Terug naar inhoud
NÛR

Soera 98 · Medinaans · 8 verzen

سورة البَيِّنَةِ

Al-BayyinaHet Duidelijke Bewijs

Openbaringsvolgorde: 100 · Juz 30

Voorwoord

Soera Al-Bayyina — ‘het Duidelijke Bewijs’, ook bekend als Lam Yakun naar haar openingswoorden — is een Medinaanse soera van acht verzen. Haar naam komt uit het eerste vers: de Lieden van de Schrift en de veelgodenaanbidders zouden hun ongeloof niet loslaten ‘totdat het duidelijke bewijs tot hen komt’ — en dat bewijs is een Boodschapper van Allah die gereinigde bladen voordraagt, waarin rechtzinnige geschriften staan. Het is de soera die de Profeet ﷺ op Allahs bevel voordroeg aan Ubayy ibn Ka‘b, die erom huilde toen hij hoorde dat Allah hem bij name had genoemd.

De kern van de soera is de eenheid van de ware godsdienst en de scheiding die het bewijs teweegbrengt. Alle profeten zijn met één en dezelfde opdracht gekomen: Allah aanbidden met zuivere toewijding, als hanîfen, de shalât verrichten en de zakât geven — ‘en dat is de rechte godsdienst’. Wie dit na de komst van het bewijs verwerpt, behoort tot de slechtste der schepselen, met het eeuwige Vuur als bestemming; wie gelooft en goede werken verricht, behoort tot de beste der schepselen, met de Tuinen van ‘Adn als beloning, waar Allah over hen tevreden is en zij over Hem — een beloning voor wie zijn Heer vreest.

Verzen 1-5

﴿ ١ ﴾

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ لَمْ يَكُنِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِنْ أَهْلِ ٱلْكِتَٰبِ وَٱلْمُشْرِكِينَ مُنفَكِّينَ حَتَّىٰ تَأْتِيَهُمُ ٱلْبَيِّنَةُ

Lam ya kunil lazeena kafaru min ahlil kitaabi wal mushri keena mun fak keena hattaa ta-tiya humul bayyinah

98:1De ongelovigen onder de Lieden van de Schrift en de veelgodenaanbidders houden niet op (ongelovig te zijn) tot er een duidelijk bewijs tot hen komt.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De Koran benoemt eerlijk een vastgelopen toestand: wie ongelovig was — onder de Lieden van de Schrift én de afgodendienaars — zou niet vanzelf loskomen. De tijd alleen verandert het hart niet; daar is een ‘duidelijk bewijs’ voor nodig dat van buiten komt. En juist deze soera werd, op Allahs bevel, aan Ubayy bij name voorgedragen — een teken van hoe persoonlijk dat bewijs is.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Allah, de Verhevene, zegt: {De ongelovigen onder de Lieden van de Schrift} — dat zijn de joden en de christenen — {en de veelgodenaanbidders} uit alle overige soorten van de volkeren, {hielden niet op} met hun ongeloof en hun dwaling waarop zij verkeerden; dat wil zeggen: zij bleven voortdurend in hun verdwazing en hun afdwaling, en het verstrijken van de tijd vermeerderde bij hen niets dan ongeloof, {totdat er een duidelijk bewijs tot hen komt}: het heldere bewijs en het stralende argument.

Ibn Kathîr

Deze edele soera werd door de Boodschapper van Allah ﷺ voorgedragen aan Ubayy ibn Ka‘b. Imâm Ahmad leverde over op gezag van Anas ibn Mâlik dat de Boodschapper van Allah ﷺ tegen Ubayy ibn Ka‘b zei: “Voorwaar, Allah heeft mij bevolen jou voor te dragen: {De ongelovigen onder de Lieden van de Schrift}.” Ubayy zei: “Heeft Hij mij bij name aan u genoemd?” De Profeet ﷺ zei: “Ja.” Toen huilde Ubayy. Al-Bukhârî, Muslim, at-Tirmidhî en an-Nasâ'î leverden deze overlevering allen via Shu‘ba over. Wat de Lieden van de Schrift betreft: dat zijn de joden en de christenen. En de veelgodenaanbidders: dat zijn de aanbidders van afgodsbeelden en van het vuur, onder de Arabieren en de niet-Arabieren. Mujâhid zei over {hielden niet op}: dit betekent ‘zij zouden niet ophouden totdat de waarheid hun duidelijk werd’. Hetzelfde zei Qatâda. {Totdat er een duidelijk bewijs tot hen komt}: dat wil zeggen, deze Koran.

﴿ ٢ ﴾

رَسُولٌۭ مِّنَ ٱللَّهِ يَتْلُوا۟ صُحُفًۭا مُّطَهَّرَةًۭ

Rasoolum minal laahi yatlu suhufam mutahharah

98:2Een Boodschapper van Allah die gereinigde bladen voordraagt.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Het bewijs is geen wonderteken aan de hemel, maar een mens: een Boodschapper die gereinigde bladen voordraagt. Het hoogste woord komt langs zuivere handen, onaangeraakt door de duivels. God leidt de mens niet met geweld, maar met een stem die hij kan horen en een tekst die hij kan lezen.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarna verklaarde Hij dat duidelijke bewijs en zei: {een Boodschapper van Allah}; dat wil zeggen: Allah zond hem om de mensen tot de waarheid te roepen, en Hij zond op hem een Boek neer dat hij voordraagt, om de mensen de wijsheid te onderwijzen, hen te louteren en hen uit de duisternissen naar het licht te brengen. Daarom zei Hij: {die gereinigde bladen voordraagt}; dat wil zeggen: bewaard tegen het naderen van de duivels, niemand raakt ze aan dan de gereinigden, want zij behoren tot het hoogste wat er aan woord bestaat.

Ibn Kathîr

Vervolgens verklaarde Hij het duidelijke bewijs met Zijn woord: {een Boodschapper van Allah die gereinigde bladen voordraagt}; daarmee wordt bedoeld: Mohammed ﷺ, en wat hij voordraagt van de geweldige Koran, die opgeschreven is in de hoogste samenkomst, op gereinigde bladen. Dit is als Zijn woord: {in geëerde, verheven, gereinigde bladen, door de handen van schriftgeleerden (engelen), edel en vroom} (‘Abasa 80:13-16).

﴿ ٣ ﴾

فِيهَا كُتُبٌۭ قَيِّمَةٌۭ

Feeha kutubun qaiyimah

98:3Waarin rechtzinnige boeken (de Koran) zijn.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Wat in die bladen staat is recht: waarachtige berichten en rechtvaardige geboden, zonder fout, omdat zij van Allah komen. Wanneer zo'n helder bewijs verschijnt, scheidt het de oprechte zoeker van wie alleen maar uitvluchten zoekt — voortaan staat ieder mens op een duidelijk bewijs, of hij nu leeft of ten onder gaat.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

En daarom zei Hij over die bladen: {waarin} — dat wil zeggen: in die bladen — {rechtzinnige geschriften zijn}; dat wil zeggen: waarachtige berichten en rechtvaardige geboden die leiden naar de waarheid en naar een recht pad. Wanneer dan dit duidelijke bewijs tot hen komt, dan wordt op dat moment de zoeker van de waarheid onderscheiden van wie geen doel heeft in zijn zoeken; zo gaat te gronde wie te gronde gaat op grond van een duidelijk bewijs, en leeft wie leeft op grond van een duidelijk bewijs.

