soera zijn dus geen vrijblijvende suggestie, maar grenzen waar gehoorzaamheid of opstand werkelijk gewicht hebben.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Allah, de Verhevene, bericht over Zijn vernietiging van de opstandige volkeren en de geslachten die de boodschappers loochenden, en dat hun talrijkheid en hun kracht hun niets baatten toen de strenge afrekening en de pijnlijke bestraffing tot hen kwam, en dat Allah hen van de bestraffing liet proeven wat hun slechte daden noodzakelijk maakten; en bovenop de bestraffing in deze wereld heeft Allah voor hen in het Hiernamaals een strenge bestraffing bereid. {Vreest dus Allah, o bezitters van verstand} — dat wil zeggen: o bezitters van verstanden die van Allah Zijn tekenen en Zijn lessen begrijpen, en (begrijpen) dat Hij die de voorbije geslachten vernietigde om hun loochening, (zal vernietigen) wie na hen komen en aan hen gelijk zijn — er is geen verschil tussen de beide groepen. [Vers 8, 9 en 10 worden door as-Sa'dî gezamenlijk behandeld.]

Ibn Kathîr

(8. En menige stad kwam in opstand tegen het gebod van haar Heer en Zijn Boodschappers; en Wij riepen haar tot een strenge afrekening, en Wij bestraften haar met een verschrikkelijke bestraffing. 9. Zo proefde zij het kwade gevolg van haar zaak, en het einde van haar zaak was verlies. 10. Allah heeft voor hen een strenge bestraffing bereid. Vreest dus Allah, o mensen van begrip, jullie die geloven! Allah heeft inderdaad een Vermaning tot jullie neergezonden. 11. Een Boodschapper, die jullie de Verzen van Allah voordraagt die duidelijke uiteenzettingen bevatten, opdat Hij hen die geloven en goede, vrome daden verrichten uit de duisternis naar het licht voert. En wie in Allah gelooft en vrome daden verricht, hem zal Hij Tuinen doen binnengaan waar rivieren onder door stromen, om daarin voor altijd te verblijven. Allah heeft hem inderdaad een uitmuntende voorziening geschonken.) Bestraffing voor het trotseren van Allahs geboden. Allah, de Verhevene, bedreigt hen die Zijn geboden trotseren, Zijn Boodschappers loochenen en Zijn wetgeving tegenspreken, door hen te berichten over het einde dat eerdere volkeren bereikten die hetzelfde deden: {En menige stad kwam in opstand tegen het gebod van haar Heer en Zijn Boodschappers} betekent: zij kwamen in opstand, verwierpen en weigerden hoogmoedig Allah te gehoorzamen en zij volgden Zijn Boodschappers niet. {en Wij riepen haar tot een strenge afrekening, en Wij bestraften haar met een verschrikkelijke bestraffing} betekent: huiveringwekkend en angstaanjagend. {Zo proefde zij het kwade gevolg van haar zaak} betekent: zij proefden de kwade gevolgen van het trotseren en zij kregen spijt van hun daden toen spijt niet meer baatte. {en het einde van haar zaak was verlies. En Allah heeft voor hen een strenge bestraffing bereid} betekent: in het Hiernamaals, naast de bestraffing die in dit leven op hen werd neergezonden. Allah, de Verhevene, zei, na het vermelden van wat de ongelovige volkeren overkwam: {Vreest dus Allah, o mensen van begrip} betekent: ‘O jullie die een gezond verstand hebben, weest niet zoals zij, want als jullie dat doen, zullen jullie lijden wat zij leden, o mensen van bevattingsvermogen,’ {jullie die geloven} betekent: in Allah en Zijn Boodschappers. {Allah heeft inderdaad een Vermaning tot jullie neergezonden} betekent: deze Koran. Allah zei ook: {Voorwaar, Wij zijn het Die de Vermaning hebben neergezonden, en voorwaar, Wij zullen er zeker over waken} (15:9).

﴿ ٩ ﴾

فَذَاقَتْ وَبَالَ أَمْرِهَا وَكَانَ عَٰقِبَةُ أَمْرِهَا خُسْرًا

Fazaaqat wabbala amrihaa wa kaana 'aaqibatu amrihaa khusraa

65:9Zij proefden toen het kwaad van hun wandaden, en het einde van hun zaak was een verlies.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Het vonnis wordt voltrokken: die opstandige volkeren proefden zelf de bittere uitkomst van wat zij deden, en het einde van hun zaak was niets dan verlies. Spijt kwam, maar te laat — toen zij niet meer kon baten. Een waarschuwing dat ongehoorzaamheid uiteindelijk niemand winst brengt, hoe machtig hij zich ook waande.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

[Allah bericht over Zijn vernietiging van de opstandige volkeren en de geslachten die de boodschappers loochenden, en dat hun talrijkheid en hun kracht hun niets baatten toen de strenge afrekening en de pijnlijke bestraffing tot hen kwam, en dat Allah hen van de bestraffing liet proeven wat hun slechte daden noodzakelijk maakten; en bovenop de bestraffing in deze wereld heeft Allah voor hen in het Hiernamaals een strenge bestraffing bereid. — as-Sa'dî behandelt de verzen 8, 9 en 10 gezamenlijk; zie de uitleg bij vers 8.]

Ibn Kathîr

(9. Zo proefde zij het kwade gevolg van haar zaak, en het einde van haar zaak was verlies.) Allahs woord {Zo proefde zij het kwade gevolg van haar zaak} betekent: zij proefden de kwade gevolgen van het trotseren en zij kregen spijt van hun daden toen spijt niet meer baatte. {en het einde van haar zaak was verlies. En Allah heeft voor hen een strenge bestraffing bereid} betekent: in het Hiernamaals, naast de bestraffing die in dit leven op hen werd neergezonden.

﴿ ١٠ ﴾

أَعَدَّ ٱللَّهُ لَهُمْ عَذَابًۭا شَدِيدًۭا ۖ فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ يَٰٓأُو۟لِى ٱلْأَلْبَٰبِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ۚ قَدْ أَنزَلَ ٱللَّهُ إِلَيْكُمْ ذِكْرًۭا

A'addal laahu lahum 'azaaban shadeedan fattaqul laaha yaaa ulil albaab, allazeena aammanoo; qad anzalal laahu ilaikum zikraa

65:10Allah heeft voor hen een harde bestraffing bereid. Vreest daarom Allah, O bezitters van verstand die geloven! Waarlijk, Allah heeft tot jullie een Vermaning gezonden.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Aan dat aardse onheil voegt Allah een strenge bestraffing in het Hiernamaals toe. Dan richt Hij zich rechtstreeks tot ‘de bezitters van verstand die geloven’: vrees Allah, en wees niet als die volkeren. En meteen wijst Hij op Zijn gunst — Hij heeft een Vermaning, deze Koran, tot jullie neergezonden. De waarschuwing en de genade staan zij aan zij: het verstand dat de les begrijpt, vindt redding in de Vermaning.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

[Na het bericht over de vernietigde volkeren:] {Vreest dus Allah, o bezitters van verstand} — dat wil zeggen: o bezitters van verstanden die van Allah Zijn tekenen en Zijn lessen begrijpen, en (begrijpen) dat zoals Hij de voorbije geslachten vernietigde om hun loochening, wie na hen komen aan hen gelijk zijn — er is geen verschil tussen de beide groepen. [Dit is het slot van de gezamenlijke behandeling van de verzen 8-10 door as-Sa'dî.]

