Terug naar inhoud
NÛR

Soera 87 · Mekkaans · 19 verzen

سورة الأَعۡلَىٰ

Al-A'laaDe Allerhoogste

Openbaringsvolgorde: 8 · Juz 30

Voorwoord

Soera Al-A‘lâ — ‘De Allerhoogste’ — ontleent haar naam aan het eerste vers: ‘Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste.’ Zij is Mekkaans en telt negentien verzen. De Profeet ﷺ hield van deze soera; vast staat dat hij haar samen met soera Al-Ghâshiya placht te reciteren bij de beide ‘Îd-gebeden en op de vrijdag, en dat hij haar opnam in zijn witr-gebed. Toen het vers ‘Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste’ neerdaalde, beval hij: ‘Maak het tot deel van jullie neerwerping’ — en bij het reciteren zei hij: ‘Glorie aan mijn Heer, de Allerhoogste.’

De soera opent met een oproep om Allah te verheerlijken, en herinnert daarbij aan Zijn daden: Hij schiep en vervolmaakte, bepaalde de maat en leidde, en bracht het weidegras voort dat Hij daarna dor en grauw maakt. Dan komen de gunsten van het geloof: de belofte dat de Koran aan de Profeet ﷺ wordt voorgedragen en hij die niet zal vergeten, en dat Allah hem het gemakkelijke gemakkelijk maakt. Vervolgens de opdracht om te vermanen — wie Allah vreest laat zich vermanen, de ellendige wendt zich af naar het grote Vuur. De soera sluit met de kern: wie zich reinigt en bidt slaagt, terwijl de mensen het vergankelijke wereldse leven verkiezen boven het betere en blijvende Hiernamaals — een waarheid die al stond in de eerdere bladen, de bladen van Ibrâhîm en Mûsâ.

Verzen 1-13

﴿ ١ ﴾

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ سَبِّحِ ٱسْمَ رَبِّكَ ٱلْأَعْلَى

Sabbihisma Rabbikal A'laa

87:1Prijs de naam van jouw Heer, de Hoogste.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De soera opent met een bevel dat tegelijk een eerbetoon is: prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste. Verheerlijking is geen loze klank maar gedenken, aanbidding en buigen voor Zijn majesteit — met hart én tong. En de Profeet ﷺ liet zien hoe: telkens als hij dit reciteerde, zei hij ‘Glorie aan mijn Heer, de Allerhoogste’, en hij maakte het tot deel van zijn neerwerping.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Allah, de Verhevene, gebiedt Hem te verheerlijken (tasbîh), wat Zijn gedenken, Zijn aanbidding, het zich buigen voor Zijn majesteit en de onderwerping aan Zijn grootheid omvat; en dat die verheerlijking de geweldigheid van Allah waardig is, doordat men Zijn Schone, Verheven Namen noemt — elke naam met zijn geweldige, verheven betekenis — en doordat men Zijn daden noemt.

Ibn Kathîr

Deze soera is in Mekka neergedaald. Het bewijs daarvoor is wat al-Bukhârî optekende van al-Barâ' ibn ‘Âzib, die zei: ‘De eersten van de metgezellen van de Profeet ﷺ die bij ons (in Medina) kwamen, waren Mus‘ab ibn ‘Umayr en Ibn Umm Maktûm, die ons de Koran onderwezen; daarna kwamen ‘Ammâr, Bilâl en Sa‘d; daarna kwam ‘Umar ibn al-Khattâb met twintig man; daarna kwam de Profeet ﷺ. Ik heb de mensen van Medina nergens zo blij om gezien als om zijn komst, tot ik zelfs de kinderen zag zeggen: dit is de Boodschapper van Allah, hij is gekomen. En hij kwam pas nadat ik [de soera] ‘Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste’ al had geleerd, naast soera’s als deze.’ In de twee Sahîh-werken staat vast dat de Boodschapper van Allah ﷺ tegen Mu‘âdh zei: ‘Waarom heb je niet (de mensen voorgegaan) met “Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste”, “Bij de zon en haar morgenlicht”, en “Bij de nacht wanneer hij bedekt”?’ Imâm Ahmad tekende van an-Nu‘mân ibn Bashîr op dat de Boodschapper van Allah ﷺ in de beide ‘Îd-gebeden ‘Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste’ (87) en ‘Is tot jou het bericht van de Overweldigende gekomen?’ (88) reciteerde; viel de ‘Îd op een vrijdag, dan reciteerde hij ze in beide gebeden. Ook Muslim leverde dit over, evenals Aboe Dâwûd, at-Tirmidhî, an-Nasâ'î en Ibn Mâdja. En in de Musnad van Imâm Ahmad is van Ubayy ibn Ka‘b, ‘Abdullâh ibn ‘Abbâs, ‘Abdur-Rahmân ibn Abzâ en de Moeder der gelovigen ‘Â'isha overgeleverd dat de Boodschapper van Allah ﷺ in het witr-gebed ‘Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste’, ‘Zeg: O jullie ongelovigen’ en ‘Zeg: Hij is Allah, de Enige’ reciteerde — ‘Â'isha voegde toe: en de twee toevluchtssoera’s (al-Falaq en an-Nâs). Het uitspreken van de tasbîh en het antwoord daarop. Imâm Ahmad tekende van Ibn ‘Abbâs op dat de Boodschapper van Allah ﷺ, telkens als hij ‘Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste’ reciteerde, zei: ‘Glorie aan mijn Heer, de Allerhoogste (Subhâna Rabbiya l-A‘lâ).’ Ibn Jarîr (at-Tabarî) tekende van Aboe Ishâq al-Hamdânî op dat Ibn ‘Abbâs, telkens als hij dit vers reciteerde, ‘Glorie aan mijn Heer, de Allerhoogste’ zei, en wanneer hij ‘Ik zweer bij de Dag der Opstanding’ (75:1) reciteerde tot het einde ervan — ‘Is Hij dan niet bij machte de doden tot leven te wekken?’ (75:40) — zei: ‘Glorie zij U, ja zeker.’ En Qatâda zei: ‘Ons is bericht dat de Profeet van Allah ﷺ, telkens als hij dit reciteerde, zei: Glorie aan mijn Heer, de Allerhoogste.’

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim merkt op dat Allah hier vier zaken noemt: het scheppen, het vervolmaken (taswiya), het bepalen van de maat (taqdîr) en de leiding (hidâya). Hij vervolmaakte Zijn schepping, maakte haar hecht en sterk, bepaalde vervolgens voor haar de oorzaken van haar belang in haar levensonderhoud en haar handelingen, en leidde haar daarheen; en de leiding is een vorm van onderricht. Zo berichtte Hij dat Hij het is die schiep en onderwees, net zoals Hij dat vermeldde aan het begin van de eerste soera die Hij op Zijn Boodschapper ﷺ neerzond. Dit komt overeen met Zijn woord, waarin Hij van Mûsâ vertelt dat deze tegen Fir‘awn zei: ‘Onze Heer is Hij die aan elk ding zijn schepping gaf en het daarna leidde’ (20:50) — en deze rang is de vroegste en meest algemene rang van de leiding. Over het vers ‘Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste’ zegt hij: dit is in werkelijkheid een bewijs tegen hen (die menen dat alleen de náám en niet de Benoemde wordt verheerlijkt), want de Profeet ﷺ volbracht dit bevel en zei ‘Glorie aan mijn Heer, de Allerhoogste’, en niet ‘Glorie aan de naam van mijn Heer’. Bovendien is het niemand van de gemeenschap toegestaan te zeggen: ik heb de naam van mijn Heer aanbeden, of: ik heb voor de naam van mijn Heer neergebogen — wat erop wijst dat de zaken verbonden zijn met de Benoemde, niet met de naam. Het ware antwoord is dat het werkelijke gedenken (dhikr) zijn plaats in het hart heeft, want het is het tegendeel van vergeten, en de tasbîh is een soort gedenken; Allah wilde echter van Zijn dienaren beide — gedenken met het hart én met de tong — en aanvaardde het geloof slechts bij hun samengaan. De betekenis is dus: prijs jouw Heer met je hart en je tong, en gedenk jouw Heer met je hart en je tong; het woord ‘naam’ is ingevoegd opdat het gedenken en de verheerlijking niet zonder uitspraak met de tong zouden blijven. Mijn leermeester Aboe l-‘Abbâs Ibn Taymiyya — moge Allah zijn ziel heiligen — verwoordde deze betekenis kort en fijn: ‘De betekenis is: verheerlijk Hem terwijl je de naam van jouw Heer uitspreekt’ — dat wil zeggen: ‘Prijs de naam van jouw Heer’ betekent: prijs jouw Heer terwijl je Zijn naam gedenkt. En deze vrucht weegt op tegen een hele reis — voor wie haar waarde kent.

﴿ ٢ ﴾

ٱلَّذِى خَلَقَ فَسَوَّىٰ

Allazee khalaqa fasawwaa

87:2Degene Die geschapen heeft en vervolmaakt.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Wie Hij is, blijkt uit wat Hij doet: Hij schiep — en vervolmaakte. Geen schepsel is half af of slordig gemaakt; alles is op de beste wijze in evenwicht gebracht. Het onevenwicht dat je soms ziet, is geen fout in Zijn werk, maar enkel waar Hij de vervolmaking niet gewild heeft.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Tot Zijn daden die genoemd worden, behoort dat Hij de schepselen schiep en hen vervolmaakte — dat wil zeggen: Hij maakte hun schepping hecht en bracht haar op de beste wijze tot stand.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘Hij die geschapen heeft en vervolmaakt’ betekent: Hij schiep de schepping en vervolmaakte elk schepsel in de beste gedaanten.

Ibn al-Qayyim

In zijn werk Shifâ' al-‘Alîl zegt Ibn al-Qayyim: Allah noemde vier algemene zaken — het scheppen, het vervolmaken, het bepalen van de maat en de leiding — en Hij maakte het vervolmaken tot voltooiing van het scheppen. ‘Atâ' zei: ‘Hij schiep en vervolmaakte’ betekent: Hij maakte het allerbeste wat Hij schiep; het bewijs daarvoor is Zijn woord ‘die alles wat Hij geschapen heeft, op de beste wijze maakte’ (32:7). Want de schoonheid van Zijn schepping omvat de vervolmaking ervan en de evenredigheid van haar delen, zodat er geen onevenwicht tussen hen optreedt dat de harmonie en het evenwicht verstoort: het scheppen is het tot bestaan brengen, en het vervolmaken is het hecht maken en het schoon scheppen ervan. Al-Kalbî zei: ‘Hij schiep elk levend wezen en bracht zijn schepping samen en vervolmaakte het met de twee handen, de twee ogen en de twee voeten.’ Muqâtil zei: ‘Hij schiep voor elk levend wezen wat het toekomt aan schepping.’ Aboe Ishâq zei: ‘Hij schiep de mens evenwichtig.’ Dit is bij wijze van voorbeeld; want in werkelijkheid omvatten het scheppen en het vervolmaken de mens én al het andere, zoals Allah zegt: ‘en bij een ziel en bij Wie haar vervolmaakte’ (91:7) en ‘en Hij vervolmaakte hen tot zeven hemelen’ (2:29). De vervolmaking omvat dus al Zijn schepselen: ‘Jij ziet in de schepping van de Erbarmer geen onevenwicht’ (67:3). En wat aan onevenwicht of gebrek aan vervolmaking gevonden wordt, gaat terug op het niet-geven van de vervolmaking aan het schepsel: want de vervolmaking is iets bestaands, verbonden met het bewerken en het voortbrengen, terwijl het ontbreken ervan slechts terugvoert op het niet-willen van de Schepper. Bedenk dit, want het neemt de moeilijkheid weg in Zijn woord ‘Jij ziet in de schepping van de Erbarmer geen onevenwicht’: het verschil ontstaat door het niet-willen van de vervolmaking — net zoals voor onwetendheid, doofheid, blindheid en stomheid het volstaat dat het scheppen en voortbrengen daarvan niet gewild is. Het besluit is dat elk schepsel door zijn Schepper, de Verhevene, vervolmaakt is in de rang van zijn schepping, ook al ontbreekt het de vervolmaking in een ander opzicht dat niet voor hem geschapen is.

﴿ ٣ ﴾

وَٱلَّذِى قَدَّرَ فَهَدَىٰ

Wallazee qaddara fahadaa

87:3En Degene Die de maat bepaald heeft en Die geleid heeft.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Hij liet de schepping niet aan het toeval over: Hij bepaalde de maat van alles, en leidde toen elk schepsel naar wat het in stand houdt. Het pasgeboren dier dat de tepel vindt, de bij die haar weg naar de bloemen en terug naar de korf kent — het is geen toeval, maar een leiding die alleen Allah in elk wezen heeft gelegd.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘En Hij die de maat bepaalde’ — een bepaling waaraan al het bepaalde gehoorzaamt; ‘en die leidde’ — daartoe leidde Hij al de schepselen. Dit is de algemene leiding, waarvan de inhoud is dat Hij elk schepsel geleid heeft naar wat in zijn belang is.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘en Hij die de maat bepaalde en leidde’. Mujâhid zei: ‘Hij leidde de mens naar ellende en naar geluk, en Hij leidde het vee naar zijn weidegronden.’ Dit vers is als Zijn woord, waarin Hij van Mûsâ vertelt dat deze tegen Fir‘awn zei: ‘Onze Heer is Hij die aan elk ding zijn schepping gaf en het daarna leidde’ (20:50) — dat wil zeggen: Hij bepaalde een maat en leidde de schepselen daarheen. Zo staat vast in Sahîh Muslim, van ‘Abdullâh ibn ‘Amr, dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Voorwaar, Allah heeft de maten van de schepselen bepaald vijftigduizend jaar voordat Hij de hemelen en de aarde schiep, en Zijn Troon was op het water.’