Ibn Kathîr

En Zijn woord {waarin rechtzinnige geschriften zijn}: Ibn Jarîr (at-Tabarî) zei: dat wil zeggen, in de gereinigde bladen zijn geschriften van Allah die rechtzinnig zijn: rechtvaardig en recht, waarin geen fout is, want zij komen van Allah, machtig en verheven. Qatâda zei over {een Boodschapper van Allah die gereinigde bladen voordraagt}: hij vermeldt de Koran met de beste vermelding en prijst hem met de beste lofprijzing. En Ibn Zayd zei over {waarin rechtzinnige geschriften zijn}: recht en in evenwicht.

﴿ ٤ ﴾

وَمَا تَفَرَّقَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ إِلَّا مِنۢ بَعْدِ مَا جَآءَتْهُمُ ٱلْبَيِّنَةُ

Wa maa tafarraqal lazeena ootul kitaaba il-la mim b'adi ma jaa-at humul baiyyinah

98:4En degenen aan wie het Boek is gegeven splitsten zich pas op nadat het duidelijke bewijs tot hen gekomen was.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Pijnlijk genoeg ontstond de verdeeldheid niet vóór, maar ná de komst van het bewijs. Juist datgene wat de mensen had moeten verenigen, werd de aanleiding tot hun splitsing — niet door een gebrek in het bewijs, maar door koppigheid en laagheid van hart. Leiding maakt een gesloten hart alleen maar blinder.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

En wanneer de Lieden van de Schrift niet in deze Boodschapper geloven en zich niet aan hem onderwerpen, dan is dat geen nieuwigheid in hun dwaling en hun koppigheid; want zij raakten niet verdeeld, verschilden niet van mening en werden geen partijen {dan nadat het duidelijke bewijs tot hen gekomen was} — dat bewijs dat voor zijn dragers eenheid en eensgezindheid verplicht stelt. Maar door hun verdorvenheid en hun laagheid vermeerderde de leiding bij hen niets dan dwaling, en het heldere inzicht niets dan blindheid.

Ibn Kathîr

En Zijn woord {En degenen aan wie het Boek is gegeven splitsten zich pas op nadat het duidelijke bewijs tot hen gekomen was} is als Zijn woord: {En weest niet als degenen die zich opsplitsten en van mening verschilden nadat de duidelijke bewijzen tot hen gekomen waren; en voor hen is er een geweldige bestraffing} (Âl ‘Imrân 3:105). Hiermee worden bedoeld: de Lieden van de Boeken die op de volkeren vóór ons werden neergezonden; nadat Allah de bewijzen en de aanwijzingen tegen hen had opgericht, raakten zij verdeeld en verschilden zij van mening over wat Allah uit hun Boeken bedoelde, en zij verschilden zeer. Zoals overgeleverd is in de hadith, via vele wegen: “Voorwaar, de joden verdeelden zich in eenenzeventig sekten, de christenen verdeelden zich in tweeënzeventig sekten, en deze gemeenschap zal zich opsplitsen in drieënzeventig sekten, allemaal in het Vuur op één na.” Zij zeiden: “Wie zijn zij, o Boodschapper van Allah?” Hij ﷺ zei: “Datgene waarop ik en mijn metgezellen zijn.”

﴿ ٥ ﴾

وَمَآ أُمِرُوٓا۟ إِلَّا لِيَعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مُخْلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ حُنَفَآءَ وَيُقِيمُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤْتُوا۟ ٱلزَّكَوٰةَ ۚ وَذَٰلِكَ دِينُ ٱلْقَيِّمَةِ

Wa maa umiroo il-la liy'abu dul laaha mukhliseena lahud-deena huna faa-a wa yuqeemus salaahta wa yu-tuz zakaata; wa zaalika deenul qaiyimah

98:5Zij werden niets anders bevolen dan Allah met zuivere aanbidding te aanbidden, als Hoenafâ. En (ook) de shalât te verrichten en de zakât te geven en dat is de rechte godsdienst.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Hier wordt de hele godsdienst tot zijn kern teruggebracht: aanbid Allah met zuivere toewijding, gekeerd weg van alles wat dat tegenspreekt, verricht het gebed en geef de zakât. Dát is de rechte godsdienst — dezelfde boodschap waarmee elke profeet kwam. Ibn al-Qayyim voegt toe: zonder oprechtheid (ikhlâs) is een daad geen daad meer; zij moet tegelijk zuiver (voor Allah) én juist (volgens de soenna) zijn, anders wordt zij niet aanvaard.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

En dat terwijl alle Boeken met één en hetzelfde grondbeginsel en één en dezelfde godsdienst zijn gekomen; want hun werd in alle wetgevingen niets {bevolen} dan dat zij {Allah aanbidden, met zuivere toewijding van de godsdienst aan Hem}; dat wil zeggen: met al hun aanbidding, uiterlijk en innerlijk, het aangezicht van Allah beogend en de toenadering tot Hem zoekend, {als hanîfen}; dat wil zeggen: zich afwendend van en wegkerend van alle godsdiensten die strijdig zijn met de godsdienst van het zuivere monotheïsme. En Hij vermeldde de shalât en de zakât afzonderlijk, hoewel zij al begrepen zijn in Zijn woord {dat zij Allah aanbidden met zuivere toewijding van de godsdienst aan Hem}, vanwege hun voortreffelijkheid en hun adel, en omdat zij de twee daden van aanbidding zijn waarvan geldt: wie ze beide verricht, verricht alle wetten van de godsdienst. {En dat}; dat wil zeggen: het monotheïsme en de oprechtheid in de godsdienst, is {de rechte godsdienst}; dat wil zeggen: de juiste godsdienst die voert naar de Tuinen van het geluk; en al het andere zijn wegen die voeren naar het Hellevuur.

Ibn Kathîr

En Zijn woord {Zij werden niets anders bevolen dan Allah met zuivere aanbidding te aanbidden} is als Zijn woord: {En Wij zonden vóór jou geen Boodschapper of Wij openbaarden hem dat er geen god is dan Ik, aanbidt Mij dus} (al-Anbiyâ' 21:25). En daarom zei Hij: {als hanîfen}, dat wil zeggen: zich afwendend van het veelgodendom naar het monotheïsme. Dit is als Zijn woord: {En voorzeker, Wij hebben in elke gemeenschap een Boodschapper gezonden (die verkondigde): aanbidt Allah en vermijdt de Tâghût (de valse goden)} (an-Nahl 16:36). De uiteenzetting over de hanîf is reeds eerder behandeld, in soera al-An‘âm, op een wijze die herhaling hier overbodig maakt. {En de shalât te verrichten}: en dat is de edelste van de lichamelijke daden van aanbidding. {En de zakât te geven}: en dat is de weldadigheid jegens de armen en de behoeftigen. {En dat is de rechte godsdienst}: dat wil zeggen, de rechtopstaande, rechtvaardige geloofsgemeenschap, of: de gemeenschap die recht en in evenwicht is. Veel van de imams, zoals az-Zuhrî en ash-Shâfi‘î, hebben met dit edele vers als bewijs aangevoerd dat de daden tot het geloof behoren.