Ibn Kathîr

(10. Allah heeft voor hen een strenge bestraffing bereid. Vreest dus Allah, o mensen van begrip, jullie die geloven! Allah heeft inderdaad een Vermaning tot jullie neergezonden.) Allahs woord {En Allah heeft voor hen een strenge bestraffing bereid} betekent: in het Hiernamaals, naast de bestraffing die in dit leven op hen werd neergezonden. Allah, de Verhevene, zei, na het vermelden van wat de ongelovige volkeren overkwam: {Vreest dus Allah, o mensen van begrip} betekent: ‘O jullie die een gezond verstand hebben, weest niet zoals zij, want als jullie dat doen, zullen jullie lijden wat zij leden, o mensen van bevattingsvermogen,’ {jullie die geloven} betekent: in Allah en Zijn Boodschappers. {Allah heeft inderdaad een Vermaning tot jullie neergezonden} betekent: deze Koran. Allah zei ook: {Voorwaar, Wij zijn het Die de Vermaning hebben neergezonden, en voorwaar, Wij zullen er zeker over waken} (15:9).

﴿ ١١ ﴾

رَّسُولًۭا يَتْلُوا۟ عَلَيْكُمْ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ مُبَيِّنَٰتٍۢ لِّيُخْرِجَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ مِنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِ ۚ وَمَن يُؤْمِنۢ بِٱللَّهِ وَيَعْمَلْ صَٰلِحًۭا يُدْخِلْهُ جَنَّٰتٍۢ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدًۭا ۖ قَدْ أَحْسَنَ ٱللَّهُ لَهُۥ رِزْقًا

Rasoolany yatloo 'alaikum aayaatil laahi mubaiyinaatil liyukhrijal lazeena aamanoo wa 'amilus saalihaati minaz zulumaati ilan noor; wa many yu'mim billaahi wa ya;mal saalihany yudkhilhu jannaatin tajree min tahtihal anhaaru khaalideena feehaa abadan qad ahsanal laahu lahoo rizqqq

65:11Een Boodschapper die voor jullie de verduidelijkende Verzen van Allah voordraagt, om degenen die geloven en goede daden verrichten uit de duisternissen naar het licht te voeren. En wie in Allah gelooft en goede daden verricht: Hij zal hem Tuinen (het Paradijs) doen binnengaan waar de rivieren onder door stromen. Zij zijn daarin eeuwig levenden, voor altijd. Allah heeft hem waarlijk een goede voorziening gegeven.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Die ‘Vermaning’ uit het vorige vers wordt nu een persoon: een Boodschapper die de heldere verzen van Allah voordraagt, om de gelovigen uit de duisternis naar het licht te voeren. Dat is het doel van heel de openbaring — niet enkel regels, maar verlossing uit het donker. En wie gelooft en goed handelt, wacht een eeuwige Tuin met stromende rivieren: ‘Allah heeft hem waarlijk een goede voorziening gegeven.’ De soera die met de moeilijkheid van scheiding begon, wijst hier naar het allerruimste loon.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarna herinnerde Hij Zijn gelovige dienaren aan wat Hij aan hen heeft neergezonden van Zijn Boek, dat Hij neerzond op Zijn Boodschapper Mohammed ﷺ, opdat hij de schepselen uit de duisternissen van onwetendheid, ongeloof en ongehoorzaamheid naar het licht van kennis, geloof en gehoorzaamheid zou voeren. Onder de mensen is er die erin gelooft, en onder hen is er die er niet in gelooft. {En wie in Allah gelooft en goede daden verricht} — van de verplichte en de aanbevolen daden — {hem doet Hij Tuinen binnengaan waar de rivieren onder door stromen}: daarin is van de blijvende gelukzaligheid wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen. {Zij zijn daarin eeuwig levenden, voor altijd; Allah heeft hem waarlijk een goede voorziening gegeven} — dat wil zeggen: en wie niet in Allah en Zijn Boodschapper gelooft, zij zijn de bewoners van het Vuur, daarin zijn zij eeuwig levenden.

Ibn Kathîr

(11. Een Boodschapper, die jullie de Verzen van Allah voordraagt die duidelijke uiteenzettingen bevatten, opdat Hij hen die geloven en goede, vrome daden verrichten uit de duisternis naar het licht voert. En wie in Allah gelooft en vrome daden verricht, hem zal Hij Tuinen doen binnengaan waar rivieren onder door stromen, om daarin voor altijd te verblijven. Allah heeft hem inderdaad een uitmuntende voorziening geschonken.) De eigenschappen van de Boodschapper ﷺ. Allahs woord {Een Boodschapper, die jullie de Verzen van Allah voordraagt die duidelijke uiteenzettingen bevatten}: sommigen zeiden dat de Boodschapper het onderwerp is van wat (als Vermaning) wordt neergezonden, omdat de Boodschapper degene is die de Vermaning (de Dhikr) overdraagt. Ibn Jarîr zei dat wat correct is, is dat de Boodschapper de Vermaning uiteenzet. Daarom zei Allah, de Verhevene, hier {Een Boodschapper, die jullie de Verzen van Allah voordraagt die duidelijke uiteenzettingen bevatten} — dat wil zeggen: helder en duidelijk. Allahs woord {opdat Hij hen die geloven en goede, vrome daden verrichten uit de duisternis naar het licht voert} is zoals Zijn woord: {Een Boek dat Wij aan jou hebben neergezonden opdat jij de mensen uit de duisternis naar het licht zou voeren} (14:1), en {Allah is de Beschermer van hen die geloven. Hij voert hen uit de duisternis naar het licht} (2:257) — dat wil zeggen: uit de duisternis van ongeloof en onwetendheid naar het licht van geloof en kennis. Allah, de Verhevene, noemde de openbaring die Hij heeft neergezonden ‘licht’, vanwege de leiding die zij brengt. Allah noemde haar ook ‘Geest’ (Rûh), omdat zij leven brengt aan de harten: {En zo hebben Wij aan jou een Geest van Ons gebod geopenbaard. Jij wist niet wat het Boek was, noch wat het geloof was. Maar Wij hebben het tot een licht gemaakt waarmee Wij leiden wie Wij willen van Onze dienaren. En voorwaar, jij leidt zeker naar een recht pad} (42:52). Allahs woord {En wie in Allah gelooft en vrome daden verricht, hem zal Hij Tuinen doen binnengaan waar rivieren onder door stromen, om daarin voor altijd te verblijven. Allah heeft hem inderdaad een uitmuntende voorziening geschonken} is reeds verscheidene malen eerder uitgelegd, en daarom hoeven wij de uitleg ervan hier niet te herhalen. Alle dank en lof komen Allah toe.

Arabische grondtekst & bron — verzen 7-11

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat at-Talâq · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat at-Talâq · Sahîh al-Bukhârî (Ibn ‘Umar over scheiding tijdens de menstruatie) · Sahîh Muslim · Abû Dâwûd · Ibn Mâdja · an-Nasâ'î · Imâm Ahmad · at-Tirmidhî · at-Tabarânî · Ibn Abî Hâtim · (Fâtima bint Qays, Subay‘a al-Aslamiyya, Ibn ‘Abbâs, Ubayy ibn Ka‘b e.a.).

