Terug naar inhoud
NÛR

Soera 109 · Mekkaans · 6 verzen

سورة الكَافِرُونَ

Al-KaafiroonDe Ongelovigen

Openbaringsvolgorde: 18 · Juz 30

Voorwoord

Soera Al-Kâfirûn — ‘de ongelovigen’ — is een Mekkaanse soera van zes verzen, genoemd naar het woord waarmee zij opent: ‘Zeg: O ongelovigen.’ De geleerden noemen haar ‘de soera van de vrijwaring (al-barâ’a) van de afgoderij’, want in een overlevering van de Profeet ﷺ heet zij ‘een vrijwaring van shirk’. Ibn Kathîr vermeldt dat zij in de plaats van een vierde van de Koran wordt gesteld, en dat de Profeet ﷺ haar samen met soera al-Ikhlâs (‘Zeg: Hij is Allah, één’) reciteerde in de twee gebedseenheden vóór het ochtendgebed en de twee na het avondgebed, en in de twee rak‘a's van de tawâf rond de Ka‘ba.

De aanleiding was — zo wordt overgeleverd — dat de afgodendienaars van Quraysh in hun onwetendheid de Boodschapper ﷺ voorstelden dat hij een jaar hun afgoden zou aanbidden en zij een jaar zijn God; toen openbaarde Allah deze soera en beval hij Zijn Boodschapper ﷺ zich volledig vrij te verklaren van hun godsdienst. De kern is een dubbele scheiding: aanbidding aan Allah alleen, zoals Hij die heeft voorgeschreven, en een volkomen losmaken van alles wat de afgodendienaars aanbidden — uitlopend op het slot ‘voor jullie jullie godsdienst en voor mij mijn godsdienst.’ Daarmee vat zij, samen met al-Ikhlâs, de twee soorten van tawhîd samen: tawhîd van kennis en geloof, en tawhîd van wil en aanbidding.

Verzen 1-6

﴿ ١ ﴾

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ قُلْ يَٰٓأَيُّهَا ٱلْكَٰفِرُونَ

Qul yaa-ai yuhal kaafiroon

109:1Zeg (O Mohammed): "O ongelovigen.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De soera opent als een openlijke afkondiging: ‘Zeg: O ongelovigen.’ De Profeet ﷺ wordt bevolen onomwonden, voor iedereen hoorbaar, afstand te nemen. De aanspreking ‘ongelovigen’ omvat elke ongelovige op aarde, maar treft in de eerste plaats de afgodendienaars van Quraysh, die hem voorstelden om beurten elkaars goden te aanbidden. Het antwoord is een volledige vrijwaring.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Dat wil zeggen: zeg tot de ongelovigen, openlijk en onomwonden afkondigend: {Ik aanbid niet wat jullie aanbidden} — verklaar je vrij van wat zij naast Allah aanbidden, uiterlijk én innerlijk.

Ibn Kathîr

Deze soera is de soera van de vrijwaring van het werk dat de afgodendienaars verrichten, en zij gebiedt de zuivere toewijding (ikhlâs) daarin. De recitatie van deze soera in de vrijwillige gebeden. In Sahîh Muslim is van Jâbir overgeleverd dat de Boodschapper van Allah ﷺ deze soera en ‘Zeg: Hij is Allah, één’ (soera 112) reciteerde in de twee rak‘a's van de tawâf. En in Sahîh Muslim, uit een overlevering van Aboe Hurayra, dat de Boodschapper van Allah ﷺ beide reciteerde in de twee rak‘a's (van de soenna) van het ochtendgebed. Imâm Ahmad leverde van Ibn ‘Umar over dat de Boodschapper van Allah ﷺ in de twee rak‘a's vóór het ochtendgebed en de twee rak‘a's na het avondgebed bij ongeveer tien of twintig gelegenheden ‘Zeg: O ongelovigen’ en ‘Zeg: Hij is Allah, één’ reciteerde. Ahmad leverde ook over dat Ibn ‘Umar zei: “Ik gadesloeg de Profeet ﷺ vier- of vijfentwintig keer terwijl hij in de twee rak‘a's vóór het ochtendgebed en de twee rak‘a's na het avondgebed ‘Zeg: O ongelovigen’ en ‘Zeg: Hij is Allah, één’ reciteerde.” En Ahmad leverde over dat Ibn ‘Umar zei: “Ik sloeg de Profeet ﷺ een maand lang gade, en hij reciteerde in de twee rak‘a's vóór het ochtendgebed ‘Zeg: O ongelovigen’ en ‘Zeg: Hij is Allah, één’.” Dit leverden ook at-Tirmidhî — die zei dat het hasan is — Ibn Mâdja en an-Nasâ'î over. En eerder is in een overlevering vermeld dat zij (soera al-Kâfirûn) in de plaats wordt gesteld van een vierde van de Koran, en dat ‘Wanneer de aarde geschud wordt’ (az-Zalzala) in de plaats wordt gesteld van een vierde van de Koran. Zijn uitspraak {Zeg: O ongelovigen} omvat elke ongelovige op het aardoppervlak, maar wie met deze aanspreking rechtstreeks worden aangesproken, zijn de ongelovigen van Quraysh. Er wordt gezegd dat zij in hun onwetendheid de Boodschapper van Allah ﷺ uitnodigden om een jaar lang hun afgoden te aanbidden, terwijl zij een jaar lang zijn God zouden aanbidden; toen zond Allah deze soera neer en beval Hij Zijn Boodschapper ﷺ daarin zich volledig vrij te verklaren van hun godsdienst.

Ibn al-Qayyim

Ibn al-Qayyim merkt op dat de gewoonte van de Koran, wanneer hij de ongelovigen aanspreekt, is hen aan te spreken met ‘O jullie die ongelovig zijn (alladhîna kafarû)’ of ‘O jullie die joden zijn’, zoals in ‘O jullie die ongelovig zijn, verontschuldigt je vandaag niet’ en ‘Zeg: O jullie die joden zijn, als jullie beweren dat jullie de beschermers van Allah zijn…’ — maar de aanspreking ‘O ongelovigen (yâ ayyuhâ l-kâfirûn)’ komt alleen op deze plaats voor. Wat is het geheim van die uitzondering? Het wijst erop dat wie het ongeloof als een vaststaande, blijvende eigenschap draagt die hem niet verlaat, het waard is dat Allah zich van hem vrij verklaart en dat hij zelf vrij staat van Allah; daarom past juist hier deze aanspreking, in een context van vrijwaring die de uiterste verwijdering en scheiding uitdrukt. Het is alsof gezegd wordt: zoals het ongeloof jullie blijvend en onlosmakelijk aankleeft, zo is mijn scheiding van jullie en mijn vrijwaring van jullie voor mij blijvend, voor altijd.