Ibn al-Qayyim

Over de bepaling van de maat en de leiding (in een eigen fasl) zegt Ibn al-Qayyim: Muqâtil zei: ‘Hij bepaalde de schepping van het mannelijke en het vrouwelijke, en leidde het mannetje naar het wijfje, hoe het tot haar moet komen.’ Ibn ‘Abbâs en al-Kalbî — en zo ook ‘Atâ' — zeiden: ‘Hij bepaalde van het nageslacht wat Hij wilde, en leidde toen het mannetje naar het wijfje.’ Al-Farrâ' zei: ‘Het bepalen, en Hij leidde en deed dwalen, en met de vermelding van het ene werd het andere bedoeld.’ Ibn al-Qayyim zegt: het vers is algemener dan dit alles, en het zwakste van de uitspraken erover is die van al-Farrâ', want hier is de algemene leiding van het levende wezen naar zijn belang in zijn levensonderhoud bedoeld, niet de leiding van het geloof en de dwaling naar Zijn wil. Het is als Zijn woord: ‘Onze Heer is Hij die aan elk ding zijn schepping gaf en het daarna leidde’ (20:50) — het geven van de schepping is het tot bestaan brengen ervan, en de leiding is het onderricht en de wijzing naar de weg van zijn voortbestaan en van wat het behoedt en in stand houdt. Wat Mujâhid noemde (leiding naar geluk en ellende), is een voorbeeld van hem, geen verklaring die het vers volledig dekt; want het vers omvat de leiding van het levende wezen in zijn geheel: het sprekende en het stomme, zijn vogels en zijn lastdieren. Zo ook is het: ‘Hij leidde het mannetje naar het wijfje’ slechts één enkel geval uit de gevallen van de leiding die alleen Allah kan tellen; en ‘Hij leidde het naar het weidegras’ behoort tot de leiding — zoals de leiding tot het grijpen van de tepel wanneer het uit de buik van zijn moeder komt, en de leiding tot het herkennen van zijn moeder en niemand anders zodat het haar volgt waarheen zij ook gaat, en de leiding naar het nastreven van wat het baat in het weidegras en niet wat het schaadt; en de leiding van de vogel, het wild en de lastdieren naar de wonderlijke daden die de mens niet vermag, zoals de leiding van de bij naar het gaan langs de wegen waarin haar weiden liggen, hoe verschillend ook, en haar terugkeer naar haar huizen in de bomen, de bergen en wat de mensen bouwen.

﴿ ٤ ﴾

وَٱلَّذِىٓ أَخْرَجَ ٱلْمَرْعَىٰ

Wallazeee akhrajal mar'aa

87:4Degene die het weidegras doet groeien.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Van de hemelse leiding daalt het beeld naar de aarde: Hij doet het weidegras uitkomen. Met één regen kleurt de aarde groen, en mens en dier eten ervan. Zelfs het gras onder je voeten is een gunst die je werd geschonken.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Vervolgens worden in de soera Zijn wereldse gunsten genoemd; daarom zei Hij: ‘En Hij die het weidegras doet uitkomen’ — dat wil zeggen: Hij zond uit de hemel water neer en deed daarmee de soorten van planten en het overvloedige kruid groeien, waarvan de mensen, het vee en alle dieren genieten.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘En Hij die het weidegras doet uitkomen’ betekent: van alle soorten planten en gewassen.

﴿ ٥ ﴾

فَجَعَلَهُۥ غُثَآءً أَحْوَىٰ

Faja'alahoo ghusaaa'an ahwaa

87:5En het daarna dor (en) zwart maakt.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Maar het groen blijft niet. Hetzelfde gras dat Hij liet opbloeien, maakt Hij dor en grauw — verbrijzeld, donker stro. Wie de levensloop van een grasspriet ziet, ziet de hele wereld: opkomen, bloeien, verdorren. Niets hier blijft.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Toen het kruid de jeugd had voltooid die voor hem bepaald was, verschrompelde Hij zijn groen en deed hij zijn loof verdorren: ‘en het daarna dor en grauw maakt’ — dat wil zeggen: zwart; Hij maakte het tot verbrijzeld, vergaan stro.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘en het daarna dor en grauw maakt’. Ibn ‘Abbâs zei: ‘Verdord en verkleurd.’ Van Mujâhid, Qatâda en Ibn Zayd is iets soortgelijks overgeleverd.

﴿ ٦ ﴾

سَنُقْرِئُكَ فَلَا تَنسَىٰٓ

Sanuqri'uka falaa tansaaa

87:6Wij zullen (de Koran) aan jou voordragen en jij zult (hem) niet vergeten.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Na de vergankelijke aarde komt de gunst die wél blijft: ‘Wij zullen jou laten reciteren, en jij zult niet vergeten.’ Tegen een ongeletterde Profeet ﷺ is dit een geweldige belofte — Allah Zelf bewaart de openbaring in zijn hart. Het gras verdort; het Woord wordt bewaard.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

In de soera worden ook Zijn gunsten van het geloof genoemd; daarom toonde Allah Zijn gunst met de grondslag en de bron ervan, namelijk de Koran, en zei: ‘Wij zullen jou laten reciteren, en jij zult niet vergeten’ — dat wil zeggen: Wij zullen wat Wij jou uit het Boek geopenbaard hebben bewaren en in jouw hart vastleggen, zodat jij er niets van vergeet. Dit is een geweldige verkondiging van Allah aan Zijn dienaar en boodschapper Mohammed ﷺ, namelijk dat Allah hem een kennis zal onderwijzen die hij niet zal vergeten.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘Wij zullen jou laten reciteren’ — dat wil zeggen: o Mohammed — ‘zodat jij niet vergeet’. Dit is een bericht van Allah, machtig en verheven, en een belofte van Hem aan hem (de Profeet ﷺ), dat Hij hem een recitatie zal laten reciteren die hij niet zal vergeten.

﴿ ٧ ﴾

إِلَّا مَا شَآءَ ٱللَّهُ ۚ إِنَّهُۥ يَعْلَمُ ٱلْجَهْرَ وَمَا يَخْفَىٰ

Illaa maa shaaa'al laah; innahoo ya'lamul jahra wa maa yakhfaa

87:7Behalve wat Allah wil. Voorwaar, Hij kent het openlijke en het verborgene.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De belofte krijgt één uitzondering: behalve wat Allah wil. Zelfs het bewaren van de openbaring blijft volledig in Zijn hand — niets ontsnapt aan Zijn beschikking. En de grond daarvan is dat Hij alles kent, het openlijke én het verborgene; daarom weet alleen Hij wat Zijn dienaren werkelijk ten goede komt.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘Behalve wat Allah wil’ — namelijk datgene wat Zijn wijsheid vereiste dat Hij jou zou laten vergeten, omwille van een belang en een verstrekkende wijsheid. ‘Voorwaar, Hij kent het openlijke en wat verborgen is’ — en daartoe behoort dat Hij weet wat Zijn dienaren ten goede komt; daarom schrijft Hij voor wat Hij wil en oordeelt Hij zoals Hij wil.

Ibn Kathîr

‘Behalve wat Allah wil’ — dit is de keuze van Ibn Jarîr. Qatâda zei: ‘De Profeet ﷺ vergat niets, behalve wat Allah wilde.’ Er is ook gezegd dat de bedoeling van ‘zodat jij niet vergeet’ een bevel is, en zij maakten de betekenis van de uitzondering op deze opvatting tot dat wat door afschaffing (naskh) wordt opgeheven, dat wil zeggen: vergeet niet wat Wij jou laten reciteren, behalve wat Allah wil opheffen; dan rust er op jou geen verwijt dat je het loslaat. En Zijn woord ‘Voorwaar, Hij kent het openlijke en wat verborgen is’ betekent: Hij kent wat de dienaren openlijk doen en wat zij verbergen aan hun woorden en daden; niets daarvan is voor Hem verborgen.

﴿ ٨ ﴾

وَنُيَسِّرُكَ لِلْيُسْرَىٰ

Wa nu-yassiruka lilyusraa

87:8En Wij zullen het gemakkelijke voor jou gemakkelijk maken.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

En na de belofte van het onthouden komt de belofte van het gemak: ‘Wij zullen het gemakkelijke voor jou gemakkelijk maken.’ De weg die de Profeet ﷺ moest gaan, en de wet die hij bracht, werden licht gemaakt — recht en mild, zonder kromheid of last.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘En Wij zullen het gemakkelijke voor jou gemakkelijk maken’ — dit is opnieuw een blijde aankondiging: dat Allah Zijn boodschapper ﷺ het gemakkelijke vergemakkelijkt in al zijn zaken, en zijn wet en zijn godsdienst gemakkelijk maakt.

Ibn Kathîr

Zijn woord, de Verhevene: ‘En Wij zullen het gemakkelijke voor jou gemakkelijk maken’ betekent: Wij maken voor jou de daden van het goede en zijn woorden gemakkelijk, en Wij schrijven voor jou een wet voor die gemakkelijk, mild, recht en rechtvaardig is, waarin geen kromheid, benauwenis of moeite is.

﴿ ٩ ﴾

فَذَكِّرْ إِن نَّفَعَتِ ٱلذِّكْرَىٰ

Fazakkir in nafa'atizzikraa

87:9Vermaan daarom, als de Vermaning (hun) baat.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Na al deze gunsten volgt de opdracht: vermaan. Maar met wijsheid — zolang de vermaning baat. Niet elk hart is op elk moment ontvankelijk; de waarheid wordt gebracht waar zij vrucht draagt. Daarin ligt een fijngevoeligheid in het verspreiden van kennis: spreek de mensen aan op wat hen werkelijk bereikt.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘Vermaan dan’ — met de wet van Allah en Zijn tekenen — ‘als de vermaning baat’; dat wil zeggen: zolang de vermaning aanvaard wordt en de waarschuwing gehoor vindt, of nu de hele bedoeling van de vermaning bereikt wordt of een deel ervan. Uit het begrip van het vers volgt dat als de vermaning niet baat — doordat het vermanen het kwaad zou vermeerderen of het goede zou verminderen — je er niet toe geboden bent, maar er juist van weerhouden. Want wat de vermaning betreft, verdelen de mensen zich in twee groepen: zij die er baat bij hebben en zij die er geen baat bij hebben.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘Vermaan dan, als de vermaning baat’ betekent: vermaan daar waar de vermaning baat. Hieruit wordt de gepastheid afgeleid bij het verspreiden van kennis: men plaatst haar niet bij wie haar niet waardig is, zoals de leider der gelovigen ‘Alî — moge Allah tevreden over hem zijn — zei: ‘Jij vertelt geen volk een woord dat hun verstand niet bevat, of het wordt een verzoeking voor sommigen van hen.’ En hij zei: ‘Vertel de mensen wat zij kennen. Wilt u soms dat Allah en Zijn Boodschapper geloochend worden?’

﴿ ١٠ ﴾

سَيَذَّكَّرُ مَن يَخْشَىٰ

Sa yazzakkaru maiyakhshaa

87:10Wie (Allah) vreest zal zich laten vermanen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Wie zich láát vermanen, hangt af van wat er in het hart leeft: wie Allah vreest, neemt de vermaning aan. Want wie gelooft dat er een afrekening komt en daarvoor beducht is, hoort de waarschuwing pas echt; wie het Hiernamaals afdoet als toeval, blijft doof.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Wat hen betreft die er baat bij hebben, Allah noemde hen met Zijn woord: ‘Wie vreest, zal zich laten vermanen’ — namelijk wie Allah vreest; want het vrezen van Allah, de Verhevene, en het weten dat Hij de daden vergeldt, brengt de dienaar ertoe zich te onthouden van wat Allah haat en zich in te spannen voor het goede.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘Wie vreest, zal zich laten vermanen’ betekent: hij zal vermaning aanvaarden van wat jij — o Mohammed — overbrengt, namelijk hij wiens hart Allah vreest en weet dat hij Hem zal ontmoeten.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim merkt op: wie niet in het Hiernamaals gelooft, komt hooguit tot de uitspraak: ‘Dezen zijn een volk dat door de tijd getroffen werd, zoals anderen getroffen werden, en in de tijd is er altijd ellende en geluk geweest.’ Maar wie in het Hiernamaals gelooft en ervoor beducht is, hij is degene die baat heeft bij de tekenen en de vermaningen.

﴿ ١١ ﴾

وَيَتَجَنَّبُهَا ٱلْأَشْقَى

Wa yatajannabuhal ashqaa

87:11Maar de ellendige zal het vermijden.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Tegenover wie zich laat vermanen staat zijn spiegelbeeld: de ellendige wijkt uit, hij keert de vermaning de rug toe. Dezelfde woorden die de één behoeden, ontvlucht de ander — en zo kiest hij, zonder het te beseffen, voor wat erop volgt.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Wat hen betreft die er geen baat bij hebben, Allah noemde hen met Zijn woord: ‘Maar de ellendige zal het mijden’ — hij wendt zich af van de vermaning en keert haar de rug toe.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘Maar de ellendige zal het mijden’ — namelijk hij keert zich af van de vermaning en mijdt haar; dit is de tegenhanger van wie zich laat vermanen, en het leidt naar wat Allah daarop laat volgen: het binnentreden van het grote Vuur.

﴿ ١٢ ﴾

ٱلَّذِى يَصْلَى ٱلنَّارَ ٱلْكُبْرَىٰ

Allazee yaslan Naaral kubraa

87:12Degene die het grote Vuur binnengaat.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Waar de afkeer toe leidt, wordt nu zichtbaar: het grote Vuur. Niet zomaar een straf, maar een vuur dat tot in de harten reikt — en waaruit geen ontkomen is, want op de roep om een einde klinkt het antwoord: jullie zullen blijven.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘Hij die het grote Vuur binnengaat’ — en dat is het aangestoken Vuur dat tot in de harten reikt.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘die het grote Vuur binnengaat’ — Allah beschreef het als het gróte Vuur, en Hij heeft over de bewoners van het Vuur bericht dat zij roepen: ‘O Mâlik, laat jouw Heer een einde aan ons maken!’ — Hij zegt: ‘Jullie zullen blijven’ (43:77).

﴿ ١٣ ﴾

ثُمَّ لَا يَمُوتُ فِيهَا وَلَا يَحْيَىٰ

Summa laa yamootu feehaa wa laa yahyaa

87:13Hij zal dan daarin niet sterven en niet leven.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De zwaarste straf wordt niet de dood, maar het uitblijven ervan: daarin niet sterven en niet leven. Geen rust van het sterven, geen leven dat baat — alleen het voortdurend voelen van de pijn. Het is een leven dat geen leven is, omdat de mens niet het ware leven leefde waarvoor hij geschapen werd.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘Hij zal dan daarin niet sterven en niet leven’ — dat wil zeggen: hij wordt met een pijnlijke bestraffing gekweld, zonder rust en zonder verademing, zozeer dat zij de dood wensen maar die niet verkrijgen; zoals Allah, de Verhevene, zegt: ‘Het wordt niet over hen beslist zodat zij sterven, en niets van zijn bestraffing wordt voor hen verlicht’ (35:36).

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘Hij zal dan daarin niet sterven en niet leven’ betekent: hij sterft niet zodat hij rust zou krijgen, en hij leeft geen leven dat hem baat; integendeel, het is schadelijk voor hem, want daardoor voelt hij de pijnlijke bestraffing en de soorten foltering waarmee hij gestraft wordt. Imâm Ahmad tekende van Aboe Sa‘îd op dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Wat de bewoners van het Vuur betreft die er de eigenlijke bewoners van zijn: zij sterven daarin niet en leven niet. Maar er zijn mensen voor wie Allah barmhartigheid wil; Hij doet hen in het Vuur sterven, en dan komen de voorsprekers tot hen, en een man neemt zijn groepen en plant hen uit — of hij zei: zij worden geplant — in de rivier van al-Hayâ (of hij zei: al-Hayât, of al-Hayawân, of de rivier van het Paradijs), en zij ontspruiten zoals het zaad ontspruit op het slib dat de stroom meevoert.’ Toen zei de Profeet ﷺ: ‘Hebben jullie de boom niet gezien die groen is, dan geel wordt, dan weer groen?’ Aboe Sa‘îd zei: sommige aanwezigen zeiden: ‘Het is alsof de Profeet ﷺ in de woestijn had geleefd (om zijn natuurbeelden).’ Ahmad tekende ook van Aboe Sa‘îd op dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Wat de bewoners van het Vuur betreft die er de eigenlijke bewoners van zijn: zij sterven daarin niet en leven niet. Maar er is een groep mensen die het Vuur treft om hun zonden — of hij zei: om hun fouten — en het doet hen sterven, totdat zij verkoold zijn; dan wordt de voorspraak toegestaan, en zij worden groep na groep gebracht en uitgestrooid over de rivieren van het Paradijs. Dan wordt gezegd: O bewoners van het Paradijs, giet over hen uit. En zij ontspruiten zoals het zaad ontspruit op het slib dat de stroom meevoert.’ Een man van de aanwezigen zei: ‘Het is alsof de Boodschapper van Allah ﷺ in de woestijn had geleefd.’ Ook Muslim leverde deze hadith over.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim verklaart: de vergelding is van dezelfde soort als de daad. Omdat hij in dit wereldse leven niet het nuttige, werkelijke leven leefde waarvoor hij geschapen was — zijn leven was eerder als het leven van het vee — maar tegelijk geen dode was zonder waarneming, daarom is zijn leven in het Hiernamaals net zo. Want het oogmerk van het leven is het verkrijgen van wat baat en wat genot schenkt, en de levende kan niet zonder genot of pijn; krijgt hij geen genot, dan krijgt hij niet het oogmerk van het leven — zoals iemand die in deze wereld leeft maar door zware ziekten verhinderd wordt te genieten van wat de gezonden genieten: hij verkiest de dood en wenst hem, maar verkrijgt hem niet, en zo is hij niet bij de levenden en niet bij de doden. Heb je dit begrepen, dan is het kwaad een gevolg van dit leven, en het ontbreken ervan is een kwaad — en het ontbreken is niet iets dat geschapen zou kunnen worden, terwijl Allah de Schepper van elk ding is. Houdt Hij dit leven van een dienaar terug, dan is dat terughouden goed in verhouding tot Hem, de Verhevene, ook al is het een kwaad in verhouding tot de dienaar wegens het verlies van wat genot en welbehagen schenkt; want de slechtheden komen voort uit de aard van de ziel, en zij werd niet voorzien van dit leven dat tussen haar en die slechtheden zou staan. Zo komt het kwaad geheel uit de ziel en het goede geheel van Allah, en het geheel is door Zijn beschikking, Zijn voorbeschikking en Zijn wijsheid. En bij Allah ligt de geslaagdheid.

Arabische grondtekst & bron — verzen 1-13

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-A'lâ · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-A'lâ 1–13 · Sahîh al-Bukhârî (al-Barâ' ibn ‘Âzib) · Sahîh Muslim (‘Abdullâh ibn ‘Amr; Aboe Sa‘îd al-Khudrî) · Imâm Ahmad · Aboe Dâwûd · at-Tirmidhî · an-Nasâ'î · Ibn Mâdja · at-Tabarî · (an-Nu‘mân ibn Bashîr · Ubayy ibn Ka‘b · Ibn ‘Abbâs · ‘Â'isha · ‘Alî · Qatâda · Mujâhid).