يَقُولُ تَعَالَى آمِرًا عِبَادَهُ إِذَا طَلَّقَ أحدُهم الْمَرْأَةَ أَنْ يُسكنَها فِي مَنْزِلٍ حَتَّى تَنْقَضِيَ عِدَّتُهَا، فَقَالَ: ﴿أَسْكِنُوهُنَّ مِنْ حَيْثُ سَكَنْتُمْ﴾ أَيْ: عِنْدَكُمْ، ﴿مِنْ وُجْدِكُمْ﴾ قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ، وَمُجَاهِدٌ، وَغَيْرُ وَاحِدٍ: يَعْنِي سَعَتكم. حَتَّى قَالَ قَتَادَةُ: إِنْ لَمْ تَجِدْ إِلَّا جَنْبَ بَيْتِكَ فأسكنها فيه. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَلا تُضَارُّوهُنَّ لِتُضَيِّقُوا عَلَيْهِنَّ﴾ قَالَ مُقَاتِلُ بْنُ حَيَّانَ: يَعْنِي يُضَاجِرُهَا لِتَفْتَدِيَ مِنْهُ بِمَالِهَا أَوْ تَخْرُجَ مِنْ مَسْكَنِهِ. وَقَالَ الثَّوْرِيُّ، عَنْ مَنْصُورٍ، عَنْ أَبِي الضُّحَى: ﴿وَلا تُضَارُّوهُنَّ لِتُضَيِّقُوا عَلَيْهِنَّ﴾ قَالَ: يُطَلِّقُهَا، فَإِذَا بَقِيَ يَوْمَانِ رَاجَعَهَا. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَإِنْ كُنَّ أُولاتِ حَمْلٍ فَأَنْفِقُوا عَلَيْهِنَّ حَتَّى يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ﴾ قَالَ كَثِيرٌ مِنَ الْعُلَمَاءِ مِنْهُمُ ابْنُ عَبَّاسٍ، وَطَائِفَةٌ مِنَ السَّلَفِ، وَجَمَاعَاتٌ مِنَ الْخَلَفِ: هَذِهِ فِي الْبَائِنِ، إِنْ كَانَتْ حَامِلًا أَنْفَقَ عَلَيْهَا حَتَّى تَضَعَ حَمْلَهَا، قَالُوا: بِدَلِيلِ أَنَّ الرَّجْعِيَّةَ تَجِبُ نَفَقَتُهَا، سَوَاءٌ كَانَتْ حَامِلًا أَوْ حَائِلًا. وَقَالَ آخَرُونَ: بَلِ السِّيَاقُ كُلُّهُ فِي الرَّجْعِيَّاتِ، وَإِنَّمَا نَصَّ عَلَى الْإِنْفَاقِ عَلَى الْحَامِلِ وَإِنْ كَانَتْ رَجْعِيَّةً؛ لِأَنَّ الْحَمْلَ تَطُولُ مُدَّتُهُ غَالِبًا، فَاحْتِيجَ إِلَى النَّصِّ عَلَى وُجُوبِ الْإِنْفَاقِ إِلَى الْوَضْعِ؛ لِئَلَّا يُتَوَهَّمَ أَنَّهُ إِنَّمَا تَجِبُ النَّفَقَةُ بِمِقْدَارِ مُدَّةِ الْعِدَّةِ. وَاخْتَلَفَ الْعُلَمَاءُ: هَلِ النَّفَقَةُ لَهَا بِوَاسِطَةِ الْحَمْلِ، أَمْ لِلْحَمْلِ وَحْدَهُ؟ عَلَى قَوْلَيْنِ مَنْصُوصَيْنِ عَنِ الشَّافِعِيِّ وَغَيْرِهِ، وَيَتَفَرَّعُ عَلَيْهَا مَسَائِلُ مَذْكُورَةٌ فِي عِلْمِ الْفُرُوعِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿فَإِنْ أَرْضَعْنَ لَكُمْ﴾ أَيْ: إِذَا وَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ وَهُنَّ طَوَالِقُ، فَقَدْ بنَّ بِانْقِضَاءِ عِدَّتِهِنَّ، وَلَهَا حِينَئِذٍ أَنْ تُرْضِعَ الْوَلَدَ، وَلَهَا أَنْ تَمْتَنِعَ مِنْهُ، وَلَكِنْ بَعْدَ أَنْ تُغَذِّيَهُ باللبَّأ -وَهُوَ بَاكُورَةُ اللَّبَنِ الَّذِي لَا قِوَامَ لِلْوَلَدِ غَالِبًا إِلَّا بِهِ-فَإِنْ أَرْضَعَتِ اسْتَحَقَّتْ أَجْرَ مِثْلِهَا، وَلَهَا أَنْ تُعَاقِدَ أَبَاهُ أَوْ وَلِيَّهُ عَلَى مَا يَتَّفِقَانِ عَلَيْهِ مِنْ أُجْرَةٍ؛ وَلِهَذَا قَالَ تَعَالَى: ﴿فَإِنْ أَرْضَعْنَ لَكُمْ فَآتُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ﴾ وَقَوْلُهُ: ﴿وَأْتَمِرُوا بَيْنَكُمْ بِمَعْرُوفٍ﴾ أَيْ: وَلْتَكُنْ أُمُورُكُمْ فِيمَا بَيْنَكُمْ بِالْمَعْرُوفِ، مِنْ غَيْرِ إِضْرَارٍ وَلَا مُضَارَّةٍ، كَمَا قَالَ تَعَالَى فِي سُورَةِ "الْبَقَرَةِ": ﴿لَا تُضَارَّ وَالِدَةٌ بِوَلَدِهَا وَلا مَوْلُودٌ لَهُ بِوَلَدِهِ﴾ [الْبَقَرَةِ: ٢٣٣] * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَإِنْ تَعَاسَرْتُمْ فَسَتُرْضِعُ لَهُ أُخْرَى﴾ أَيْ: وَإِنِ اخْتَلَفَ الرَّجُلُ وَالْمَرْأَةُ، فَطَلَبَتِ الْمَرْأَةُ أُجْرَةَ الرَّضَاعِ كَثِيرًا وَلَمْ يُجِبْهَا الرَّجُلُ إِلَى ذَلِكَ، أَوْ بَذَلَ الرَّجُلُ قَلِيلًا وَلَمْ تُوَافِقْهُ عَلَيْهِ، فَلْيَسْتَرْضِعْ لَهُ غَيْرَهَا. فَلَوْ رَضِيَتِ الْأُمُّ بِمَا اسْتُؤْجِرَتْ عَلَيْهِ الْأَجْنَبِيَّةُ فَهِيَ أَحَقُّ بِوَلَدِهَا. * * وَقَوْلُهُ: ﴿لِيُنْفِقْ ذُو سَعَةٍ مِنْ سَعَتِهِ﴾ أَيْ: لِيُنْفِقْ عَلَى الْمَوْلُودِ وَالِدُهُ، أَوْ وَلِيُّهُ، بِحَسَبِ قُدْرَتِهِ، ﴿وَمَنْ قُدِرَ عَلَيْهِ رِزْقُهُ فَلْيُنْفِقْ مِمَّا آتَاهُ اللَّهُ لَا يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلا مَا آتَاهَا﴾ كَقَوْلِهِ: ﴿لَا يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلا وُسْعَهَا﴾ [الْبَقَرَةِ: ٢٨٦] . رَوَى ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنَا ابْنُ حُمَيْدٍ، حَدَّثَنَا حَكَّام، عن أَبِي سِنَانٍ قَالَ: سَأَلَ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ عَنْ أَبِي عُبَيْدَةَ، فَقِيلَ: إِنَّهُ يَلْبَسُ الْغَلِيظَ مِنَ الثِّيَابِ، وَيَأْكُلُ أَخْشَنَ الطَّعَامِ، فَبَعَثَ إِلَيْهِ بِأَلْفِ دِينَارٍ، وَقَالَ لِلرَّسُولِ: انْظُرْ مَا يَصْنَعُ بِهَا إِذَا هُوَ أَخَذَهَا: فَمَا لَبِثَ أَنْ لَبِسَ اللَّيِّنَ مِنَ الثِّيَابِ، وَأَكَلَ أَطْيَبَ الطَّعَامِ، فَجَاءَهُ الرَّسُولُ فَأَخْبَرَهُ، فَقَالَ: رَحِمَهُ اللَّهُ، تَأَوَّلَ هَذِهِ الْآيَةَ: ﴿لِيُنْفِقْ ذُو سَعَةٍ مِنْ سَعَتِهِ وَمَنْ قُدِرَ عَلَيْهِ رِزْقُهُ فَلْيُنْفِقْ مِمَّا آتَاهُ اللَّهُ﴾ [[تفسير الطبري (٢٨/٩٦) .]] وَقَالَ الْحَافِظُ أَبُو الْقَاسِمِ الطَّبَرَانِيُّ فِي مُعْجَمِهِ الْكَبِيرِ: حَدَّثَنَا هَاشِمُ بْنُ مَرْثَدٍ الطَّبَرَانِيُّ، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ إِسْمَاعِيلَ بْنِ عَيَّاشٍ، أَخْبَرَنِي أَبِي، أَخْبَرَنِي ضَمْضَم بْنُ زُرْعَة، عَنْ شُرَيح بْنِ عُبَيْدٍ، عَنْ أَبِي مَالِكٍ الْأَشْعَرِيِّ -وَاسْمُهُ الْحَارِثُ-قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "ثَلَاثَةُ نَفَرٍ، كَانَ لِأَحَدِهِمْ عَشَرَةُ دَنَانِيرَ، فَتَصَدَّقَ مِنْهَا بِدِينَارٍ. وَكَانَ لِآخَرَ عَشْرُ أَوَاقٍ، فَتَصَدَّقَ مِنْهَا بِأُوقِيَّةٍ. وَكَانَ لِآخَرَ مِائَةُ أُوقِيَّةٍ، فَتَصَدَّقَ مِنْهَا بِعَشْرِ أَوَاقٍ". فَقَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "هُمْ فِي الْأَجْرِ سَوَاءٌ، كُلٌّ قَدْ تَصَدَّقَ بِعُشْرِ مَالِهِ، قَالَ اللَّهُ تَعَالَى: ﴿لِيُنْفِقْ ذُو سَعَةٍ مِنْ سَعَتِهِ﴾ [[المعجم الكبير (٣/٢٩٢) وفس إسناده ضعف وانقطاع كما تقدم مرارًا.]] هَذَا حَدِيثٌ غَرِيبٌ مِنْ هَذَا الْوَجْهِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿سَيَجْعَلُ اللَّهُ بَعْدَ عُسْرٍ يُسْرًا﴾ وَعْدٌ مِنْهُ تَعَالَى، وَوَعْدُهُ حَقٌّ، لَا يُخْلِفُهُ، وَهَذِهِ كَقَوْلِهِ تَعَالَى: ﴿فَإِنَّ مَعَ الْعُسْرِ يُسْرًا إِنَّ مَعَ الْعُسْرِ يُسْرًا﴾ [الشَّرْحِ: ٥، ٦] وَقَدْ رَوَى الْإِمَامُ أَحْمَدُ حَدِيثًا يَحْسُنُ أَنْ نَذْكُرَهُ هَا هُنَا، فَقَالَ: حَدَّثَنَا هَاشِمُ بْنُ الْقَاسِمِ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الْحَمِيدِ بْنُ بَهْرَام، حَدَّثَنَا شَهْر بْنُ حَوْشَب قَالَ: قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: بَيْنَمَا رَجُلٌ وَامْرَأَةٌ لَهُ فِي السَّلَفِ الْخَالِي لَا يَقْدِرَانِ عَلَى شَيْءٍ، فَجَاءَ الرَّجُلُ مِنْ سَفَرِهِ، فَدَخَلَ عَلَى امْرَأَتِهِ جَائِعًا قَدْ أَصَابَ [[في م، أ: "أصابته".]] مَسْغَبَةً شَدِيدَةً، فَقَالَ لِامْرَأَتِهِ: عِنْدَكِ شَيْءٌ؟ قَالَتْ: نَعَمْ، أَبْشِرْ، أَتَاكَ رِزْقُ اللَّهِ، فَاسْتَحَثَّهَا، فَقَالَ: وَيْحَكِ! ابْتَغِي إِنْ كَانَ عِنْدَكِ شَيْءٌ. قَالَتْ نَعَمْ، هُنَيهة -تَرْجُو رَحْمَةَ اللَّهِ-حَتَّى إِذَا طَالَ عَلَيْهِ الطَّوَى [[في م: "الطول".]] قَالَ: وَيْحَكِ! قُومِي فَابْتَغِي إِنْ كَانَ عِنْدَكِ شَيْءٌ فائتيني به، فإني قد بُلغتُ وجَهِدتُ. فقال: نعم، الآن يُنضح التَّنُّورُ فَلَا تَعْجَلْ. فَلَمَّا أَنْ سَكَتَ عَنْهَا سَاعَةً وَتَحَيَّنَتْ أَنْ يَقُولَ لَهَا، قَالَتْ مِنْ عِنْدِ نَفْسِهَا: لَوْ قمتُ فنظرتُ إِلَى تَنُّورِي؟ فقامَتْ فنظرَت إِلَى تَنورها مَلْآنَ مِنْ جنُوبَ الْغَنَمِ، ورَحييها تطحنَان. فَقَامَتْ إِلَى الرَّحَى فنَفضتها، وَاسْتَخْرَجَتْ مَا فِي تَنُّورِهَا مِنْ جُنُوبِ الْغَنَمِ. قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: فَوَالَّذِي نَفْسُ أَبِي الْقَاسِمِ بِيَدِهِ، هُوَ [[في م: "عن".]] قَوْلُ مُحَمَّدٍ ﷺ: "لَوْ أَخَذَتْ مَا فِي رَحييها وَلَمْ تَنْفُضْهَا لَطَحَنَتَا إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ" [[المسند (٢/٤٢١) .]] وَقَالَ فِي مَوْضِعٍ آخَرَ: حَدَّثَنَا أَبُو عَامِرٍ، حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرٍ، عَنْ هِشَامٍ، عَنْ مُحَمَّدٍ -وَهُوَ ابْنُ سِيرِينَ-عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: دَخَلَ رَجُلٌ عَلَى أَهْلِهِ، فَلَمَّا رَأَى مَا بِهِمْ مِنَ الْحَاجَةِ خَرَجَ إِلَى البَرِيَّة، فَلَمَّا رَأَتِ امْرَأَتُهُ قَامَتْ إِلَى الرَّحَى فَوَضَعَتْهَا، وَإِلَى التَّنُّورِ فسَجَرته، ثُمَّ قَالَتِ: اللَّهُمَّ ارْزُقْنَا. فَنَظَرَتْ، فَإِذَا الْجَفْنَةُ قَدِ امْتَلَأَتْ، قَالَ: وَذَهَبَتْ إِلَى التَّنُّورِ فَوَجَدَتْهُ مُمْتَلِئًا، قَالَ: فَرَجَعَ الزَّوْجُ قَالَ: أَصَبْتُمْ بَعْدِي شَيْئًا؟ قَالَتِ امْرَأَتُهُ: نَعَمْ، مِنْ رَبِّنَا. قَامَ إِلَى الرَّحَى، فَذَكَرَ ذَلِكَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: "أَمَا إِنَّهُ لَوْ لَمْ تَرْفَعْهَا، لَمْ تزل تدور إلى يوم القيامة" [[المسند (٢/٥١٣) .]]