﴿ ٢ ﴾

لَآ أَعْبُدُ مَا تَعْبُدُونَ

Laa a'budu ma t'abudoon

109:2Ik aanbid niet wat jullie aanbidden.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Het eerste deel van de scheiding: ‘Ik aanbid niet wat jullie aanbidden.’ De Profeet ﷺ verklaart zich vrij van de afgoden en de valse goden die zij naast Allah aanbidden — niet half, maar uiterlijk en innerlijk, voor nu en voor altijd.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

{Ik aanbid niet wat jullie aanbidden} — dit is een vrijwaring van wat zij naast Allah aanbidden, uiterlijk en innerlijk.

Ibn Kathîr

Allah zei: {Ik aanbid niet wat jullie aanbidden} — Hij bedoelt: de afgodsbeelden en de valse goden (die als deelgenoten naast Allah worden gesteld).

Ibn al-Qayyim

Over de bewoording ‘mâ’ (wat) in ‘wat jullie aanbidden’: de geleerden hebben hierover meerdere verklaringen gegeven. Eén groep zegt dat ‘mâ’ in haar gewone betekenis blijft en op het aanbedene wijst. Anderen zeggen dat ‘mâ’ hier een masdar-betekenis heeft (‘jullie aanbidden niet mijn manier van aanbidden’). Een derde verklaring is dat de afgodendienaars de Profeet ﷺ wilden tegenwerken uit afgunst en uit afkeer hem te volgen, zodat zij zijn Aanbedene niet aanbidden — niet uit afkeer van de Aanbedene zelf, maar uit afkeer hem ﷺ te volgen. Een vierde is het beoogde tweetal (izdiwâj) in welsprekendheid, waarbij de twee zinnen in bewoording gelijk worden gemaakt, ook al verschilt de betekenis; daarom kan dit niet met ‘man’ (wie) over een enkel iemand komen — bij het enkelvoud komt steeds ‘man’, zoals in ‘Wie leidt jullie in de duisternissen van land en zee?’ en ‘Zeg: Wie voorziet jullie?’ Ibn al-Qayyim voegt een vijfde, voor hem treffender, verklaring toe: het oogmerk is hier het noemen van de Aanbedene zoals Hij de eigenschap draagt waardig en rechthebbend te zijn op aanbidding; daarom kwam ‘mâ’, die deze betekenis aanduidt — alsof gezegd is: ‘en jullie aanbidden niet mijn Aanbedene, die gekenmerkt is als de ware Aanbedene.’ Was ‘man’ gekomen, dan had die slechts op de Persoon gewezen. Dit is wat de grammatici bedoelen met hun uitspraak dat ‘mâ’ kan komen voor de eigenschappen van wie verstandig is, zoals in ‘Trouwt dan wat (mâ) goed voor jullie is van de vrouwen’, waar de eigenschap (het goede) is bedoeld.

﴿ ٣ ﴾

وَلَآ أَنتُمْ عَٰبِدُونَ مَآ أَعْبُدُ

Wa laa antum 'aabidoona maa a'bud

109:3En jullie zijn geen aanbidders van wat ik aanbid.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

De andere kant van de scheiding: ‘En jullie zijn geen aanbidders van wat ik aanbid.’ Want hun aanbidding mist de zuivere toewijding aan Allah; een aanbidding vermengd met shirk heet bij Allah geen aanbidding. Zo staan de twee partijen tegenover elkaar.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

{En jullie zijn geen aanbidders van wat ik aanbid} — vanwege jullie gebrek aan oprechtheid in jullie aanbidding van Allah; jullie aanbidding van Hem die gepaard gaat met shirk, wordt geen aanbidding genoemd.

Ibn Kathîr

{En jullie zijn geen aanbidders van wat ik aanbid} — en dat is Allah alleen, die geen deelgenoot heeft. Het woord ‘mâ’ (wat) heeft hier dus de betekenis van ‘man’ (wie).

Ibn al-Qayyim

De eerste verklaring luidt dat ‘mâ’ op het aanbedene van de Profeet ﷺ in het algemeen wijst; want hun weigering Allah te aanbidden was niet om Hemzelf — zij meenden zelfs dat zíj Allah aanbaden, maar zij waren onwetend over Hem. Zijn uitspraak {en jullie zijn geen aanbidders van wat ik aanbid} betekent dan: jullie aanbidden mijn Aanbedene niet; en mijn Aanbedene kende hij ﷺ, terwijl zij Hem niet kenden. Uit de vrijwaring van hen ten aanzien van zíjn aanbidding volgt noodzakelijk hun vrijwaring van het Aanbedene zelf, want de aanbidding is aan Hem verbonden — al is het eigenlijke oogmerk de Aanbedene, niet de aanbidding: dat hij ﷺ zich vrij verklaart van hún aanbedenen en hun bekendmaakt dat zíj vrij staan van zíjn Aanbedene, de Verhevene.

﴿ ٤ ﴾

وَلَآ أَنَا۠ عَابِدٌۭ مَّا عَبَدتُّمْ

Wa laa ana 'abidum maa 'abattum

109:4En ik zal nooit een aanbidder worden van wat jullie aanbidden.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Een herhaling die niet overbodig is: ‘En ik zal nooit een aanbidder worden van wat jullie aanbidden.’ Waar de eerste ontkenning de daad uitsloot, sluit deze de aanbidding als blijvende eigenschap uit: het is en wordt nooit mijn aard. Volgens een uitleg sluit het ook het verleden in — ik heb het nooit gedaan, ook niet vóór de openbaring.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Hij herhaalde dat, opdat de eerste ontkenning wijst op het niet bestaan van de daad, en de tweede erop wijst dat dit een blijvende, onlosmakelijke eigenschap is geworden.