Ibn al-Qayyim

Tot de stations van {U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp} behoort het station van de oprechtheid (al-ikhlâs). Allah, de Verhevene, zegt: {Zij werden niets anders bevolen dan Allah te aanbidden, met zuivere toewijding van de godsdienst aan Hem} (al-Bayyina 5). Wie dus zijn aanbidding niet zuiver aan Allah toewijdt, heeft niet gedaan wat hem bevolen werd; integendeel, wat hij verrichtte is iets anders dan het bevolene, en het is niet geldig en wordt niet van hem aanvaard. Allah zegt in de gewijde overlevering: “Ik ben de minst behoeftige van de deelgenoten aan deelgenootschap; wie een daad verricht waarin hij naast Mij een ander deelgenoot maakt, die laat Ik aan hem die hij tot deelgenoot maakte, en Ik ben er vrij van.” Al-Fudayl ibn ‘Iyâd zei over Zijn woord {opdat Hij jullie beproeve, wie van jullie het beste in daad is} (al-Mulk 2): het is het oprechtste ervan en het juiste ervan. Men zei: “O Aboe ‘Alî, wat is het oprechtste en het juiste?” Hij zei: voorwaar, een daad, wanneer zij oprecht is maar niet juist, wordt niet aanvaard; en wanneer zij juist is maar niet oprecht, wordt zij niet aanvaard — totdat zij oprecht én juist is. Het oprechte is: dat zij voor Allah is, en het juiste is: dat zij in overeenstemming met de soenna is. In de authentieke overlevering van Anas ibn Mâlik zei de Boodschapper van Allah ﷺ: “Drie zaken: over hen koestert het hart van een moslim geen wrok: het oprecht toewijden van de daad aan Allah, het oprecht raadgeven aan de gezagsdragers, en het vasthouden aan de gemeenschap van de moslims, want hun smeekbede omsluit hen van achteren.” De Profeet ﷺ werd gevraagd over de man die strijdt om gezien te worden, de man die strijdt uit moed, en de man die strijdt uit stamtrots: wie van hen is op de weg van Allah? Hij zei: “Wie strijdt opdat het woord van Allah het hoogste is, die is op de weg van Allah.” En hij berichtte over de eerste drie met wie het Vuur wordt aangewakkerd: de reciteerder van de Koran, de strijder en de gever van zijn bezit — die dat deden opdat gezegd zou worden: ‘die-en-die is een reciteerder, die-en-die is dapper, die-en-die is een gever’, terwijl hun daden niet zuiver aan Allah waren toegewijd. Al-Junayd zei: de oprechtheid is een geheim tussen Allah en de dienaar; geen engel kent het zodat hij het zou opschrijven, geen duivel zodat hij het zou bederven, en geen begeerte zodat zij het zou doen afwijken. En ‘Â'isha zei (via al-Qâsim ibn Muhammad): wie de mensen vertoornt door het welbehagen van Allah, machtig en verheven, die zal Allah genoeg zijn tegen de mensen; en wie de mensen behaagt met de toorn van Allah, die laat Allah aan de mensen over.

Arabische grondtekst & bron — verzen 1-5

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Bayyina 1–5 · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Bayyina 1–5 · openbaring aan Ubayy ibn Ka‘b (Imâm Ahmad; al-Bukhârî 4959, Muslim 799, at-Tirmidhî 3792, an-Nasâ'î via Anas ibn Mâlik) · Ibn Jarîr at-Tabarî · Mujâhid · Qatâda · Ibn Zayd · hadith van de 73 sekten.