Verzen 12

﴿ ١٢ ﴾

ٱللَّهُ ٱلَّذِى خَلَقَ سَبْعَ سَمَٰوَٰتٍۢ وَمِنَ ٱلْأَرْضِ مِثْلَهُنَّ يَتَنَزَّلُ ٱلْأَمْرُ بَيْنَهُنَّ لِتَعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ قَدِيرٌۭ وَأَنَّ ٱللَّهَ قَدْ أَحَاطَ بِكُلِّ شَىْءٍ عِلْمًۢا

Allaahul lazee khalaq Sab'a Samaawaatinw wa minal ardi mislahunna yatanazzalul amru bainahunna lita'lamooo annal laaha 'alaa kulli shai'in Qadeerunw wa annal laaha qad ahaata bikulli shai'in ilmaa

65:12Allah is Degene Die de zeven hemelen heeft geschapen en zo ook de aarde. De beschikking daalt tussen hen (hemel en aarde) neer, opdat jullie weten dat Allah de Almachtige over alle zaken is en dat Allah alle zaken in kennis omvat.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De soera sluit af met de geweldigheid van de Wetgever zelf: Allah schiep zeven hemelen en evenzovele aarden, en Zijn bevel daalt daartussen neer. En het waarom wordt erbij gegeven: ‘opdat jullie zouden weten dat Allah macht heeft over alle dingen, en dat Allah alle dingen met Zijn kennis omvat.’ Wie zó’n Heer kent — almachtig, alwetend — neemt Zijn grenzen rond scheiding, wachttijd en levensonderhoud niet licht op. De wet van de soera rust op de kennis van Wie haar gaf.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarna berichtte Allah, de Verhevene, dat Hij de hemelen en de aarde schiep en wie daarin zijn, en de zeven aarden en wie daarin zijn en wat tussen hen is, en dat Hij het bevel neerzond — en dat zijn de godsdienstige wetten en bepalingen die Hij aan Zijn boodschappers openbaarde tot vermaning en waarschuwing van de dienaren, en evenzo de kosmische en voorbeschikkende bevelen waarmee Hij de schepping bestuurt — dit alles opdat de dienaren Hem zouden kennen en zouden weten dat Zijn macht alle dingen omvat en dat Zijn kennis alle dingen omvat. Wanneer zij Hem dan kennen door Zijn Schone Namen en Zijn heilige eigenschappen, aanbidden zij Hem, hebben zij Hem lief en vervullen zij Zijn recht; dit is dus het beoogde doel van de schepping en het bevel: de kennis van Allah en Zijn aanbidding. Daartoe komen de begenadigden onder de vrome dienaren van Allah, en daarvan wenden zich af de onrechtplegers die zich afkeren. Haar uitleg is voltooid. En de lof komt Allah toe.