Ibn Kathîr

Daarna zei Hij: {En ik zal nooit een aanbidder worden van wat jullie aanbidden, en jullie zijn geen aanbidders van wat ik aanbid} — dat wil zeggen: ik aanbid niet zoals jullie aanbidden, ik sla die weg niet in en volg die niet na; ik aanbid Allah slechts op de wijze die Hij liefheeft en waarmee Hij tevreden is.

Ibn al-Qayyim

Over het herhalen van de werkwoorden en het verschil in tijd: één verklaring is dat {Ik aanbid niet wat jullie aanbidden} de tegenwoordige tijd en de toekomst ontkent, en {En ik zal nooit een aanbidder worden van wat jullie aanbidden} ziet op het verleden — er is van mij nooit zoiets uitgegaan vóór het neerdalen van de openbaring; daarom kwam over húń aanbidding de verleden tijd: ‘wat jullie aanbáden’, alsof Hij zei: ik heb nooit aanbeden wat jullie aanbaden. Volgens deze uitleg is er in het geheel geen herhaling, en hebben de verzen de soorten van ontkenning — verleden, heden en toekomst — over zijn aanbidding en de hunne uitputtend, in de beknoptste en helderste bewoording, bestreken. Ibn al-Qayyim noemt dit, indien Allah het wil, de beste uitleg. Hij wijst er bovendien op dat ‘mâ’ hier een vleug van een voorwaarde (sharṭ) in zich draagt door haar onbepaaldheid en algemeenheid over de aanbedenen — alsof gezegd wordt: ‘welk ding jullie ook aanbaden, ik aanbid het niet’ — en dat daarom na haar de verleden tijd kwam, terwijl de betekenis toekomstig is, zoals na een voorwaardspartikel.

﴿ ٥ ﴾

وَلَآ أَنتُمْ عَٰبِدُونَ مَآ أَعْبُدُ

Wa laa antum 'aabidoona ma a'bud

109:5En jullie zullen nooit aanbidders worden van wat ik aanbid.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Nogmaals de tegenkant: ‘En jullie zullen nooit aanbidders worden van wat ik aanbid.’ Zo wordt het onderscheid tussen de twee partijen volledig vastgelegd — niet alleen voor het ogenblik, maar als een blijvende scheiding.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarom maakte Hij onderscheid tussen de twee partijen en scheidde Hij de twee groepen van elkaar.

Ibn Kathîr

Daarom zei Hij: {En jullie zijn geen aanbidders van wat ik aanbid} — dat wil zeggen: jullie volgen niet de bevelen van Allah en Zijn wetgeving in Zijn aanbidding, maar jullie hebben uit jezelf iets verzonnen, zoals Allah zei: {Zij volgen slechts vermoeden en wat de zielen begeren, terwijl er waarlijk leiding van hun Heer tot hen is gekomen} (an-Najm 53:23). Zo verklaarde Hij zich vrij van hen in alles waarin zij verkeren; want de aanbidder moet noodzakelijk een aanbedene hebben die hij aanbidt en een aanbidding die hij tot Hem inslaat. De Boodschapper ﷺ en zijn volgelingen aanbidden Allah met wat Hij heeft voorgeschreven; daarom is het woord van de islam ‘Er is geen god dan Allah, Mohammed is de Boodschapper van Allah’ — dat wil zeggen: er is geen aanbedene dan Allah, en geen weg tot Hem dan door wat de Boodschapper ﷺ heeft gebracht. De afgodendienaars aanbidden een ander dan Allah met een aanbidding die Allah niet heeft toegestaan.

Ibn al-Qayyim

Een fijnzinnige reden dat over húń ontkenning steeds de naamsvorm ‘aanbidders (‘âbidûn)’ komt, terwijl over zíjn kant nu eens het werkwoord, dan weer de naamsvorm staat: het hoogste oogmerk is zijn vrijwaring van hún aanbedenen op elke wijze en op elk tijdstip; daarom kwam eerst de werkwoordsvorm die op gebeuren en hernieuwing wijst, en daarna in diezelfde ontkenning de naamsvorm — alsof gezegd is: het aanbidden van een ander dan Allah is voor mij geen daad én geen eigenschap. Wat hen betreft kwam slechts de naam die op de blijvende eigenschap wijst: de vaststaande, blijvende eigenschap van het ware aanbidden van Allah is van jullie ontkend — die eigenschap staat alleen vast voor wie Allah als enige met de aanbidding heeft toegewijd en niemand daarin met Hem heeft vereenzelvigd. En omdat de afgodendienaar Allah aanbidt én een ander naast Hem, werd over hen niet de dáád ontkend (die kwam immers van hen voor), maar de eigenschap — want wie een ander dan Allah aanbidt, staat niet vast op de aanbidding van Allah en is daarmee niet gekenmerkt.

﴿ ٦ ﴾

لَكُمْ دِينُكُمْ وَلِىَ دِينِ

Lakum deenukum wa liya deen.

109:6Daarom, voor jullie jullie godsdienst en voor mij mijn godsdienst.

Uitleg & tafsir

In helder Nederlands

Het slot trekt de scheidslijn: ‘Voor jullie jullie godsdienst en voor mij mijn godsdienst.’ Dit is geen instemming met hun ongeloof en geen wapenstilstand, maar de uiterste vrijwaring: jullie godsdienst is jullie deel, vals en geheel van jullie; mijn godsdienst — de tawhîd — is mijn deel, en daarin delen jullie niet. Zo eindigt de soera zoals zij begon: in volstrekte afscheiding.

Wat de geleerden zeggen

as-Sa'dî

Daarom zei Hij: {Voor jullie jullie godsdienst en voor mij mijn godsdienst}, zoals Allah, de Verhevene, zei: {Zeg: ieder handelt naar zijn aard} — jullie zijn vrij van wat ik doe, en ik ben vrij van wat jullie doen.