تَفْسِيرُ سُورَةِ سَبِّحْ وَهِيَ مَكِّيَّةٌ. وَالدَّلِيلُ عَلَى ذَلِكَ مَا رَوَاهُ الْبُخَارِيُّ: حَدَّثَنَا عَبْدَانُ: أَخْبَرَنِي أَبِي، عَنْ شُعْبَةَ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنِ الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ قَالَ: أَوَّلُ مَنْ قَدِمَ عَلَيْنَا مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ ﷺ مُصْعَبُ بْنُ عُمَيْرٍ وَابْنُ أُمِّ مَكْتُومٍ، فَجَعَلَا يُقْرِئَانِنَا الْقُرْآنَ. ثُمَّ جَاءَ عَمَّارٌ وَبِلَالٌ وَسَعْدٌ. ثُمَّ جَاءَ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ فِي عِشْرِينَ. ثُمَّ جَاءَ النَّبِيُّ ﷺ فَمَا رَأَيْتُ أَهْلَ الْمَدِينَةِ فَرِحُوا بِشَيْءٍ فَرَحَهُمْ بِهِ، حَتَّى رَأَيْتُ الْوَلَائِدَ وَالصِّبْيَانَ يَقُولُونَ: هَذَا رَسُولُ اللَّهِ قَدْ جَاءَ، فَمَا جَاءَ حَتَّى قَرَأْتُ: " سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى " فِي سُوَرٍ مِثْلِهَا [[صحيح البخاري برقم (٤٩٤١) .]] . وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا وَكِيع، حَدَّثَنَا إِسْرَائِيلُ، عَنْ ثُوَيْر بْنِ أَبِي فاختَةَ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ عَلِيٍّ قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ يُحِبُّ هَذِهِ السُّورَةَ: " سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى " تَفَرَّدَ بِهِ أَحْمَدُ [[المسند (١/٩٦١) وقال الهيثمي في المجمع (٧/١٣٦) : "فيه ثوير بن أبي فاختة وهو متروك".]] . وَثَبَتَ فِي الصَّحِيحَيْنِ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ لِمُعَاذٍ: "هَلَّا صَلّيت بِسَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الْأَعْلَى، وَالشَّمْسِ وَضُحَاهَا، وَاللَّيْلِ إِذَا يَغْشَى" [[صحيح البخاري برقم (٥٠٧) وصحيح مسلم برقم (٤٦٥) .]] . وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا سُفْيَانُ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ بْنِ مُحَمَّدِ بْنِ الْمُنْتَشِرِ، عن أبيه، عن حبيب بن سالم، عن أَبِيهِ، عَنِ النُّعْمَانِ بْنِ بَشِيرٍ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَرَأَ فِي الْعِيدَيْنِ بِ " سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى " وَ " هَلْ أَتَاكَ حَدِيثُ الْغَاشِيَةِ " وَإِنْ وَافَقَ يَوْمَ الْجُمُعَةِ قَرَأَهُمَا جَمِيعًا [[المسند (٤/٢٧١)]] . هَكَذَا وَقَعَ فِي مُسْنَدِ الْإِمَامِ أَحْمَدَ إِسْنَادُ هَذَا الْحَدِيثِ. وَقَدْ رَوَاهُ مُسْلِمٌ-فِي صَحِيحِهِ-وَأَبُو دَاوُدَ وَالتِّرْمِذِيُّ وَالنَّسَائِيُّ، من حديث أبو عَوَانة وَجَرِيرٍ وَشُعْبَةَ، ثَلَاثَتُهُمْ عَنْ إِبْرَاهِيمَ بْنِ مُحَمَّدِ بْنِ الْمُنْتَشِرِ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ حَبِيبِ بْنِ سَالِمٍ، عَنِ النُّعْمَانِ بْنِ بَشِيرٍ، بِهِ [[صحيح مسلم برقم (٨٧٨) وسنن أبي داود برقم (١١٢٢) وسنن الترمذي برقم (٥٣٣) وسنن النسائي (٣/١١٢) .]] قَالَ التِّرْمِذِيُّ: "وَكَذَا رَوَاهُ الثَّوْرِيُّ وَمِسْعَرٌ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ-قَالَ: وَرَوَاهُ سُفْيَانُ بْنُ عُيَيْنَةَ عَنْ إِبْرَاهِيمَ-عَنْ أَبِيهِ، عَنْ حَبِيبِ بْنِ سَالِمٍ، عَنْ أَبِيهِ، عَنِ النُّعْمَانِ. وَلَا يُعْرَفُ لِحَبِيبٍ رِوَايَةٌ عَنْ أَبِيهِ". وَقَدْ رَوَاهُ ابْنُ مَاجَهْ عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ الصَّبَّاحِ، عَنْ سُفْيَانَ بْنِ عُيَيْنَةَ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ بْنِ الْمُنْتَشِرِ، عَنْ أَبِيهِ عَنْ حَبِيبِ بْنِ سَالِمٍ، عَنِ النُّعْمَانِ بِهِ [[سنن ابن ماجة برقم (١٢٨١) .]] كما رواه الجماعة، والله أعلم. وَلَفْظُ مُسْلِمٍ وَأَهْلِ السُّنَنِ: كَانَ يَقْرَأُ فِي الْعِيدَيْنِ وَيَوْمِ الْجُمُعَةِ بِ " سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى " وَ " هَلْ أَتَاكَ حَدِيثُ الْغَاشِيَةِ " وَرُبَّمَا اجْتَمَعَا فِي يَوْمٍ وَاحِدٍ فَقَرَأَهُمَا. وَقَدْ رَوَى الْإِمَامُ أَحْمَدُ فِي مُسْنَدِهِ مِنْ حَدِيثِ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ، وَعَبْدِ اللَّهِ بْنِ عَبَّاسٍ، وَعَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ أبْزَى، وَعَائِشَةَ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عليه وسلم كان يَقْرَأُ فِي الْوِتْرِ بِ " سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى " وَ " قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ " وَ " قُلْ هُوَ اللَّهُ أَحَدٌ " -زَادَتْ عَائِشَةُ: وَالْمُعَوِّذَتَيْنِ [[حديث أبي بن كعب في المسند (٥/١٢٣) وحديث ابن عباس في المسند (١/٢٩٩) وحديث ابن أبزى في المسند (٣/٤٠٦) وحديث عائشة في المسند (٦/٢٢٧) .]] . وَهَكَذَا رُوي هَذَا الْحَدِيثُ-مِنْ طَرِيقِ-جَابِرٍ وَأَبِي أُمَامَةَ صُدَيّ بْنِ عَجْلَانَ، وَعَبْدِ اللَّهِ بْنِ مَسْعُودٍ، وَعُمْرَانَ بْنِ حُصَيْنٍ، وَعَلِيِّ بْنِ أَبِي طَالِبٍ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمْ [[وقد توسع الحافظ ابن حجر في ذكر طرق هذا الحديث والكلام عليها في كتابه تلخيص الحبير (٢/١٩) .]] وَلَوْلَا خَشْيَةُ الْإِطَالَةِ لَأَوْرَدْنَا مَا تَيَسَّرَ مِنْ أَسَانِيدَ ذَلِكَ وَمُتُونِهِ وَلَكِنْ فِي الْإِرْشَادِ بِهَذَا الِاخْتِصَارِ كِفَايَةٌ، وَاللَّهُ أَعْلَمُ. بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ * * قَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا أَبُو عَبْدِ الرَّحْمَنِ، حَدَّثَنَا مُوسَى-يَعْنِي ابْنَ أَيُّوبَ الْغَافِقِيَّ-حَدَّثَنَا عَمِّي إِيَاسُ بْنُ عَامِرٍ، سَمِعْتُ عُقْبَةَ بْنَ عَامِرٍ الْجُهَنِيَّ لَمَّا نَزَلَتْ: ﴿فَسَبِّحْ بِاسْمِ رَبِّكَ الْعَظِيمِ﴾ [الْوَاقِعَةِ:٧٤، ٩٦] قَالَ لَنَا رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "اجْعَلُوهَا فِي رُكُوعِكُمْ". فَلَمَّا نَزَلَتْ: ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى﴾ قَالَ: "اجْعَلُوهَا فِي سُجُودِكُمْ". وَرَوَاهُ أَبُو دَاوُدَ وَابْنُ مَاجَهْ، مِنْ حَدِيثِ ابْنِ الْمُبَارَكِ، عَنْ مُوسَى بْنِ أَيُّوبَ، بِهِ [[المسند (٤/١٥٥) وسنن أبي داود برقم (٨٦٩) وسنن ابن ماجة برقم (٨٨٧) .]] . وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا وَكِيع، حَدَّثَنَا إِسْرَائِيلُ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ مُسْلِمٍ البَطين، عَنْ سَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ صَلَّى الله عليه وسلم كَانَ إِذَا قَرَأَ: ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى﴾ قَالَ: "سُبْحَانَ رَبِّي الْأَعْلَى". وَهَكَذَا رَوَاهُ أَبُو دَاوُدَ عَنْ زُهَير بْنِ حَرْبٍ، عَنْ وَكِيعٍ، به [[المسند (١/٢٣٢) وسنن أبي داود برقم (٨٨٣) .]] وقال: "خولف فيه وكيع، رَوَاهُ أَبُو وَكِيعٍ وَشُعْبَةُ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ سَعِيدٍ، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ، مَوْقُوفًا". وَقَالَ الثَّوْرِيُّ، عَنِ السُّدِّيِّ، عَنْ عَبْدِ خَيْرٍ قَالَ: سَمِعْتُ عَلِيًّا قَرَأَ [[في أ: "يقرأ".]] ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى﴾ فَقَالَ: سُبْحَانَ رَبِّيَ الْأَعْلَى. وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنَا ابْنُ حُمَيد، حَدَّثَنَا حَكَّام عَنْ عَنْبَسة، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ الهَمْداني: أَنَّ ابْنَ عَبَّاسٍ كَانَ إِذَا قَرَأَ: ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى﴾ يَقُولُ: سُبْحَانَ رَبِّيَ الْأَعْلَى، وَإِذَا قَرَأَ: ﴿لَا أُقْسِمُ بِيَوْمِ الْقِيَامَةِ﴾ [الْقِيَامَةِ:١] فَأَتَى عَلَى آخِرِهَا: ﴿أَلَيْسَ ذَلِكَ بِقَادِرٍ عَلَى أَنْ يُحْيِيَ الْمَوْتَى﴾ [الْقِيَامَةِ:٤٠] يَقُولُ: سُبْحَانَكَ وَبَلَى [[تفسير الطبري (٣٠/٩٦) .]] . وَقَالَ قَتَادَةُ: ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى﴾ ذُكِرَ لَنَا أَنَّ نَبِيّ اللَّهِ ﷺ كَانَ إِذَا قَرَأَهَا، قَالَ: "سُبْحَانَ رَبِّيَ الْأَعْلَى". * * وَقَوْلُهُ: ﴿الَّذِي خَلَقَ فَسَوَّى﴾ أَيْ: خَلَقَ الْخَلِيقَةَ وسَوّى كُلَّ مَخْلُوقٍ فِي أَحْسَنِ الْهَيْئَاتِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَالَّذِي قَدَّرَ فَهَدَى﴾ قَالَ مُجَاهِدٌ: هَدَى الْإِنْسَانَ لِلشَّقَاوَةِ وَالسَّعَادَةِ، وَهَدَى الْأَنْعَامَ لِمَرَاتِعِهَا. وَهَذِهِ الْآيَةُ كَقَوْلِهِ تَعَالَى إِخْبَارًا عَنْ مُوسَى أَنَّهُ قَالَ لِفِرْعَوْنَ: ﴿رَبُّنَا الَّذِي أَعْطَى كُلَّ شَيْءٍ خَلْقَهُ ثُمَّ هَدَى﴾ [طه:٥] أَيْ: قَدَّرَ قَدْرًا، وَهَدَى الْخَلَائِقَ إِلَيْهِ، كَمَا ثَبَتَ فِي صَحِيحِ مُسْلِمٍ، عَنْ عَبْدِ الله ابن عَمرو: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ: "إِنَّ اللَّهَ قَدَّر مَقَادِيرَ الْخَلَائِقِ قَبْلَ أَنْ يَخْلُقَ السَّمَوَاتِ وَالْأَرْضَ بِخَمْسِينَ أَلْفَ سَنَةٍ، وَكَانَ عَرْشُهُ عَلَى الْمَاءِ" [[صحيح مسلم برقم (٢٦٥٣) .]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَالَّذِي أَخْرَجَ الْمَرْعَى﴾ أَيْ: مِنْ جَمِيعِ صُنُوفِ النَّبَاتَاتِ وَالزُّرُوعِ، ﴿فَجَعَلَهُ غُثَاءً أَحْوَى﴾ قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: هَشِيمًا مُتَغَيِّرًا. وَعَنْ مُجَاهِدٍ، وَقَتَادَةَ، وَابْنِ زَيْدٍ، نَحْوُهُ. قَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: وَكَانَ بَعْضُ أَهْلِ الْعِلْمِ بِكَلَامِ الْعَرَبِ [[في أ: "بكلام العربية".]] يَرَى أَنَّ ذَلِكَ مِنَ الْمُؤَخَّرِ الَّذِي مَعْنَاهُ التَّقْدِيمُ، وَأَنَّ مَعْنَى الْكَلَامِ: وَالَّذِي أَخْرَجَ الْمَرْعَى أَحَوَى، أَيْ: أَخْضَرُ إِلَى السَّوَادِ، فَجَعَلَهُ غُثَاءً بَعْدَ ذَلِكَ. ثُمَّ قَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: وَهَذَا وَإِنْ كَانَ مُحْتَمَلًا إِلَّا أَنَّهُ غَيْرُ صَوَابٍ؛ لِمُخَالَفَتِهِ أَقْوَالَ أَهْلِ التَّأْوِيلِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿سَنُقْرِئُكَ﴾ أَيْ: يَا مُحَمَّدُ ﴿فَلا تَنْسَى﴾ وَهَذَا إِخْبَارٌ مِنَ اللَّهِ، عَزَّ وَجَلَّ، وَوَعْدٌ مِنْهُ لَهُ، بِأَنَّهُ سَيُقْرِئُهُ قِرَاءَةً لَا يَنْسَاهَا، ﴿إِلا مَا شَاءَ اللَّهُ﴾ وَهَذَا اخْتِيَارُ ابْنِ جَرِيرٍ. وَقَالَ قَتَادَةُ: كَانَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ لَا يَنْسَى شَيْئًا إِلَّا مَا شَاءَ اللَّهُ. وَقِيلَ: الْمُرَادُ بِقَوْلِهِ: ﴿فَلا تَنْسَى﴾ طَلَبٌ، وَجَعَلُوا مَعْنَى الِاسْتِثْنَاءِ عَلَى هَذَا ما يقع من النَّسْخِ، أَيْ: لَا تَنْسَى مَا نُقْرِئُكَ إِلَّا مَا شَاءَ اللَّهُ رَفْعَهُ؛ فَلَا عَلَيْكَ أَنْ تَتْرُكَهُ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِنَّهُ يَعْلَمُ الْجَهْرَ وَمَا يَخْفَى﴾ أَيْ: يَعْلَمُ مَا يَجْهَرُ بِهِ الْعِبَادُ وَمَا يُخْفُونَهُ مِنْ أَقْوَالِهِمْ وَأَفْعَالِهِمْ، لَا يَخْفَى عَلَيْهِ مِنْ ذَلِكَ شَيْءٌ. * * وَقَوْلُهُ تَعَالَى: ﴿وَنُيَسِّرُكَ لِلْيُسْرَى﴾ أَيْ: نُسَهِّلُ عَلَيْكَ أَفْعَالَ الْخَيْرِ وَأَقْوَالَهُ، وَنُشَرِّعُ لَكَ شَرْعًا سَهْلًا سَمْحًا مُسْتَقِيمًا عَدْلًا لَا اعْوِجَاجَ فِيهِ وَلَا حَرَجَ وَلَا عُسْرَ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿فَذَكِّرْ إِنْ نَفَعَتِ الذِّكْرَى﴾ أَيْ: ذكِّر حَيْثُ تَنْفَعُ التَّذْكِرَةُ. وَمِنْ هَاهُنَا [[في م: "ومن هذا".]] يُؤْخَذُ الْأَدَبُ فِي نَشْرِ الْعِلْمِ، فَلَا يَضَعُهُ عِنْدَ غَيْرِ أَهْلِهِ، كَمَا قَالَ أَمِيرُ الْمُؤْمِنِينَ عَلِيٌّ، رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ: مَا أَنْتَ بمحدِّث قَوْمًا حَدِيثًا لَا تَبْلُغُهُ عُقُولُهُمْ إِلَّا كَانَ فِتْنَةً لِبَعْضِهِمْ. وَقَالَ: حَدِّثِ النَّاسَ بِمَا يَعْرِفُونَ، أَتُحِبُّونَ أَنْ يُكَذَّبَ اللَّهُ وَرَسُولُهُ؟! * * وَقَوْلُهُ: ﴿سَيَذَّكَّرُ مَنْ يَخْشَى﴾ أَيْ: سَيَتَّعِظُ بِمَا تُبَلِّغُهُ-يَا مُحَمَّدُ-مَنْ قَلْبُهُ يَخْشَى اللَّهَ وَيَعْلَمُ أَنَّهُ مُلَاقِيهِ، ﴿وَيَتَجَنَّبُهَا الأشْقَى الَّذِي يَصْلَى النَّارَ الْكُبْرَى ثُمَّ لَا يَمُوتُ فِيهَا وَلا يَحْيَا﴾ أَيْ: لَا يَمُوتُ فَيَسْتَرِيحُ وَلَا يَحْيَا حَيَاةً تَنْفَعُهُ، بَلْ هِيَ مُضِرَّةٌ عَلَيْهِ؛ لِأَنَّ بِسَبَبِهَا يَشْعُرُ مَا يُعَاقَبُ بِهِ مِنْ أَلِيمِ الْعَذَابِ، وَأَنْوَاعِ النَّكَالِ. قَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا ابْنُ أَبِي عَدِيٍّ، عَنْ سُلَيْمَانَ-يَعْنِي التَّيْمِيُّ-عَنْ أَبِي نَضْرَةَ، عَنْ أَبِي سَعِيدٍ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "أَمَّا أَهْلُ النَّارِ الَّذِينَ هُمْ أَهْلُهَا لَا [[في أ: "فإنهم لا".]] يَمُوتُونَ وَلَا يَحْيَوْنَ، وَأَمَّا أُنَاسٌ يُرِيدُ اللَّهُ بِهِمُ الرَّحْمَةَ فَيُمِيتُهُمْ فِي النَّارِ فَيَدْخُلُ عَلَيْهِمُ الشُّفَعَاءُ [[في أ: "الشفاعة".]] فَيَأْخُذُ الرَّجُلُ أَنْصَارَهُ فَيُنْبِتَهُمْ-أَوْ قَالَ: يَنْبُتُونَ-فِي نَهَرِ الْحَيَاءِ-أَوْ قَالَ: الْحَيَاةِ-أَوْ قَالَ: الْحَيَوَانِ-أَوْ قَالَ: نَهَرِ الْجَنَّةِ فَيَنْبُتُونَ-نَبَاتَ الحبَّة فِي حَمِيلِ السَّيْلِ". قَالَ: وَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: "أَمَا تَرَوْنَ الشَّجَرَةَ تَكُونُ خَضْرَاءَ، ثُمَّ تَكُونُ صَفْرَاءَ أَوْ قَالَ: تَكُونُ صَفْرَاءَ ثُمَّ تَكُونُ خَضْرَاءَ؟ ". قَالَ: فَقَالَ بَعْضُهُمْ: كَأَنَّ النَّبِيَّ ﷺ كَانَ بِالْبَادِيَةِ [[المسند (٣/٥) .]] . وَقَالَ أَحْمَدُ أَيْضًا: حَدَّثَنَا إِسْمَاعِيلُ، حَدَّثَنَا سَعِيدُ بْنُ يَزِيدَ، عَنْ أَبِي نَضْرَةَ، عَنْ أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "أَمَّا أَهْلُ النَّارِ الَّذِينَ هُمْ أَهْلُهَا، فَإِنَّهُمْ لَا يَمُوتُونَ فِيهَا وَلَا يَحْيَوْنَ، وَلَكِنْ أُنَاسٌ-أَوْ كَمَا قَالَ-تُصِيبُهُمُ النَّارُ بِذُنُوبِهِمْ-أَوْ قَالَ: بِخَطَايَاهُمْ-فَيُمِيتُهُمْ إِمَاتَةً، حَتَّى إِذَا صَارُوا فَحْمًا أُذِنَ فِي الشَّفَاعَةِ، فَجِيءَ بِهِمْ ضَبَائِرَ ضَبَائِرَ، فَنَبَتُوا عَلَى أَنْهَارِ الْجَنَّةِ، فَيُقَالُ: يَا أَهْلَ الْجَنَّةِ، اقْبِضُوا عَلَيْهِمْ. فَيَنْبُتُونَ نَبَاتَ الْحَبَّةِ تَكُونُ فِي حَمِيلِ السَّيْلِ". قَالَ: فَقَالَ رَجُلٌ مِنَ الْقَوْمِ حِينَئِذٍ: كَانَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ كَانَ بِالْبَادِيَةِ. وَرَوَاهُ مُسْلِمٌ فِي حَدِيثِ بِشْرِ بْنِ الْمُفَضَّلِ [[في أ: "الفضل".]] وَشُعْبَةَ، كِلَاهُمَا عَنْ أَبِي مَسْلَمة سَعِيدِ بْنِ زيد، به مِثْلَهُ [[المسند (٣/١١) وصحيح مسلم برقم (١٨٥) .]] وَرَوَاهُ أَحْمَدُ أَيْضًا عَنْ يَزِيدَ، عَنْ سَعِيدِ بْنِ إِيَاسٍ الْجُرَيْرِيُّ، عَنْ أَبِي نَضْرَةَ، عَنْ أَبِي سَعِيدٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: "إِنَّ أَهْلَ النَّارِ الَّذِينَ لَا يُرِيدُ اللَّهُ إِخْرَاجَهُمْ لَا يَمُوتُونَ فِيهَا وَلَا يَحْيَوْنَ، وَإِنَّ أَهْلَ النَّارِ الَّذِينَ يُرِيدُ اللَّهُ إِخْرَاجَهُمْ يُمِيتُهُمْ فِيهَا إِمَاتَةً، حَتَّى يَصِيرُوا فَحْمًا، ثُمَّ يَخْرُجُونَ ضَبَائِرَ فَيُلْقَوْنَ عَلَى أَنْهَارِ الْجَنَّةِ، أَوْ: يُرَشُّ [[في م: "فيرش".]] عَلَيْهِمْ مِنْ أَنْهَارِ الْجَنَّةِ فَيَنْبُتُونَ كَمَا تَنْبُتُ الحبَّة فِي حَمِيلِ السَّيْلِ" [[المسند (٣/٢٠) .]] . وَقَدْ قَالَ اللَّهُ إِخْبَارًا عَنْ أَهْلِ النَّارِ: ﴿وَنَادَوْا يَامَالِكُ لِيَقْضِ عَلَيْنَا رَبُّكَ قَالَ إِنَّكُمْ مَاكِثُونَ﴾ [الزُّخْرُفِ:٧٧] وَقَالَ تَعَالَى: ﴿لَا يُقْضَى عَلَيْهِمْ فَيَمُوتُوا وَلا يُخَفَّفُ عَنْهُمْ مِنْ عَذَابِهَا﴾ [فَاطِرٍ:٣٦] إِلَى غَيْرِ ذَلِكَ مِنَ الْآيَاتِ فِي هَذَا الْمَعْنَى.

