﴿ ١ ﴾
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلْعَٰدِيَٰتِ ضَبْحًۭا
Wal'aadi yaati dabha
100:1Bij de snuivend voortrennenden.
Uitleg & tafsir
In helder Nederlands
De soera barst los met een eed bij de strijdpaarden in volle galop: ‘Bij de snuivend voortrennenden.’ Allah zweert bij hen om de tekenen van Zijn macht die in dit edele dier liggen — het rent zó hard dat zelfs zijn ademhaling hoorbaar wordt. Nog vóór er een les klinkt, zet God het beeld neer van kracht, snelheid en strijdvaardigheid.
Wat de geleerden zeggen
as-Sa'dî
Allah, de Verhevene, zweert bij de paarden — vanwege de schitterende tekenen en de duidelijke gunsten die de schepselen daarin kennen — en Hij zweert bij hen in een toestand die geen andere diersoort met hen deelt. Hij zegt: {Bij de snuivend voortrennenden} — dat wil zeggen: de paarden die met een geweldige, krachtige galop rennen waaruit het snuiven (ad-dabh) voortkomt, het geluid van hun ademhaling in hun borst wanneer hun galop heftig wordt.
Ibn Kathîr
Allah zweert bij de paarden wanneer zij in Zijn weg (de jihâd) ten strijde worden gedreven, zodat zij rennen en snuiven — ad-dabh is het geluid dat van het paard gehoord wordt wanneer het rent. De geleerden verschilden over wat met ‘de voortrennenden’ bedoeld is. Ibn Abî Hâtim leverde over, via al-A‘mash, van Ibrâhîm, van ‘Abdullâh (ibn Mas‘ûd): {Bij de snuivend voortrennenden} — hij zei: dat zijn de kamelen. ‘Alî zei eveneens: het zijn de kamelen. Maar Ibn ‘Abbâs zei: het zijn de paarden. Toen ‘Alî de uitspraak van Ibn ‘Abbâs bereikte, zei hij: ‘Wij hadden op de dag van Badr geen paarden.’ Ibn ‘Abbâs zei: ‘Dat was bij een uitgezonden strijdtroep (sariyya).’ Sa‘îd ibn Jubayr leverde over van Ibn ‘Abbâs dat deze zei: ‘Terwijl ik in de Hidjr zat, kwam er een man naar mij die mij vroeg over {Bij de snuivend voortrennenden}. Ik zei hem: het zijn de paarden wanneer zij in de weg van Allah ten aanval trekken, dan ’s nachts terugkeren en hun eten klaarmaken en hun vuur ontsteken. Hij keerde zich van mij af en ging naar ‘Alî, moge Allah tevreden over hem zijn, die bij de drinkplaats van Zamzam was, en vroeg hem ernaar. ‘Alî zei: heb je hiernaar iemand vóór mij gevraagd? Hij zei: ja, Ibn ‘Abbâs, en die zei: de paarden wanneer zij ten aanval trekken in de weg van Allah. ‘Alî zei: ga, en roep hem voor mij. Toen hij voor hem stond, zei ‘Alî: jij geeft de mensen uitspraken waarvan je geen kennis hebt! Bij Allah, als de eerste veldslag in de islam Badr was — en wij hadden daar slechts twee paarden: een paard van az-Zubayr en een paard van al-Miqdâd — hoe kunnen het dan de snuivend voortrennenden zijn? De snuivend voortrennenden zijn slechts (de kamelen) van ‘Arafa naar Muzdalifa, en van Muzdalifa naar Minâ.’ Ibn ‘Abbâs zei: toen liet ik mijn uitspraak varen en keerde terug naar wat ‘Alî gezegd had. Met deze keten leverde Ibn ‘Abbâs ook over dat ‘Alî zei: de snuivend voortrennenden zijn slechts (de kamelen) van ‘Arafa naar Muzdalifa; en wanneer zij bij Muzdalifa neerstrijken, ontsteken zij de vuren. Volgens de overlevering van al-‘Awfî zei Ibn ‘Abbâs daarentegen: het zijn de paarden. Met de uitspraak van ‘Alî — dat het de kamelen zijn — zeiden onder anderen Ibrâhîm en ‘Ubayd ibn ‘Umayr; met de uitspraak van Ibn ‘Abbâs zeiden onder anderen Mujâhid, ‘Ikrima, ‘Atâ’, Qatâda en ad-Dahhâk, en Ibn Jarîr koos voor deze laatste. Ibn ‘Abbâs en ‘Atâ’ zeiden: nooit heeft een dier ‘snuivend’ gehijgd behalve een paard of een hond. En Ibn Juraydj leverde over van ‘Atâ’: ik hoorde Ibn ‘Abbâs het snuiven beschrijven als: ‘ah, ah’.
Ibn al-Qayyim
Tot de eden van Allah behoort Zijn eed: {Bij de snuivend voortrennenden, die vonken slaan, die in de ochtend aanvallen}. De metgezellen en wie na hen kwamen verschilden hierover. ‘Alî ibn Abî Tâlib en ‘Abdullâh ibn Mas‘ûd zeiden: het zijn de kamelen van de bedevaartganger, die rennen van ‘Arafa naar Muzdalifa en van Muzdalifa naar Minâ — dit was de keuze van Muhammad ibn Ka‘b, Aboe Sâlih en een groep exegeten. ‘Abdullâh ibn ‘Abbâs zei: het zijn de strijdpaarden — dit is de uitspraak van de leerlingen van Ibn ‘Abbâs en van al-Hasan en een groep, en al-Farrâ’ en az-Zajjâj kozen hiervoor. De voorstanders van ‘de kamelen’ zeiden: de soera is Mekkaans, en er was toen nog geen jihâd en geen paarden die streden; Hij zwoer dus bij wat zij kenden en gewoon waren — de kamelen van de bedevaartganger, die ‘voortrennend’ zijn wanneer zij van ‘Arafa naar Muzdalifa rennen. De voorstanders van ‘de paarden’ zeiden: in de taal is het bekend dat ad-dabh het geluid van de ademhaling van de paarden is wanneer zij rennen — een geluid dat uit hun binnenste gehoord wordt, niet het hinniken (as-sahîl) en niet het briesen (al-hamhama), maar het geluid van hun adem in hun binnenste door de heftigheid van het rennen. Al-Jurjânî zei: beide uitspraken zijn in de tafsîr overgeleverd, maar de context wijst erop dat het de paarden zijn, namelijk Zijn woord {die vonken slaan}: het slaan van vuur gebeurt slechts door de hoef vanwege diens hardheid, terwijl de kameelvoet zachtheid en slapheid heeft.