Ibn Kathîr

De afgodendienaars aanbidden een ander dan Allah met een aanbidding die Allah niet heeft toegestaan; daarom zei de Boodschapper ﷺ tot hen: {Voor jullie jullie godsdienst en voor mij mijn godsdienst}, zoals Allah, de Verhevene, zei: {En indien zij jou loochenen, zeg dan: voor mij mijn werk en voor jullie jullie werk; jullie zijn vrij van wat ik doe, en ik ben vrij van wat jullie doen} (Yûnus 10:41), en Hij zei: {Voor ons onze werken en voor jullie jullie werken} (al-Qasas 28:55). Al-Bukhârî zei: men zegt — {Voor jullie jullie godsdienst} betekent: het ongeloof; {en voor mij mijn godsdienst} betekent: de islam. En er staat niet ‘dînî’ (met de yâ’), omdat de versuiteinden op de nûn (ondersteund door de î-klank) eindigen, zodat de yâ’ is weggelaten, zoals Hij zei {fa-huwa yahdîni} (de Dichters 26:78) en {yashfîni} (de Dichters 26:80). Imâm Aboe ‘Abdullah ash-Shâfi‘î en anderen leidden uit dit edele vers {Voor jullie jullie godsdienst en voor mij mijn godsdienst} af dat het ongeloof in zijn geheel één godsdienst (milla) is, zodat joden van christenen erven en omgekeerd, indien er tussen hen een verwantschap of band is waardoor geërfd wordt — want alle godsdiensten behalve de islam zijn als één en hetzelfde in hun nietigheid. Ahmad ibn Hanbal en wie het met hem eens was, gingen ervan uit dat christenen niet van joden erven en omgekeerd, vanwege de overlevering van ‘Amr ibn Shu‘ayb, van zijn vader, van zijn grootvader, dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: “Twee verschillende godsdienst-gemeenschappen erven niet van elkaar.”

Ibn al-Qayyim

Bij {Voor jullie jullie godsdienst en voor mij mijn godsdienst} ligt een betekenis bovenop de voorafgaande ontkenning: het wijst op de toewijzing van elk aan zijn eigen godsdienst en aanbedene. De wijsheid is — en Allah weet het het beste — dat de eerste ontkenning de vrijwaring opleverde en dat het einde van de soera vaststelt wat die ontkenning aan hún kant inhield: de shirk en het ongeloof die hún aandeel, hún portie en hún deel zijn. Het loopt als iemand die met een ander een stuk land verdeelt en zegt: ‘betreed mijn grens niet, en ik betreed de jouwe niet; voor jou jouw grond en voor mij mijn grond.’ Zo levert het vers op dat ons het deel van tawhîd en geloof toeviel — onze portie waarin jullie niet delen — en jullie het deel van shirk en ongeloof, jullie portie waarin wij niet delen. Deze soera is dan ook geen instemming met hen op hun godsdienst en wordt niet opgeheven (mansûkh) door het zwaardvers, noch beperkt tot de Lieden van het Boek; zij is muhkam (bindend van kracht) en haar algemeenheid blijft bewaard. De Boodschapper ﷺ bleef immers vanaf het begin in zijn afkeuring van hun godsdienst, het laken ervan en de waarschuwing ertegen — hoe zou het vers dan een bevestiging van hen op hun godsdienst inhouden? Het houdt slechts zijn volkomen vrijwaring in. En zo geldt deze scheiding ook tussen de volgelingen van de Boodschapper ﷺ, de lieden van zijn soenna, en de lieden van de innovatie: wanneer de erfgenamen van de Boodschapper tot hen zeggen ‘voor jullie jullie godsdienst en voor ons onze godsdienst’, is dat geen bevestiging van hun innovatie, maar een vrijwaring ervan — terwijl zij niettemin opgesteld blijven om hen te weerleggen en tegen hen te strijden naar vermogen. In het hoofdstuk ‘is het ongeloof één godsdienst?’ haalt Ibn al-Qayyim aan dat Allah Zijn schepping verdeelde in ongelovigen en gelovigen — dezen gelukzalig, genen rampzalig — en dat het ongeloof, hoe verschillend zijn vertakkingen ook zijn, door twee eigenschappen wordt samengebonden: het loochenen van de Boodschapper in wat hij berichtte, en het zich niet onderwerpen aan zijn bevel; zoals het geloof teruggaat op twee grondslagen: gehoorzaamheid aan de Boodschapper in wat hij beval, en het voor waar houden van wat hij berichtte. Hij vermeldt dat Allah de waarheid, de leiding en de islam noemt en die één maakt, en het valse, de dwaling en het ongeloof noemt en die veelvoudig maakt — zoals in {En dit is Mijn pad, recht; volgt het dan, en volgt niet de wegen, want die zullen jullie van Zijn weg scheiden} (al-An‘âm 6:153). En ‘Abdullah ibn Mas‘ûd zei: “De Boodschapper van Allah ﷺ trok een lijn en zei: ‘Dit is het pad van Allah.’ Daarna trok hij lijnen rechts en links ervan en zei: ‘Dit zijn wegen; op elke weg is er een satan die ertoe oproept.’ Toen reciteerde hij Zijn uitspraak: {En dit is Mijn pad, recht; volgt het dan, en volgt niet de wegen, want die zullen jullie van Zijn weg scheiden — dat heeft Hij jullie opgedragen, opdat jullie godvrezend mogen zijn}.”

Arabische grondtekst & bron — verzen 1-6

Tafsîr as-Sa'dî

Tafsîr as-Sa'dî (Taysîr al-Karîm ar-Rahmân fî Tafsîr Kalâm al-Mannân) — Sûrat al-Kâfirûn · authentiek Arabisch + Turkse editie (spa5k/tafsir_api).

Tafsîr Ibn Kathîr

Tafsîr Ibn Kathîr — Sûrat al-Kâfirûn · Sahîh Muslim (recitatie in de twee rak‘a's van de tawâf, via Jâbir; en in de twee rak‘a's van de fajr, via Aboe Hurayra) · Musnad Ahmad, at-Tirmidhî (hasan), Ibn Mâdja, an-Nasâ'î (via Mujâhid → Ibn ‘Umar) · Sahîh al-Bukhârî (uitleg van ‘voor jullie jullie godsdienst’) · Aboe Dâwûd & Ahmad (‘erfgenamen van twee verschillende godsdiensten erven niet van elkaar’, via ‘Amr ibn Shu‘ayb).