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-A'lâ 1–3, 10, 13 (fusûl uit zijn tafsir-compilatie; o.a. Shifâ' al-‘Alîl bij ‘schiep en vormde / bepaalde de maat en leidde’ en de taalkundige uitwerking van ‘Prijs de naam van jouw Heer’ met een fâ'ida van Shaykh al-Islâm Ibn Taymiyya; over wie baat heeft bij de vermaning; en over ‘daarin niet sterven en niet leven’).

ذكر أمورا أربعة: الخلق والتسوية والتَّقْدِير والهِدايَة. فسوى خلقه وأتقنه وأحكمه، ثمَّ قدر لَهُ أسباب مَصالِحه في معاشه وتقلباته وتصرفاته، وهداه إليها. والهِدايَة: تَعْلِيم فَذكر أنه الَّذِي خلق وعلم، كَما ذكر نَظِير ذَلِك في أول سُورَة أنزلها على رَسُوله ﷺ. وَقد تقدم ذَلِك. وَقالَ تَعالى حِكايَة عَن عدوه فِرْعَوْن أنه قالَ لمُوسى ﴿فَمن رَبكُما يا مُوسى قالَ رَبنا الَّذِي أعطى كل شَيْء خلقه ثمَّ هدى﴾ وَهَذِه المرتبَة أسبق مَراتِب الهِدايَة وأعمها. وقال في (شفاء العليل) ذكر سبحانه أربعة أمور عامة الخلق والتسوية والتقدير والهداية وجعل التسوية من تمام الخلق والهداية من تمام التقدير. قال عطاء "خلق فسوى أحسن ما خلقه وشاهده قوله تعالى: ﴿الَّذِي أحْسَنَ كُلَّ شَيْءٍ خَلَقَهُ﴾ فإحسان خلقه يتضمن تسويته وتناسب خلقه وأجزائه بحيث لم يحصل بينها تفاوت يخل بالتناسب والاعتدال فالخلق الإيجاد والتسوية إتقانه وإحسان خلقه" وقال الكلبي "خلق كل ذي روح فجمع خلقه وسواه باليدين والعينين والرجلين" وقال مقاتل" خلق لكل دابة ما يصلح لها من الخلق" وقال أبو إسحاق "خلق الإنسان مستويا" وهذا تمثيل وإلا فالخلق والتسوية شامل للإنسان وغيره قال تعالى: ﴿وَنَفْسٍ وما سَوّاها﴾ وقال: ﴿فَسَوّاهُنَّ سَبْعَ سَماوات﴾ فالتسوية شاملة لجميع مخلوقاته: ﴿ما تَرى في خَلْقِ الرَّحْمَنِ مِن تَفاوُتٍ﴾ وما يوجد من التفاوت وعدم التسوية فهو راجع إلى عدم إعطاء التسوية للمخلوق فإن التسوية أمر وجودي تتعلق بالتأثير والإبداع فما عدم منها فلعدم إرادة الخالق للتسوية وذلك أمر عدمي يكفي فيه عدم الإبداع والتأثير. فتأمل ذلك فإنه يزيل عنك الإشكال في قوله: ﴿ما تَرى في خَلْقِ الرَّحْمَنِ مِن تَفاوُتٍ﴾ فالتفاوت حاصل بسبب عدم مشيئة التسوية كما أن الجهل والصمم والعمى والخرس والبكم يكفي فيها عدم مشيئة خلقها وإيجادها وتمام هذا يأتي إن شاء الله في باب دخول الشر في القضاء عند قول النبي ﷺ: "والشر ليس إليك" والمقصود أن كل مخلوق فقد سواه خالقه سبحانه في مرتبة خلقه وإن فاتته التسوية من وجه آخر لم يخلق له. (فصل) وأما التقدير والهداية فقال مقاتل "قدر خلق الذكر والأنثى فهدى الذكر للأنثى كيف يأتيها" وقال ابن عباس والكلبي وكذلك قال عطاء "قدر من النسل ما أراد ثم هدى الذكر للأنثى" واختار هذا القول صاحب النظم فقال: "معنى هدى هداية الذكر لإتيان الأنثى كيف يأتيها" لأن إتيان ذكران الحيوان لإناثه مختلف لاختلاف الصور والخلق والهيآت، فلولا أنه سبحانه جبل كل ذكر على معرفة كيف يأتي أنثى جنسه لما اهتدى لذلك. وقال مقاتل أيضا: "هداه لمعيشته ومرعاه" وقال السدي: "قدر مدة الجنين في الرحم ثم هداه للخروج" وقال مجاهد: "هدى الإنسان لسبيل الخير والشر والسعادة والشقاوة" وقال الفراء: "التقدير فهدى وأضل فاكتفى من ذكر أحدهما بالآخر" قلت: الآية أعم من هذا كله وأضعف الأقوال فيها قول الفراء إذا المراد هاهنا الهداية العامة لمصالح الحيوان في معاشه ليس المراد هداية الإيمان والضلال بمشيئته. وهو نظير قوله: ﴿رَبُّنا الَّذِي أعْطى كُلَّ شَيْءٍ خَلْقَهُ ثُمَّ هَدى﴾ فإعطاء الخلق إيجاده في الخارج والهداية التعليم والدلالة على سبيل بقائه وما يحفظه ويقيمه. وما ذكر مجاهد فهو تمثيل منه لا تفسير مطابق للآية فإن الآية شاملة لهداية الحيوان كله ناطقه وبهيمه، طيره ودوابه، فصيحه وأعجمه. وكذلك قول من قال أنه هداية الذكر لإتيان الأنثى تمثيل أيضا وهو فرد واحد من أفراد الهداية التي لا يحصيها إلا الله. وكذلك قول من قال هداه للمرعى فإن ذلك من الهداية فإن الهداية إلى التقام الثدي عند خروجه من بطن أمه، والهداية إلى معرفته أمه دون غيرها حتى يتبعها أين ذهبت؟ والهداية إلى قصد ما ينفعه من المرعى دون ما يضره منه؟ وهداية الطير والوحش والدواب إلى الأفعال العجيبة التي يعجز عنها الإنسان كهداية النحل إلى سلوك السبل التي فيها مراعيها على تباينها ثم عودها إلى بيوتها من الشجر والجبال وما يغرس بنو آدم. ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلى﴾ وهذه الحجة عليهم في الحقيقة لأن النبي امتثل هذا الأمر وقال سبحان ربي الأعلى سبحان ربي العظيم ولو كان الأمر كما زعموا لقال سبحان اسم ربي العظيم ثم إن الأمة كلهم لا يجوز لأحد منهم أن يقول عبدت اسم ربي ولا سجدت لاسم ربي ولا ركعت لاسم ربي ولا باسم ربي ارحمني وهذا يدل على أن الأشياء متعلقة بالمسمى لا بالاسم وأما الجواب عن تعلق الذكر والتسبيح المأمور به بالاسم فقد قيل فيه إن التعظيم والتنزيه إذا وجب للمعظم فقد تعظم ما هو من سببه ومتعلق به كما يقال سلام على والباب السامي والمجلس الكريم ونحوه وهذا جواب غير مرض لوجهين أحدهما أن رسول الله ﷺ لم يفهم هذا المعنى وإنما قال سبحان ربي فلم يعرج على ما ذكرتموه. الثاني أنه يلزمه أن يطلق على الاسم التكبير والتحميد والتهليل وسائر ما يطلق على المسمى فيقال الحمد لاسم الله ولا إله إلا اسم الله ونحوه وهذا مما لم يقله أحد بل الجواب الصحيح أن الذكر الحقيقي محله القلب لأنه ضد النسيان والتسبيح نوع من الذكر فلو أطلق الذكر والتسبيح لما فهم منه إلا ذلك دون اللفظ باللسان والله تعالى أراد من عباده الأمرين جميعا ولم يقبل الإيمان وعقد الإسلام إلا باقترانهما واجتماعهما فصار معنى الآيتين سبح ربك بقلبك ولسانك واذكر ربك بقلبك ولسانك فأقحم الاسم تنبيها على هذا المعنى حتى لا يخلو الذكر والتسبيح من اللفظ باللسان لأن ذكر القلب متعلقه المسمى المدلول عليه بالاسم دون ما سواه. والذكر باللسان متعلقه اللفظ مع مدلوله، لأن اللفظ لا يراد لنفسه فلا يتوهم أحد أن اللفظ هو المسبح دون ما يدل عليه من المعنى وعبر لي شيخنا أبو العباس ابن تيمية قدس الله روحه عن هذا المعنى بعبارة لطيفة وجيزة فقال: "المعنى سبح ناطقا باسم ربك" متكلما به وكذا: ﴿ما تَعْبُدُونَ مِن دُونِهِ إلاّ أسْماءً سَمَّيْتُمُوها﴾، ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ﴾ المعنى سبح ربك ذاكرا اسمه وهذه الفائدة تساوي رحلة لكن لمن يعرف قدرها فالحمد لله المنان بفضله ونسأله تمام نعمته حجة ثالثة قالوا قال تعالى: ﴿ما تَعْبُدُونَ مِن دُونِهِ إلاّ أسْماءً سَمَّيْتُمُوها﴾ وإنما عبدوا مسمياتها. والجواب: أنه كما قلتم إنما عبدوا المسميات ولكن من أجل أنهم نحلوها أسماء باطلة كاللات والعزى وهي مجرد أسماء كاذبة باطلة لا مسمى لها في الحقيقة فإنهم سموها آلهة وعبدوها لاعتقادهم حقيقة الإلهية لها وليس لها من الألوهية إلا مجرد الأسماء لا حقيقة المسمى فما عبدوا إلا أسماء لا حقائق لمسمياتها وهذا كمن سمى قشور البصل لحما وأكلها فيقال ما أكلت من اللحم إلا اسمه لا مسماه وكمن سمى التراب خبزا وأكله يقال: ما أكلت إلا اسم الخبز بل هذا النفي أبلغ في آلهتهم فإنه لا حقيقة لإلهيتها بوجه وما الحكمة ثم إلا مجرد الاسم فتأمل هذه الفائدة الشريفة في كلامه تعالى. فإن قيل: فما الفائدة في دخول الباء في قوله: ﴿فَسَبِّحْ بِاسْمِ رَبِّكَ العَظِيمِ﴾ ولم تدخل في قوله: ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلى﴾؟ قيل التسبيح يراد به التنزيه والذكر المجرد دون معنى آخر ويراد به ذلك مع الصلاة وهو ذكر وتنزيه مع عمل ولهذا تسمى الصلاة تسبيحا فإذا أريد التسبيح المجرد فلا معنى للباء لأنه لا يتعدى بحرف جر لا تقول سبحت بالله وإذا أردت المقرون بالفعل وهو الصلاة أدخلت الباء تنبيها على ذلك المراد كأنك قلت سبح مفتتحا باسم ربك أو ناطقا باسم ربك كما تقول صل مفتتحا أو ناطقا باسمه ولهذا السر والله أعلم دخلت اللام في قوله تعالى ﴿سَبَّحَ لِلَّهِ ما في السَّماواتِ والأرْضِ﴾ والمراد التسبيح الذي هو السجود والخضوع والطاعة ولم يقل في موضع سبح الله ما في السماوات والأرض كما قال ﴿ولله يسجد من في السماوات والأرض﴾ [الرعد: ١٥] وتأمل قوله تعالى ﴿إن الذين عند ربك لا يستكبرون عن عبادته ويسبحونه وله يسجدون﴾ [الأعراف: ٢٠٦] فكيف قال ويسبحونه لما ذكر السجود باسمه الخاص فصار التسبيح ذكرهم له وتنزيههم إياه.