تَفْسِيرُ سُورَةِ لَمْ يَكُنْ وَهِيَ مَدَنِيَّةٌ. قَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا عَفَّانُ، حَدَّثَنَا حَمَّادُ -وَهُوَ ابْنُ سَلَمَةَ-أَخْبَرَنَا عَلِيٌّ -هُوَ ابْنُ زَيْدٍ-عَنْ عَمَّارِ بْنِ أَبِي عَمَّارٍ قَالَ: سَمِعْتُ أَبَا حَيَّة الْبَدْرِيَّ -وَهُوَ: مَالِكُ بْنُ عَمْرِو بْنِ ثَابِتٍ الْأَنْصَارِيُّ-قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ: " لَمْ يَكُنِ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ " إِلَى آخِرِهَا، قَالَ جِبْرِيلُ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، إِنَّ رَبَّكَ يَأْمُرُكَ أَنْ تُقْرِئَهَا أُبَيًا. فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ لِأَبِي: "إِنَّ جِبْرِيلَ أَمَرَنِي أَنْ أُقْرِئَكَ هَذِهِ السُّورَةَ". قَالَ أُبَيٌّ: وَقَدْ ذُكِرْتُ ثَمَّ يَا رَسُولَ اللَّهِ؟ قَالَ: "نَعَمْ". قَالَ: فَبَكَى أُبَيٌّ [[المسند (٣/٤٨٩) .]] . حَدِيثٌ آخَرُ: وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ جَعْفَرٍ، حَدَّثَنَا شُعْبَةُ، سَمِعْتُ قَتَادَةَ يُحَدِّثُ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ لِأُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ: "إِنَّ اللَّهَ أَمَرَنِي أَنْ أَقْرَأَ عَلَيْكَ: " لَمْ يَكُنِ الَّذِينَ كَفَرُوا " قَالَ: وَسَمَّانِي لَكَ؟ قَالَ: "نَعَمْ". فَبَكَى. وَرَوَاهُ الْبُخَارِيُّ، وَمُسْلِمٌ، وَالتِّرْمِذِيُّ، وَالنَّسَائِيُّ، مِنْ حَدِيثِ شُعْبَةَ، بِهِ [[المسند (٣/١٣٠) وصحيح البخاري (٤٩٥٩) وصحيح مسلم برقم (٧٩٩) وسنن الترمذي برقم (٣٧٩٢) وسنن النسائي الكبرى برقم (١١٦٩١) .]] . حَدِيثٌ آخَرُ: قَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا مُؤَمِّل، حَدَّثَنَا سُفْيَانُ، حَدَّثَنَا أَسْلَمُ الْمُنْقِرِيُّ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ أبْزَى، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ قَالَ: قَالَ لِي رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "إِنِّي أُمِرْتُ أَنْ أَقْرَأَ عَلَيْكَ سُورَةَ كَذَا وَكَذَا". قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، وَقَدْ ذُكرتُ هُنَاكَ؟ قَالَ: "نَعَمْ". فَقُلْتُ لَهُ: يَا أَبَا الْمُنْذِرِ، فَفَرحت بِذَلِكَ. قَالَ: وَمَا يَمْنَعُنِي وَاللَّهُ يَقُولُ: " قُلْ بِفَضْلِ اللَّهِ وَبِرَحْمَتِهِ فَبِذَلِكَ فَلْيَفْرَحُوا هُوَ خَيْرٌ مِمَّا يَجْمَعُونَ " [يُونُسَ: ٥٨] . قَالَ مُؤَمَّلٌ: قُلْتُ لِسُفْيَانَ: الْقِرَاءَةُ فِي الْحَدِيثِ؟ قَالَ: نَعَمْ. تَفَرَّدَ بِهِ مِنْ هَذَا الْوَجْهِ [[المسند (٥/١٢٣) .]] . طَرِيقٌ أُخْرَى: قَالَ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ جَعْفَرٍ وَحَجَّاجٌ قَالَا حَدَّثَنَا شُعْبَةُ، عَنْ عَاصِمِ بْنِ بَهْدَلة، عَنْ زِرِّ بْنِ حُبَيْشٍ، عَنْ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ قَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ لِي: "إِنَّ اللَّهَ أَمَرَنِي أَنْ أَقْرَأَ عَلَيْكَ الْقُرْآنَ". قَالَ: فَقَرَأَ: " لَمْ يَكُنِ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ " قَالَ: فَقَرَأَ فِيهَا: وَلَوْ أَنَّ ابْنَ آدَمَ سَأَلَ وَادِيًا مِنْ مَالٍ، فَأُعْطِيَهُ [[في أ: "فأعطيته".]] لَسَأَلَ ثَانِيًا، وَلَوْ سَأَلَ ثَانِيًا فَأُعْطِيَهُ [[في أ: "فأعطيته".]] لَسَأَلَ ثَالِثًا، وَلَا يَمْلَأُ جَوْفَ ابْنِ آدَمَ إِلَّا التُّرَابُ، وَيَتُوبُ اللَّهُ عَلَى مَنْ تَابَ. وَإِنَّ ذَلِكَ الدِّينَ عِنْدَ اللَّهِ الْحَنِيفِيَّةُ، غَيْرُ الْمُشْرِكَةِ وَلَا الْيَهُودِيَّةِ وَلَا النَّصْرَانِيَّةِ، وَمَنْ يَفْعَلُ خَيْرًا فَلَنْ يكفره. وَرَوَاهُ التِّرْمِذِيُّ مِنْ حَدِيثِ أَبِي دَاوُدَ الطَّيَالِسِيِّ، عَنْ شُعْبَةَ، بِهِ [[المسند (٥/١٣١) وسنن الترمذي برقم (٣٧٩٣) .]] وَقَالَ: حَسَنٌ صَحِيحٌ. طَرِيقٌ أُخْرَى: قَالَ الْحَافِظُ أَبُو الْقَاسِمِ الطَّبَرَانِيُّ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ خُلَيْدٍ الْحَلَبِيُّ، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ عِيسَى الطَّبَّاعُ، حَدَّثَنَا مُعَاذُ بْنُ مُحَمَّدِ بْنِ مُعَاذِ بْنِ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ جَدِّهِ، عَنْ أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "يَا أَبَا الْمُنْذِرِ، إِنِّي أُمِرْتُ أَنْ أَعْرِضَ عَلَيْكَ الْقُرْآنَ". قَالَ: بِاللَّهِ آمَنْتُ، وَعَلَى يَدِكَ أَسْلَمْتُ، وَمِنْكَ تَعَلَّمْتُ. قَالَ: فَرَدَّ النَّبِيُّ ﷺ الْقَوْلَ. [قَالَ] [[زيادة من م، أ.]] فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، أَذُكِرْتُ هُنَاكَ؟ قَالَ: "نَعَمْ، بِاسْمِكَ وَنَسَبِكَ فِي الْمَلَأِ الْأَعْلَى". قَالَ: فَاقْرَأْ إِذًا يَا رَسُولَ اللَّهِ [[المعجم الكبير (١/٢٠٠) .]] . هَذَا غَرِيبُ مِنْ هَذَا الْوَجْهِ، وَالثَّابِتُ مَا تَقَدَّمَ. وَإِنَّمَا قَرَأَ عَلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ هَذِهِ السُّورَةَ تَثْبِيتًا لَهُ، وَزِيَادَةً لِإِيمَانِهِ، فَإِنَّهُ -كَمَا رَوَاهُ أَحْمَدُ وَالنَّسَائِيُّ، مِنْ طَرِيقِ أَنَسٍ، عَنْهُ [[المسند (٥/١٢٢) وسنن النسائي (٢/٥٤) .]] وَرَوَاهُ أَحْمَدُ وَأَبُو دَاوُدَ، مِنْ حَدِيثِ سُلَيْمَانَ بْنِ صُرَد عَنْهُ [[المسند (٥/١٢٤) وسنن أبي داود برقم (١٤٧٧) .]] وَرَوَاهُ أَحْمَدُ عَنْ عَفَّانَ، عَنْ حَمَّادٍ، عَنْ حُمَيْدٍ، عَنْ أَنَسٍ، عَنْ عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ، عَنْهُ [[المسند (٥/١١٤) .]] وَرَوَاهُ أَحْمَدُ وَمُسْلِمٌ وَأَبُو دَاوُدَ وَالنَّسَائِيُّ، مِنْ حَدِيثِ إِسْمَاعِيلَ بْنِ أَبِي خَالِدٍ، عَنِ عَبْدُ اللَّهِ بْنُ عِيسَى، عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ أَبِي لَيْلَى، عَنْهُ [[المسند (٥/١٢٧) وصحيح مسلم برقم (٨٢٠) وسنن أبي داود برقم (١٤٧٨) وسنن النسائي (٢/١٥٣) .]] كَانَ قَدْ أَنْكَرَ عَلَى إِنْسَانٍ، وَهُوَ: عَبْدُ اللَّهِ بْنُ مَسْعُودٍ، قِرَاءَةَ شَيْءٍ مِنَ الْقُرْآنِ عَلَى خِلَافِ مَا أَقْرَأَهُ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ فَرَفَعَهُ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ فَاسْتَقْرَأَهُمَا، وَقَالَ، لِكُلٍّ مِنْهُمَا: "أَصَبْتَ". قَالَ أُبَيُّ: فَأَخَذَنِي مِنَ الشَّكِّ وَلَا إِذْ كُنْتُ فِي الْجَاهِلِيَّةِ. فَضَرَبَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ فِي صَدْرِهِ، قَالَ أُبَيُّ: فَفضْتُ عَرَقًا، وَكَأَنَّمَا أَنْظُرُ إِلَى اللَّهِ فَرَقًا. وَأَخْبَرَهُ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ أَنَّ جِبْرِيلَ أَتَاهُ فَقَالَ: إِنَّ اللَّهَ يَأْمُرُكَ أَنْ تُقْرِئَ أُمَّتَكَ الْقُرْآنَ عَلَى حَرْفٍ. فَقُلْتُ: "أَسْأَلُ اللَّهَ مُعَافَاتَهُ وَمَغْفِرَتَهُ". فَقَالَ: عَلَى حَرْفَيْنِ. فَلَمْ يَزَلْ حَتَّى قَالَ: إِنَّ اللَّهَ يَأْمُرُكَ أَنْ تُقْرِئَ أُمَّتَكَ الْقُرْآنَ عَلَى سَبْعَةِ أَحْرُفٍ. كَمَا قَدَّمْنَا ذِكْرَ هَذَا الْحَدِيثِ بِطُرُقِهِ وَأَلْفَاظِهِ فِي أَوَّلِ التَّفْسِيرِ. فَلَمَّا نَزَلَتْ هَذِهِ السُّورَةُ الْكَرِيمَةُ وَفِيهَا: " رَسُولٌ مِنَ اللَّهِ يَتْلُو صُحُفًا مُطَهَّرَةً فِيهَا كُتُبٌ قَيِّمَةٌ " قَرَأَهَا عَلَيْهِ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ قِرَاءَةَ إِبْلَاغٍ وَتَثْبِيتٍ وَإِنْذَارٍ، لَا قِرَاءَةَ تَعَلُّمٍ وَاسْتِذْكَارٍ، وَاللَّهُ أَعْلَمُ. وَهَذَا كَمَا أَنَّ عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ لَمَّا سَأَلَ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ يَوْمَ الْحُدَيْبِيَةَ عَنْ تِلْكَ الْأَسْئِلَةِ، وَكَانَ فِيمَا قَالَ: أَوْلَمَ تَكُنْ تُخْبِرُنَا أَنَّا سَنَأْتِي الْبَيْتَ وَنَطُوفُ بِهِ؟ قَالَ: "بَلَى، أَفَأَخْبَرْتُكَ أَنَّكَ تَأْتِيهِ عَامَكَ هَذَا؟ ". قَالَ: لَا قَالَ: "فَإِنَّكَ آتِيهِ، ومُطوَّف بِهِ". فَلَمَّا رَجَعُوا مِنَ الْحُدَيْبِيَةِ، وَأَنْزَلَ اللَّهُ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ سُورَةَ "الْفَتْحِ"، دَعَا عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ وَقَرَأَهَا عَلَيْهِ، وَفِيهَا قَوْلُهُ: " لَقَدْ صَدَقَ اللَّهُ رَسُولَهُ الرُّؤْيَا بِالْحَقِّ لَتَدْخُلُنَّ الْمَسْجِدَ الْحَرَامَ إِنْ شَاءَ اللَّهُ آمِنِينَ " الْآيَةَ [الْفَتْحِ: ٢٧] ، كَمَا تَقَدَّمَ. وَرَوَى الْحَافِظُ أَبُو نُعَيم فِي كِتَابِهِ "أَسْمَاءِ الصَّحَابَةِ" مِنْ طَرِيقِ مُحَمَّدِ بْنِ إِسْمَاعِيلَ الْجَعْفَرِيِّ المدني: حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ سَلَمَةَ بْنُ أَسْلَمَ، عَنِ ابْنِ شِهَابٍ، عَنْ إِسْمَاعِيلَ بْنِ أَبِي حَكِيمٍ الْمَدَنِيِّ، حَدَّثَنِي فُضَيل، سَمِعْتُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ يَقُولُ: "إِنَّ اللَّهَ لَيَسْمَعُ قِرَاءَةَ " لَمْ يَكُنِ الَّذِينَ كَفَرُوا " فَيَقُولُ: أَبْشِرْ عَبْدِي، فَوَعِزَّتِي لَأُمَكِّنَنَّهُ [[في م: "لأملأن"، وفي أ: "لأمكنن".]] لَكَ فِي الْجَنَّةِ حَتَّى تَرْضَى". حَدِيثٌ غَرِيبٌ جِدًّا. وَقَدْ رَوَاهُ الْحَافِظُ أَبُو مُوسَى الْمَدِينِيُّ وَابْنُ الْأَثِيرِ، مِنْ طَرِيقِ الزُّهْرِيِّ، عَنْ إِسْمَاعِيلَ بْنِ أَبِي حَكِيمٍ، عَنْ نَظير الْمُزَنِيِّ -أَوْ: الْمَدَنِيِّ -عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: "إِنَّ اللَّهَ لَيَسْمَعُ قِرَاءَةَ " لَمْ يَكُنِ الَّذِينَ كَفَرُوا " وَيَقُولُ: أَبْشِرْ عَبْدِي، فَوَعِزَّتِي لَا أَنْسَاكَ عَلَى حَالٍ مِنْ أَحْوَالِ الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ، وَلَأُمَكِّنَنَّ لَكَ فِي الْجَنَّةِ حَتَّى تَرْضَى" [[أسد الغابة لابن الأثير (٤/٥٤٩) وذكره الحافظ ابن حجر في الإصابة (٣/٥٢٨) من طريق أبي موسى، وهي من طريق محمد بن إسماعيل بن جعفر، عن عبد الله بن سلمة، عن الزهري به، وقال: "عبد الله بن سلمة واهي الحديث".]] . بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ * * أَمَّا أَهْلُ الْكِتَابِ فَهُمُ: الْيَهُودُ وَالنَّصَارَى، وَالْمُشْرِكُونَ: عَبَدةُ الْأَوْثَانِ وَالنِّيرَانِ، مِنَ الْعَرَبِ وَمِنَ الْعَجَمِ. وَقَالَ مُجَاهِدٌ: لَمْ يَكُونُوا ﴿مُنْفَكِّينَ﴾ يَعْنِي: مُنْتَهِينَ حَتَّى يَتَبَيَّنَ لَهُمُ الْحَقُّ. وَكَذَا قَالَ قَتَادَةُ. ﴿حَتَّى تَأْتِيَهُمُ الْبَيِّنَةُ﴾ أَيْ: هَذَا الْقُرْآنُ؛ وَلِهَذَا قَالَ تَعَالَى: ﴿لَمْ يَكُنِ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ وَالْمُشْرِكِينَ مُنْفَكِّينَ حَتَّى تَأْتِيَهُمُ الْبَيِّنَةُ﴾ ثُمَّ فَسَّرَ الْبَيِّنَةَ بِقَوْلِهِ: ﴿رَسُولٌ مِنَ اللَّهِ يَتْلُو صُحُفًا مُطَهَّرَةً﴾ يَعْنِي: مُحَمَّدًا ﷺ، وَمَا يَتْلُوهُ مِنَ الْقُرْآنِ الْعَظِيمِ، الَّذِي هُوَ مُكْتَتَبٌ فِي الْمَلَأِ الْأَعْلَى، فِي صُحُفٍ مُطَهَّرَةٍ كَقَوْلِهِ: ﴿فِي صُحُفٍ مُكَرَّمَةٍ مَرْفُوعَةٍ مُطَهَّرَةٍ بِأَيْدِي سَفَرَةٍ كِرَامٍ بَرَرَةٍ﴾ [عَبَسَ: ١٣ -١٦] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿فِيهَا كُتُبٌ قَيِّمَةٌ﴾ قَالَ ابْنُ جَرِيرٍ: أَيْ فِي الصُّحُفِ الْمُطَهَّرَةِ كُتُبٌ مِنَ اللَّهِ قِيمَةٌ: عَادِلَةٌ مُسْتَقِيمَةٌ، لَيْسَ فِيهَا خَطَأٌ؛ لِأَنَّهَا مِنْ عِنْدِ اللَّهِ، عَزَّ وَجَلَّ. قَالَ قَتَادَةُ: ﴿رَسُولٌ مِنَ اللَّهِ يَتْلُو صُحُفًا مُطَهَّرَةً﴾ يَذْكُرُ الْقُرْآنَ بِأَحْسَنِ الذِّكْرِ، وَيُثْنِي عَلَيْهِ بِأَحْسَنِ الثَّنَاءِ. وَقَالَ ابْنُ زَيْدٍ: ﴿فِيهَا كُتُبٌ قَيِّمَةٌ﴾ مُسْتَقِيمَةٌ مُعْتَدِلَةٌ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَمَا تَفَرَّقَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ إِلا مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَتْهُمُ الْبَيِّنَةُ﴾ كقوله: ﴿وَلا تَكُونُوا كَالَّذِينَ تَفَرَّقُوا وَاخْتَلَفُوا مِنْ بَعْدِ مَا جَاءَهُمُ الْبَيِّنَاتُ وَأُولَئِكَ لَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٌ﴾ [آلِ عِمْرَانَ: ١٠٥] يَعْنِي بِذَلِكَ: أَهْلَ الْكُتُبِ الْمُنَزَّلَةِ عَلَى الْأُمَمِ قَبْلَنَا، بَعْدَ مَا أَقَامَ اللَّهُ عَلَيْهِمُ الْحُجَجَ وَالْبَيِّنَاتِ تَفَرَّقُوا وَاخْتَلَفُوا فِي الَّذِي أَرَادَهُ اللَّهُ مِنْ كُتُبِهِمْ، وَاخْتَلَفُوا اخْتِلَافًا كَثِيرًا، كَمَا جَاءَ فِي الْحَدِيثِ الْمَرْوِيِّ مِنْ طُرِقٍ: "أَنَّ الْيَهُودَ اخْتَلَفُوا عَلَى إِحْدَى وَسَبْعِينَ فِرْقَةً، وَأَنَّ النَّصَارَى اخْتَلَفُوا عَلَى اثْنَتَيْنِ وَسَبْعِينَ فِرْقَةً وَسَتَفْتَرِقُ هَذِهِ الْأُمَّةُ عَلَى ثَلَاثٍ وَسَبْعِينَ فِرْقَةً، كُلُّهَا فِي النَّارِ إِلَّا وَاحِدَةً". قَالُوا: مَنْ هُمْ يَا رَسُولَ اللَّهِ؟ قَالَ: "مَا أَنَا عَلَيْهِ وَأَصْحَابِي" [[جاء هذا الحديث من حديث أبي هريرة، وأنس، وسعد بن أبي وقاص، ومعاوية، وعمرو بن عوف المزني، وعوف بن مالك، وأبي أمامة، وجابر بن عبد الله -رضي الله عنهم- قال شيخ الإسلام ابن تيمية: "هو حديث صحيح مشهور" وانظر: تخريج أحاديث الكشاف للزيلعي (١/٤٤٧-٤٥٠) .]] . * * وَقَوْلُهُ: ﴿وَمَا أُمِرُوا إِلا لِيَعْبُدُوا اللَّهَ مُخْلِصِينَ لَهُ الدِّينَ﴾ كَقَوْلِهِ ﴿وَمَا أَرْسَلْنَا مِنْ قَبْلِكَ مِنْ رَسُولٍ إِلا نُوحِي إِلَيْهِ أَنَّهُ لَا إِلَهَ إِلا أَنَا فَاعْبُدُونِ﴾ [الْأَنْبِيَاءِ: ٢٥] ؛ وَلِهَذَا قَالَ: حُنَفَاءُ، أَيْ: مُتَحنفين عَنِ الشِّرْكِ إِلَى التَّوْحِيدِ. كَقَوْلِهِ: ﴿وَلَقَدْ بَعَثْنَا فِي كُلِّ أُمَّةٍ رَسُولا أَنِ اُعْبُدُوا اللَّهَ وَاجْتَنِبُوا الطَّاغُوتَ﴾ [النَّحْلِ: ٣٦] وَقَدْ تَقَدَّمَ تَقْرِيرُ الْحَنِيفِ فِي سُورَةِ "الْأَنْعَامِ" [[عند تفسير الآية: ١٦١.]] بِمَا أَغْنَى عَنْ إِعَادَتِهِ هَاهُنَا. ﴿وَيُقِيمُوا الصَّلاةَ﴾ وَهِيَ أَشْرَفُ عِبَادَاتِ الْبَدَنِ، ﴿وَيُؤْتُوا الزَّكَاةَ﴾ وَهِيَ الْإِحْسَانُ إِلَى الْفُقَرَاءِ [[في أ: "الفقير".]] وَالْمَحَاوِيجِ. ﴿وَذَلِكَ دِينُ الْقَيِّمَةِ﴾ أَيْ: الْمِلَّةُ الْقَائِمَةُ الْعَادِلَةُ، أَوِ: الْأُمَّةُ الْمُسْتَقِيمَةُ الْمُعْتَدِلَةُ. وَقَدِ اسْتَدَلَّ كَثِيرٌ مِنَ الْأَئِمَّةِ، كَالزُّهْرِيِّ وَالشَّافِعِيِّ، بِهَذِهِ الْآيَةِ الْكَرِيمَةِ عَلَى أَنَّ الْأَعْمَالَ دَاخِلَةٌ فِي الْإِيمَانِ؛ وَلِهَذَا قَالَ: ﴿وَمَا أُمِرُوا إِلا لِيَعْبُدُوا اللَّهَ مُخْلِصِينَ لَهُ الدِّينَ حُنَفَاءَ وَيُقِيمُوا الصَّلاةَ وَيُؤْتُوا الزَّكَاةَ وَذَلِكَ دِينُ الْقَيِّمَةِ﴾