تَفْسِيرُ سُورَةِ قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ وَهِيَ مَكِّيَّةٌ [[بعدها في م: البسملة.]] . ثَبَتَ فِي صَحِيحِ مُسْلِمٍ، عَنْ جَابِرٍ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَرَأَ بِهَذِهِ السُّورَةِ، وَبِـ " قُلْ هُوَ اللَّهُ أَحَدٌ " فِي رَكْعَتِي الطَّوَافِ. [[صحيح مسلم برقم (١٢١٨) من حديث طويل وهو منسك جابر المشهور.]] وَفِي صَحِيحِ مُسْلِمٍ، مِنْ حَدِيثِ أَبِي هُرَيْرَةَ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَرَأَ بِهِمَا فِي رَكْعَتِي الْفَجْرِ. وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا وَكِيع، حَدَّثَنَا إِسْرَائِيلُ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ مُجَاهِدٍ، عَنِ ابْنِ عُمَرَ: أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَرَأَ فِي الرَّكْعَتَيْنِ قَبْلَ الْفَجْرِ وَالرَّكْعَتَيْنِ بَعْدَ الْمَغْرِبِ، بِضْعًا وَعِشْرِينَ مَرَّةً -أَوْ: بِضْعَ عَشْرَةَ مَرَّةً- " قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ " وَ " قُلْ هُوَ اللَّهُ أَحَدٌ ". [[المسند (٢/٢٤) .]] وَقَالَ أَحْمَدُ أَيْضًا: حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ الزُّبَيْرِ، حَدَّثَنَا إِسْرَائِيلُ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ مُجَاهِدٍ، عَنِ ابْنِ عُمَرَ قَالَ: رَمَقْتُ النَّبِيَّ ﷺ أَرْبَعًا وَعِشْرِينَ -أَوْ: خَمْسًا وَعِشْرِينَ-مَرَّةً، يَقْرَأُ فِي الرَّكْعَتَيْنِ قَبْلَ الْفَجْرِ، وَالرَّكْعَتَيْنِ بَعْدَ الْمَغْرِبِ بِ " قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ " وَ " قُلْ هُوَ اللَّهُ أَحَدٌ ". [[المسند (٢/٩٩) .]] وَقَالَ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا أَبُو أَحْمَدَ -هُوَ مُحَمَّدُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ الزُّبَيْرِ الزُّبَيْرِيُّ-حَدَّثَنَا سُفْيَانُ -هُوَ الثَّوْرِيُّ-عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ مُجَاهِدٍ، عَنِ ابْنِ عُمَرَ قَالَ: رَمقتُ النَّبِيَّ ﷺ شَهْرًا، وَكَانَ يَقْرَأُ فِي الرَّكْعَتَيْنِ قَبْلَ الْفَجْرِ بِـ " قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ " وَ " قُلْ هُوَ اللَّهُ أَحَدٌ ". وَكَذَا رَوَاهُ التِّرْمِذِيُّ وَابْنُ مَاجَهْ، مِنْ حَدِيثِ أَبِي أَحْمَدَ الزُّبَيْرِيِّ [[المسند (٢/٩٤) وسنن الترمذي برقم (٤١٧) وسنن ابن ماجة برقم (١١٤٩) .]] وَأَخْرَجَهُ النَّسَائِيُّ مِنْ وَجْهٍ آخَرَ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، بِهِ [[سنن النسائي (٢/١٧٠) .]] وَقَالَ التِّرْمِذِيُّ: هَذَا حَدِيثٌ حَسَنٌ. وَقَدْ تَقَدَّمَ فِي الْحَدِيثِ أَنَّهَا تَعْدِلُ رُبْعَ الْقُرْآنِ، وَ " إِذَا زُلْزِلَتِ " تَعْدِلُ رُبْعَ الْقُرْآنِ. وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا هَاشِمُ [[في أ: "هشيم".]] بْنُ الْقَاسِمِ، حَدَّثَنَا زُهَيْرٌ، حَدَّثَنَا أَبُو إِسْحَاقَ، عَنْ فروةَ ابْنِ نَوفل -هُوَ ابْنُ مُعَاوِيَةَ-عَنْ أَبِيهِ، أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ قَالَ لَهُ: "هَلْ لَكَ فِي رَبِيبَةٍ لَنَا تَكْفُلُهَا؟ " قَالَ: أَرَاهَا زَيْنَبَ. قَالَ: ثُمَّ جَاءَ فَسَأَلَهُ النَّبِيُّ ﷺ عَنْهَا، قَالَ: "مَا فَعَلَتِ الْجَارِيَةُ؟ " قَالَ: تَرَكْتُهَا عِنْدَ أُمِّهَا. قَالَ: "فَمَجِيءُ مَا جَاءَ بِكَ؟ " قَالَ: جِئْتُ لِتُعَلِّمَنِي شَيْئًا أَقُولُهُ عِنْدَ مَنَامِي. قَالَ: "اقْرَأْ: " قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ " ثُمَّ نَمْ عَلَى خَاتِمَتِهَا، فَإِنَّهَا براءة من الشرك". تفرد به أحمد. [[لم أقع عليه في المطبوع من المسند، وذكره الحافظ ابن حجر في أطراف المسند (٥/٤٢٥) .]] وَقَالَ أَبُو الْقَاسِمِ الطَّبَرَانِيُّ: حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ عَمرو الْقَطْرَانِيُّ، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ الطُّفَيْلِ، حَدَّثَنَا شَرِيكٌ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ جَبَلَةَ بْنِ حَارِثَةَ -وَهُوَ أَخُو زَيْدِ بْنِ حَارِثَةَ-أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: "إذا أَوَيْتَ إِلَى فِرَاشِكَ فَاقْرَأْ: " قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ " حَتَّى تَمُرَّ بِآخِرِهَا، فَإِنَّهَا بَرَاءَةٌ مِنَ الشَّرَكِ" [[المعجم الكبير (٢/٢٨٧) ، وقال الهيثمي في المجمع (١٠/١٢١) : "رجاله وثقوا".]] [وَاللَّهُ أَعْلَمُ وَهُوَ حَسْبِي وَنِعْمَ الْوَكِيلُ] . [[زيادة من أ.]] وَقَالَ الْإِمَامُ أَحْمَدُ: حَدَّثَنَا حَجَّاجٌ، حَدَّثَنَا شَرِيكٌ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، عَنْ فَرْوَةَ بْنِ نَوْفَلٍ، عَنِ الْحَارِثِ بْنِ جَبَلَةَ قَالَ: قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللَّهِ، عَلِمْنِي شَيْئًا أَقُولُهُ عِنْدَ مَنَامِي. قَالَ: "إِذَا أَخَذْتَ مضجعَك مِنَ اللَّيْلِ فَاقْرَأْ: " قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ " فَإِنَّهَا بَرَاءَةٌ مِنَ الشِّرْكِ". [[لم أقع عليه في المطبوع من المسند، وذكره الحافظ ابن حجر في أطراف المسند (٢/٢٢٠) .]] وَرَوَى الطَّبَرَانِيُّ مِنْ طَرِيقِ شَرِيكٍ، عَنْ جَابِرٍ [[وقع في المعجم الكبير: "عن شريك وجابر" مقرونا وهو خطأ، والصواب ما أثبتناه.]] عَنْ مَعْقِلٍ الزُّبَيْدِيِّ، عَنْ [عَبَّادٍ أَبِي الْأَخْضَرِ عَنْ خَبَّابٍ] [[زيادة من المعجم الكبير (٤/٨١) .]] أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ كَانَ إِذَا أَخَذَ مَضْجَعَهُ قَرَأَ: " قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ " حَتَّى يَخْتِمَهَا [[المعجم الكبير (٤/٨١) ورواه البزار في مسنده برقم (٣١١٣) "كشف الأستار"، وقال الهيثمي في المجمع (١٠/١٢١) : "وفيه جابر الجعفي، وهو ضعيف".]] . بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ * * هَذِهِ السُّورَةُ سُورَةُ الْبَرَاءَةِ مِنَ الْعَمَلِ الَّذِي يَعْمَلُهُ الْمُشْرِكُونَ، وَهِيَ آمِرَةٌ بِالْإِخْلَاصِ فِيهِ، فَقَوْلُهُ: ﴿قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ﴾ شَمِلَ كُلَّ كَافِرٍ عَلَى وَجْهِ الْأَرْضِ، وَلَكِنَّ الْمُوَاجَهِينَ [[في أ: "ولكن المواجهون".]] بِهَذَا الْخِطَابِ هُمْ كفارُ قُرَيْشٍ. وَقِيلَ: إِنَّهُمْ مِنْ جَهْلِهِمْ دَعَوا رَسُولَ اللَّهِ ﷺ إِلَى عِبَادَةِ أَوْثَانِهِمْ سَنَةً، وَيَعْبُدُونَ مَعْبُودَهُ سَنَةً، فَأَنْزَلَ اللَّهُ هَذِهِ السُّورَةَ، وَأَمَرَ رَسُولَهَ ﷺ فِيهَا أَنْ يَتَبَرَّأَ مِنْ دِينِهِمْ بِالْكُلِّيَّةِ، فَقَالَ: ﴿لَا أَعْبُدُ مَا تَعْبُدُونَ﴾ يَعْنِي: مِنَ الْأَصْنَامِ وَالْأَنْدَادِ، ﴿وَلا أَنْتُمْ عَابِدُونَ مَا أَعْبُدُ﴾ وَهُوَ اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ. فَ "مَا" هَاهُنَا بِمَعْنَى "مَنْ". ثُمَّ قَالَ: ﴿وَلا أَنَا عَابِدٌ مَا عَبَدْتُمْ وَلا أَنْتُمْ عَابِدُونَ مَا أَعْبُدُ﴾ أَيْ: وَلَا أَعْبُدُ عِبَادَتَكُمْ، أَيْ: لَا أَسْلُكُهَا وَلَا أَقْتَدِي بِهَا، وَإِنَّمَا أَعْبُدُ اللَّهَ عَلَى الْوَجْهِ الَّذِي يُحِبُّهُ وَيَرْضَاهُ؛ وَلِهَذَا قَالَ: ﴿وَلا أَنْتُمْ عَابِدُونَ مَا أَعْبُدُ﴾ أَيْ: لَا تَقْتَدُونَ بِأَوَامِرَ اللَّهِ وَشَرْعِهِ فِي عِبَادَتِهِ، بَلْ قَدِ اخْتَرَعْتُمْ شَيْئًا مِنْ تِلْقَاءِ أَنْفُسِكُمْ، كَمَا قَالَ: ﴿إِنْ يَتَّبِعُونَ إِلا الظَّنَّ وَمَا تَهْوَى الأنْفُسُ وَلَقَدْ جَاءَهُمْ مِنْ رَبِّهِمُ الْهُدَى﴾ [النَّجْمِ: ٢٣] فَتَبَرَّأَ مِنْهُمْ فِي جَمِيعِ مَا هُمْ فِيهِ، فَإِنَّ الْعَابِدَ لَا بُدَّ لَهُ مِنْ مَعْبُودٍ يَعْبُدُهُ، وعبادة [[في م: "وعبادته".]] يَسْلُكُهَا إِلَيْهِ، فَالرَّسُولُ وَأَتْبَاعُهُ يَعْبُدُونَ اللَّهَ بِمَا