Verzen 14-19

﴿ ١٤ ﴾

قَدْ أَفْلَحَ مَن تَزَكَّىٰ

Qad aflaha man tazakkaa

87:14Hij die zich reinigt (van zijn zonden) zal waarlijk slagen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Na de waarschuwing klinkt de redding, en het werkwoord is veelzeggend: hij die zich reinigt slaagt. Slagen begint niet met bezit of macht, maar met een hart dat schoongemaakt wordt — van afgoderij, onrecht en lelijke trekken. Dat is, zoals de Profeet ﷺ het verklaarde, beginnen met de getuigenis van Allahs eenheid.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘Hij die zich reinigt zal waarlijk slagen’ — dat wil zeggen: hij heeft gewonnen en geslaagd die zijn ziel gezuiverd en gereinigd heeft van de afgoderij (shirk), het onrecht en de slechte karaktereigenschappen.

Ibn Kathîr

Allah, de Verhevene, zegt: ‘Hij die zich reinigt zal waarlijk slagen’ — dat wil zeggen: hij zuiverde zijn ziel van de verachtelijke eigenschappen en volgde wat Allah op Zijn Boodschapper ﷺ neerzond. De hâfiz Aboe Bakr al-Bazzâr leverde over van Jâbir ibn ‘Abdullâh, van de Profeet ﷺ, over ‘Hij die zich reinigt zal waarlijk slagen’: ‘Wie getuigt dat er geen god is dan Allah, de gelijken (aan Hem) verwerpt, en getuigt dat ik de Boodschapper van Allah ben.’ Daarna zei al-Bazzâr: het wordt van Jâbir alleen langs deze weg overgeleverd.

﴿ ١٥ ﴾

وَذَكَرَ ٱسْمَ رَبِّهِۦ فَصَلَّىٰ

Wa zakaras ma Rabbihee fasallaa

87:15En (ook) die de Naam van zijn Heer gedenkt en de shalât verricht.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Bij de reiniging hoort het gedenken en het gebed: en die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt. Het schone hart blijft niet leeg, maar wordt doortrokken van Allahs gedachtenis — en dat draagt vrucht in het gebed, de maatstaf van het geloof, in zijn vaste tijden verricht om Hem te behagen.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘En die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt’ — dat wil zeggen: hij is gekenmerkt door het gedenken van Allah, en zijn hart is daarmee doortrokken, zodat dit hem ertoe bracht te handelen naar wat Allah behaagt, en in het bijzonder het gebed, dat de maatstaf van het geloof is. Dit is de betekenis van het edele vers. Wat hen betreft die ‘zich reinigt’ verklaarden als: hij gaf de zakât al-fitr, en ‘die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt’ als: het ‘Îd-gebed — die valt weliswaar onder de bewoording en onder een deel van zijn bijzonderheden, maar het is niet de enige bedoeling.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘En die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt’ betekent: hij verricht het gebed op zijn tijden, het welbehagen van Allah zoekend, uit gehoorzaamheid aan Zijn bevel en als opvolging van Zijn wet. Wij hebben reeds overgeleverd van de leider der gelovigen ‘Umar ibn ‘Abdil-‘Azîz dat hij de mensen beval de zakât al-fitr te geven en daarbij dit vers reciteerde: ‘Hij die zich reinigt zal waarlijk slagen, en die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt.’ Aboe l-Ahwas zei: ‘Komt een bedelaar bij een van jullie terwijl hij wil bidden, laat hij dan vóór zijn gebed zijn zakât geven; want Allah, de Verhevene, zegt: “Hij die zich reinigt zal waarlijk slagen, en die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt.”’ En Qatâda zei over dit vers: ‘Hij reinigde zijn bezit en stelde zijn Schepper tevreden.’

﴿ ١٦ ﴾

بَلْ تُؤْثِرُونَ ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا

Bal tu'siroonal hayaatad dunyaa

87:16Jullie geven immers voorrang aan het wereldse leven.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Daar wijst Allah de werkelijke breuklijn aan: jullie geven echter voorrang aan het wereldse leven. Niet onwetendheid maar voorkeur drijft de mens — hij kiest het nabije, vergankelijke genot omdat hij het ziet. Maar wie het wereldse najaagt, kent geen rust: zorg vóór hij het krijgt, zorg terwijl hij het vasthoudt, en verdriet als het hem ontglipt.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘Jullie geven echter voorrang aan het wereldse leven’ — dat wil zeggen: jullie stellen het boven het Hiernamaals, en jullie verkiezen zijn vertroebelde, bezoedelde en vergankelijke genot boven het Hiernamaals.

Ibn Kathîr

Daarna zei Allah, de Verhevene: ‘Jullie geven echter voorrang aan het wereldse leven’ — dat wil zeggen: jullie stellen het boven de zaak van het Hiernamaals, en jullie laten het voorgaan op wat hun baat en welzijn bevat in hun leven en hun terugkeer. Ibn Jarîr leverde over dat ‘Arfaja ath-Thaqafî zei: ‘Ik vroeg Ibn Mas‘ûd “Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste” voor te reciteren; toen hij bij “Jullie geven echter voorrang aan het wereldse leven” kwam, hield hij op met reciteren, wendde zich tot zijn metgezellen en zei: Wij hebben het wereldse leven boven het Hiernamaals verkozen. De aanwezigen zwegen, en hij zei: Wij hebben het wereldse verkozen omdat wij zijn opschik, zijn vrouwen, zijn eten en zijn drank zagen, terwijl het Hiernamaals voor ons werd weggehouden; dus kozen wij dit aanstaande en lieten wij het toekomstige.’ Dit was van hem bij wijze van nederigheid en zelfbeschuldiging, of het is een bericht over het mensensoort als zodanig; en Allah weet het het beste. En Imâm Ahmad tekende van Aboe Mûsâ al-Ash‘arî op dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Wie zijn wereldse leven liefheeft, schaadt zijn Hiernamaals, en wie zijn Hiernamaals liefheeft, schaadt zijn wereldse leven; verkies dus wat blijft boven wat vergaat.’ Ahmad stond hiermee alleen.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim merkt op dat Zijn woord ‘Jullie geven echter voorrang aan het wereldse leven’ bedoeld is om deze uitspraak te bevestigen, niet om af te wijken van Zijn woord ‘Hij die zich reinigt zal waarlijk slagen, en die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt.’ Daarna geeft hij een fâ'ida: de begeerte naar het Hiernamaals wordt slechts volkomen door het zich onthouden (zuhd) van het wereldse, en de onthouding van het wereldse wordt slechts juist na twee correcte beschouwingen. De eerste is: het beschouwen van het wereldse, van de snelheid van zijn verdwijnen, zijn vergaan en zijn uiteenvallen, zijn gebrekkigheid en zijn geringheid, en de pijn van het verdringen erom en de hebzucht ernaar — met de bittere teugen, de vertroebeling en de kwellingen daarin; en het einde daarvan is het verdwijnen en de afsnijding, gevolgd door spijt en droefenis. Zo is wie het wereldse najaagt nooit vrij: van zorg vóór hij het verkrijgt, van zorg op het moment dat hij het bemachtigt, en van verdriet en droefheid nadat het hem ontvallen is. Dat is de eerste van de twee beschouwingen.

﴿ ١٧ ﴾

وَٱلْءَاخِرَةُ خَيْرٌۭ وَأَبْقَىٰٓ

Wal Aakhiratu khairunw wa abqaa

87:17Terwijl het Hiernamaals beter en blijvender is.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

En tegenover die voorkeur stelt Allah de waarheid: het Hiernamaals is beter en blijvender. Beter in alles wat je zoekt, en blijvend waar het wereldse vergaat. De Profeet ﷺ leefde dit voor: ‘Wat heb ik met het wereldse? Ik ben slechts een ruiter die even in de schaduw rust en weer vertrekt.’ De verstandige verkoopt geen eeuwigheid voor een uur.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘Terwijl het Hiernamaals beter en blijvender is’ — beter dan het wereldse in elke wenselijke eigenschap, ‘en blijvender’, omdat het het huis van eeuwigheid en bestendigheid is, terwijl het wereldse het huis van vergankelijkheid is. De verstandige gelovige kiest dus niet het slechtere boven het betere, en hij verkoopt het genot van een uur niet voor de kommer van de eeuwigheid; want de liefde voor het wereldse en het verkiezen ervan boven het Hiernamaals is het hoofd van elke zonde.

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘terwijl het Hiernamaals beter en blijvender is’ betekent: de beloning van Allah in het huis van het Hiernamaals is beter dan het wereldse en blijvender; want het wereldse is laag en vergankelijk, en het Hiernamaals is edel en blijvend. Hoe kan een verstandig mens dan het vergankelijke verkiezen boven het blijvende, en zich bekommeren om wat hem weldra ontvalt, en de bekommernis om het huis van bestendigheid en eeuwigheid loslaten? Imâm Ahmad tekende van ‘Â'isha op dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Het wereldse is het huis van wie geen huis heeft, en het bezit van wie geen bezit heeft; en voor wie geen verstand heeft, vergaart het.’

Ibn al-Qayyim

De tweede beschouwing, zegt Ibn al-Qayyim, is het beschouwen van het Hiernamaals, zijn naderen en zijn onvermijdelijke komst, zijn duur en zijn bestendigheid, en de eerbaarheid van de gelukzaligheden en vreugden daarin, en het verschil tussen het wereldse en wat dáár is: het zijn volkomen, blijvende goederen, terwijl dit gebrekkige, afgesneden, verdwijnende verbeeldingen zijn. ‘En het Hiernamaals is beter en blijvender.’ Heeft de mens deze twee beschouwingen voltooid, dan verkiest hij wat het verstand gebiedt te verkiezen en onthoudt hij zich van wat onthouding verdient. Wie het vergankelijke, gebrekkige verkiest, doet dat ofwel omdat de voortreffelijkheid hem niet duidelijk is geworden, ofwel omdat hij geen begeerte heeft naar het betere; en beide wijzen op zwakte van geloof en zwakte van verstand. Daarom wierp de Boodschapper van Allah ﷺ het wereldse achter zijn rug, hij en zijn metgezellen, en wendden zij hun harten ervan af; zij rekenden het tot een gevangenis, geen tuin. Hem werden de sleutels van zijn schatten aangeboden, en hij wees ze af; het wereldse stroomde over zijn metgezellen uit, en zij gaven het de voorrang weg en verkochten hun aandeel in het Hiernamaals er niet voor, wetend dat het een doortocht en een doorgang is, geen huis van verblijf, een huis van overgang, geen huis van vreugde, een zomerwolk die spoedig optrekt. De Profeet ﷺ zei: ‘Wat heb ik met het wereldse? Ik ben slechts als een ruiter die in de schaduw van een boom rust, dan vertrekt en haar achterlaat.’ En hij zei: ‘Het wereldse is in verhouding tot het Hiernamaals slechts als wanneer een van jullie zijn vinger in de zee steekt; laat hij dan zien waarmee hij terugkomt.’ En zijn Schepper, de Verhevene, zei: ‘Het gelijkenis van het wereldse leven is slechts als water dat Wij uit de hemel neerzonden, waarmee zich de planten van de aarde vermengden waarvan de mensen en het vee eten, totdat — wanneer de aarde haar tooi heeft aangenomen en zich versierd heeft en haar bewoners menen dat zij erover beschikken — Ons bevel haar bij nacht of bij dag overkomt; dan maken Wij haar tot een gemaaid veld, alsof zij gisteren niet bestond. Zo zetten Wij de tekenen uiteen voor een volk dat nadenkt. En Allah roept naar het huis van de vrede en leidt wie Hij wil naar een recht pad’ (10:24-25). Zo berichtte Hij over de geringheid van het wereldse en wekte Hij er afkeer van, en berichtte Hij over het huis van de vrede en riep ertoe op. (Fasl.) Het verboden genot is in zijn beleving vermengd met afzichtelijkheid en draagt na zijn voorbijgaan pijn voort; voel je dus de drang ertoe sterk worden, denk dan aan zijn afsnijding en aan het blijven van zijn afzichtelijkheid en pijn, weeg dan de twee zaken tegen elkaar af en zie het verschil. En de moeite van de gehoorzaamheid is vermengd met schoonheid en draagt genot en rust voort; valt zij de ziel zwaar, denk dan aan het afsnijden van haar moeite en aan het blijven van haar schoonheid, haar genot en haar vreugde, weeg de twee zaken af en verkies het zwaarwegende boven het minder wegende. De eigenheid van het verstand is het verwerven van het grootste van twee baten door het kleinste te laten varen, en het verdragen van de kleinste van twee pijnen om de grootste af te wenden. Wie nadenkt over het wereldse en het Hiernamaals, weet dat hij geen van beide bereikt dan met moeite; laat hij dan de moeite dragen voor het betere en blijvender van de twee.

﴿ ١٨ ﴾

إِنَّ هَٰذَا لَفِى ٱلصُّحُفِ ٱلْأُولَىٰ

Inna haazaa lafis suhu fil oolaa

87:18Voorwaar, dit staat zeker in de vroegere bladen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Wat de soera leert is geen nieuwe boodschap: voorwaar, dit staat zeker in de eerdere bladen. De waarheid over reiniging, gebed en de voorrang van het Hiernamaals werd ook al aan de profeten vóór Mohammed ﷺ geopenbaard — één onveranderlijke kern door alle openbaringen heen.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘Voorwaar, dit’ — wat jullie in deze gezegende soera vermeld is aan de goede geboden en de prijzenswaardige berichten — ‘staat zeker in de eerdere bladen.’