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Bayyina 5 (manzilat al-ikhlâs, uit Madârij as-Sâlikîn bij ﴾iyyâka na‘budu wa-iyyâka nasta‘în﴿) · qudsî-hadith ‘Ik ben de minst behoeftige van de deelgenoten’ · al-Fudayl ibn ‘Iyâd · hadith van Aboe Hurayra over de eerste drie in het Vuur · al-Junayd · ‘Â'isha (via al-Qâsim ibn Muhammad).

Verzen 6-8

﴿ ٦ ﴾

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِنْ أَهْلِ ٱلْكِتَٰبِ وَٱلْمُشْرِكِينَ فِى نَارِ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَآ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ هُمْ شَرُّ ٱلْبَرِيَّةِ

Innal lazeena kafaru min ahlil kitaabi wal mushri keena fee nari jahan nama khaali deena feeha; ulaa-ika hum shar rul ba reeyah

98:6Voorwaar, degenen die ongelovig zijn onder de Lieden van de Schrift en de veelgodenaanbidders zullen in het vuur van de Hel eeuwig levenden zijn. Zij zijn degenen die de slechtste schepsels zijn.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De rekening van het ongeloof wordt nuchter benoemd: wie de waarheid kende en haar tóch verwierp, behoort tot de slechtste der schepselen, met het eeuwige Vuur omsloten. Het zwaarste verwijt is niet onwetendheid, maar bewust afwijzen van wat je hebt herkend.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarna vermeldde Hij de vergelding van de ongelovigen, nadat het duidelijke bewijs tot hen was gekomen, en zei: {Voorwaar, degenen die ongelovig zijn onder de Lieden van de Schrift en de veelgodenaanbidders zullen in het vuur van de Hel zijn}: de bestraffing ervan heeft hen omsloten en zijn straf is over hen hevig geworden, {eeuwig levenden daarin}: de bestraffing wordt voor hen niet verlicht, en zij zijn daarin wanhopig. {Zij zijn degenen die de slechtste schepsels zijn}: omdat zij de waarheid kenden en haar verlieten, en zo deze wereld en het Hiernamaals verloren.