شَرَعَهُ؛ وَلِهَذَا كَانَ كَلِمَةُ الْإِسْلَامِ "لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ مُحَمَّدٌ رَسُولُ اللَّهِ" أَيْ: لَا مَعْبُودَ إِلَّا اللَّهُ وَلَا طَرِيقَ إِلَيْهِ إِلَّا بِمَا جَاءَ بِهِ الرَّسُولُ ﷺ، وَالْمُشْرِكُونَ يَعْبُدُونَ غَيْرَ اللَّهِ عِبَادَةً لَمْ يَأْذَنْ بِهَا اللَّهُ؛ وَلِهَذَا قَالَ لَهُمُ الرَّسُولُ ﷺ: ﴿لَكُمْ دِينُكُمْ وَلِيَ دِينِ﴾ كَمَا قَالَ تَعَالَى: ﴿وَإِنْ كَذَّبُوكَ فَقُلْ لِي عَمَلِي وَلَكُمْ عَمَلُكُمْ أَنْتُمْ بَرِيئُونَ مِمَّا أَعْمَلُ وَأَنَا بَرِيءٌ مِمَّا تَعْمَلُونَ﴾ [يُونُسَ:٤١] وَقَالَ: ﴿لَنَا أَعْمَالُنَا وَلَكُمْ أَعْمَالُكُمْ﴾ [الْقَصَصِ: ٥٥] . وَقَالَ الْبُخَارِيُّ: يُقَالُ: ﴿لَكُمْ دِينَكُمْ﴾ الْكَفْرُ، ﴿وَلِيَ دِينِ﴾ الْإِسْلَامُ. وَلَمْ يَقُلْ: "دِينِي" لِأَنَّ الْآيَاتِ بِالنُّونِ، فَحُذِفَ الْيَاءُ، كَمَا قَالَ: ﴿فَهُوَ يَهْدِينِ﴾ [الشُّعَرَاءِ: ٧٨] وَ ﴿يَشْفِينِ﴾ [الشُّعَرَاءِ:٨٠] وَقَالَ غَيْرُهُ: لَا أَعْبُدُ مَا تَعْبُدُونَ الْآنَ، وَلَا أُجِيبُكُمْ فِيمَا بَقِيَ مِنْ عُمُرِي، وَلَا أَنْتُمْ عَابِدُونَ مَا أَعْبُدُ، وَهُمُ الَّذِينَ قَالَ: ﴿وَلَيَزِيدَنَّ كَثِيرًا مِنْهُمْ مَا أُنزلَ إِلَيْكَ مِنْ رَبِّكَ طُغْيَانًا وَكُفْرًا﴾ [الْمَائِدَةِ: ٦٤] . انْتَهَى مَا ذَكَرَهُ. [[صحيح البخاري (٨/٧٣٣) "فتح".]] وَنَقَلَ ابْنُ جَرِيرٍ عَنْ بَعْضِ أَهْلِ الْعَرَبِيَّةِ أَنَّ ذَلِكَ مِنْ بَابِ التَّأْكِيدِ، كَقَوْلِهِ: ﴿فَإِنَّ مَعَ الْعُسْرِ يُسْرًا إِنَّ مَعَ الْعُسْرِ يُسْرًا﴾ [الشَّرْحِ: ٥، ٦] وَكَقَوْلِهِ: ﴿لَتَرَوُنَّ الْجَحِيمَ ثُمَّ لَتَرَوُنَّهَا عَيْنَ الْيَقِينِ﴾ [التَّكَاثُرِ: ٦، ٧] وَحَكَاهُ بَعْضُهُمْ -كَابْنِ الْجَوْزِيِّ، وَغَيْرِهِ-عَنِ ابْنِ قُتَيْبَةَ، فَاللَّهُ أَعْلَمُ. فَهَذِهِ ثَلَاثَةُ أَقْوَالٍ: أَوَّلُهَا مَا ذَكَرْنَاهُ أَوَّلًا. الثَّانِي: مَا حَكَاهُ الْبُخَارِيُّ وَغَيْرُهُ مِنَ الْمُفَسِّرِينَ أَنَّ الْمُرَادَ: ﴿لَا أَعْبُدُ مَا تَعْبُدُونَ وَلا أَنْتُمْ عَابِدُونَ مَا أَعْبُدُ﴾ فِي الْمَاضِي، ﴿وَلا أَنَا عَابِدٌ مَا عَبَدْتُمْ وَلا أَنْتُمْ عَابِدُونَ مَا أَعْبُدُ﴾ فِي الْمُسْتَقْبَلِ. الثَّالِثُ: أَنَّ ذَلِكَ تَأْكِيدٌ مَحْضٌ. وَثَمَّ قَوْلٌ رَابِعٌ، نَصَرَهُ أَبُو الْعَبَّاسِ بْنُ تَيمية فِي بَعْضِ كُتُبِهِ، وَهُوَ أَنَّ الْمُرَادَ بِقَوْلِهِ: ﴿لَا أَعْبُدُ مَا تَعْبُدُونَ﴾ نَفْيُ الْفِعْلِ لِأَنَّهَا جُمْلَةٌ فِعْلِيَّةٌ، ﴿وَلا أَنَا عَابِدٌ مَا عَبَدْتُمْ﴾ نَفْيُ قَبُولِهِ لِذَلِكَ بِالْكُلِّيَّةِ؛ لِأَنَّ النَّفْيَ بِالْجُمْلَةِ الِاسْمِيَّةِ آكَدُ فَكَأَنَّهُ نَفَى الْفِعْلَ، وَكَوْنُهُ قَابِلًا لِذَلِكَ وَمَعْنَاهُ نَفْيُ الْوُقُوعِ وَنَفْيُ الْإِمْكَانِ الشَّرْعِيِّ أَيْضًا. وَهُوَ قَوْلٌ حَسَنٌ أَيْضًا، وَاللَّهُ أَعْلَمُ. وَقَدِ اسْتَدَلَّ الْإِمَامُ أَبُو عَبْدِ اللَّهِ الشَّافِعِيُّ وَغَيْرُهُ بِهَذِهِ الْآيَةِ الْكَرِيمَةِ: ﴿لَكُمْ دِينُكُمْ وَلِيَ دِينِ﴾ عَلَى أَنَّ الْكُفْرَ كُلَّهُ مِلَّةٌ وَاحِدَةٌ تُورِثُهُ [[في م: "فورت".]] الْيَهُودُ مِنَ النَّصَارَى، وَبِالْعَكْسِ؛ إِذَا كَانَ بَيْنَهُمَا نَسَبٌ أَوْ سَبَبٌ يُتَوَارَثُ بِهِ؛ لِأَنَّ الْأَدْيَانَ -مَا عَدَا الْإِسْلَامِ-كُلَّهَا كَالشَّيْءِ الْوَاحِدِ فِي الْبُطْلَانِ. وَذَهَبَ أَحْمَدُ بْنُ حَنْبَلٍ وَمَنْ وَافَقَهُ إِلَى عَدَمِ تَوْرِيثِ النَّصَارَى مِنَ الْيَهُودِ وَبِالْعَكْسِ؛ لِحَدِيثِ عَمْرِو بْنِ شُعَيْبٍ، عَنْ أَبِيهِ، عَنْ جَدِّهِ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وسلم: "لا يَتَوَارَثُ أَهْلُ مِلَّتَيْنِ شَتَّى". [[رواه أحمد في المسند (٢/١٩٥) وأبو داود في السنن برقم (٢٩١١) .]] آخِرُ تَفْسِيرِ سُورَةِ "قُلْ يَا أَيُّهَا الْكَافِرُونَ" وَلِلَّهِ الْحَمْدُ وَالْمِنَّةُ.