Ibn Kathîr

Zijn woord ‘Voorwaar, dit staat zeker in de eerdere bladen, de bladen van Ibrâhîm en Mûsâ’. De hâfiz Aboe Bakr al-Bazzâr leverde over van Ibn ‘Abbâs dat hij zei: ‘Toen “Voorwaar, dit staat zeker in de eerdere bladen, de bladen van Ibrâhîm en Mûsâ” neerdaalde, zei de Profeet ﷺ: “Dit alles — of: dit — stond in de bladen van Ibrâhîm en Mûsâ.”’ An-Nasâ'î leverde over van Ibn ‘Abbâs dat hij zei: ‘Toen “Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste” neerdaalde, zei hij: dit alles staat in de bladen van Ibrâhîm en Mûsâ.’ Dit betekent dat dit vers is als Zijn woord in soera an-Najm: ‘Of is hem niet bericht wat in de bladen van Mûsâ staat, en van Ibrâhîm die (zijn verbond) nakwam: dat geen lastdrager de last van een ander draagt, en dat de mens niets toekomt dan waarnaar hij streefde, en dat zijn streven weldra zal worden gezien, en dat hij daarvoor met de volste vergelding zal worden vergolden, en dat bij jouw Heer het einde is’ (53:36-42). Zo zei ook ‘Ikrima — in wat Ibn Jarîr van hem overlevert — over Zijn woord ‘Voorwaar, dit staat zeker in de eerdere bladen, de bladen van Ibrâhîm en Mûsâ’: hij zegt: het zijn de verzen die in ‘Prijs de naam van jouw Heer, de Allerhoogste’ staan.

﴿ ١٩ ﴾

صُحُفِ إِبْرَٰهِيمَ وَمُوسَىٰ

Suhufi Ibraaheema wa Moosaa

87:19De bladen van Ibrâhîm en Môesa.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

En de soera noemt de bron: de bladen van Ibrâhîm en Mûsâ. Deze geboden — reinheid, gebed, het verkiezen van het blijvende — stonden al in de oudste openbaringen, want ze raken de belangen van deze wereld én het Hiernamaals, in elke tijd en op elke plaats. Daarmee sluit de soera: één waarheid, gedragen door alle profeten.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

‘De bladen van Ibrâhîm en Mûsâ’ — de twee die de edelste van de boodschappers zijn ná Mohammed ﷺ; moge Allahs zegen en vrede op hen allen rusten. Dit zijn dus geboden in elke godsdienstwet, omdat zij terugkeren tot de belangen van de beide werelden, en die belangen gelden in elke tijd en op elke plaats. Voltooid; alle lof komt Allah toe.

Ibn Kathîr

Aboe l-‘Âliya zei: ‘Het verhaal van deze soera staat in de eerdere bladen.’ Ibn Jarîr verkoos de opvatting dat de bedoeling van Zijn woord ‘Voorwaar, dit’ verwijst naar Zijn voorafgaande woord: ‘Hij die zich reinigt zal waarlijk slagen, en die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt. Jullie geven echter voorrang aan het wereldse leven, terwijl het Hiernamaals beter en blijvender is.’ Daarna zei Hij: ‘Voorwaar, dit’ — dat wil zeggen: de strekking van deze woorden — ‘staat zeker in de eerdere bladen, de bladen van Ibrâhîm en Mûsâ.’ Dit is een goede, sterke keuze. Iets soortgelijks is van Qatâda en Ibn Zayd overgeleverd; en Allah weet het het beste. Hier eindigt de tafsir van soera ‘Sabbih’; aan Allah komt de lof en de gunst toe.

Arabische grondtekst & bron — verzen 14-19

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-A'lâ · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-A'lâ 14–19 · Imâm Ahmad (Aboe Mûsâ al-Ash‘arî; ‘Â'isha) · al-Bazzâr (Jâbir ibn ‘Abdullâh; Ibn ‘Abbâs) · an-Nasâ'î · at-Tabarî · (Ibn ‘Abbâs · ‘Umar ibn ‘Abdil-‘Azîz · Aboe l-‘Âliya · Aboe l-Ahwas · Qatâda · ‘Ikrima · Ibn Mas‘ûd · Ibn Zayd).

يَقُولُ تَعَالَى: ﴿قَدْ أَفْلَحَ مَنْ تَزَكَّى﴾ أَيْ: طهَّر نَفْسَهُ مِنَ الْأَخْلَاقِ الرَّذِيلَةِ، وَتَابَعَ مَا أَنْزَلَ اللَّهُ عَلَى رَسُولِهِ، صَلَوَاتُ اللَّهِ وَسَلَامُهُ عَلَيْهِ، ﴿وَذَكَرَ اسْمَ رَبِّهِ فَصَلَّى﴾ أَيْ: أَقَامَ الصَّلَاةَ فِي أَوْقَاتِهَا؛ ابْتِغَاءَ رِضْوَانِ اللَّهِ وَطَاعَةً لِأَمْرِ اللَّهِ وَامْتِثَالًا لِشَرْعِ اللَّهِ. وَقَدْ قَالَ الْحَافِظُ أَبُو بَكْرٍ الْبَزَّارُ: حَدَّثَنَا عَبَّادُ بْنُ أَحْمَدَ الْعَرْزَمِيُّ، حَدَّثَنَا عَمِّي مُحَمَّدِ بْنِ عَبْدِ الرَّحْمَنِ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ عَطَاءُ بْنُ السَّائِبِ، عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ سَابِطٍ، عَنْ جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: ﴿قَدْ أَفْلَحَ مَنْ تَزَكَّى﴾ قَالَ: "مَنْ شَهِدَ أَنْ لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ، وَخَلَعَ الْأَنْدَادَ، وَشَهِدَ أَنِّي رَسُولُ اللَّهِ"، ﴿وَذَكَرَ اسْمَ رَبِّهِ فَصَلَّى﴾ قَالَ: "هِيَ الصَّلَوَاتُ الْخَمْسُ وَالْمُحَافَظَةُ عَلَيْهَا وَالِاهْتِمَامُ بِهَا". ثُمَّ قَالَ [[في م: "وقال".]] لَا يُرْوَى عَنْ جَابِرٍ إِلَّا مِنْ هَذَا الْوَجْهِ [[مسند البزار برقم (٢٢٨٤) "كشف الأستار" وقال الهيثمي في المجمع (٧/١٣٧) : "رواه البزار عن شيخه عباد بن أحمد العرزمي وهو متروك".]] . وَكَذَا قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: إِنَّ الْمُرَادَ بِذَلِكَ الصَّلَوَاتُ الْخَمْسُ. وَاخْتَارَهُ ابْنُ جَرِيرٍ. وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنِي عَمرو بْنُ عَبْدِ الْحَمِيدِ الْآمُلِيُّ [[في أ: "الأيلي".]] حَدَّثَنَا مَرْوَانُ بْنُ مُعَاوِيَةَ، عَنْ أَبِي خَلْدَةَ قَالَ: دَخَلْتُ عَلَى أَبِي الْعَالِيَةِ فَقَالَ لِي: إِذَا غَدَوْتَ غَدًا إِلَى الْعِيدِ فَمُرَّ بِي. قَالَ: فَمَرَرْتُ بِهِ فَقَالَ: هَلْ طَعِمْتَ شَيْئًا؟ قُلْتُ: نَعَمْ. قَالَ: أَفَضْتَ عَلَى نَفْسِكَ مِنَ الْمَاءِ؟ قُلْتُ: نَعَمْ. قَالَ: فَأَخْبِرْنِي مَا فَعَلْتَ بِزَكَاتِكَ؟ قُلْتُ: وَكَأَنَّكَ قُلت: قَدْ وَجّهتهَا؟ قَالَ: إِنَّمَا أَرَدْتُكَ لِهَذَا. ثُمَّ قَرَأَ: ﴿قَدْ أَفْلَحَ مَنْ تَزَكَّى وَذَكَرَ اسْمَ رَبِّهِ فَصَلَّى﴾ وَقَالَ: إِنَّ أَهْلَ الْمَدِينَةِ لَا يَرَوْنَ صَدَقَةً أفضل منها ومن سقاية الماء. قُلْتُ: وَكَذَلِكَ رُوِّينَا عَنْ أَمِيرِ الْمُؤْمِنِينَ عُمَرَ بْنِ عَبْدِ الْعَزِيزِ أَنَّهُ كَانَ يَأْمُرُ النَّاسَ بِإِخْرَاجِ صَدَقَةِ الْفِطْرِ، وَيَتْلُو هَذِهِ الْآيَةَ ﴿قَدْ أَفْلَحَ مَنْ تَزَكَّى وَذَكَرَ اسْمَ رَبِّهِ فَصَلَّى﴾ وَقَالَ أَبُو الْأَحْوَصِ: إِذَا أَتَى أَحَدَكُمْ سَائِلٌ وَهُوَ يُرِيدُ الصَّلَاةَ، فَلْيُقَدِّمْ بَيْنَ يَدَيْ صَلَاتِهِ زَكَاتَهُ، فَإِنَّ اللَّهَ يَقُولُ: ﴿قَدْ أَفْلَحَ مَنْ تَزَكَّى وَذَكَرَ اسْمَ رَبِّهِ فَصَلَّى﴾ وَقَالَ قَتَادَةُ فِي هَذِهِ الْآيَةِ ﴿قَدْ أَفْلَحَ مَنْ تَزَكَّى وَذَكَرَ اسْمَ رَبِّهِ فَصَلَّى﴾ زَكَّى مَالَهُ وَأَرْضَى خَالِقَهُ. ثُمَّ قَالَ تَعَالَى: ﴿بَلْ تُؤْثِرُونَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا﴾ أَيْ: تُقَدِّمُونَهَا عَلَى أَمْرِ الْآخِرَةِ، وَتُبْدُونَهَا عَلَى مَا فِيهِ نَفْعُهُمْ وَصَلَاحُهُمْ فِي مَعَاشِهِمْ وَمَعَادِهِمْ، ﴿وَالآخِرَةُ خَيْرٌ وَأَبْقَى﴾ أَيْ: ثَوَابُ اللَّهِ فِي الدَّارِ الْآخِرَةِ خَيْرٌ مِنَ الدُّنْيَا وَأَبْقَى، فَإِنَّ الدُّنْيَا دنيَّة فَانِيَةٌ، وَالْآخِرَةَ شَرِيفَةٌ بَاقِيَةٌ، فَكَيْفَ يُؤْثِرُ عَاقِلٌ مَا يَفْنَى عَلَى مَا يَبْقَى، وَيَهْتَمُّ بِمَا يَزُولُ عَنْهُ قَرِيبًا، وَيَتْرُكُ الِاهْتِمَامَ بِدَارِ الْبَقَاءِ وَالْخُلْدِ؟! قَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا حُسَيْنُ بْنُ مُحَمَّدٍ، حَدَّثَنَا ذُوَيد، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ عُرْوَة، عَنْ عَائِشَةَ قَالَتْ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "الدُّنْيَا دَارُ مَنْ لَا دارَ لَهُ، وَمَالُ مَنْ لَا مَالَ لَهُ، وَلَهَا يَجْمَعُ مَنْ لَا عَقْلَ لَهُ" [[المسند (٦/٧١) وقال الهيثمي في المجمع (١٠/٢٨٨) : "رجاله رجال الصحيح غير ذويد وهو ثقة".]] . وَقَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: حَدَّثَنَا ابْنُ حُمَيْدٍ، حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ وَاضِحٍ، حَدَّثَنَا أَبُو حَمْزَةَ، عَنْ عَطَاءٍ، عَنْ عَرْفَجة الثَّقَفِيِّ قَالَ: اسْتَقْرَأْتُ ابْنَ مَسْعُودٍ: ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى﴾ فَلَمَّا بَلَغَ: ﴿بَلْ تُؤْثِرُونَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا﴾ تَرَكَ الْقِرَاءَةِ، وَأَقْبَلَ عَلَى أَصْحَابِهِ وَقَالَ: آثَرْنَا الدُّنْيَا عَلَى الْآخِرَةِ. فَسَكَتَ الْقَوْمُ، فَقَالَ: آثَرْنَا الدُّنْيَا لِأَنَّا رَأَيْنَا زِينَتَهَا وَنِسَاءَهَا وَطَعَامَهَا وَشَرَابَهَا، وزُويت عَنَّا الْآخِرَةُ فَاخْتَرْنَا هَذَا الْعَاجِلَ وَتَرَكْنَا الْآجِلَ [[تفسير الطبري (٣٠/١٠٠) .]] . وَهَذَا مِنْهُ عَلَى وَجْهِ التَّوَاضُعِ وَالْهَضْمِ، أَوْ هُوَ إِخْبَارٌ عَنِ الْجِنْسِ مِنْ حَيْثُ [[في أ: "من جنسه".]] هُوَ، وَاللَّهُ أَعْلَمُ. وَقَدْ قَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا سُلَيْمَانُ بْنُ دَاوُدَ الْهَاشِمِيُّ، حَدَّثَنَا إِسْمَاعِيلُ بْنُ جَعْفَرٍ، أَخْبَرَنِي عَمْرُو بْنُ أَبِي عَمْرٍو، عَنِ الْمُطَّلِبِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ، عَنْ أَبِي مُوسَى الْأَشْعَرِيِّ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ: "مِنْ أَحَبِّ دُنْيَاهُ أَضَرَّ بِآخِرَتِهِ، ومَن أَحَبَّ آخِرَتَهُ أَضَرَّ بِدُنْيَاهُ، فَآثِرُوا مَا يبقَى عَلَى مَا يَفْنَى". تَفَرَّدَ بِهِ أَحْمَدُ. وَقَدْ رَوَاهُ أَيْضًا عَنْ أَبِي سَلَمَةَ الْخُزَاعِيِّ، عَنِ الدَّرَاوَرْدِيِّ، عَنْ عَمْرِو بْنِ أَبِي عَمْرٍو، بِهِ مِثْلَهُ سَوَاءً [[المسند (٤/٤١٢) ورواه ابن حبان في صحيحه برقم (٢٤٧٣) "موارد" من طريق يَعْقُوبُ بْنُ عَبْدِ الرَّحْمَنِ، عَنْ عَمْرِو بْنِ أبي عمرو به.]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿إِنَّ هَذَا لَفِي الصُّحُفِ الأولَى صُحُفِ إِبْرَاهِيمَ وَمُوسَى﴾ قَالَ الحافظ أبو بكر البزار: حَدَّثَنَا نَصْرُ بْنُ عَلِيٍّ، حَدَّثَنَا مُعتمر بْنُ سُلَيْمَانَ، عَنْ أَبِيهِ عَنْ عَطَاءِ بْنِ السَّائِبِ، عَنْ عِكْرِمة، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ: ﴿إِنَّ هَذَا لَفِي الصُّحُفِ الأولَى صُحُفِ إِبْرَاهِيمَ وَمُوسَى﴾ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: "كَانَ كُلُّ هَذَا-أَوْ: كَانَ هَذَا-فِي صُحُفِ إِبْرَاهِيمَ وَمُوسَى" [[سنن النسائي الكبرى برقم (١١٦٦٨) .]] . ثُمَّ قَالَ: لَا نَعْلَمُ أَسْنَدَ الثِّقَاتَ عَنْ عَطَاءِ بْنِ السَّائِبِ، عَنْ عِكْرِمَةَ، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ غَيْرَ [[في أ: "نحو".]] هَذَا، وَحَدِيثًا آخَرَ أَوْرَدَهُ قَبْلَ هَذَا. وَقَالَ النَّسَائِيُّ: أَخْبَرَنَا زَكَرِيَّا بْنُ يَحْيَى، أَخْبَرَنَا نَصْرُ بْنُ عَلِيٍّ، حَدَّثَنَا الْمُعْتَمِرُ بْنُ سُلَيْمَانَ، عَنْ أَبِيهِ، عَنِ عَطَاءِ بْنِ السَّائِبِ، عَنْ عِكْرِمَةَ، عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ ﴿سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأعْلَى﴾ قَالَ: كُلُّهَا فِي صُحُفِ إِبْرَاهِيمَ وَمُوسَى، فَلَمَّا نَزَلَتْ: ﴿وَإِبْرَاهِيمَ الَّذِي وَفَّى﴾ [النَّجْمِ:٣٧] قَالَ: وفَّى ﴿أَلا تَزِرُ وَازِرَةٌ وِزْرَ أُخْرَى﴾ [النَّجْمِ:٣٨] [[مسند البزار برقم (٢٢٨٥) "كشف الأستار" وقال الهيثمي في المجمع (٧/١٣٧) : "فيه عطاء بن السائب وقد اختلط، وبقية رجاله رجال الصحيح".]] . يَعْنِي أَنَّ هَذِهِ الْآيَةَ كَقَوْلِهِ فِي سُورَةِ "النَّجْمِ": ﴿أَمْ لَمْ يُنَبَّأْ بِمَا فِي صُحُفِ مُوسَى وَإِبْرَاهِيمَ الَّذِي وَفَّى أَلا تَزِرُ وَازِرَةٌ وِزْرَ أُخْرَى وَأَنْ لَيْسَ لِلإنْسَانِ إِلا مَا سَعَى وَأَنَّ سَعْيَهُ سَوْفَ يُرَى ثُمَّ يُجْزَاهُ الْجَزَاءَ الأوْفَى وَأَنَّ إِلَى رَبِّكَ الْمُنْتَهَى﴾ [النَّجْمِ: ٣٦-٤٢] الْآيَاتِ إِلَى آخِرِهِنَّ. وَهَكَذَا قَالَ عِكْرِمَةُ-فِيمَا رَوَاهُ ابْنُ جَرِيرٍ، عَنِ ابْنِ حُمَيْدٍ، عَنْ مِهْران، عَنْ سُفْيَانَ الثَّوْرِيِّ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ عِكْرِمَةَ-فِي قَوْلِهِ: ﴿إِنَّ هَذَا لَفِي الصُّحُفِ الأولَى صُحُفِ إِبْرَاهِيمَ وَمُوسَى﴾ يَقُولُ: الْآيَاتُ الَّتِي فِي سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الْأَعْلَى. وَقَالَ أَبُو الْعَالِيَةِ: قِصَّةُ هَذِهِ السُّورَةِ فِي الصُّحُفِ الْأُولَى. وَاخْتَارَ ابْنُ جَرِيرٍ أَنَّ الْمُرَادَ بِقَوْلِهِ: ﴿إِنَّ هَذَا﴾ إِشَارَةٌ إِلَى قَوْلِهِ: ﴿قَدْ أَفْلَحَ مَنْ تَزَكَّى وَذَكَرَ اسْمَ رَبِّهِ فَصَلَّى بَلْ تُؤْثِرُونَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا وَالآخِرَةُ خَيْرٌ وَأَبْقَى﴾ ثُمَّ قَالَ: ﴿إِنَّ هَذَا﴾ أَيْ: مَضْمُونُ هَذَا الْكَلَامِ ﴿لَفِي الصُّحُفِ الأولَى صُحُفِ إِبْرَاهِيمَ وَمُوسَى﴾ [[تفسير الطبري (٣٠/١٠١) .]] . وَهَذَا اخْتِيَارٌ حَسَنٌ قَوِيٌّ. وَقَدْ رُوي عَنْ قَتَادَةَ وَابْنِ زَيْدٍ، نحوُه. وَاللَّهُ أَعْلَمُ. آخِرُ تَفْسِيرِ سورة "سبح" ولله الحمد والمنة.

