﴿ ١ ﴾
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ لَمْ يَكُنِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِنْ أَهْلِ ٱلْكِتَٰبِ وَٱلْمُشْرِكِينَ مُنفَكِّينَ حَتَّىٰ تَأْتِيَهُمُ ٱلْبَيِّنَةُ
Lam ya kunil lazeena kafaru min ahlil kitaabi wal mushri keena mun fak keena hattaa ta-tiya humul bayyinah
98:1De ongelovigen onder de Lieden van de Schrift en de veelgodenaanbidders houden niet op (ongelovig te zijn) tot er een duidelijk bewijs tot hen komt.
Uitleg & tafsir
In helder Nederlands
De Koran benoemt eerlijk een vastgelopen toestand: wie ongelovig was — onder de Lieden van de Schrift én de afgodendienaars — zou niet vanzelf loskomen. De tijd alleen verandert het hart niet; daar is een ‘duidelijk bewijs’ voor nodig dat van buiten komt. En juist deze soera werd, op Allahs bevel, aan Ubayy bij name voorgedragen — een teken van hoe persoonlijk dat bewijs is.
Wat de geleerden zeggen
as-Sa'dî
Allah, de Verhevene, zegt: {De ongelovigen onder de Lieden van de Schrift} — dat zijn de joden en de christenen — {en de veelgodenaanbidders} uit alle overige soorten van de volkeren, {hielden niet op} met hun ongeloof en hun dwaling waarop zij verkeerden; dat wil zeggen: zij bleven voortdurend in hun verdwazing en hun afdwaling, en het verstrijken van de tijd vermeerderde bij hen niets dan ongeloof, {totdat er een duidelijk bewijs tot hen komt}: het heldere bewijs en het stralende argument.
Ibn Kathîr
Deze edele soera werd door de Boodschapper van Allah ﷺ voorgedragen aan Ubayy ibn Ka‘b. Imâm Ahmad leverde over op gezag van Anas ibn Mâlik dat de Boodschapper van Allah ﷺ tegen Ubayy ibn Ka‘b zei: “Voorwaar, Allah heeft mij bevolen jou voor te dragen: {De ongelovigen onder de Lieden van de Schrift}.” Ubayy zei: “Heeft Hij mij bij name aan u genoemd?” De Profeet ﷺ zei: “Ja.” Toen huilde Ubayy. Al-Bukhârî, Muslim, at-Tirmidhî en an-Nasâ'î leverden deze overlevering allen via Shu‘ba over. Wat de Lieden van de Schrift betreft: dat zijn de joden en de christenen. En de veelgodenaanbidders: dat zijn de aanbidders van afgodsbeelden en van het vuur, onder de Arabieren en de niet-Arabieren. Mujâhid zei over {hielden niet op}: dit betekent ‘zij zouden niet ophouden totdat de waarheid hun duidelijk werd’. Hetzelfde zei Qatâda. {Totdat er een duidelijk bewijs tot hen komt}: dat wil zeggen, deze Koran.