Ibn Kathîr

(12. Allah is het Die zeven hemelen heeft geschapen en van de aarde evenzovele. Het bevel daalt tussen hen neer, opdat jullie zouden weten dat Allah macht heeft over alle dingen, en dat Allah alle dingen met (Zijn) kennis omvat.) Allahs volmaakte macht. Allah, de Verhevene, bevestigt Zijn volmaakte macht en oneindige geweldigheid, zodat de geweldige godsdienst die Hij heeft voorgeschreven, geëerd en ten uitvoer gebracht wordt: {Allah is het Die zeven hemelen heeft geschapen}. Allah zei in vergelijkbare verzen, zoals wat de Profeet Nûh tegen zijn volk zei: {Zien jullie niet hoe Allah zeven hemelen, de een boven de ander, heeft geschapen?} (71:15), en {De zeven hemelen en de aarde en al wat daarin is, verheerlijken Hem} (17:44). Allahs woord {en van de aarde evenzovele} betekent: Hij schiep zeven aarden. In de twee Sahîhs staat een hadith die vermeldt: “Wie het land van iemand onrechtmatig in bezit neemt, ook al was het slechts een handbreedte, diens nek zal ermee omhangen worden tot de zeven aarden.” En in Sahîh al-Bukhârî is de bewoording: “…hij zal wegzinken tot de zeven aarden.” In het begin van mijn boek, al-Bidâya wa-n-Nihâya, vermeldde ik de verschillende overleveringen voor deze hadith toen ik het verhaal van de schepping van de aarde vertelde. Alle dank en lof komen Allah toe. Zij die deze hadith uitlegden als de zeven continenten, hebben een onaannemelijke uitleg gebracht die de letterlijke tekst van de Koran en de hadith tegenspreekt, zonder bewijs te hebben. Dit is het einde van de tafsir van Sûrat at-Talâq, alle dank en lof komen Allah toe.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim zegt: Hij berichtte dat Hij de wereld schiep opdat Zijn dienaren de volmaaktheid van Zijn macht en het omvattende van Zijn kennis zouden kennen, en dat brengt noodzakelijk de kennis van Hem met zich mee, en de kennis van Zijn namen en Zijn eigenschappen en Zijn eenheid. Ibn ‘Abbâs, moge Allah tevreden over hen beiden zijn, werd gevraagd over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: {Allah is het Die zeven hemelen heeft geschapen en van de aarde evenzovele}; hij zei tegen de vraagsteller: “Wat verzekert jou dat, als ik je die zou berichten, je niet ongelovig zou worden?” — dat wil zeggen: als ik je de uitleg ervan zou berichten, zou je daaraan ongelovig worden, en jouw ongeloof eraan is je loochening ervan. De fijnzinnige, subtiele kwestie die aan wie haar niet waardig is wordt geschonken, is als de schone vrouw die aan een blinde lamme wordt uitgehuwelijkt. Vervolgens werkt Ibn al-Qayyim een taalkundige fijnzinnigheid uit over het meervoud en de afleiding van ‘hemel’ (samâ’): waarom men ‘samâwât’ (hemelen) in het meervoud zette en daarin niet hetzelfde in acht nam als bij ‘ard’ (aarde), hoewel zij elkaars tegenhanger zijn — er is een woordelijk en een betekenis-verschil. Wat het woordelijke betreft: ‘ard’ heeft het patroon van de verbale substantieven (fa‘l), terwijl ‘samâwât’ meer op de bouw van de namen lijkt; en als zij ‘ard’ volgens de gebroken meervoudsvormen hadden vermeervoudigd, zou het woord zwaar op de tong vallen, terwijl het woord ‘samâwât’ vloeiend en welluidend in het gehoor binnenkomt zonder verlof te vragen, vanwege zijn helderheid en zoetheid. Wat het betekenis-verschil betreft: wanneer met de aarde de betekenis van ‘het onderste’ en ‘het lage’ wordt bedoeld zonder haar wezens en aantallen, gebruikt men een woord dat op afstand en veelheid duidt, zoals Zijn woord {en van de aarde evenzovele}. En een tweede verschil: dat de aarde ten opzichte van de hemelen en hun wijdte is als een steentje in een woestijn; hoe talrijk en groot zij ook is, is zij ten opzichte van de hemel als het ene geringe, daarom werd voor haar de geslachtsnaam gekozen. En een derde verschil: dat de aarde het huis van deze wereld (dunyâ) is, dat in verhouding tot het Hiernamaals is zoals wanneer iemand zijn vinger in de zee steekt — wat eraan kleeft is het beeld van deze wereld ten opzichte van het Hiernamaals; en Allah, glorie zij Hem, vermeldde deze wereld slechts kleinerend en haar zaak geringschattend, terwijl de hemelen niet van deze wereld zijn — dit volgens een van de twee opvattingen over de dunyâ, want het is een naam voor de plaats; want de hemelen zijn de verblijfplaats van de engelen van de Heer, de Verhevene, en de plaats van het huis van Zijn beloning, en de neerdalingsplaats van Zijn engelen en Zijn openbaring; wanneer de uitdrukking daarop steunt, drukt men haar met het meervoud uit, aangezien het beoogde haar wezens zijn en niet enkel het hoge en het boven. En wanneer de allesomvattende eigenschap van de hemelen bedoeld is, namelijk de betekenis van het hoge en het boven, dan stelt men dat in het enkelvoud naar gelang van wat eraan verbonden is in het betoog en de context. Beschouw Zijn woord: {Voelen jullie je veilig voor Wie in de hemel is, dat Hij de aarde met jullie zal doen wegzinken, zodat zij plotseling schudt? Of voelen jullie je veilig voor Wie in de hemel is, dat Hij een verwoestende storm op jullie zal zenden?} (67:16-17) — hoe het hier in het enkelvoud werd gesteld, omdat de allesomvattende eigenschap en het absolute boven bedoeld waren, en niet een bepaalde, specifieke hemel. En toen de Jahmiyya deze betekenis niet begrepen, gingen zij ertoe over het vers van zijn plaatsen te verdraaien.

Arabische grondtekst & bron — verzen 12

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat at-Talâq · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat at-Talâq · Sahîh al-Bukhârî (Ibn ‘Umar over scheiding tijdens de menstruatie) · Sahîh Muslim · Abû Dâwûd · Ibn Mâdja · an-Nasâ'î · Imâm Ahmad · at-Tirmidhî · at-Tabarânî · Ibn Abî Hâtim · (Fâtima bint Qays, Subay‘a al-Aslamiyya, Ibn ‘Abbâs, Ubayy ibn Ka‘b e.a.).