Ibn Kathîr

Allah bericht over wat de verdorven ongelovigen onder de Lieden van de Schrift en de veelgodenaanbidders zal overkomen, zij die zich verzetten tegen Allahs neergezonden Boeken en de Profeten die Hij zond. Hij zegt dat zij op de Dag des Oordeels in het vuur van de Hel zullen zijn en daarin eeuwig zullen blijven; dat wil zeggen, zij blijven erin, zij hebben er geen uitweg uit, en zij houden niet op erin te zijn. {Zij zijn degenen die de slechtste schepsels zijn}: dat wil zeggen, zij zijn de slechtste schepping die Allah heeft gevormd en geschapen.

﴿ ٧ ﴾

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أُو۟لَٰٓئِكَ هُمْ خَيْرُ ٱلْبَرِيَّةِ

Innal lazeena aamanu wa 'amilus saalihaati ula-ika hum khairul bareey yah

98:7Voorwaar, degenen die geloven en goede werken verrichten, zij zijn degenen die de beste schepselen zijn.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Tegenover de slechtste staat het tegendeel: wie gelooft én goede werken verricht, behoort tot de beste der schepselen. Geleerden lazen hieruit zelfs dat de gelovige mens een rang boven de engelen kan bereiken. Ibn al-Qayyim leidt af: zo iemand is door Allah en Zijn Boodschapper rechtvaardig verklaard — zijn getuigenis weegt.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

{Voorwaar, degenen die geloven en goede werken verrichten, zij zijn degenen die de beste schepselen zijn}: omdat zij Allah aanbaden en Hem kenden, en het geluk van deze wereld en het Hiernamaals verwierven.

Ibn Kathîr

Daarna bericht Allah over de toestand van de rechtschapenen, die in hun harten geloofden en met hun lichamen goede werken verrichtten. Hij zegt dat zij de beste der schepselen zijn. Aboe Hurayra en een groep van de geleerden hebben dit vers als bewijs aangevoerd dat de gelovigen een rang onder de schepselen hebben die beter is dan die van de engelen, vanwege Zijn woord {zij zijn degenen die de beste schepselen zijn}.

Ibn al-Qayyim

De gelovige, rechtschapen dienaar behoort tot de beste der schepselen — hoe zou dan zijn getuigenis worden verworpen, terwijl Allah en Zijn Boodschapper hem rechtvaardig hebben verklaard? Zoals in de bekende marfû‘-overlevering staat: “Deze kennis dragen uit elke opvolgende generatie de betrouwbaren ervan; zij weren ervan af de verdraaiing van de overdrijvenden, de valse aanspraak van de leugenaars en de uitleg van de onwetenden.” De dienaar behoort tot de dragers van de kennis, dus is hij rechtvaardig (‘adl) volgens de tekst van het Boek en de soenna. En de mensen zijn het erover eens dat zijn getuigenis aangaande de Boodschapper van Allah ﷺ wordt aanvaard wanneer hij de hadith van hem overlevert; hoe kan dan zijn getuigenis over de Boodschapper van Allah ﷺ worden aanvaard, terwijl zijn getuigenis over één van de mensen niet zou worden aanvaard?

﴿ ٨ ﴾

جَزَآؤُهُمْ عِندَ رَبِّهِمْ جَنَّٰتُ عَدْنٍۢ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدًۭا ۖ رَّضِىَ ٱللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا۟ عَنْهُ ۚ ذَٰلِكَ لِمَنْ خَشِىَ رَبَّهُۥ

Jazaa-uhum inda rabbihim jan naatu 'adnin tajree min tahtihal an haaru khalideena feeha abada; radiy-yallaahu 'anhum wa ra du 'an zaalika liman khashiya rabbah.

98:8Hun beloningen bij hun Heer zijn de Tuinen van 'Adn (het Paradijs), waar de rivieren onder door stromen, zij zijn eeuwig levenden daarin, voor altijd. Allah is met hen behaagd en zij zijn met Hem behaagd. Dat is voor wie zijn Heer vreest.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De soera eindigt op haar hoogste punt: niet alleen tuinen en stromende rivieren voor altijd, maar iets dat alle genot overstijgt — Allah is tevreden over hen, en zij over Hem. Ibn al-Qayyim onderscheidt fijntjes: tevreden zíjn met Hém (om wie Hij is) is de wortel; tevreden zijn óver Hem (om wat Hij geeft) is de vrucht. En dit alles is ‘voor wie zijn Heer vreest’ — de afsluitende voorwaarde van heel de soera.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

{Hun beloningen bij hun Heer zijn de Tuinen van ‘Adn}; dat wil zeggen: Tuinen van verblijf, waarin geen vertrek is, geen wegtrekken, en geen verlangen naar een doel daarboven, {waar de rivieren onder door stromen, zij zijn eeuwig levenden daarin, voor altijd. Allah is met hen behaagd en zij zijn met Hem behaagd}: Hij is met hen tevreden om datgene wat zij verrichtten van wat Hem behaagt, en zij zijn met Hem tevreden om de soorten van eerbewijzen en de overvloedige beloningen die Hij voor hen heeft bereid. {Dat}: die schone beloning, is {voor wie zijn Heer vreest}; dat wil zeggen: voor wie Allah vreesde en zich daarom onthield van Zijn ongehoorzaamheden, en verrichtte wat Hij hem verplicht had.

Ibn Kathîr

Daarna zegt Allah: {Hun beloningen bij hun Heer}: dat wil zeggen, op de Dag des Oordeels, {zijn de Tuinen van ‘Adn waar de rivieren onder door stromen, zij zijn eeuwig levenden daarin, voor altijd}: dat wil zeggen, zonder afsnijding, zonder beëindiging en zonder ophouden. {Allah is met hen behaagd en zij zijn met Hem behaagd}: en het station van Zijn welbehagen over hen is verhevener dan al het blijvende geluk dat hun gegeven is; {en zij zijn met Hem behaagd} om de alomvattende gunst die Hij hun heeft geschonken. {Dat is voor wie zijn Heer vreest}: dat wil zeggen, deze beloning valt ten deel aan wie Allah vreest en Hem zoals het Hem toekomt ducht, en Hem aanbidt alsof hij Hem ziet, wetend dat ook al ziet hij Hem niet, Hij hem voorzeker ziet. Imâm Ahmad leverde over op gezag van Aboe Hurayra dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Zal ik jullie niet berichten over de beste der schepselen?” Zij zeiden: “Jazeker, o Boodschapper van Allah!” Hij zei: “Een man die de teugel van zijn paard vasthoudt op de weg van Allah; telkens wanneer er een alarmkreet is, bestijgt hij het. Zal ik jullie niet berichten over de beste der schepselen?” Zij zeiden: “Jazeker, o Boodschapper van Allah!” Hij zei: “Een man met een kudde schapen, die de shalât verricht en de zakât geeft. Zal ik jullie niet berichten over de slechtste der schepselen?” Zij zeiden: “Jazeker.” Hij zei: “Degene die bij Allah gevraagd wordt en niet geeft omwille van Hem.” Hiermee eindigt de tafsir van soera Lam Yakun (al-Bayyina), en alle lof en dank komen Allah toe.

