﴿ ١ ﴾
بِّسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلتِّينِ وَٱلزَّيْتُونِ
Wat teeni waz zaitoon
95:1Bij de vijg en de olijf.
Uitleg & tafsir
In helder Nederlands
De soera opent niet met een gebod maar met een eed — en wel bij twee bomen: de vijg en de olijf. Geen gewone bomen: het zijn vrucht én voedsel én geneesmiddel, en hun grond is het heilige land waar ‘Îsâ werd gezonden. God zweert bij wat Hij zelf eerwaardig maakte, om de aandacht te richten op wat volgt.
Wat de geleerden zeggen
as-Sa'dî
{De vijg} is de bekende vijg, en zo ook {de olijf}. Hij zwoer bij deze twee bomen vanwege de vele baten van hun boom en hun vrucht, en omdat hun rijk ligt in het land van Shâm, de plaats van het profeetschap van ‘Îsâ, de zoon van Maryam, vrede zij met hem.
Ibn Kathîr
De Profeet ﷺ reciteerde op reis in een van de twee gebedseenheden {Bij de vijg en de olijf}, en al-Barâ' ibn ‘Âzib zei: “Ik heb nooit iemand met een mooiere stem of recitatie dan hem gehoord.” (De groep — al-Bukhârî, Muslim, Aboe Dâwûd, at-Tirmidhî, an-Nasâ'î en Ibn Mâdja — heeft het opgetekend.) Over {de vijg} verschilden de uitleggers in vele uitspraken. Al-‘Awfî leverde over van Ibn ‘Abbâs dat ermee de moskee van Nûh bedoeld is die op de berg al-Djûdî werd gebouwd; en al-Qurtubî zei: het is de moskee van de Lieden van de Grot. Mudjâhid zei: “Het is deze vijg van jullie.”
Ibn al-Qayyim
Tot Zijn eden behoort: {Bij de vijg en de olijf, en de berg Sinaï, en deze veilige stad}. Hij zwoer bij deze drie geweldige plaatsen, die de plaatsen van openbaring zijn van Zijn profeten en boodschappers — de dragers van de grote wetten en de talrijke gemeenschappen. Met ‘de vijg en de olijf’ zijn de twee bekende bomen zelf bedoeld én hun grond, namelijk het land van Jeruzalem, want dat is van alle streken het rijkst aan olijven en vijgen. Een groep uitleggers zei dat Hij bij deze twee soorten vrucht zwoer vanwege hun voortreffelijkheid: de vijg is een vrucht zonder bijsmaak en zonder pit, ter grootte van een hap, tegelijk vrucht, voedsel, kost en toespijs; zij gaat in geneesmiddelen, haar gesteldheid is van de meest evenwichtige, haar aard is de aard van het leven — warmte en vocht — en zij behoort tot wat het hart verblijdt. De olijf draagt tekenen die duidelijk zijn voor wie nadenkt: zijn tak brengt een vrucht voort waaruit deze olie wordt geperst die de stof van het licht is, en spijs, geur en geneesmiddel; zijn boom blijft jarenlang bestaan en zijn blad valt niet af. En dit belet niet dat ook hun grond bedoeld is, want de bodem van deze twee bomen verdient het tot de voortreffelijke, eerwaardige streken te behoren — de plaats van openbaring van Allahs dienaar, boodschapper, Woord en Geest, ‘Îsâ de zoon van Maryam.