يَقُولُ تَعَالَى مُخْبِرًا عَنْ قُدْرَتِهِ التَّامَّةِ وَسُلْطَانِهِ الْعَظِيمِ لِيَكُونَ ذَلِكَ بَاعِثًا عَلَى تَعْظِيمِ مَا شَرَعَ مِنَ الدِّينِ الْقَوِيمِ ﴿اللهُ الَّذِي خَلَقَ سَبْعَ سَمَاوَاتٍ﴾ كَقَوْلِهِ تَعَالَى إِخْبَارًا عَنْ نُوحٍ أَنَّهُ قَالَ لِقَوْمِهِ ﴿أَلَمْ تَرَوا كَيْفَ خَلَقَ اللهُ سَبْعَ سَمَاوَاتٍ طِبَاقًا﴾ [نُوحٍ: ١٥] وَقَالَ تَعَالَى ﴿تُسَبّحُ لَهُ السَّمَاوَاتُ السَّبْعُ والأرْضُ وَمَن فِيهنَّ﴾ [الْإِسْرَاءِ: ٤٤] . وَقَوْلُهُ تَعَالَى ﴿وَمِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنَّ﴾ أَيْ سَبْعًا أَيْضًا، كَمَا ثَبَتَ فِي الصَّحِيحَيْنِ "مَنْ ظَلَمَ قيدَ شِبر مِنَ الْأَرْضِ طُوِّقه مِنْ سَبْعِ أَرَضِينَ " [[صحيح البخاري برقم (٢٤٥٣) وصحيح مسلم برقم (١٦١٢) من حديث عائشة، رضي الله عنها]] وَفِي صَحِيحِ الْبُخَارِيِّ "خُسِف بِهِ إِلَى سَبْعِ أَرَضِينَ " [[صحيح البخاري برقم (٥٤٥٤) من حديث ابن عمر، رضي الله عنه]] وَقَدْ ذُكِرت طُرقه وَأَلْفَاظَهُ وَعَزْوَهُ فِي أَوَّلِ" الْبِدَايَةِ وَالنِّهَايَةِ" [[البداية والنهاية (١/١٦) ما جاء من سبع أرضين]] عِنْدَ ذِكْرِ خَلْقِ الْأَرْضِ وَلِلَّهِ الْحَمْدُ وَالْمِنَّةُ. وَمَنْ حَمَلَ ذَلِكَ عَلَى سَبْعَةِ أَقَالِيمَ فَقَدْ أَبْعَدَ النَّجْعَة، وَأَغْرَقَ فِي النَّزْعِ وَخَالَفَ الْقُرْآنَ وَالْحَدِيثَ بِلَا مُسْتَنَدٍ. وَقَدْ تَقَدَّمَ فِي سُورَةِ الْحَدِيدِ عِنْدَ قَوْلِهِ: ﴿هُوَ الأوَّلُ والآخِرُ والظَّاهِرُ والْبَاطِنُ﴾ [الْآيَةَ: ٣] ذَكَرَ الْأَرَضِينَ السَّبْعَ، وَبُعْدَ مَا بَيْنَهُنَّ وَكَثَافَةُ كُلِّ وَاحِدَةٍ مِنْهُنَّ خَمْسُمِائَةِ عَامٍ وَهَكَذَا قَالَ ابْنُ مَسْعُودٍ وَغَيْرُهُ، وَكَذَا فِي الْحَدِيثِ الْآخَرِ "مَا السَّمَاوَاتُ السَّبْعُ وَمَا فِيهِنَّ وَمَا بَيْنَهُنَّ وَالْأَرَضُونَ السَّبْعُ وَمَا فِيهِنَّ وَمَا بَيْنَهُنَّ فِي الْكُرْسِيِّ إِلَّا كَحَلْقَةٍ مُلْقَاةٍ بِأَرْضِ فَلَاةٍ" [[سبق تخريج الحديث عند تفسير الآية: ٢٥٥ من سورة البقرة]] . وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ حَدَّثَنَا عَمْرُو بْنُ عَلِيٍّ، حَدَّثَنَا وَكِيع حَدَّثَنَا الْأَعْمَشُ عَنْ إِبْرَاهِيمَ بْنِ مُهَاجِر عَنْ مُجَاهِدٍ، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ فِي قَوْلِهِ: ﴿سَبْعَ سَمَاوَاتٍ وَمِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنَّ﴾ قَالَ لَوْ حَدَّثْتُكُمْ بِتَفْسِيرِهَا لَكَفَرْتُمْ وَكُفْرُكُمْ تَكْذِيبُكُمْ بِهَا. وَحَدَّثَنَا ابْنُ حُمَيْدٍ حَدَّثَنَا يَعْقُوبُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ سَعْدٍ القُميّ الْأَشْعَرِيُّ عَنْ جَعْفَرِ بْنِ أَبِي الْمُغِيرَةِ الْخُزَاعِيِّ عَنْ سَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ، قَالَ: قَالَ رَجُلٌ لِابْنِ عَبَّاسٍ ﴿اللهُ الَّذِي خَلَقَ سَبْعَ سَمَاوَاتٍ وَمِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنّ﴾ الْآيَةَ. فَقَالَ: ابْنُ عَبَّاسٍ مَا يُؤَمِّنُكَ إِنْ أَخْبَرْتُكَ بِهَا فَتَكْفُرُ. وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ حَدَّثَنَا عَمْرُو بْنُ عَلِيٍّ وَمُحَمَّدُ بْنُ الْمُثَنَّى قَالَا حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ جَعْفَرٍ حَدَّثَنَا شُعْبَةُ عَنْ عَمْرِو بْنِ مُرَّة عَنْ أَبِي الضُّحى عَنْ ابْنِ عَبَّاسٍ فِي هَذِهِ الْآيَةِ ﴿اللهُ الَّذِي خَلَقَ سَبْعَ سَمَاوَاتٍ وَمِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنّ﴾ قَالَ عَمْرٌو قَالَ فِي كُلِّ أَرْضٍ مِثْلُ إِبْرَاهِيمَ ونحو ما على الأرض من الْخَلْقِ. وَقَالَ ابْنُ الْمُثَنَّى فِي حَدِيثِهِ فِي كل سماء إبراهيم [[تفسير الطبري (٢٨/٩٩)]] وقد وروى الْبَيْهَقِيُّ فِي كِتَابِ الْأَسْمَاءِ وَالصِّفَاتِ هَذَا الْأَثَرَ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ بِأَبْسَطَ مِنْ هَذَا [السِّيَاقِ] [[زيادة من م]] فَقَالَ: أَنَا أَبُو عَبْدِ اللَّهِ الْحَافِظُ حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ يَعْقُوبَ حَدَّثَنَا عُبَيْدُ بْنُ غَنَّامٍ النَّخَعِيُّ أَنَا عَلِيُّ بْنُ حَكِيمٍ حَدَّثَنَا شَرِيكٍ عَنْ عَطَاءِ بْنِ السَّائِبِ عَنْ أَبِي الضُّحَى عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ ﴿اللهُ الَّذِي خَلَقَ سَبْعَ سَمَاوَاتٍ وَمِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنّ﴾ قَالَ سَبْعُ أَرَضِينَ فِي كُلِّ أَرْضٍ نَبِيٌّ كَنَبِيِّكُمْ وَآدَمُ كَآدَمَ وَنُوحٌ كَنُوحٍ وَإِبْرَاهِيمُ كَإِبْرَاهِيمَ وَعِيسَى كَعِيسَى. ثُمَّ رَوَاهُ الْبَيْهَقِيُّ مِنْ حَدِيثِ شُعْبَةَ عَنْ عَمْرِو بْنِ مُرَّةَ عَنْ أَبِي الضُّحَى عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ فِي قَوْلِ اللَّهِ عَزَّ وَجَلَّ ﴿اللهُ الَّذِي خَلَقَ سَبْعَ سَمَاوَاتٍ وَمِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنّ﴾ قَالَ فِي كُلِّ أَرْضٍ نَحْوُ إِبْرَاهِيمَ عَلَيْهِ السَّلَامُ. ثُمَّ قَالَ الْبَيْهَقِيُّ إِسْنَادُ هَذَا عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ صَحِيحٌ وَهُوَ شَاذٌّ بِمُرَّةَ لَا أَعْلَمُ لِأَبِي الضُّحَى عَلَيْهِ مُتَابِعًا وَاللَّهُ أَعْلَمُ قَالَ الْإِمَامُ أَبُو بَكْرٍ عَبْدُ اللَّهِ بْنُ مُحَمَّدِ بْنِ أَبِي الدُّنْيَا الْقُرَشِيُّ فِي كِتَابِهِ التَّفَكُّرِ وَالِاعْتِبَارِ حَدَّثَنِي إِسْحَاقُ بْنُ حَاتِمٍ الْمَدَائِنِيُّ حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ سُلَيْمَانَ عَنْ عُثْمَانَ بْنِ أَبِي دَهْرَسٍ قَالَ بَلَغَنِي أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ انْتَهَى إِلَى أَصْحَابِهِ وَهُمْ سُكُوتٌ لَا يَتَكَلَّمُونَ فَقَالَ: "مَا لكم لا تتكلمون؟ "فقال: وا نَتَفَكَّرُ فِي خَلْقِ اللَّهِ عَزَّ وَجَلَّ قَالَ "فَكَذَلِكَ فَافْعَلُوا تَفَكَّرُوا فِي خَلْقِ اللَّهِ وَلَا تَتَفَكَّرُوا فِيهِ فَإِنَّ بِهَذَا الْمَغْرِبِ أَرْضًا بَيْضَاءَ نُورُهَا سَاحَتُهَا [[في م "نورها بيضاء"]] -أَوْ قَالَ سَاحَتُهَا [[في م "بياضها"]] نُورُهَا -مَسِيرَةَ الشَّمْسِ أَرْبَعِينَ يَوْمًا بِهَا خلقُ [[في م "خلق من خلق"]] اللَّهِ تَعَالَى لَمْ يعصُوا اللَّهَ طَرفة عَيْنٍ قَطُّ "قَالُوا فَأَيْنَ الشَّيْطَانُ عَنْهُمْ؟ قَالَ "مَا يَدْرُونَ خُلِقَ الشَّيْطَانُ أَمْ لَمْ يُخْلَقْ؟ "قَالُوا أَمِنْ وَلَدِ آدَمَ؟ قَالَ "لَا يَدْرُونَ خُلِقَ آدَمُ أَمْ لَمْ يُخْلَقْ؟ " [[الحديث ذكره السيوطي في الدر المنثور (٢/٤٠٨) وعزاه لابن أبي الدنيا]] وَهَذَا حَدِيثٌ مُرْسَلٌ وَهُوَ مُنْكَرٌ جِدًّا وَعُثْمَانُ بْنُ أَبِي دَهْرَشٍ ذَكَرَهَ ابْنُ أَبِي حَاتِمٍ فِي كِتَابِهِ فَقَالَ: رَوَى عَنْ رَجُلٍ مِنْ آلِ الْحَكَمِ بْنِ أَبِي الْعَاصِ وَعَنْهُ سُفْيَانُ بْنُ عُيَيْنَةَ وَيَحْيَى بْنُ سُلَيْمٍ الطَّائِفِيُّ وَابْنُ الْمُبَارَكِ سَمِعْتُ أَبِي يَقُولُ ذَلِكَ. [[الجرح والتعديل (٦/١٤٩)]]