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-A'lâ 16–17 (fasl uit zijn tafsir-compilatie; de fâ'ida over zuhd bij ‘jullie verkiezen het wereldse leven · het Hiernamaals is beter en blijvender’).

قوله تعالى: ﴿بَلْ تُؤْثِرُونَ الحَياةَ الدُّنْيا﴾ المقصود تقرير هذه الجملة، لا الإضراب عن قوله: ﴿قَدْ أفْلَحَ مَن تَزَكّى وذَكَرَ اسْمَ رَبِّهِ فَصَلّى﴾. (فائِدَة) لا تتمّ الرَّغْبَة في الآخِرَة إلّا بالزهد في الدُّنْيا، ولا يَسْتَقِيم الزّهْد في الدُّنْيا إلّا بعد نظرين صَحِيحَيْنِ: نظر في الدُّنْيا وسُرْعَة زَوالها وفنائها واضمحلالها، ونقصها وخسّتها، وألم المُزاحمَة عَلَيْها والحرص عَلَيْها، وما في ذَلِك من الغصَص والنغص والأنكاد. وَآخر ذَلِك الزَّوال والانقطاع مَعَ ما يعقب من الحَسْرَة والأسف. فطالبها لا يَنْفَكّ من هم قبل حُصُولها، وهم حال الظفر بها، وغم وحزن بعد فَواتها فَهَذا أحد النظرين. النّظر الثّانِي: النّظر في الآخِرَة وإقبالها ومجيئها ولا بُد ودوامها وبقائها وشرف ما فِيها من الخيرات والمسرات والتفاوت الَّذِي بَينه وبَين ما هُنا فهي كَمال الله سُبْحانَهُ ﴿والآخِرَةُ خَيْرٌ وأبقى﴾ فَهِيَ خيرات كامِلَة دائمة وهَذِه خيالات ناقِصَة مُنْقَطِعَة مضمحلة فَإذا تمّ لَهُ هَذانِ النظران آثر ما يَقْتَضِي العقل إيثاره وزهد فِيما يَقْتَضِي الزّهْد فِيهِ فَكل أحد مطبوع على أن لا يتْرك النَّفْع العاجل واللذة الحاضِرَة إلى النَّفْع الآجل واللذة الغائبة المنتظرة إلى إذا تبين لَهُ فضل الآجل على العاجل وقويت رغبته في الأعْلى الأفْضَل، فَإذا آثر الفاني النّاقِص كانَ ذَلِك إمّا لعدم تبين الفضل لَهُ، وإمّا لعدم رغبته في الأفْضَل. وكل واحِد من الأمريْنِ يدل على ضعف الإيمان وضعف العقل والبصيرة، فَإن الرّاغِب في الدُّنْيا الحَرِيص عَلَيْهِ المُؤثر لَها إمّا أن يصدّق بِأن ما هُناكَ أشرف وأفضل وأبقى وإمّا أن لا يصدّق بذلك كانَ عادما للْإيمان رَأْسا وإن صدّق بذلك ولم يؤثره كانَ فاسد العقل سيئ الِاخْتِيار لنَفسِهِ وهَذا تَقْسِيم حاضر ضَرُورِيّ لا يَنْفَكّ العَبْد من أحد القسمَيْنِ مِنهُ فإيثار الدُّنْيا على الآخِرَة إمّا من فَساد في الإيمان، وإمّا من فَساد في العقل. وَما أكثر ما يكون مِنهُما، ولِهَذا نبذها رَسُول الله وراء ظَهره هو وأصْحابه وصرفوا عَنْها قُلُوبهم واطرحوها ولم يألفوها وهجورها ولم يميلوا إلَيْها وعدّوها سجنا لا جنّة فزهدوا فِيها حَقِيقَة الزّهْد ولَو أرادوها لنالوا مِنها كل مَحْبُوب لوصلوا مِنها إلى كل مَرْغُوب فقد عرضت عَلَيْهِ مَفاتِيح كنوزها فردّها وفاضت على أصْحابه فآثروا بها ولم يبيعوا حظهم من الآخِرَة بها وعَلمُوا أنَّها معبر وممر لا دار مقام ومستقر وأنَّها دار عبور لا دار سرُور وأنَّها سَحابَة صيف تنقشع عَن قَلِيل وخيال طيف ما استتم الزِّيارَة حَتّى آذن بالرحيل قالَ النَّبِي "ما لِي وللدنيا إنَّما أنا كراكب قالَ في ظلّ شَجَرَة ثمَّ راح وتركها " وَقالَ: "ما الدُّنْيا في الآخِرَة إلّا كَما يدْخل أحدكُم إصبعه في اليم فَلْينْظر بِما ترجع" وَقالَ خالِقها سُبْحانَهُ ﴿إنَّما مثل حَياة الدُّنْيا كَماءٍ أنْزَلْناهُ مِنَ السَّماءِ فاخْتَلَطَ بِهِ نَباتُ الأرْضِ مِمّا يَأْكُلُ النّاسُ والأنْعامُ حَتّى إذا أخَذَتِ الأرْضُ زُخْرُفَها وازَّيَّنَتْ وظَنَّ أهْلُها أنَّهم قادِرُونَ عَلَيْها أتاها أمْرُنا لَيْلًا أوْ نَهارًا فَجَعَلْناها حَصِيدًا كَأنْ لَمْ تَغْنَ بِالأمْسِ كَذَلِكَ نُفَصِّلُ الآياتِ لِقَوْمٍ يَتَفَكَّرُونَ واللَّهُ يَدْعُو إلى دار السَّلام ويَهْدِي مَن يَشاءُ إلى صِراطٍ مُسْتَقِيمٍ﴾ فَأخْبر عَن خسة الدُّنْيا وزهَّد فِيها وأخْبر عَن دار السَّلام ودعا إلَيْها. (فصل) اللَّذَّة المحرّمة ممزوجة بالقبح حال تناولها مثمرة للألم بعد انْقِضائِها، فَإذا اشتدّت الداعية مِنك إلَيْها ففكر في انقطاعها وبَقاء قبحها وألمها، ثمَّ وازن بَين الأمريْنِ وانْظُر ما بَينهما من التَّفاوُت. والتعب بِالطّاعَةِ ممزوج بالحسنِ مثمر للذة والراحة، فَإذا ثقلت على النَّفس ففكر في انْقِطاع تعبها وبَقاء حسنها ولذتها وسرورها، ووازن بَين الأمريْنِ وآثر الرّاجِح على المَرْجُوح. فَإن تألّمت بِالسَّبَبِ فانْظُر إلى ما في المُسَبّب من الفرحة والسُّرُور واللذة يهن عَلَيْك مقاساته. وَإن تألمت بترك اللَّذَّة المُحرمَة فانْظُر إلى الألَم الَّذِي يعقبه ووازن بَين الألمين، وخاصيّة العقل تَحْصِيل أعظم المنفعتين بتفويت أدناهما، واحْتِمال أصْغَر الألمين لدفع أعلاهما. وَهَذا يحْتاج إلى علم بالأسباب ومقتضياتها، وإلى عقل يخْتار بِهِ الأولى، والأنفع بِهِ لَهُ مِنها، فَمن وفّر قسمه من العقل والعلم واخْتارَ الأفْضَل وآثره ومن نقص حَظه مِنهُما أو من أحدهما اخْتار خِلافه. وَمن فكّر في الدُّنْيا والآخِرَة علم أنه لا ينال واحِدًا مِنهُما إلّا بمشّقة، فليتحمّل المشقّة لخيرهما وأبقاهما.