Tafsîr Ibn al-Qayyim

Tafsîr Ibn al-Qayyim — Sûrat al-Kâfirûn (fasl met elf masâ'il over de soera) · het hoofdstuk ‘is de ongeloof één godsdienst (milla)?’ (o.a. al-Baqara 2:120; an-Nahl/al-An‘âm 6:153; al-Baqara 2:257; al-Mu'minûn 23:52-53) · de overlevering van Ibn Mas‘ûd over ‘het pad van Allah en de zijwegen’.

(فصل) وأما قوله عز وجل: ﴿لا أعْبُدُ ما تَعْبُدُونَ ولا أنْتُمْ عابِدُونَ ما أعْبُدُ﴾ فإن «ما» على بابها لأنها واقعة على معبوده ﷺ على الإطلاق، لأن امتناعهم من عبادة الله ليس لذاته، بل كانوا يظنون أنهم يعبدون الله، ولكنهم كانوا جاهلين به. فقوله: ﴿وَلا أنْتُمْ عابِدُونَ ما أعْبُدُ﴾ أي لا أنتم تعبدون معبودي. ومعبوده هو كان ﷺ عارفا به دونهم، وهم جاهلون به. هذا جواب بعضهم. وقال آخرون: إن «ما» هنا مصدرية. لا موصولة، أي لا تعبدون عبادتي. ويلزم من تبرئتهم من عبادته تبرئتهم من المعبود، لأن العبادة متعلقة به، وليس هذا بشيء. إذ المقصود: براءته من معبوديهم، وإعلامه أنهم بريئون من معبوده تعالى. فالمقصود المعبود لا العبادة. وقيل: إنهم كانوا يقصدون مخالفته ﷺ حسدا له، وأنفة من أتباعه. فهم لا يعبدون معبوده لا كراهية لذات المعبود، ولكن كراهية لاتباعه ﷺ، وحرصا على مخالفته في العبادة. وعلى هذا لا يصح في النظم البديع والمعنى الرفيع إلا لفظ «ما» لإبهامها ومطابقتها الغرض الذي تضمنته الآية. وقيل في ذلك وجه رابع، وهو: قصد ازدواج الكلام في البلاغة والفصاحة مثل قوله: نَسُوا اللَّهَ فَنَسِيَهم وفَمَنِ اعْتَدى عَلَيْكم فاعْتَدُوا عَلَيْهِ فكذلك ﴿لا أعْبُدُ ما تَعْبُدُونَ﴾ ومعبودهم لا يعقل. ثم ازدوج مع هذا الكلام قوله ﴿وَلا أنْتُمْ عابِدُونَ ما أعْبُدُ﴾ فاستوى اللفظان، وإن اختلف المعنيان، ولهذا لا يجيء في الأفراد مثل هذا، بل لا يجيء إلا «من» كقوله ﴿أمَّنْ يَهْدِيكم في ظُلُماتِ البَرِّ والبَحْرِ﴾ ﴿قُلْ مَن يَرْزُقُكُمْ﴾ ﴿أمَّنْ يَمْلِكُ السَّمْعَ والأبْصارَ﴾ ﴿أمَّنْ يَهْدِيكم في ظُلُماتِ البَرِّ والبَحْرِ﴾، ﴿أمَّنْ يُجِيبُ المُضْطَرَّ إذا دَعاهُ﴾، ﴿أمَّنْ يَبْدَؤُا الخَلْقَ﴾ إلى أمثال ذلك. وعندي فيه وجه خامس، أقرب من هذا وهو: أن المقصود هنا ذكر المعبود الموصوف بكونه أهلا للعبادة مستحقا لها، فأتى ب «ما» الدالة على هذا المعنى. كأنه قيل: ولا أنتم عابدون معبودي الموصوف بأنه المعبود الحق. ولو أتى بلفظة «من» لكانت إنما تدل على الذات فقط، ويكون ذكر الصلة تعريفا، لا أنه هو جهة العبادة. ففرق بين أن يكون كونه تعالى أهلا لأن يعبد، وبين أن يكون تعريفا محضا أو وصفا مقتضيا لعبادته. فتأمله فإنه بديع جدا. وهذا معنى قوله النحاة: إن «ما» تأتي لصفات من يعلم. ونظيره فانْكِحُوا ما طابَ لَكم مِنَ النِّساءِ لما كان المراد الوصف، وأن السبب الداعي إلى الأمر بالنكاح، وقصده - وهو الطيب - فتنكح المرأة الموصوفة به: أتى ب «ما» دون «من»، وهذا باب لا ينخرم، وهو من ألطف مسالك العربية. وإذا قد أفضى الكلام بنا إلى هنا، فلنذكر فائدة ثانية على ذلك، وهي تكرير الأفعال في هذه السورة. ثم فائدة ثالثة، وهي كونه كرر الفعل في حق نفسه بلفظ المستقبل في الموضعين، وأتى في حقهم بالماضي. ثم فائدة رابعة، وهي أنه جاء في نفي عبادة معبودهم بلفظ الفعل المستقبل، وجاء في نفي عبادتهم معبوده باسم الفاعل. ثم فائدة خامسة: وهي كون إيراده النفي هنا ب «لا» دون «لن». ثم فائدة سادسة، وهي: أن طريقة القرآن في مثل هذا أن يقرن النفي بالإثبات فينفي عبادة ما سوى الله ويثبت عبادته، وهذا هو حقيقة التوحيد. والنفي المحض ليس بتوحيد. وكذلك الإثبات بدون النفي. فلا يكون التوحيد إلا متضمنا للنفي والإثبات، وهذا حقيقة «لا إله إلا الله». فلم جاءت هذه السورة بالنفي المحض، وما سر ذلك؟ وفائدة سابعة، وهي: ما حكمة تقديم نفي عبادته عن معبودهم ثم نفي عبادتهم عن معبوده؟ وفائدة ثامنة، وهي: أن طريقة القرآن إذا خاطب الكفار أن يخاطبهم بالذين كفروا، والذين هادوا، كقوله: يا أيُّها الَّذِينَ كَفَرُوا لا تَعْتَذِرُوا اليَوْمَ قُلْ يا أيُّها الَّذِينَ هادُوا إنْ زَعَمْتُمْ أنَّكم أوْلِياءُ لِلَّهِ ولم يجئ: يا أيُّها الكافِرُونَ إلا في هذا الموضع، فما وجه هذا الاختصاص؟