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat at-Talâq (uit zijn tafsir-compilatie) · Sahîh al-Bukhârî + Sahîh Muslim (Ibn ‘Umar) · Sahîh Muslim (Fâtima bint Qays: geen levensonderhoud noch onderdak voor de onherroepelijk gescheiden vrouw) · Ibn Mâdja + Ibn Abî d-Dunyâ (Abû Dharr) · an-Nasâ'î (Mahmûd ibn Labîd) · Ibn Abî Hâtim (Ubayy ibn Ka‘b) · (Subay‘a al-Aslamiyya, ‘Umar ibn al-Khattâb, Ibn ‘Abbâs).

أخبر أنه خلق العالم ليعرف عباده كمال قدرته وإحاطة علمه وذلك يستلزم معرفته ومعرفة أسمائه وصفاته وتوحيده. (فائدة) سئل ابن عباس رضي الله عنهما عن تفسير قوله تعالى الله الذي ﴿خَلَقَ سَبْعَ سَماواتٍ ومِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنَّ﴾ فقال للسائل: ما يُؤَمِّنُكَ أنْ لَوْ أخْبَرْتُكَ بِها لَكَفَرْتَ .... يَعْنِي لَوْ أخْبَرْتُكَ بِتَفْسِيرِها لَكَفَرْتَ بِها، وكُفْرُكَ بِها تَكْذِيبُكَ بِها. فالمسألة الدقيقة اللطيفة التي تبذل لغير أهلها كالمرأة الحسناء التي تهدى إلى ضرير مقعد كما قيل خود تزف إلى ضرير مقعد وكان أبو علي إذا وقع شيء في خلال مجلسه من تشويش الوقت يقول هذا من غيرة الحق يريد أن لا يجري ما يجري من صفاء الوقت. (فصل: جمع السماء واشتقاقها) فإن قلت: فلم جمعوا السماء فقالوا: سماوات وهلا راعوا فيها ما راعوا في الأرض فإنها مقابلة فما الفرق بينهما؟ قيل: بينهما فرقان فرق لفظي وفرق معنوي. أما اللفظي فإن الأرض على وزن ألفاظ المصادر الثلاثة وهو فعل كضرب. وأما السماوات كان نظيرها في المصادر التلاء والجلاء فهي بأبنية الأسماء أشبه، وإنما الذي يماثل الأرض في معناها ووزنها السفل والتحت وهما لا يثنيان ولا يجمعان، وفي مقابلتهما الفوق والعلو وهما كذلك لا يجمعان. على أنه قد قيل: إن السماوات ليس جمع سماء، وإنما هي جمع سماوة وسماوة كل شيء أعلاه وأما جمع سماء فقياسه أسمية كأكسية وأغطية أو سماوات، وليس هذا بشيء فإن السماوة هي أعلى الشيء خاصة ليست باسم لشيء عال وإنما هي اسم لجزئه العالي. وأما السماء فاسم لهذا السقف الرفيع بجملته فالسماوات جمعه لا جمع أجزاء عالية منه على أنه كل عال. وأحسن من هذا الفرق أن يقال لو جمعوا أرضا على قياس جموع التكسير لقالوا آرض كأفلس أو آراض كأجمال أو أروض كفلوس فاستثقلوا هذا اللفظ إذ ليس فيه من الفصاحة والحسن والعذوبة ما في لفظ السماوات وأنت تجد السمع ينبو عنه بقدر ما يستحسن لفظ السماوات ولفظ السماوات يلج في السمع بغير استئذان لنصاعته وعذوبته ولفظ الأراضي لا يأذن له السمع إلا على كره ولهذا تفادوا من جمعه إذا أرادوه بثلاثة ألفاظ تدل على التعدد كما قال تعالى: ﴿خَلَقَ سَبْعَ سَماواتٍ ومِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنَّ﴾ كل هذا تفاديا من أن يقال أراض وآرض الفرق المعنوي، فإن الكلام متى اعتمد به على السماء المحسوسة التي هي السقف وقصد به إلى ذاتها دون معنى الوصف صح جمعها جمع السلامة، لأن العدد قليل، وجمع السلامة بالقليل أولى لما تقدم من قربه من التثنية القريبة من الواحد، ومتى اعتمد الكلام على الوصف ومعنى العلى والرفعة جرى اللفظ مجرى المصدر الموصوف به في قولك: قول عدول وزور. وأما الأرض فأكثر ما تجيء مقصودا بها معنى التحت والسفل دون أن يقصد ذواتها وأعدادها وحيث جاءت مقصودا بها الذات والعدد أتي بلفظ يدل على البعد كقوله: ﴿وَمِنَ الأرْضِ مِثْلَهُنَّ﴾ وفرق ثان وهو أن الأرض لها نسبة لا إلى السماوات وسعتها بل هي بالنسبة إليها كحصاة في صحراء فهي وإن تعددت وتكبرت فهي بالنسبة إلى السماء كالواحد القليل فاختير لها اسم الجنس وفرق ثالث أن الأرض هي دار الدنيا التي بالإضافة إلى الآخرة كما يدخل الإنسان إصبعه في اليم فما تعلق بها هو مثال الدنيا من الآخرة والله سبحانه لم يذكر الدنيا إلا مقللا لها محقرا لشأنها وأما السماوات فليست من الدنيا هذا على أحد القولين في الدنيا فإنه اسم للمكان فإن السماوات مقر ملائكة الرب تعالى ومحل دار جزائه ومهبط ملائكته ووحيه فإذا اعتمد التعبير عبر عنها بلفظ الجمع إذ المقصود ذواتها لا مجرد العلو والفوق. وأما إذا أريد الوصف الشامل للسماوات وهو معنى العلو والفوق أفردوا ذلك بحسب ما يتصل به من الكلام والسياق فتأمل قوله: ﴿أأمِنتُمْ مَن في السَّماءِ أنْ يَخْسِفَ بِكُمُ الأرْضَ فَإذا هي تَمُورُ (١٦) أمْ أمِنتُمْ مَن في السَّماءِ أنْ يُرْسِلَ عَلَيْكم حاصِبًا﴾ كيف أفردت هنا لما كان المراد الوصف الشامل والفوق المطلق، ولم يرد سماء معينة مخصوصة. ولما لم تفهم الجهمية هذا المعنى أخذوا في تحريف الآية عن مواضعها.