Ibn al-Qayyim

Wat het tevreden-zijn óver Hem (ar-ridâ ‘anhu) betreft: dat is het tevreden-zijn van de dienaar met wat Hij met hem doet en wat Hij hem geeft; en daarom is het uitsluitend vermeld bij de beloning en de vergelding, zoals Zijn woord: {O gerustgestelde ziel, keer terug naar je Heer, welbehaagd en met welbehagen ontvangen} (al-Fadjr 27-28), en zoals Zijn woord: {eeuwig levenden daarin, voor altijd; Allah is met hen behaagd en zij zijn met Hem behaagd; dat is voor wie zijn Heer vreest} (al-Bayyina 8). Het tevreden-zijn mét Hem (ar-ridâ bihî) is de wortel van het tevreden-zijn óver Hem, en het tevreden-zijn óver Hem is de vrucht van het tevreden-zijn mét Hem. Het geheim van de zaak is: het tevreden-zijn mét Hem hangt samen met Zijn namen en Zijn eigenschappen, en het tevreden-zijn óver Hem hangt samen met Zijn beloning en Zijn vergelding. Bovendien verbond de Profeet ﷺ het proeven van de smaak van het geloof aan wie tevreden is mét Allah als Heer, en niet aan wie tevreden is óver Hem, zoals hij ﷺ zei: “De smaak van het geloof heeft geproefd wie tevreden is met Allah als Heer, met de islam als godsdienst en met Mohammed ﷺ als boodschapper.” Zo maakte hij het tevreden-zijn mét Hem tot metgezel van het tevreden-zijn met Zijn godsdienst en Zijn profeet; en deze drie zijn de grondbeginselen van de islam, die slechts door en op hen overeind staat.

Arabische grondtekst & bron — verzen 6-8

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Bayyina 6–8 · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Bayyina 6–8 · Imâm Ahmad (Aboe Hurayra: ‘de beste / de slechtste der schepselen’).

يُخْبِرُ تَعَالَى عَنْ مَآلِ الْفُجَّارِ، مِنْ كَفَرَةِ أَهْلِ الْكِتَابِ، وَالْمُشْرِكِينَ الْمُخَالِفِينَ لَكُتُبِ اللَّهِ الْمُنَزَّلَةِ وَأَنْبِيَاءِ اللَّهِ الْمُرْسَلَةِ: أَنَّهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ ﴿فِي نَارِ جَهَنَّمَ خَالِدِينَ فِيهَا﴾ أَيْ: مَاكِثِينَ، لَا يُحَوَّلُونَ عَنْهَا وَلَا يَزُولُونَ ﴿أُولَئِكَ هُمْ شَرُّ الْبَرِيَّةِ﴾ أَيْ: شَرُّ الْخَلِيقَةِ الَّتِي بَرَأَهَا اللَّهُ وَذَرَأَهَا. ثُمَّ أَخْبَرَ تَعَالَى عَنْ حَالِ الْأَبْرَارِ -الَّذِينَ آمَنُوا بِقُلُوبِهِمْ، وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ بِأَبْدَانِهِمْ-بِأَنَّهُمْ خير الْبَرِيَّةِ. وَقَدِ اسْتَدَلَّ بِهَذِهِ الْآيَةِ أَبُو هُرَيْرَةَ وَطَائِفَةٌ مِنَ الْعُلَمَاءِ، عَلَى تَفْضِيلِ الْمُؤْمِنِينَ مِنَ الْبَرِيَّةِ [[في أ: "من البشر".]] عَلَى الْمَلَائِكَةِ؛ لِقَوْلِهِ: ﴿أُولَئِكَ هُمْ خَيْرُ الْبَرِيَّةِ﴾ ثُمَّ قَالَ: ﴿جَزَاؤُهُمْ عِنْدَ رَبِّهِمْ﴾ أَيْ: يَوْمَ الْقِيَامَةِ، ﴿جَنَّاتُ عَدْنٍ تَجْرِي مِنْ تَحْتِهَا الأنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا أَبَدًا﴾ أَيْ: بِلَا انْفِصَالٍ وَلَا انْقِضَاءٍ وَلَا فَرَاغٍ. ﴿رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا عَنْهُ﴾ وَمَقَامُ رِضَاهُ عَنْهُمْ أَعْلَى مِمَّا أُوتُوهُ مِنَ النَّعِيمِ الْمُقِيمِ، ﴿وَرَضُوا عَنْهُ﴾ فِيمَا مَنَحَهُمْ مِنَ الْفَضْلِ الْعَمِيمِ. * * وَقَوْلُهُ: ﴿ذَلِكَ لِمَنْ خَشِيَ رَبَّهُ﴾ أَيْ: هَذَا الْجَزَاءُ حَاصِلٌ لِمَنْ خَشِيَ اللَّهَ وَاتَّقَاهُ حَقَّ تَقْوَاهُ، وَعَبَدَهُ كَأَنَّهُ يَرَاهُ، وَقَدْ عَلِمَ أَنَّهُ إِنْ لَمْ يَرَهُ فَإِنَّهُ يَرَاهُ. وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا إِسْحَاقُ بْنُ عِيسَى، حَدَّثَنَا أَبُو مَعْشَرٍ، عَنْ أَبِي وَهْبٍ -مَوْلَى أَبِي هُرَيْرَةَ-عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ﷺ: "أَلَا أُخْبِرُكُمْ بِخَيْرِ الْبَرِيَّةِ؟ " قَالُوا: بَلَى يَا رَسُولَ اللَّهِ. قَالَ: "رَجُلٌ أَخَذَ بِعِنَانِ فَرَسِهِ فِي سَبِيلِ اللَّهِ، كُلَّمَا كَانَتْ هَيْعَة اسْتَوَى عَلَيْهِ. أَلَا أُخْبِرُكُمْ بِخَيْرِ الْبَرِيَّةِ؟ " قَالُوا: بَلَى يَا رَسُولَ اللَّهِ. قَالَ: "رَجُلٌ فِي ثُلَّة مِنْ غَنَمِهِ، يُقِيمُ الصَّلَاةَ وَيُؤْتِي الزَّكَاةَ. أَلَا أُخْبِرُكُمْ بِشَرِّ [[في أ: "بخير".]] الْبَرِيَّةِ؟ ". قَالُوا: بَلَى. قَالَ: "الَّذِي يَسأل بِاللَّهِ، وَلَا يُعطي بِهِ" [[المسند (٢/٣٩٦) وقال الهيثمي في المجمع (٥/٢٧٩) : "أبو معشر -نجيح- ضعيف، وأبو معشر (كذا فيه، والصواب: أبو وهب) مولى أبي هريرة لم أعرفه".]] . آخِرُ تفسير سورة "لم يكن" [[في م: "آخر تفسيرها".]] .

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Bayyina 7 · marfû‘-hadith ‘deze kennis dragen uit elke generatie de betrouwbaren’.